Heerlijkheid Bredevoort

Een herziene, chronologische geschiedenis van de Heerlijkheid Bredevoort, van de vroegste betrouwbare vermelding van de burcht in 1188 tot het einde van het oude bestuur in de Bataafs-Franse tijd.

19e eeuwse kaart van Bredevoort en omgeving
19e eeuwse kaart van Bredevoort en omgeving

De Heerlijkheid Bredevoort was eeuwenlang het bestuurlijke gebied rond Bredevoort, Aalten, Dinxperlo en Winterswijk. De geschiedenis ervan begon bij de middeleeuwse burcht van Bredevoort en eindigde pas toen het oude heerlijke bestuur in de Bataafs-Franse tijd verdween. In die lange periode wisselden graven, bisschoppen, pandheren en prinsen elkaar af, terwijl het dagelijkse bestuur meestal in handen lag van drosten, richters en andere plaatselijke functionarissen.

Van burcht naar heerlijkheid

De oudste betrouwbare schriftelijke vermelding van Bredevoort dateert uit 1188. In een goederenlijst wordt dan een burcht bij Bredevoort genoemd. Hoe oud die burcht op dat moment al was, is niet bekend. Ook oudere vermeldingen die soms met Bredevoort in verband zijn gebracht, zijn niet met voldoende zekerheid aan deze plaats te koppelen.

De burcht lag op een strategische plek in het grensgebied tussen het graafschap Gelre en het bisdom Münster. In de dertiende eeuw was zij verbonden met de graven van Lohn en de heren van Steinfurt. In 1238 lieten Herman van Lohn en Ludolf van Steinfurt de burcht versterken. De machtsverhoudingen bleven echter ingewikkeld: verschillende adellijke families en landsheren hadden rechten op delen van de burcht en het omliggende gebied.

In 1278 werd de burcht verwoest tijdens een conflict met graaf Everhard van der Mark. Enkele jaren later wordt in een akte nog gesproken over de plaats van het verwoeste kasteel. De burcht werd uiteindelijk herbouwd. Daarmee bleef Bredevoort een belangrijke militaire en bestuurlijke positie in een gebied waar Gelre en Münster beide invloed probeerden uit te oefenen.

Rond de burcht ontwikkelde zich in de middeleeuwen een kleine nederzetting. Daarin namen borgmannen een bijzondere plaats in: mannen die aan de verdediging van burcht en stad waren verbonden en daarvoor rechten en goederen genoten. In 1388 wordt Bredevoort in een officiële akte als stad aangeduid; een afzonderlijke algemene stadsrechtverlening is niet overgeleverd.

De strijd om Bredevoort

Toen de laatste graaf van Lohn in 1316 zonder directe opvolger stierf, verscherpte de strijd om zijn nalatenschap. Vooral Gelre en Münster maakten aanspraak op Bredevoort en de omliggende gerechten. In de jaren daarna werd de burcht meerdere malen inzet van oorlog en onderhandelingen.

De strijd eindigde uiteindelijk met het Verdrag van Wesel van 28 juni 1326. Daarbij bleef Bredevoort in Gelderse handen en kreeg de graaf van Gelre de gerechten van Aalten, Dinxperlo en Winterswijk in pand. Het ging dus juridisch niet om een gewone verkoop of definitieve overdracht, maar om een pandschap.

Münster kon de verpande rechten terugkrijgen wanneer de afgesproken pandsom werd afgelost. Dat gebeurde niet. In de praktijk legde het verdrag van 1326 daardoor de basis voor het Gelderse gebied rond Bredevoort, Aalten, Dinxperlo en Winterswijk dat later als de Heerlijkheid en het Ambt Bredevoort bekendstond.

Een gebied in pand

Ook de Gelderse landsheer bestuurde Bredevoort niet voortdurend rechtstreeks. Vanaf de late veertiende eeuw werd het gebied verschillende malen in pand gegeven. Een pandheer leende de landsheer geld en kreeg in ruil daarvoor voor langere tijd de inkomsten en bestuurlijke rechten van een gebied.

Op 14 november 1388 verpandde Willem van Gulik, hertog van Gelre, burcht, stad en ambt Bredevoort aan ridder Hendrik III van Gemen. Twee dagen later werd de pandsom verhoogd. Via vererving kwamen de rechten later bij Bentheim-Steinfurt terecht. Het bleef echter Gelders pandgoed: nog in 1520 noemde hertog Karel van Gelre Bredevoort uitdrukkelijk zijn pandgoed. In 1526 kwam het gebied weer rechtstreeks onder de Gelderse landsheer.

In 1534 kwam de Gelderse veldheer Maarten van Rossum aan het hoofd van het bestuur in Bredevoort; hij wordt in de bronnen als drost en later ook als pandheer genoemd. Onder zijn gezag werden de verouderde verdedigingswerken vanaf omstreeks 1545 aangepast aan de veranderde oorlogsvoering met zwaar geschut. Na zijn dood in 1555 gingen zijn rechten via de familie Van Isendoorn verder. Op 19 september 1562 werd stad, huis en ambt Bredevoort voor 50.000 gulden verpand aan Diederik van Bronckhorst-Batenburg, heer van Anholt. Daarmee begon het zogenoemde Anholter pandschap.

