Opkomst van de textielindustrie in Aalten

In 1826 kwam Anton Driessen vanuit Bocholt naar Aalten. Vanuit de bestaande huisweverij groeide daarna een omvangrijke textielindustrie.

HDZ - Opzetten kettingdraden van spoelen
Opzetten kettingdraden van spoelen

De textielnijverheid in Aalten wortelde diep in de eeuwenoude traditie van huisweverij en vlasbewerking. In 1826 kwam Anton Driessen vanuit Bocholt naar Aalten om hier een textielonderneming te vestigen. In de decennia daarna groeide de bestaande huisnijverheid uit tot een omvangrijke industrie.

Eeuwenlang werd in de Achterhoek en het aangrenzende Westfalen vlas verbouwd, waarvan op boerderijen linnen werd geweven. Deze huisnijverheid leidde tot een levendige grensoverschrijdende handel in geweven stoffen.

Tal van Aaltense boerderij- en straatnamen herinneren nog aan deze tijd, bijvoorbeeld: de Weversborg, de Pellewever, de Bleeke, de Vlasspreideweg en – vanwege het zuivere water – de Zilverbekendijk.

De komst van de Driessens

De verhoging van de Nederlandse invoerrechten op buitenlandse stoffen maakte de export vanuit Bocholt minder aantrekkelijk. Anton Driessen en zijn broer Joseph, firmanten van Gebrüder Driessen, vroegen daarom in 1826 toestemming om in Aalten een textielbedrijf te vestigen. Anton verhuisde dat jaar naar Aalten; Joseph bleef in Bocholt. Niet veel later kreeg ook hun neef Heinrich Driessen, van de firma Peter Driessen & Sohn, toestemming om zich in Aalten te vestigen.

In 1826 kwamen ook 56 weefgetouwen en ongeveer twintig gezinnen uit Pruisen naar Aalten. De meesten vestigden zich hier permanent.

Groei van werkgelegenheid

Het aantal thuiswevers groeide gestaag. Bedroeg het aantal in 1828 nog 292, een jaar later was dit gestegen tot 352 en over 1833 wordt vermeld: ‘De bombazijnfabrieken sterk voortgezet, houdende de fabrieken in Aalten volgens opgaaf gewoonlijk bezig ongeveer 630 wevers. Zo in deze als in de omliggende gemeenten Winterswijk, Dinxperlo, Varsseveld, Lichtenvoorde, enz.’

Vlas spinnen
Het spinnen van vlas op het spinnewiel

De eerste fabrieken

In 1829 waren er in Aalten twee katoenspinnerijen ‘welke omstreeks 40 menschen werk verschaffen’, waaronder die van de gebroeders Driessen. In 1830 waren het er drie, met ongeveer zestig werknemers.

Op 15 augustus 1829 had Jan Gerard Kraak ten Houten ‘gepatenteerd winkelier en koopman te Aalten’ aan de gouverneur van Gelderland te kennen gegeven in zijn woonplaats te willen oprichten ‘een bombazijnfabriek, spinnerij, verwerij en bleekerij’ waarvoor hij toestemming vraagt. De gemeenteraad heeft geen bezwaren tegen deze vestiging, ‘in aanmerking nemende dat het voornemen van den rekwestrant is om alleen bombazijn te doen fabriceeren door de wevers aan de huizen, zonder een spinnerij, bleekerij of verwerij op te rigten. Daardoor wordt genoegzaam werk aan den ambachtsman verzekerd’, terwijl er geen andere belangen worden geschaad. Uiteindelijk moest de koning daarover beslissen. Door alle raadgevers was een gunstig advies gegeven. Hoe lang dit bedrijf heeft bestaan en waar het was gevestigd, is niet bekend.

Van huisnijverheid naar fabrieksindustrie

De ontwikkeling naar een fabrieksindustrie verliep geleidelijk. Ook na 1830 bleef een belangrijk deel van het weven in de huizen van thuiswevers plaatsvinden, terwijl spinnerijen en andere onderdelen van het productieproces steeds meer werden geconcentreerd. Rond 1856 werden de Driessen-spinnerijen en -weverij van stoomaandrijving voorzien.

Daarmee begon een nieuwe fase. De familie Driessen bleef lange tijd bepalend voor de Aaltense textielnijverheid, waarna ook andere bedrijven een plaats kregen in het lokale industrielandschap. De textielsector bleef tot ver in de twintigste eeuw van betekenis voor de werkgelegenheid in Aalten.

Bronnen

  • Geweven goed, de textielgeschiedenis van Aalten en BredevoortH. de Beukelaer, J.G. ter Horst – Fagus, 1992