In 1636 heerste de pest in de Heerlijkheid Bredevoort. Hoeveel mensen ziek werden of overleden, weten we niet. Rechterlijke stukken uit dat jaar laten wel duidelijk zien dat de ziekte maandenlang aanwezig was in het gebied waartoe Bredevoort, Aalten, Dinxperlo en Winterswijk behoorden.
De stukken zijn geen zieken- of overlijdensregister. Het zijn akten waarin inwoners bijvoorbeeld hun nalatenschap regelden, schulden vastlegden of afspraken maakten over hun bezittingen. Juist daardoor geven ze een bijzonder inkijkje in het dagelijks leven tijdens de epidemie.
Een heersende pest
Op 2 juni 1636 lieten landtschrijver Willem Wisselinck en zijn vrouw Lijsebet Möllenkamps afspraken over hun nalatenschap vastleggen. Zij worden niet als ziek beschreven. In de akte wordt echter wel expliciet verwezen naar de “tegenwordich grassierende […] Pestilenz”: de pest die op dat moment heerste.
We weten daarom niet wanneer de eerste besmettingen plaatsvonden, maar begin juni werd de pest binnen de Heerlijkheid al als een actuele bedreiging beschouwd.
Een maand later verschijnt het eerste duidelijke ziektegeval in het protocol. Op 2 juli was Derissken ten Broeckhuiss, echtgenote van Johan Grievinck, “anden Pestilentz bevallen”. Zij was volgens de akte nog goed bij haar verstand en bepaalde wat er bij haar overlijden met haar bezittingen moest gebeuren.
Ziek in juli, augustus en september
De akten laten zien hoe snel de situatie kon veranderen. Op 23 juli wordt Henrick Meijnen nog omschreven als “gesondes lijves”. Op 11 augustus verklaren twee soldaten dat Trine Geerdes hem tijdens zijn ziekte “inde Peste” zorgvuldig had verzorgd. Meijnen had haar daarvoor bezit nagelaten.
Op 28 augustus werden binnen korte tijd meerdere verklaringen van pestzieken vastgelegd.
Gertken Pillekes, weduwe van Wessel ten Brincke, was zeer zwak door de pest. Als zij aan haar ziekte zou overlijden, moesten de armen van Aalten 250 daalders ontvangen. Mocht zij herstellen, dan kregen zij alsnog vijftig daalders.
Diezelfde dag liet Herman Hillebrandts zijn laatste wensen vastleggen. Hij was getroffen door de “haestige sieckte der peste”. Onder meer goederen die hij met zijn overleden vrouw Derissken Heijnen had bezeten, moesten na zijn dood teruggaan naar haar familie. Daartoe behoorde het goed Heijnen in Lintelo, dat op Old Aalten als Groot Heinen bekend is.
Ook chirurgijn Jan Broeckhuijs was op 28 augustus zwaar door de pest getroffen. Samen met zijn vrouw Hilleken Hauberich liet hij vastleggen wat bij het overlijden van een van beiden met hun bezittingen moest gebeuren.
De ziekte bleef daarna aanwezig. Op 11 september werd Frederich Hellerbarch in verband met de pestilentie genoemd. De akte is door verbleekte inkt slechts gedeeltelijk leesbaar.
Op 22 september volgde Eneas ten Kolcke. Ook hij was volgens de bron door de “schowlicke siekte der pesten” getroffen en maakte een regeling voor het geval hij zou overlijden.
Ook in het najaar
In oktober waren Herman van Rijsswick en zijn vrouw tegelijk door de pest getroffen. Zij bepaalden dat de langstlevende hun goederen gedurende zijn of haar leven mocht blijven gebruiken.
Begin november was de epidemie nog niet voorbij. In een akte van 3 november wordt zelfs gesproken over “dese bedroefde sterflijcke peste tijden”. Een zieke Huininck, van wie de voornaam in het stuk niet goed leesbaar is, liet zijn laatste wensen door predikant Theodorus Duimen vastleggen.
Ook Huininck dacht aan de armen van Aalten. Als hij overleed, moesten zij honderd daalders ontvangen. Bleef hij leven, dan zouden zij vier mud zaaigoed krijgen. Zijn neef Herman Pieck en diens vrouw Aeltien Dierkinck werden eveneens bedacht; uit de akte blijkt dat zij hem tijdens zijn ziekte verzorgden.
Tot diep in het najaar komen dergelijke stukken voor. Een later pesttestament is zo sterk verbleekt dat de inhoud niet meer betrouwbaar kan worden gereconstrueerd.
Zorg voor zieken
De rechterlijke stukken waren niet bedoeld om te beschrijven hoe pestzieken werden verzorgd. Toch geven ze daar enkele korte inkijkjes in.
Trine Geerdes verzorgde Henrick Meijnen tijdens zijn ziekte. Herman Pieck en Aeltien Dierkinck stonden Huininck bij. Predikant Theodorus Duimen was betrokken bij verschillende beschikkingen van zieken. Zelfs chirurgijn Jan Broeckhuijs werd zelf door de pest getroffen.
Meer weten we vooralsnog niet. Uit de bronnen blijkt bijvoorbeeld niet dat er binnen de Heerlijkheid een afzonderlijk pesthuis bestond of dat zieken systematisch werden afgezonderd.
Hoeveel mensen stierven?
Dat is niet vast te stellen.
Het volontaire protocol bevat alleen mensen voor wie een juridische handeling werd geregistreerd. De overgrote meerderheid van de bevolking komt er niet in voor. Bovendien betekent een testament op het ziekbed niet automatisch dat iemand kort daarna overleed.
Van enkele zieken weten we dat zij later als overleden worden vermeld. Herman Hillebrandts was uiterlijk begin 1638 overleden. Herman van Rijsswick wordt in 1637 als overleden genoemd. In geen van beide gevallen is echter bewezen dat de pest de doodsoorzaak was.
Ook het Hofboek van Bredevoort kan niet als overlijdensregister worden gebruikt. Daarin werden overlijdens vooral genoteerd wanneer die gevolgen hadden voor hofhorigheid, bezit of erfopvolging. Dezelfde overlijdensmelding kon bovendien in opeenvolgende jaren terugkomen. Een telling van zulke vermeldingen zou daarom een misleidend beeld van de sterfte geven.
Een grotere epidemie
De pest van 1636 stond niet op zichzelf. In dezelfde jaren werden grote delen van de Nederlanden en het aangrenzende Duitse gebied getroffen. Ook elders in Gelderland was 1636 een zwaar pestjaar.
Hoe de ziekte de Heerlijkheid Bredevoort bereikte, kunnen we uit de gevonden stukken niet afleiden. Het gebied stond via handel, bestuur, militairen en gewone reizigers in voortdurend contact met steden en dorpen aan beide kanten van de grens. Een concrete besmettingsroute aanwijzen zou echter speculatief zijn.
Wat de plaatselijke bronnen wél rechtstreeks aantonen, is dat de pest in 1636 gedurende maanden in de Heerlijkheid aanwezig was. Vanaf juni spreken de stukken over een heersende pest, waarna tot in het najaar verschillende zieken in de rechterlijke administratie verschijnen.
De akten geven geen dodental en geen volledig overzicht van de epidemie. Wel bewaren ze momenten waarop ziekte, zorg, bezit en de mogelijkheid van overlijden rechtstreeks ingrepen in het leven van inwoners van de Heerlijkheid Bredevoort.