Bredevoort in de Tachtigjarige Oorlog

Het Anholter pandschap viel samen met een van de onrustigste perioden uit de regionale geschiedenis. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog lag Bredevoort in het grensgebied tussen Staatse en koningsgezinde gebieden. De stad en vesting wisselden meerdere malen van machthebber.

In 1572 werd Bredevoort ingenomen door troepen van Willem van den Bergh. Nog datzelfde jaar kwam het gebied opnieuw in Spaansgezinde handen. In de daaropvolgende jaren trokken geregeld troepen door het Ambt. Vooral de bewoners van het omliggende platteland hadden te maken met roof, brandschatting, gijzeling en inkwartiering.

In 1597 belegerde prins Maurits de vesting Bredevoort en bracht de stad onder Staats gezag. Dat gezag werd nog eenmaal rechtstreeks doorbroken: op 22 maart 1606 namen Spaanse troepen de stad in. Zij verlieten Bredevoort vervolgens onder het oog van het Staatse leger onder Frederik Hendrik. Daarna bleef de vesting een militair steunpunt van de Republiek.

De oorlogsgeschiedenis was voor de meeste inwoners geen verhaal van grote veldheren, maar van dagelijks overleven. Boeren konden hun paarden, koeien of graan verliezen, inwoners werden soms tegen losgeld vastgehouden en soldaten moesten bij burgers worden ondergebracht. Dat perspectief wordt verder uitgewerkt in Boeren en burgers tijdens de Tachtigjarige Oorlog.

De Oranjes als pandheren

Na jaren van juridisch getouwtrek met de heer van Anholt namen de Staten van Gelre het pandschap in 1612 over. Op 17 december 1612 werd stad, huis en ambt Bredevoort vervolgens voor 50.000 gulden verpand aan graaf Maurits van Nassau.

Vanaf dat moment bleef Bredevoort langdurig verbonden met het Huis Oranje-Nassau. Na Maurits volgde Frederik Hendrik. Het pandschap werd later opnieuw verlengd en kwam uiteindelijk bij Willem III terecht. De Oranjes benoemden functionarissen en ontvingen inkomsten uit hun rechten en bezittingen in het gebied.

De band werd in 1697 nog sterker. De Staten van Gelre droegen toen slot, stad, ambt en heerlijkheid Bredevoort in volle eigendom over aan koning-stadhouder Willem III, ter verrekening van de 50.000 gulden die hij als pandhouder tegoed had. Die overdracht bleek juridisch niet het laatste woord: in 1709 namen de Staten van Gelderland een besluit om de gift weer in te trekken en de pandsom terug te betalen. In de praktijk bleef Bredevoort echter nauw met de Nassause domeinen verbonden.

Na de dood van Willem III ontstond een langdurig conflict over zijn nalatenschap. Bij de verdeling van de Oranje-erfenis in 1732 kwam Bredevoort uiteindelijk bij Willem IV terecht. De heerlijkheid bleef daarna onderdeel van het bezit en bestuur van het Huis Oranje-Nassau.

Bestuur vanuit Bredevoort

De heer of pandheer verbleef meestal niet zelf in Bredevoort. Het dagelijkse bestuur en de rechtspraak werden daarom uitgevoerd door plaatselijke functionarissen. De belangrijkste daarvan was de drost. Hij vertegenwoordigde de landsheer of pandheer en had bestuurlijke, financiële en rechterlijke taken.

De rechtspraak werd uitgeoefend door een richter met keurnoten. Er waren gerichtsdagen in Bredevoort, Aalten en Winterswijk; zaken uit Dinxperlo werden in Aalten behandeld. Daarnaast waren onder meer een landschrijver, fiscaal, rentmeesters, voogden en ondervoogden actief.

Het gebied bestond niet alleen uit de stad Bredevoort. De kerspelen Aalten, Dinxperlo en Winterswijk vormden ieder hun eigen lokale bestuurlijke eenheid met dorpen en buurtschappen. Plaatselijke geërfden, gildemeesters, rotmeesters en andere functionarissen hielpen bij belastingheffing, armenzorg, kerkbeheer en de uitvoering van bevelen.

Hofhorige boeren

Onder de heerlijkheid vielen verschillende hofhorige personen en goederen. Hofhorigheid betekende dat bij bijvoorbeeld huwelijk, overlijden en de overdracht van een erf bijzondere rechten en verplichtingen tegenover de heer golden. Het Hofboek Bredevoort maakt die regels heel concreet: hofhorigen uit Aalten die onder de Hof te Ahave vielen, moesten zich jaarlijks op een vaste hofdag melden. De praktijk was overigens minder eenvoudig dan een tegenstelling tussen ‘vrij’ en ‘onvrij’. Vrije mensen konden zich soms vrijwillig hofhorig maken, bijvoorbeeld in verband met een huwelijk of erf, en daarbij kon worden afgesproken dat een kind vrij bleef. Hofhorigheid greep zo rechtstreeks in op gezin, bezit en erfopvolging.

