In mei 1940 beleefde de jonge soldaat Gerrit Herman Meinen uit Aalten de verschrikkingen van de Slag om de Grebbeberg. In dit persoonlijke verslag volgen we zijn lotgevallen – van zijn oproep voor dienstplicht in 1936 tot aan de chaotische gevechten op de Grebbeberg en de terugtocht, en uiteindelijk zijn thuiskomst en latere leven. Het verhaal laat niet alleen de militaire context zien, maar vooral ook de persoonlijke ervaringen en herinneringen van Meinen tijdens deze bewogen periode in de Nederlandse geschiedenis.
Gerrit Herman Meinen werd geboren op 27 mei 1917 op boerderij ’t Seins in Lintelo. Na de lagere school volgde hij de lagere landbouwschool en werkte tegelijk als enige zoon op de boerderij van zijn vader. Dit was een gemengd bedrijf met varkens, koeien, kippen en een grote groentetuin.
Militaire dienst
In september 1936 werd hij opgeroepen om zijn dienstplicht te vervullen bij het 11e Regiment Infanterie, ook wel de zandhazen genoemd, in de Prins Hendrik Kazerne te Nijmegen. De 19-jarige boerenzoon ging met plezier in dienst – “Ik vond de dienstplicht geen straf en ging er graag heen”, zou hij later zeggen.
Gerrit volgde de basisopleiding tot infanterist. Vóór zijn diensttijd schoot Meinen bijna wekelijks met een vuurbuks (een licht geweer waarvoor een vergunning vereist was) bij een schietsportvereniging in Aalten. Tijdens de opleiding vielen zijn schutterskwaliteiten al snel op en daarom werd Meinen verder opgeleid voor de zware mitrailleur, de Schwarzlose Model 08/15. Als nummer 2 van de mitrailleurbediening assisteerde en verving hij de schutter wanneer nodig.
De eerste maanden bestonden uit de gebruikelijke infanterieopleiding en oefeningen. Zo liep Meinen ook mee in de Vierdaagse van Nijmegen – de vlaggenparade van dat wandelevenement vond dat jaar plaats op zijn kazerne.
Na afloop van zijn diensttijd in 1937 keerde Meinen terug naar de boerderij in Lintelo en pakte het normale leven weer op.

Mobilisatie
In 1939 verslechterde de internationale situatie en Nederland trof voorbereidingen voor mogelijke oorlog. Gerrit Meinen werd in augustus 1939 opnieuw opgeroepen, ditmaal voor de voormobilisatie. Eind augustus, vlak vóór de algehele mobilisatie, moest hij zich melden bij Hotel “Neder-Veluwe” in Ede. Hij werd ingedeeld bij de 4e sectie van de Mitrailleurcompagnie van III-11 R.I. (het 3e bataljon van zijn oude regiment). Tijdens de voormobilisatie hielp Meinen met de voorbereidingen voor de komst van de grote groepen dienstplichtigen die bij een algemene mobilisatie zouden worden opgeroepen. Zo regelde hij onderkomens; zelf werd hij kort ingekwartierd bij een gastgezin in Bennekom – een periode van ongeveer tien dagen waar hij met warme gevoelens op terugkeek.
Kort daarna volgde de algemene mobilisatie, en het legeronderdeel van Meinen werd verplaatst naar Amerongen, waar ze werden ingekwartierd in een kerk en bij een boer.

Zijn vader was inmiddels 57 jaar en Meinen werd als kostwinner aangemerkt, wat hem recht gaf op zogeheten ‘landbouwverlof’. In de praktijk hoefde hij slechts twee dagen per week bij zijn onderdeel aanwezig te zijn in Amerongen, de overige dagen mocht hij thuis op de boerderij helpen. Dit moest maandelijks worden aangevraagd en werd altijd toegewezen. Slechts twee keer herinnert hij zich dat zijn verlof plotseling werd ingetrokken en hij met spoed terug moest naar Amerongen.
Voor de dagen dat Meinen niet thuis kon werken ontving zijn vader een vergoeding van zo’n vier gulden per dag voor de inhuur van een knecht. Dat werd Jan Scholten (“van de Hutte”), een jongen uit de buurt.
Bij de reis naar huis pakte hij de bus van Amerongen naar Rhenen, stapte op het station aldaar op de trein naar Arnhem (via Kesteren) om vervolgens daar over te stappen op de trein naar Varsseveld of Aalten. Het laatste stuk ging te voet of met de fiets. Vele uren in de mobilisatietijd heeft Meinen dan ook doorgebracht in de trein.
Ze kregen veel theorieles waarbij bijna dagelijks de mitrailleurs uit elkaar werden gehaald, schoongemaakt en weer in elkaar gezet. Ook maakten men vele marsen door de omgeving waarbij de mitrailleurkarren altijd werden meegenomen. Deze karren stonden in een schuurtje opgesteld naast hun inkwartieringsadres, ’s avonds en ’s nachts voorzien van een wachtpost.
