Wie de Tachtigjarige Oorlog bekijkt vanuit Bredevoort, ziet al snel belegeringen, vestingwerken, drosten en legeraanvoerders. Voor de meeste inwoners van het Ambt Bredevoort zag de oorlog er anders uit. Boeren, ambachtslieden en dorpsbewoners moesten proberen hun gezin te onderhouden terwijl soldaten door het gebied trokken, vee en voorraden opeisten, mensen gevangen namen en bij inwoners werden ingekwartierd. Vooral in de laatste decennia van de zestiende eeuw kon de oorlog tot op het erf en in de keuken voelbaar zijn.
A vulnerable border region
The Bredevoort district comprised the town of Bredevoort and the parishes of Aalten, Dinxperlo and Winterswijk. It lay in a border region where different armies and armed groups were active during the Dutch Revolt. From 1572 onwards, the military situation changed repeatedly. Bredevoort zelf was een strategische vesting, maar het omliggende platteland was nauwelijks te beschermen.
Dat blijkt rechtstreeks uit het hofboek. In 1584 kon de jaarlijkse hofdag niet doorgaan omdat de vijandelijke onrust zo groot was dat de “arme luiden” van het Ambt Bredevoort volgens de schrijver overal heen waren gevlucht en verspreid geraakt. Ook in 1587 en 1588 moesten hofdagen wegens onrust worden uitgesteld. In 1588 noemt het hofboek bovendien doortrekkende ruiters als reden voor uitstel. Oorlog verstoorde dus niet alleen het boerenbedrijf, maar zelfs het gewone bestuur en de rechtspraak.
Dat was voor de bevolking extra zwaar omdat een boerenbedrijf afhankelijk was van precies de zaken waar een leger behoefte aan had: paarden, trekossen, koeien, graan, hooi, karren en voedsel. Een geroofd paard betekende niet alleen verlies van bezit, maar kon ook betekenen dat een boer zijn land moeilijker kon bewerken of zijn oogst niet kon vervoeren. Wie zijn graan verloor, raakte bovendien een deel van de voedselvoorraad voor het eigen huishouden en het zaaigoed voor het volgende seizoen kwijt.
Een deel van de bevolking was via hofhorigheid verbonden aan de heer en aan bepaalde erven. In Aalten vielen verschillende hofhorigen en hofgoederen onder de Hof te Ahave; in Winterswijk speelde de Hof te Miste een vergelijkbare rol. De hofboeken laten zien dat ook tijdens de oorlogsjaren huwelijken, erfenissen, vrijlatingen en overdrachten van erven doorgingen. Hofhorigheid was daarbij geen eenvoudige tegenstelling tussen vrije en onvrije boeren: vrije personen konden zich soms vrijwillig hofhorig maken en voor een kind juist vrijheid bedingen. De oorlog verving het gewone leven dus niet; hij kwam er bovenop.
Friend and foe
Voor inwoners was het onderscheid tussen de strijdende partijen lang niet altijd hetzelfde als op een politieke kaart. Historicus J.N. Bakhuizen van den Brink beschreef op basis van het omvangrijke Anholtse archief hoe de pandheren van Bredevoort in de jaren rond 1580 nauwelijks in staat waren hun onderdanen te beschermen. Hun landlieden werden volgens hem herhaaldelijk door zowel vriend als vijand geplunderd.
Een hofboeknotitie uit 1601 maakt dat heel concreet. In het Aaltense deel van het register staat bij het overlijden van Gerdt Snoijenbusch dat al zijn nagelaten vee was geroofd: een deel door Spaanse troepen en een deel door wat de bron het ‘Rijksvolk’ noemt. Voor een boerenhuishouden kon de schade dus van meer dan één strijdende partij komen.
In Oost-Gelderland opereerden in deze jaren Spaanse en Staatse troepen, maar ook Engelse, Schotse, Waalse en Duitse soldaten. Veel van deze eenheden bestonden uit beroeps- en huursoldaten. Wanneer soldij en bevoorrading uitbleven, werd de omgeving een voor de hand liggende bron van voedsel, paarden en geld. De oorlog bestond daardoor niet alleen uit veldslagen en belegeringen, maar ook uit talloze kleinere invallen, opeisingen en gijzelingen.
Livestock, horses and ransom
Juist over Aalten zijn opvallend veel berichten over dergelijke invallen bewaard gebleven. G.H. Rots verzamelde in 1938 in de Aaltensche Courant een lange reeks voorvallen uit de jaren 1582-1588. Hij beschrijft hoe inwoners gevangen werden genomen en tegen losgeld weer vrijkwamen, en hoe soldaten paarden, koeien en ander vee meenamen. Soms kon het geroofde bezit worden teruggekocht; soms verdween het voorgoed.
