Brandschattingen in Aalten

Plundering, gijzeling, geroofd vee en inkwartiering: wat betekende de Tachtigjarige Oorlog voor inwoners van Aalten, en welke gegevens kunnen we werkelijk verifiëren?

Plundering, brandschatting en verkrachting door Spaanse soldaten, door C. van der Burght
Plundering, brandschatting en verkrachting door Spaanse soldaten, door C. van der Burght (Bron: Zeeuws Archief)

Voor de inwoners van Aalten betekende de Tachtigjarige Oorlog veel meer dan gevechten om vestingen als Bredevoort en Groenlo. Doortrekkende soldaten namen paarden, vee en voedsel mee, inwoners konden worden gegijzeld en tegen losgeld worden vrijgelaten en boeren wisten soms niet of zij hun oogst veilig konden binnenhalen. Vooral in de jaren 1580 werd het platteland herhaaldelijk getroffen.

Oorlog op het boerenerf

Aalten lag in een grensgebied waarin verschillende legers actief waren. Bredevoort en Groenlo waren militaire steunpunten en in de omgeving bewogen Staatse, Spaanse en andere troepen. Voor een boer maakte het verschil tussen de strijdende partijen niet altijd veel uit wanneer een groep soldaten voedsel, geld, paarden of vee nodig had.

Dat probleem werd versterkt doordat veel soldaten onregelmatig werden betaald en bevoorraad. Een leger leefde daardoor voor een belangrijk deel van het gebied waar het doorheen trok. Soms werden goederen officieel gevorderd of werd een bijdrage opgelegd; op andere momenten ging het eenvoudig om roof.

Wat was een brandschatting?

Bij een brandschatting eisten gewapende troepen geld of goederen in ruil voor het ontzien van een dorp, buurtschap of groep inwoners. Wie betaalde, hoopte plundering of brandstichting te voorkomen. In de praktijk bood zo’n betaling geen garantie dat er later niet opnieuw een andere eenheid verscheen.

Voor boeren konden ook kleinere verliezen zwaar wegen. Een paard was niet alleen kostbaar bezit, maar ook trekkracht voor ploeg en wagen. Het verlies van koeien betekende minder voedsel en inkomen. Graan dat werd meegenomen, kon zowel de wintervoorraad als het zaaigoed voor het volgende jaar aantasten.

De jaren 1582–1588

Over Aalten is een opvallend gedetailleerde reeks berichten uit de jaren 1582–1588 bekend. G.H. Rots publiceerde die in 1938 in de Aaltensche Courant. Hij beschreef tientallen invallen waarbij inwoners werden gevangengenomen, paarden en runderen werden weggevoerd en losgeld werd betaald om mensen of dieren terug te krijgen.

Rots noemt daarbij zeer precieze aantallen en bedragen. Zo zouden in maart 1582 zestien inwoners zijn gevangengenomen en tegen 2.000 gulden zijn vrijgelaten. Voor juli 1584 vermeldt hij vijftien gevangenen, honderden geroofde dieren en 1.100 gulden losgeld. Zulke details zijn historisch waardevol, maar de oorspronkelijke archiefverwijzingen achter elk afzonderlijk getal zijn nog niet allemaal teruggevonden. Daarom worden deze aantallen hier als gegevens uit Rots’ reconstructie genoemd en niet als zelfstandig geverifieerde cijfers.

Dat de ontwrichting in 1584 werkelijk zeer groot was, blijkt wél rechtstreeks uit het Hofboek Bredevoort. De jaarlijkse hofdag kon dat jaar niet doorgaan omdat de vijandelijke onrust zo groot was dat de “arme luiden” van het Ambt Bredevoort volgens de schrijver waren gevlucht en verspreid geraakt. Ook in 1587 en 1588 moesten hofdagen wegens onrust worden uitgesteld; in 1588 noemt het hofboek doortrekkende ruiters.

Niet alleen de ‘vijand’

De bevolking kon door verschillende partijen worden getroffen. Historicus J.N. Bakhuizen van den Brink beschreef op basis van het Anholtse archief hoe de pandheren van Bredevoort rond 1580 nauwelijks in staat waren hun onderdanen te beschermen. Landlieden werden volgens hem door vriend én vijand geplunderd, terwijl de kleine militaire bezetting van Bredevoort en Anholt bovendien bij inwoners moest worden ingekwartierd.