Het contact met de officieren tijdens de mobilisatie was vrijwel nihil, herinnert Meinen zich. Die lagen elders ingekwartierd en lieten zich zelden zien. Zijn eigen sectiecommandant was sergeant-capitulant Herman Huisman uit Enschede, een onderofficier die wel regelmatig bij de groep langskwam. Huisman was een jonge man die goed met de soldaten omging en graag een praatje maakte; Meinen vond hem “een aardige kerel”. Zijn groep had geld bijeengelegd om een radio te kopen. Ook herinnert hij zich dat ze tijdens hun opleiding twee uniformen ter beschikking hadden, maar tijdens de mobilisatie was dit er nog maar één. Gelukkig kon je bij de fourier nog wel eens een kledingstuk ruilen voor een beter exemplaar.
Het 11e Regiment Infanterie vormde de reserve-eenheid van de IVe Divisie. Het kon onder andere worden ingezet om de troepen in de frontlijn af te lossen of zonodig te versterken. Tijdens de mobilisatie lag de eenheid van Meinen ingekwartierd in de gevorderde Grote Kerk van Amerongen.
Oorlog
Dinsdag 7 mei 1940 was Meinen in Aalten aan het werk op de boerderij. Door het dorp en de buurtschappen reed iemand van de gemeente rond met de mededeling dat alle militairen zo snel mogelijk terug moesten naar hun legeronderdeel, nog voor het invallen van de avond. Meinen stond op dat moment in het geheel niet stil bij de mogelijkheid van een oorlogsdreiging, en in die gemoedstoestand vertrok hij naar Amerongen. Later heeft hij nog wel eens gedacht: was ik maar thuis gebleven…
In de nacht van 9 op 10 mei 1940 brak de oorlog uit. Rond 4 uur werden ze wakker van het lawaai, zoeklichten etcetera. Er heerste veel onduidelijkheid. De samen aangeschafte radio bood uitkomst en toen de eerste officiële radioberichten werden aangehoord, bleek dat het ernst was. Duitse troepen hadden de Nederlandse grens overschreden. Nederland was in oorlog met Duitsland…
Bij het onderdeel van Meinen gebeurde die eerste twee oorlogsdagen aanvankelijk niet zo veel. Zijn sectie werd gedirigeerd naar Leersum en aldaar in een laan onder hoge eikenbomen opgesteld tegen luchtdoelen. De naam Kasteel Broekhuizen zegt Meinen nog wel iets, de exacte details van hun opdracht aldaar zijn hem niet bijgebleven. Feit is wel dat ze daar op die eerste oorlogsdag het nodige vuur hebben uitgebracht op laag overkomende Duitse vliegtuigen. Als jonge jongens onder elkaar claimde de een na de ander: “Die heb ik geraakt, die heb ik geraakt!”. De tweede oorlogsdag, 11 mei, was betrekkelijk rustig. Daarna gingen ze lopend weer terug naar Amerongen.

Naar de Grebbeberg…
Toen volgde al snel de opdracht om richting Grebbeberg op te trekken om de troepen in de stoplijn aldaar af te lossen c.q. te versterken. In de ochtend van de 12e mei trok de sectie zware mitrailleurs op in de richting Rhenen, dat overigens toen al in brand stond. Gerust werd nabij de Koerheuvel. Daarna werd in oostelijke richting opgetrokken, langs Ouwehand’s Dierenpark, richting stoplijn. De onbekendheid met het terrein, de intredende duisternis en de alles behalve bemoedigende woorden van terugtrekkende troepen, die ze tijdens hun opmars richting stoplijn tegenkwamen, konden maar tot één situatie leiden: chaos.
Meinen herinnert zich nog dat de mitrailleurs van de karren zijn gehaald en op de affuit tussen de bomen in een bos werden opgesteld, zuidelijk van de Heimersteinselaan. De vier bedieningsmanschappen, waaronder Meinen zelf, lagen bij het stuk zonder verdere dekking, de karren tussen de bomen geparkeerd en de rest van de groep een kleine 10 meter daarachter. Door de duisternis was er eigenlijk niets te zien en zodoende beperkte het vuren zich tot het afgeven van enkele salvo’s in de richting waar men de vijand vermoedde.
Duitse doorbraak en terugtocht
Op een gegeven moment ontving de bediening opdracht om door de bomen te schieten omdat Duitsers daar vanuit het vuur openden op de Nederlandse stellingen. Meinen legde de patroonband aan en de mitrailleurschutter schoot enkele malen door de toppen van de bomen. Meinen hoorde tussen de salvo’s door van de manschappen in zijn directe omgeving dat het vuur goed lag en dat er Duitsers uit de bomen naar beneden vielen. Daarna verliep alles zo snel dat Meinen niet goed meer kon bevatten wat er precies gaande was.