De reeks is zo gedetailleerd dat zij een indringend beeld geeft van de onzekerheid waarin boeren leefden. Op sommige dagen ging het om enkele dieren, op andere momenten volgens Rots om tientallen paarden en grote aantallen runderen. In juli 1584 zouden zelfs honderden stuks vee zijn weggevoerd en verschillende inwoners zijn gegijzeld. De exacte aantallen uit deze krantenreconstructie zijn nog niet in alle gevallen teruggevonden in de oorspronkelijke archiefstukken. Ze moeten daarom voorzichtig worden gebruikt, maar het algemene beeld van herhaalde plundering wordt ook door ander historisch onderzoek bevestigd.
Een hofboeknotitie uit 1624 laat zien dat zulke verliezen geen abstract verschijnsel waren. In het deel van het hofboek dat bij de Hof te Miste hoort, verklaarden de tegeders en andere hoflieden bij het overlijden van Johan Tenckinck de Jonge dat kort voor zijn dood al zijn vee door de strijdende partijen was afgenomen. Het hofboek noemt geen partij: voor het getroffen huishouden was vooral van belang dat de dieren weg waren. Zo’n korte administratieve notitie maakt zichtbaar hoe rechtstreeks de oorlog een boerenbedrijf kon raken.
Een meer gedetailleerde, bronkritische reconstructie van plunderingen, gijzelingen en oorlogslasten staat in Brandschattingen in Aalten.
Farmers feared harvesting their crops
De schade zat niet alleen in wat daadwerkelijk werd meegenomen. Wanneer boeren verwachtten dat soldaten de opbrengst toch zouden roven, kon het onverstandig lijken om tijd en arbeid in de oogst te steken. Daardoor werd de oorlog een probleem dat zichzelf versterkte: minder oogst betekende minder voedsel en minder voorraad, terwijl belastingen en andere lasten doorgingen.
Een uitzonderlijk persoonlijke blik op die situatie geeft Jan Holstein, destijds voogd van Aalten. In juni 1588 schreef hij aan Godfried Gerardi, raadsman van de pandvrouwe van Anholt, over de nood onder de bevolking. Boeren ploegen volgens hem met de koeien die hun nog waren overgebleven, werkten uit alle macht en zaten diep in de schulden. Tegelijk vreesde hij dat ook de komende oogst niet veilig kon worden binnengehaald.
Zo’n brief maakt duidelijk wat het verlies van trekdieren in de praktijk betekende. Een koe die normaal melk of een kalf opleverde, moest nu soms het werk van een verdwenen paard of os overnemen. Achter militaire termen als brandschatting en contributie gingen dus heel concrete problemen schuil: hoe krijg je het land geploegd, hoe haal je het koren binnen en wat blijft er daarna nog over voor het gezin?
Soldaten in huis
Ook wanneer er niet werd geplunderd, kon de aanwezigheid van soldaten zwaar drukken op de bevolking. Kazernes zoals die later gebruikelijk werden, bestonden nauwelijks. Soldaten werden daarom geregeld bij inwoners ondergebracht. Rond 1580 hielden de pandheren in Bredevoort en Anholt een kleine militaire bezetting aan om zich tegen rondtrekkende troepen te beschermen. Bakhuizen van den Brink noemt dat uitdrukkelijk een vorm van inkwartiering bij inwoners die al zwaar waren getroffen.
Een ingekwartierde soldaat had onderdak, vuur, voedsel en soms voer voor een paard nodig. Daarmee werd bescherming zelf opnieuw een belasting. Dat maakt de positie van de bevolking dubbelzinnig: men had soldaten nodig om andere soldaten buiten de deur te houden, maar moest die bescherming vervolgens zelf helpen onderhouden.
Bredevoort in de vuurlinie
Voor de inwoners van Bredevoort zelf kwam de oorlog in 1597 op een andere manier dichtbij. Prins Maurits belegerde de vesting in oktober van dat jaar. Na de bestorming en inname brak een grote brand uit, waardoor het stadje vrijwel geheel werd verwoest en ook de Sint-Joriskerk verloren ging. De bevolking moest niet alleen een machtswisseling verwerken, maar ook huizen en voorzieningen opnieuw opbouwen.
