Inname van Bredevoort (1572)

Op 20 juni 1572 opende Bredevoort na onderhandelingen de poorten voor de troepen van Willem van den Bergh. De Geuzen bleven er slechts vijf maanden.

De vesting Bredevoort, gravure door Willem Baudartius (1606)
De vesting Bredevoort, gravure door Willem Baudartius (1606)

Op 20 juni 1572 opende Bredevoort de poorten voor troepen van graaf Willem van den Bergh, die namens Willem van Oranje in het oosten van de Nederlanden opereerde. Aan de inname ging geen langdurig beleg vooraf, maar een periode van dreiging, oproepen tot overgave en onderhandelingen. De pandheer Diederich van Bronckhorst-Batenburg stemde uiteindelijk in met de overdracht, op voorwaarde dat zijn bestaande rechten niet zouden worden aangetast.

Het was in de Tachtigjarige Oorlog en Bredevoort was onder Spaans gezag. Vanaf het najaar van 1570 waren er in de Achterhoek echter geruchten over een aanval van opstandelingen, ook wel Geuzen genoemd. Tot 1572 bleef het bij een dreiging. Na de inname van Den Briel op 1 april 1572 verzamelde Graaf Willem van den Bergh, de zwager van Willem van Oranje, in Wesel een leger van ongeveer 5000 manschappen. De bedoeling was om een veldtocht door de Achterhoek en langs de IJssel te ondernemen. Deze veldtocht ging gepaard met plunderingen van onder andere kerken en kloosters.

Opeising en onderhandelingen

De druk op Bredevoort begon al vroeg in juni. Op 9 juni 1572 werd het stadje door de Geuzen opgeëist. Een dag later schreef pandheer Diederich van Bronckhorst-Batenburg daarover aan het Hof van Gelre en vroeg hij om hulp. In de dagen daarna drong Willem van den Bergh verder aan op onderwerping aan Willem van Oranje. Ook Oranje zelf schreef aan de pandheer met het verzoek Van den Bergh ter wille te zijn. Drost Jasper van Broeckhuijsen wilde ondertussen eerst de beslissing van de pandheer afwachten.

Ook Aalten en Winterswijk werden opgeroepen om Bredevoort te helpen verdedigen, maar zij weigerden. Een renbode riep bestuurders uit de heerlijkheid naar Zutphen om daar de eed aan Oranje af te leggen. Toen bleek dat vertegenwoordigers van de heer van Anholt al met Van den Bergh onderhandelden, was duidelijk dat de beslissing uiteindelijk boven het plaatselijke stadsbestuur werd genomen.

Diederich van Bronckhorst-Batenburg liet daarop vertegenwoordigers naar Willem van den Bergh sturen. In de overeenkomst werd vastgelegd dat huis, stad en heerlijkheid Bredevoort zouden worden overgeleverd, terwijl de pandheer aanspraak bleef maken op zijn bestaande rechten. Daardoor kon de stad op 20 juni 1572 zonder bestorming worden ingenomen.

Inname

Op 20 juni opende Jasper van Broeckhuijsen de poorten. Kapitein Giesbert van Heerde kreeg de bewaking van Bredevoort en nam zijn intrek in het kasteel. De afspraken over het ontzien van personen en goederen bleken al snel weinig bescherming te bieden: in het kasteel werd geplunderd en ook het klooster Nazareth bij Bredevoort werd beroofd. Broeckhuijsen werd kort daarna als drost aan de kant gezet. Jacob van der Capellen verschijnt vervolgens opnieuw als drost van Bredevoort.

De Geuzen hielden Bredevoort maar enkele maanden. In november rukten koningsgezinde troepen opnieuw de streek binnen. Op 19 november 1572 nam Jacob van Bronckhorst-Batenburg, zoon van de pandheer en in Spaanse dienst, Bredevoort zonder bloedvergieten weer in. Daarna kwamen ook Spaanse troepen in de stad te liggen. De bevolking van de heerlijkheid kreeg zo in één jaar met beide strijdende kampen en hun lasten te maken.

Al in de zomer hadden de opstandelingen tegen de afspraken in een deel van de bewapening uit Bredevoort weggevoerd. De stukken noemen onder meer zes metalen kanonnen met munitie die naar Zutphen werden gebracht. Na de herovering in november kwam Bredevoort weer onder koningsgezind gezag. Dat bleef, met wisselende militaire omstandigheden in de omgeving, zo tot de verovering van de vesting door Maurits van Nassau in 1597.

Bronnen