Een later hofboek geeft daarvan een heel concreet voorbeeld. Toen Gerdt Snoijenbusch rond 1601 overleed, werd vastgelegd dat al zijn nagelaten vee was geroofd: een deel door Spaanse troepen en een deel door wat de bron het ‘Rijksvolk’ noemt. Voor zijn huishouden telde vooral dat de dieren verdwenen waren.

De brief van Jan Holstein

Een van de duidelijkste stemmen uit deze periode is die van Jan Holstein, voogd van Aalten. Op 9 juni 1588 schreef hij aan Godfried Gerardi, raadsman van de pandvrouwe van Anholt, over de toestand in Aalten.

Uit de overgeleverde weergave van zijn brief blijkt hoe uitgeput de bevolking was. Boeren ploegden volgens Holstein met de koeien die zij nog overhadden, er waren nauwelijks nog mogelijkheden om geld te lenen en hij vreesde dat de komende oogst niet veilig kon worden binnengehaald. Ook zaten Aaltenaren elders gevangen zonder dat er geld was om hen vrij te kopen.

Inkwartiering

Zelfs soldaten die bescherming moesten bieden, vormden een last voor de bevolking. Zij moesten ergens slapen en eten en hun paarden hadden voer nodig. In een tijd zonder moderne kazernes betekende dat geregeld dat soldaten bij burgers en boeren werden ondergebracht.

Voor een huishouden dat al vee of voorraad had verloren, kon inkwartiering de druk verder verhogen. De oorlog kwam daardoor letterlijk het huis binnen: niet alleen wanneer er werd geplunderd, maar ook wanneer eigen of bondgenootschappelijke troepen moesten worden onderhouden.

Ook na 1600 bleef de oorlog voelbaar

Het geweld van de jaren 1580 was geen volledig afgesloten episode. In het Hofboek Bredevoort staat bij de hofdag van 1624 dat Johan Tenckinck de Jonge kort voor zijn overlijden al zijn vee aan de strijdende partijen had verloren. De notitie is zakelijk en kort, maar laat precies zien wat oorlog voor een boerenbedrijf kon betekenen.

In 1627 moesten inwoners van Bredevoort bovendien bijdragen aan de kosten van een zogenoemde sauvegarde en andere uitgaven: geld dat met bescherming en militaire lasten samenhing. Datzelfde jaar veroverde Frederik Hendrik Groenlo, waarna de directe militaire druk in de oostelijke Achterhoek afnam.

Waarom broncontrole belangrijk is

De artikelen van Rots zijn voor de lokale geschiedenis waardevol omdat hij veel oude gegevens bijeenbracht die anders moeilijk toegankelijk zijn. Tegelijk schreef hij ruim drie eeuwen na de gebeurtenissen en vermeldde hij niet steeds precies uit welk archiefstuk ieder detail afkomstig was.

Daarom worden zijn gegevens op Old Aalten waar mogelijk teruggelegd naast hofboeken, rechterlijke stukken, brieven en andere contemporaine bronnen. Soms bevestigt zo’n bron het algemene beeld rechtstreeks; soms blijft een exact aantal of bedrag voorlopig alleen bekend uit de latere reconstructie. Door dat onderscheid zichtbaar te maken, blijft het verhaal leesbaar zonder onzekerheden als feiten te presenteren.

Een andere kant van de Tachtigjarige Oorlog

De geschiedenis van de Tachtigjarige Oorlog in deze streek bestaat dus niet alleen uit de innames van Bredevoort en het beleg van Groenlo. Voor de meeste inwoners speelde de oorlog zich af op akkers, erven en wegen: een verdwenen paard, een leeggeroofde voorraad, een familielid in gijzeling of soldaten die moesten worden gevoed.

Juist zulke gegevens maken zichtbaar waarom jaren zonder grote veldslag voor de bevolking toch oorlogsjaren konden zijn. Het bredere dagelijkse perspectief wordt uitgewerkt in Boeren en burgers tijdens de Tachtigjarige Oorlog.

Bronnen