Een deel van de boeren in de Heerlijkheid Bredevoort was eeuwenlang horig. Dat betekende niet dat zij slaven waren, maar wel dat hun persoonlijke vrijheid en hun rechten op de boerderij aan regels van de heer waren gebonden. Vooral in Aalten en Winterswijk zijn daarvan veel gegevens bewaard gebleven. De hofboeken laten zien hoe huwelijken, erfenissen, boerderijen en familierelaties door het systeem van horigheid werden beïnvloed.
Wat was een horige?
Horigheid was een oude rechtsverhouding tussen een heer en mensen die aan een hof en vaak ook aan een bepaald goed waren verbonden. Een horige boer kon een erf generaties lang bewonen en bewerken en had daarop belangrijke gebruiksrechten. Tegelijk stond hij niet volledig vrij tegenover de heer. Voor bepaalde veranderingen in zijn leven golden regels en afdrachten.
Het woord horige kan tegenwoordig gemakkelijk de indruk wekken dat iemand vrijwel rechteloos was. Dat is te simpel. Horige boeren konden bezit hebben, schulden aangaan, procederen en hun bedrijf binnen de familie voortzetten. Hun positie verschilde bovendien per streek, hof en periode. Wel waren zij gebonden aan een stelsel van oude verplichtingen dat vrije boeren niet op dezelfde manier kenden.
Twee hoven voor Bredevoortse horigen
De heer van Bredevoort bezat hofhorige goederen in vooral Aalten en Winterswijk. De Aaltense horigen vielen onder de Hof te Ahave; voor de Winterswijkse goederen was de Hof te Miste het centrum. De indeling is goed zichtbaar in de bewaard gebleven hofboeken uit de zestiende en zeventiende eeuw.
Een hof was meer dan één boerderij. Het was ook een juridische gemeenschap. Op hofdagen kwamen vertegenwoordigers van de horige goederen bijeen en werden veranderingen vastgelegd. Daardoor bevatten de hofboeken een lange reeks gegevens over families en erven: wie een goed overnam, wie trouwde, wie overleed, welke kinderen rechten kregen en wie uit de horigheid werd vrijgelaten.
Het oudere hofboek laat zien dat deze hofdag een vast onderdeel van het jaar was. Hofhorigen moesten zich op de aangewezen dag melden; voor Aalten worden daarbij de Hof te Ahave en de scholten van Ahave en Borninkhof genoemd. Wie zonder geldige reden wegbleef, kon daar bij overlijden of erfopvolging gevolgen van ondervinden. Daarmee was hofhorigheid niet alleen een regel op papier, maar een systeem dat geregeld zichtbaar werd in het dagelijks leven.
Boerderij en familie hoorden bij elkaar
Voor een boerengezin was het belangrijk dat het bedrijf kon blijven bestaan wanneer een bewoner overleed. De opvolging van een horig goed werd daarom niet alleen als een particuliere familiezaak beschouwd. Ook de heer had er rechten bij. In de hofboeken werd vastgelegd wie het goed voortzette en welke verplichtingen daarbij golden.
De naam van een boerderij kon daardoor generaties lang een belangrijke rol blijven spelen, ook wanneer de bewonersfamilie veranderde. Voor historisch en genealogisch onderzoek zijn deze registers juist daarom bijzonder waardevol: zij kunnen mensen met een bepaald erf verbinden in een periode waarin gewone boeren veel minder vaak in andere schriftelijke bronnen voorkomen.
Trouwen was niet altijd alleen een privézaak
Horigheid was niet uitsluitend aan grond verbonden. Ook de persoonlijke status van de betrokkenen speelde een rol. Wanneer een horige met iemand uit een andere rechtskring trouwde, moest worden geregeld tot welk hof het echtpaar en hun kinderen zouden behoren. Soms werd iemand voor een huwelijk vrijgelaten; in andere gevallen trad juist een vrije persoon toe tot de horigheid.
Een mooi voorbeeld is Berendeken Hesselingh uit het kerspel Winterswijk. Het Stift Vreden gaf haar op 3 oktober 1620 een vrijbrief. Enkele jaren later verschijnt zij in het Bredevoortse hofboek als echtgenote van Thonis Willinck. Op de hofdag van 1625 werd vastgelegd dat zij zich vanuit haar vrije staat onder het huis Bredevoort hofhorig had gemaakt, waarbij voor een kind vrijheid werd voorbehouden. Zulke inschrijvingen laten zien dat horigheid geen abstract begrip was, maar rechtstreeks samenhing met huwelijk, gezin en erfopvolging.