Daarmee was de oorlog niet voorbij. Op 22 maart 1606 namen Spaanse troepen Bredevoort opnieuw in. Zij verlieten de stad vervolgens onder het oog van het Staatse leger onder Frederik Hendrik. Ook daarna bleef Bredevoort een garnizoensplaats. De vesting bood bescherming aan de streek, maar bracht tegelijk soldaten, militaire uitgaven en voortdurende onderhoudslasten met zich mee.
Een adempauze, geen einde
Het Twaalfjarig Bestand, dat in 1609 begon, bracht een periode waarin de grote oorlogshandelingen afnamen. Voor boeren en burgers betekende dit meer ruimte om bedrijven en voorraden te herstellen. De samenleving bleef echter sterk met de vesting en het leger verweven, en na het aflopen van het Bestand in 1621 werd Oost-Gelderland opnieuw een oorlogsgebied.
Dat de bevolking ook in de jaren twintig nog rechtstreeks voor de veiligheid betaalde, blijkt uit een bewaard gebleven lijst uit 1627. Op 21 september van dat jaar werden onder inwoners van Bredevoort de kosten voor een zogenoemde sauvegarde en andere uitgaven verdeeld. De kosten werden daarbij over verschillende inwoners en huishoudens verdeeld. Het is een zeldzaam document waarin de kosten van bescherming letterlijk per inwoner zichtbaar worden.
In hetzelfde jaar veroverde Frederik Hendrik het nabijgelegen Groenlo. Daarmee verdween een belangrijk Spaans steunpunt uit de directe omgeving. Voor het Ambt Bredevoort nam de voortdurende dreiging van strooptochten vanuit de vestingen in de regio daarna af, al bleef Bredevoort zelf tot het einde van de oorlog een militaire plaats.
Het gewone leven ging door
De archieven laten tegelijkertijd zien dat inwoners meer waren dan slachtoffers. Er werd getrouwd, land werd overgedragen, schulden werden geregeld en erven gingen van de ene generatie op de andere over. In 1608 werd bijvoorbeeld vastgelegd welke Bredevoortse inwoners hun vee in het Swanenbroek mochten weiden; in 1612 werden er gronden onder inwoners verdeeld. Zulke stukken laten zien hoe men na jaren van onzekerheid bleef proberen het lokale bestaan te organiseren.
Ook de hofboeken uit Aalten en Winterswijk lopen door. Daarin verschijnen boeren bij het hofgericht om rechten op erven vast te leggen, huwelijken en erfenissen te regelen of hun positie als horige te bevestigen. Achter de grote geschiedenis van prinsen en veldheren stond dus een veel grotere groep mensen die telkens opnieuw probeerde land, gezin en inkomen bij elkaar te houden.
Soldaten werden ook buren
In een garnizoensplaats waren soldaten niet alleen voorbijgangers. Zij woonden soms jarenlang in Bredevoort, trouwden en vormden gezinnen. Het Bredevoortse trouwboek laat dat vanaf 1639 heel concreet zien. In 1641 en 1642 verschijnen achter elkaar tamboers, soldaten, een chirurgijn en andere militairen die trouwen met vrouwen uit Bredevoort, Aalten, Lichtenvoorde en plaatsen verder weg.
Daarmee werd het garnizoen onderdeel van de plaatselijke samenleving. Een soldaat kon tegelijk huurder, echtgenoot, vader of buurman zijn. De militaire aanwezigheid bracht dus niet alleen lasten en gevaar met zich mee, maar veranderde ook de samenstelling van de bevolking en verbond Bredevoort met mensen uit onder meer Engeland, Duitsland en andere delen van de Republiek.
1648
Met de Vrede van Münster kwam in 1648 officieel een einde aan de Tachtigjarige Oorlog. Voor de bewoners van het Ambt Bredevoort betekende dat niet dat alle lasten en problemen ineens verdwenen. Belastingen, horigheid en de aanwezigheid van een garnizoen bleven onderdeel van het dagelijks leven. Wel verdween de langdurige onzekerheid van een grensgebied waarin vrijwel ieder passerend leger een nieuwe bedreiging kon vormen.
Wie de oorlog vanuit de boerderij, de werkplaats of het dorpshuis bekijkt, ziet daarom een ander verhaal dan alleen de opeenvolging van belegeringen. De grootste opgave voor de meeste inwoners was niet winnen of verliezen, maar doorgaan: genoeg vee overhouden om te kunnen ploegen, de oogst veilig binnenbrengen, schulden betalen en hopen dat de volgende groep soldaten voorbijtrok.