Deze terugtocht langs de ingang van Ouwehand’s Dierenpark in de richting van het viaduct heeft een enorme indruk gemaakt op Meinen. Door de Nederlanders die westelijk van de spoorbaan en het viaduct lagen werd een hevig vuur geopend op de eveneens aanstormende Duitsers. Nederlandse zware mitrailleurs bestreken de straatweg richting Ouwehand’s Dierenpark. De duisternis en onbekendheid met het terrein maakte dat velen in blinde paniek alle kanten opgingen. Meinen zag mannen in paniek heen en weer rennen, zeer onverstandig dacht hij nog bij zichzelf; het kan niet anders of daar zijn mannen geraakt door eigen vuur.
Zijn sectie was op de vlucht geslagen; met een paar man stuitte Meinen al kruipend door het bos op een smalle ondiepe sleuf met telefoondraden. Dekking zoekend, met het hoofd omlaag en op de zij kruipend ging het door deze sleuf richting viaduct. “We waren met een klein groepje van onze sectie. Je kon je hoofd niet optillen, anders werd je geraakt. De kogels floten om je oren.” Ze wisten niet of ze links of rechts moesten. Gelukkig gingen ze de goede kant op; langs Ouwehand, langs kapot geschoten huizen. Het was ieder voor zich, ieder zocht zelf een veilig heenkomen. Meinen dacht aan zijn ouders en aan de boerderij; zonder hem zou de boerderij geen bestaansrecht meer hebben, hij moest mee, vluchten met de rest…
Tegen het Nederlandse vuur in en met de Duitsers in z’n rug is Meinen op een gegeven moment met een klein groepje achter het viaduct terechtgekomen, maar kan zich niet meer herinneren hoe dat precies is verlopen en in welk tijdsbestek. Bij deze tocht raakte hij gewond aan zijn duim die hij zelf met noodverband heeft verbonden.
Na de consternatie nabij de stoplijn was sergeant capitulant Huisman plotseling verdwenen. Meinen herinnert zich nog dat de jongens riepen “die is al lang naar huis”. Na die ervaringen op de Greb heeft Meinen Huisman nooit meer gezien of gesproken.
Over de periode tussen het bereiken van het viaduct en het Groot Verlof kan Meinen zich eveneens niet veel meer herinneren. De heersende chaos, vermoeidheid en vooral honger en dorst zorgen ervoor dat ons geheugen ons het eerst in de steek laat. Een fenomeen dat bij meerdere verslagen en dagboeken duidelijk naar voren komt. Feit is dat Meinen zijn gewonde hand niet wilde laten verbinden bij een hulppost omdat hij dacht dan wellicht te moeten blijven voor controle of herstel. Hij wilde zo snel mogelijk naar huis! In een van de huizen in Rhenen vond hij nog wel iets van etenswaar. Uiteindelijk is hij weer in Amerongen terechtgekomen. Voorts herinnert hij zich de gesneuvelde militairen en de grote aantallen dode paarden die her en der lagen. Als agrariër wist hij hoe waardevol deze dieren waren en dat maakte dan ook grote indruk.
Groot Verlof
Op 25 mei 1940 vertrok Meinen met Groot Verlof richting Aalten. Tot die tijd hadden zijn ouders in grote spanning gezeten omtrent zijn lot. In Arnhem kwam hij tussen de menigte plots zijn buurman Bernard van Eerden (“van de Weversborg“) tegen. Kort voor zijn thuiskomst werden zijn ouders echter op de hoogte gebracht.
Om drie uur ’s nachts was de chauffeur Hendrik Wissink (“van de Vosheurne“) – die later zijn zwager werd – van burgemeester J.J.G. Boot van Varsseveld bij hen thuisgekomen om te melden dat Meinen niets mankeerde. Dit verlossende bericht maakte zoveel emotie bij z’n moeder los dat zij flauwviel. Zijn vader wachtte hem bij thuiskomst op, maar ook hem speelden de emoties en de spanningen van de afgelopen weken parten en hij bracht daarna ruim een week in bed door om bij te komen.

Hoewel Meinen zelf zegt mentaal niets aan de oorlogsdagen te hebben overgehouden, weet zijn familie te melden dat, hoewel erg gebruikelijk op een boerenbedrijf, hij sinds die meidagen geen dier meer heeft willen slachten. Sindsdien moest een ander dat karwei maar klaren…
Gerrit Herman Meinen overleed op 3 mei 2011 op 93-jarige leeftijd en ligt begraven op begraafplaats Berkenhove.
Gedenkzuil
In het kader van 70 jaar bevrijding werd in 2015 op de Oude Algemene Begraafplaats in Aalten een gedenkzuil geplaatst ter herdenking aan alle Aaltense soldaten die in mei 1940 op en rond de Grebbeberg hebben gevochten. Zeven Aaltense militairen verloren daarbij het leven. Hun namen en foto’s zijn op de gedenkzuil vereeuwigd.

