Aalten vóór 828

Lang vóór de eerste mogelijke schriftelijke vermelding waren in het gebied van Aalten al mensen actief. Archeologische vondsten voeren die geschiedenis terug tot de laatste ijstijd.

Riembeslag, gevonden aan de Damstraat in Aalten
Riembeslag, gevonden in de Damstraat

De geschiedenis van Aalten begint niet met een oorkonde. Lang voordat in 828 de naam Aladna werd opgeschreven, waren in het gebied van de huidige gemeente al mensen actief. Archeologische vondsten voeren die geschiedenis terug tot het einde van de laatste ijstijd.

Dat betekent niet dat hier vanaf de steentijd onafgebroken één dorp heeft gelegen. Het landschap werd in verschillende perioden opnieuw gebruikt: eerst door rondtrekkende jagers en verzamelaars, later door boeren en uiteindelijk door bewoners van vroegmiddeleeuwse nederzettingen. De bodem bewaart daarvan losse hoofdstukken.

Jagers aan het einde van de ijstijd

De oudste bekende sporen van menselijke aanwezigheid binnen de gemeente Aalten stammen uit het Laat-Paleolithicum, aan het einde van de laatste ijstijd. Archeoloog Peter Schut beschreef twee vindplaatsen die aan de zogenoemde Tjongercultuur worden toegeschreven, tegenwoordig meestal Federmessercultuur genoemd.

Op de ene plek werd een kleine vuurstenen schrabber gevonden, samen met afslagen. Op een andere plaats kwamen een Tjongerspits en andere bewerkte stukken vuursteen aan het licht. Zulke vondsten passen bij rondtrekkende jagers en verzamelaars die tijdelijk in het gebied verbleven. Van echte nederzettingen uit deze periode is geen sprake.

Van jagers naar boeren

Ook uit de Midden- en Nieuwe Steentijd zijn in en rond Aalten vondsten bekend. Vanaf het Neolithicum veranderde de manier waarop mensen het landschap gebruikten: landbouw en veeteelt kregen een steeds belangrijkere plaats en mensen bleven langer op dezelfde plek.

De archeologische inventarisatie van de gemeente bevat verschillende neolithische vindplaatsen. Ook bij het onderzoek op De Hoven kwam in 2024 een vuurstenen schrabber aan het licht die rond 4000 voor Christus wordt gedateerd. Dat voorwerp lag duizenden jaren ouder dan de vroegmiddeleeuwse bewoningssporen die op hetzelfde terrein werden onderzocht.

Uit de Vroege Bronstijd zijn eveneens sporen bekend, waaronder nederzettingsmateriaal en een bronzen speerpunt. Naarmate we dichter bij het einde van de Bronstijd komen, wordt het archeologische beeld duidelijker.

Het urnenveld van Barlo

Een van de belangrijkste prehistorische vindplaatsen ligt in Barlo. Bij boerderij De Kamp werden in de twintigste eeuw meerdere urnen en andere resten gevonden. Het terrein bevat sporen van een urnenveld uit de Late Bronstijd en Vroege IJzertijd.

De doden werden in deze periode gecremeerd. De verbrande resten konden in een urn of rechtstreeks in de grond worden bijgezet, vaak onder een kleine grafheuvel en dicht bij eerdere graven. Het Barlose terrein is van nationaal belang en werd in 2003 aangewezen als archeologisch rijksmonument.

Ook elders in de gemeente zijn vondsten uit de IJzertijd gedaan. Bij de Ringkampsbulten werd in 1932 zelfs gedacht dat een opvallende verhoging een prehistorische grafheuvel was. Onderzoek door Albert Egges van Giffen wees uit dat de ringwal zelf natuurlijk was. Vlakbij werd wél een graf uit de La Tène-periode vastgesteld.

Een rijk graf aan de Damstraat

Voor de ontstaansgeschiedenis van het latere Aalten zijn vooral de vroegmiddeleeuwse vondsten belangrijk. Aan de huidige Damstraat kwamen vanaf de late negentiende eeuw verschillende graven en grafgiften aan het licht.

Bij onderzoek in 1932 werd een uitzonderlijk rijk graf gevonden met onder meer een zwaard, schildknop, stijgbeugels en een versierd gordelgarnituur. Vergelijkend archeologisch onderzoek dateert dat gordelbeslag rond het midden van de 7e eeuw. De uitrusting wijst erop dat hier iemand van aanzien werd begraven.

Dat graf is belangrijk omdat het bewijst dat er ruim vóór 828 mensen in de directe omgeving van de huidige dorpskern leefden. Het vertelt niet hoe groot die gemeenschap was, maar het maakt duidelijk dat het gebied in de vroege middeleeuwen geen lege plek was.

Bewoning op De Hoven

Op De Hoven, op korte afstand van het grafveld, zijn vanaf 1982 verschillende vroegmiddeleeuwse bewoningssporen onderzocht. Daarbij werden resten van hutkommen gevonden: gedeeltelijk ingegraven gebouwtjes die vooral als werk- of opslagruimte werden gebruikt.

Een tweede hutkom, ontdekt in 1992, wordt waarschijnlijk in de 8e eeuw gedateerd. Vondsten wijzen erop dat daar werd geweven. Bij nieuw onderzoek in 2024 kwamen opnieuw hutkommen, paalsporen, aardewerk en sporen van ambachtelijke activiteiten aan het licht, waaronder ijzerslakken en weefgewichten.

De combinatie van het grafveld aan de Damstraat en de bewoningssporen op De Hoven maakt aannemelijk dat in dit deel van het huidige Aalten in de vroege middeleeuwen een nederzetting lag. Hoe die nederzetting heette, weten we uit de archeologie vanzelfsprekend niet.

En dan verschijnt Aladna

Op 7 februari 828 wordt in een oorkonde een plaats Aladna genoemd. De identificatie van Aladna met Aalten is aannemelijk, maar niet onomstreden. Archeologie kan die discussie niet beslissen.

Wat de vondsten wél laten zien, is dat een plaats of nederzetting in deze omgeving in 828 historisch goed denkbaar is. Mensen gebruikten het Aaltense landschap al duizenden jaren en in de eeuwen direct vóór 828 zijn zowel begravingen als bewoning in de buurt van de latere dorpskern aantoonbaar.

Daarmee vormt 828 geen beginpunt van menselijke aanwezigheid, maar het moment waarop archeologie en schriftelijke geschiedenis elkaar voor het eerst mogelijk raken.

Bronnen