Vrijlating kostte geld
Een horige kon in bepaalde omstandigheden worden vrijgelaten, maar daar kon een betaling tegenover staan. Zo kreeg Aeltgien Giesinck op 27 september 1625 toestemming om uit de hofhorigheid van het huis Bredevoort te worden vrijgelaten. Daarvoor moest zij 21 daalders aan de rentmeester van de Bredevoortse domeinen betalen. Het hofboek legt daarmee heel concreet vast dat persoonlijke vrijheid ook een financiële kant kon hebben.
Vrijlating betekende dat de persoonlijke horige band werd verbroken. Daarmee verdwenen echter niet automatisch alle andere lasten die op grond of boerderij konden rusten. Oude pachten, tienden of andere zakelijke rechten konden ook daarna blijven bestaan.
Welke verplichtingen hadden horigen?
De precieze verplichtingen verschilden per goed en veranderden in de loop van de tijd. In het algemeen kon het gaan om vaste betalingen, leveringen in natura en diensten. Ook bij huwelijk, overdracht of overlijden kon de heer rechten laten gelden. De hofboeken waren bedoeld om zulke rechten en veranderingen vast te leggen.
Daarbij is het belangrijk niet alle boeren in de Heerlijkheid Bredevoort over één kam te scheren. Niet iedere boer was horig en ook niet ieder horig goed had precies dezelfde lasten. Naast hofhorige boeren woonden in de streek vrije eigenaren, pachters, keuterboeren en andere landgebruikers. De plattelandssamenleving bestond uit verschillende juridische en economische groepen.
Horigheid tijdens de Tachtigjarige Oorlog
De hofboeken liepen ook tijdens de Tachtigjarige Oorlog door. Terwijl legers door de streek trokken en boeren soms vee, paarden of oogsten verloren, bleven er dus tegelijk huwelijken, erfenissen en overdrachten van erven geregistreerd worden. Dat maakt deze bronnen bijzonder: zij tonen dat het gewone leven en de oude rechtsverhoudingen bleven functioneren, zelfs in onrustige jaren.
Voor het verhaal van de oorlog zijn de hofboeken daardoor een aanvulling op berichten over belegeringen en plunderingen. Ze laten niet alleen zien wat mensen overkwam, maar ook hoe gezinnen ondanks de omstandigheden probeerden hun bedrijf en familielijn voort te zetten.
Van persoonlijke band naar oude rechten
In de zeventiende en achttiende eeuw veranderde de betekenis van horigheid geleidelijk. Persoonlijke afhankelijkheid verloor steeds meer van haar oude karakter, terwijl financiële en zakelijke rechten op de hofgoederen langer konden blijven bestaan. De Bredevoortse hofboeken en de administratie van de Nassause Domeinraad bleven daarom nog lange tijd gegevens over hofhorigen en hofhorige goederen bevatten.
De Bataafse tijd betekende een fundamentele breuk met het oude heerlijke rechtsstelsel. In 1798 verdwenen de heerlijke bestuursrechten en werd ook met veel feodale rechtsverhoudingen gebroken. Daarmee was echter niet automatisch iedere privaatrechtelijke last op een boerderij of ieder oud vermogensrecht van de ene dag op de andere verdwenen. Over grond, inkomsten, schadeloosstelling en de juridische betekenis van oudere aanspraken kon ook daarna nog discussie ontstaan.
De hofboeken zelf laten vooral zien hoe het systeem in de zestiende en zeventiende eeuw functioneerde. Samen met latere stukken van de Nassause Domeinraad maken zij zichtbaar hoe lang oude rechten op personen en hofgoederen administratief van belang bleven. De bewaard gebleven registers geven tegenwoordig een uitzonderlijk inkijkje in het leven van boerenfamilies in Aalten en Winterswijk.
Een bron voor familie- en boerderijgeschiedenis
Voor Old Aalten zijn de hofboeken bijzonder interessant omdat daarin personen, families en boerderijen rechtstreeks met elkaar kunnen worden verbonden. Juist voor de periode vóór de invoering van de burgerlijke stand bevatten zij gegevens die elders vaak ontbreken. Door deze vermeldingen aan het Historisch Netwerk te koppelen, kan op termijn zichtbaar worden welke families op welke erven leefden en hoe die relaties door de eeuwen veranderden.

