Verdrag van Wesel (1326)

Het Verdrag van Wesel beëindigde in 1326 de strijd tussen Gelre en Münster rond Bredevoort en bracht de burcht en de gerichten van Aalten, Dinxperlo en Winterswijk duurzaam in de Gelderse invloedssfeer.

De heerlijkheid Lohn rond 1250, voordat het gebied in 1316 uiteenviel – © Günter Seggebäing, CC BY-SA 3.0
De heerlijkheid Lohn rond 1250, voordat het gebied in 1316 uiteenviel – © Günter Seggebäing, CC BY-SA 3.0

Op 28 juni 1326 kwam in Wesel een einde aan de jarenlange strijd tussen Gelre en Münster rond Bredevoort. De burcht Bredevoort kwam aan de graaf van Gelre. Omdat de bisschop van Münster een vergoeding van 3500 mark niet kon opbrengen, verpandde hij bovendien de gerichten van Winterswijk, Aalten en Dinxperlo en een vrijgraafschap aan Gelre. Daarmee kreeg de Gelderse invloed in de oostelijke Achterhoek een blijvend karakter.

De regeling van 1326 was een beslissende stap in de langdurige aansluiting van Bredevoort en de omliggende gerichten bij Gelre. De huidige landsgrens ontstond daarmee niet in één keer, maar de machtsverhoudingen die toen werden vastgelegd werkten eeuwenlang door. Na het overlijden van de laatste graaf van Lohn in 1316 ontstond strijd over diens nalatenschap en vooral over de strategische burcht van Bredevoort. Gelre en Münster hadden in dit grensgebied al langer overlappende rechten en belangen.

Het vacuüm na Lohn

De burcht van Bredevoort was destijds al een brandhaard. De helft ervan was sinds 1284 in handen van het bisdom Münster; de andere helft werd in 1316 geërfd door Otto van Ahaus. Troepen van de bisschop van Münster, Lodewijk II, bezetten direct het gehele kasteel. Hoewel de Gelderse graaf Reinoud I ook aanspraak maakte op het gebied, greep hij niet meteen militair in. Hij sloot een driejarige wapenstilstand. Pas onder zijn opvolger, Reinald II, escaleerde het conflict tot een ware statusoorlog, waarbij Gelre actieve steun kreeg van graaf Willem III van Holland.

In 1322 wist Reinald II kasteel Bredevoort in handen te krijgen. Het conflict beperkte zich daarna niet tot de burcht: Gelderse en Münsterse strijdkrachten trokken door het grensgebied en richtten daarbij over en weer schade aan.

De strijd escaleert

Op 23 maart 1323 brachten burgers uit Borken een Gelderse strijdmacht bij Letter Brock, in de omgeving van Coesfeld, een zware nederlaag toe. Over de precieze aantallen slachtoffers en gevangenen verschillen latere beschrijvingen. Zeker is dat de nederlaag de ernst van de strijd in het Westmünsterland duidelijk maakte.

Kort daarna keerde het krijgsgeluk. Bisschop Lodewijk II van Münster werd in 1323 gevangengenomen door graaf Engelbert II van der Mark, die aan Gelderse zijde stond. Later dat jaar kwam de bisschop weer vrij. De gevangenschap verzwakte zijn positie, maar maakte geen einde aan het conflict rond Bredevoort.

Op 1 september 1323 stonden de legers bij Coesfeld opnieuw tegenover elkaar. Een grote veldslag bleef uit doordat koning Jan van Bohemen en graaf Willem III van Holland tussenbeide kwamen. Bisschop Jan van Utrecht kreeg vervolgens de taak in het conflict te bemiddelen. Hij kende Bredevoort aan de graaf van Gelre toe tegen een vergoeding van 500 mark aan bisschop Lodewijk, maar liet verschillende andere geschilpunten onbeslist.

De bemiddeling bracht geen duurzame vrede. In 1324 laaide de strijd opnieuw op. Gelderse troepen vielen Vreden aan en richtten daar grote schade aan, terwijl Münster Bermentfelde in handen kreeg. Ook daarna bleven de partijen tegenover elkaar staan.

De arbitrage bracht geen duurzame vrede. De strijd ging in 1325 verder en bisschop Lodewijk becijferde de door Gelderse acties veroorzaakte schade in april van dat jaar op 3000 mark. Nieuwe pogingen tot arbitrage volgden, maar pas in 1326 kwam een definitieve regeling tot stand.

Het Verdrag van Wesel (1326)

In 1326 werd opnieuw onderhandeld. Graaf Diederik IX van Kleef en zijn broer Johan, domdeken van Keulen, kregen de beslissing in handen en kwamen in Wesel tot een regeling die de Bredevoorter Fehde beëindigde.

Bij de regeling kwam de burcht Bredevoort zonder vergoeding aan Reinald II van Gelre. Reinald moest Bermentfelde teruggeven aan Münster. Daartegenover stond een vergoeding van 3500 mark die Münster aan Gelre moest betalen.

Bisschop Lodewijk kon de 3500 mark niet opbrengen. Daarom verpandde hij als zekerheid de gerichten van Winterswijk, Aalten en Dinxperlo en een vrijgraafschap, vermoedelijk Bredevoort, aan Gelre. De regeling werd op 28 juni 1326 in Wesel vastgelegd.

De erfenis van een openstaande schuld

De pandregeling liet ruimte voor inlossing tegen betaling van de pandsom. In de praktijk werd het pand niet ingelost. Daardoor bleef het bestuur over de gerichten van Aalten, Dinxperlo en Winterswijk in Gelderse handen.

Wat als pandregeling begon, kreeg daardoor een duurzaam karakter. Bredevoort en de gerichten van Aalten, Dinxperlo en Winterswijk bleven in de Gelderse invloedssfeer en vormden later samen de Heerlijkheid en het Ambt Bredevoort. Het akkoord van 1326 was daarmee een belangrijke stap in de langdurige bestuurlijke aansluiting van de oostelijke Achterhoek bij Gelre.

Bronnen