De hofboeken uit Aalten en Winterswijk behoren daardoor tot de belangrijkste bronnen voor het leven van boeren in de heerlijkheid. Ze bevatten namen van bewoners, erven, familieverbanden en overdrachten. Het verhaal Boeren en hofhorigheid in de Heerlijkheid Bredevoort laat aan de hand van zulke inschrijvingen zien hoe dit stelsel in de praktijk werkte.

Vesting en garnizoen

Bredevoort bleef eeuwenlang ook een vestingplaats. Rond het midden van de zestiende eeuw werden de verdedigingswerken sterk uitgebreid. Na 1597 verbeterden de Staatse autoriteiten de vesting opnieuw. Soldaten maakten daardoor langdurig deel uit van het straatbeeld.

Die militaire aanwezigheid had twee kanten. De vesting beschermde de omgeving, maar een garnizoen moest ook worden onderhouden. Soldaten hadden huisvesting en voedsel nodig en hun aanwezigheid had invloed op handel, huisvesting en het dagelijks leven in de stad.

In 1646 trof Bredevoort de kruittorenramp. Bliksem sloeg in de kruittoren van het kasteel, waarna een zware explosie volgde. Het kasteel werd grotendeels verwoest en volgens de best onderbouwde telling kwamen veertig mensen om. Het oude bestuurscentrum verdween daarmee. In 1699 werd aan de Landstraat een nieuw Ambthuis gebouwd.

De ramp betekende niet het einde van Bredevoort als vesting. In het Rampjaar 1672 werd de stad door Münsterse troepen aangevallen en gebombardeerd. In juni kwam Bredevoort in Münsterse handen. De bezetting duurde bijna twee jaar; in de nacht van 26 op 27 mei 1674 verlieten de Münsterse troepen de vesting. Daarna werden de verdedigingswerken opnieuw verbeterd.

Pas in 1755 hief de Raad van State de fortificaties als actieve militaire vesting op en droeg de werken over aan het burgerlijk bestuur. Daarna verdwenen wallen, poorten en bruggen geleidelijk. Bij een inspectie in 1784 bleek een groot deel van de oude verdedigingswerken al te zijn afgegraven of gesloopt.

Het einde van de heerlijkheid

De Bataafse Omwenteling van 1795 betekende het einde van het oude Oranjegezag. De bezittingen en rechten van het Huis Oranje-Nassau werden in beslag genomen en het bestuur werd opnieuw ingericht. Daarmee verloor de heerlijkheid haar oude betekenis als persoonlijk bestuurs- en bezitsgebied van een heer of pandheer.

In 1795 werden binnen het voormalige gebied afzonderlijke municipaliteiten ingesteld voor Aalten, Bredevoort, Dinxperlo en Winterswijk. Toen de oude heerlijkheden in 1798 formeel uit het staatsbestel verdwenen, werden deze opnieuw samengebracht in het Ambt Bredevoort. Ook Lichtenvoorde werd toen aan het ambt toegevoegd; dat gebied werd er in 1802 weer van afgescheiden.

Onder het Franse bestuur volgde opnieuw een bestuurlijke reorganisatie. Vanaf 1811 werd het Ambt Bredevoort opgesplitst in afzonderlijke mairieën voor Aalten, Bredevoort, Dinxperlo en Winterswijk; de bestuurlijke afwikkeling liep door in 1812. Daarmee eindigde de gezamenlijke bestuurlijke eenheid die, in verschillende vormen, terugging op de middeleeuwse machtsvorming rond Bredevoort. Deze overgang wordt uitgebreider beschreven in Van Heerlijkheid naar Ambt Bredevoort (1795–1811).

Een geschiedenis die nog overal zichtbaar is

Van de Heerlijkheid Bredevoort is vandaag geen bestuurlijk gebied meer over, maar haar geschiedenis is nog op veel plaatsen terug te vinden. Het kasteelterrein, de vestingwerken, het Ambthuis, oude boerderijen, hofboeken, rechterlijke archieven en de grenzen van oude kerspelen vertellen allemaal een deel van hetzelfde verhaal.

Door die bronnen met elkaar te verbinden wordt zichtbaar dat de heerlijkheid veel meer was dan alleen een reeks pandheren en drosten. Zij vormde eeuwenlang het bestuurlijke kader waarbinnen inwoners van Aalten, Bredevoort, Dinxperlo en Winterswijk woonden, werkten, belasting betaalden, rechtszaken voerden, boerderijen erfden en oorlogen probeerden te overleven.

Bronnen