Bredevoort in het Rampjaar 1672

In juni 1672 veroverden Münsterse troepen Bredevoort. Over de verwaarloosde vesting, de capitulatie, bijna twee jaar bezetting en de ontruiming in mei 1674.

In juni 1672 kwam Bredevoort opnieuw in vijandelijke handen. Ditmaal waren het geen Spaanse troepen, maar het leger van de prins-bisschop van Münster, Christoph Bernhard von Galen, die in Nederland bekend werd als ‘Bommen Berend’. De inname maakte deel uit van het Rampjaar, waarin de Republiek tegelijk door Frankrijk, Engeland, Münster en Keulen werd aangevallen. De Münsterse bezetting duurde bijna twee jaar, tot mei 1674.

Een vesting die er slecht aan toe was

Op papier was Bredevoort een sterke vesting. De stad lag tussen natte gronden en was omgeven door brede grachten, zes bastions en twee ravelijnen. In de praktijk was het onderhoud in de jaren vóór 1672 achtergebleven. Archiefonderzoek naar de vestingwerken noemt afgedamde grachten, moestuinen op delen van de verdedigingswerken, verwaarloosde magazijnen en verrotte affuiten. Van de ongeveer twintig aanwezige kanonnen was een groot deel nauwelijks bruikbaar.

Dat verschil tussen de sterke ligging en de slechte staat van onderhoud zou in juni 1672 zwaar gaan wegen. Münsterse troepen hadden op 9 juni al Groenlo tot overgave gedwongen. Daarna kwam Bredevoort aan de beurt. Een negentiende-eeuwse militaire studie vermeldt Bredevoort direct na Groenlo onder de plaatsen die door het leger van Münster werden bemachtigd.

De aanval in juni 1672

De precieze dag-tot-dagchronologie is vooral bekend uit latere historische beschrijvingen. De lokale geschiedschrijving dateert de beschieting doorgaans in de periode van 13 tot 18 juni en de overgave op 18 juni 1672. Die datering past bij de bredere militaire ontwikkeling van die week, maar een contemporaine capitulatieakte is voor deze herziening nog niet rechtstreeks gecontroleerd. Daarom behandelen we de datum van 18 juni als een goed onderbouwde historische reconstructie, niet als een opnieuw geverifieerde primaire akte.

Latere beschrijvingen noemen een garnizoen van ongeveer vijfhonderd man en een Münsterse aanvalsmacht van circa tweeduizend. Ze vertellen ook dat het moreel binnen de vesting snel verslechterde. Het geschut functioneerde slecht, er bestond twijfel over de voorraden en berichten over de snelle vijandelijke opmars elders in het land versterkten de onzekerheid. Ook onder de burgerbevolking groeide de druk toen huizen door beschietingen schade opliepen.

De stad capituleerde uiteindelijk zonder dat het tot een grote bestorming kwam. Volgens de latere overlevering mocht het garnizoen aftrekken en bleef Bredevoort een plundering bespaard. Daarmee verschilde deze inname sterk van sommige eerdere veroveringen van de vesting.

Bredevoort wordt Münsterse bezetting

Dat de Münsterse machthebbers Bredevoort als een echte verovering beschouwden, blijkt ook uit de diplomatieke afspraken die kort daarna werden gemaakt. Op 26 juni 1672 kwamen vertegenwoordigers van de bondgenoten bijeen op kasteel Biljoen. Daarbij werden Groenlo, Bredevoort, Borculo en andere veroveringen aan prins-bisschop Christoph Bernhard van Galen toegewezen.

De bezetting had niet alleen een militaire betekenis. Binnen de heerlijkheid veranderden tijdelijk ook bestuurlijke en kerkelijke verhoudingen. In Bredevoort ontstond gedurende de oorlogsjaren 1672–1674 korte tijd een afzonderlijk stedelijk bestuur van stadhouder en regenten. In het omliggende gebied maakte de Münsterse aanwezigheid bovendien tijdelijk meer ruimte voor de openbare katholieke eredienst.

De bisschop wil Bredevoort houden

Toen in 1673 en 1674 over vrede werd onderhandeld, probeerde de bisschop van Münster zijn veroveringen om te zetten in blijvend gebiedsbezit. Bredevoort speelde daarin een opvallende rol. In verschillende voorstellen eiste Christoph Bernhard de heerlijkheid Bredevoort, met Aalten, Dinxperlo en Winterswijk, voor zichzelf op. In sommige varianten bood hij aan de pandwaarde aan de prins van Oranje terug te betalen.

De Republiek wilde echter geen grondgebied afstaan. In het vredesverdrag van 22 april 1674 kreeg Münster geen recht op Bredevoort. De bezette plaatsen moesten worden ontruimd.

De Münsterse troepen vertrekken

Bredevoort en Groenlo werden in de nacht van 26 op 27 mei 1674 door de Münsterse troepen ontruimd. Ook Borculo werd verlaten. Volgens de negentiende-eeuwse bronnenstudie van F. der Kinderen verliep die evacuatie niet overal zonder gewelddadigheden door vertrekkende soldaten.

Bredevoort kwam daarmee opnieuw onder het gezag van de Republiek. De gebeurtenissen van 1672 hadden echter duidelijk gemaakt dat een indrukwekkende vesting op kaarten weinig betekende wanneer onderhoud, materieel en bevoorrading tekortschoten.

Na 1672: opnieuw versterken

In de decennia na het Rampjaar kreeg de verdediging opnieuw aandacht. In 1704 werden de buitenwerken verbeterd en werd nadrukkelijk gekeken naar de waterhuishouding rond de stad. Tussen 1727 en 1729 volgden nieuwe fronten en contrescarpen bij de poorten. Een poortwachtersreglement uit 1726 laat zien hoe streng wachtlopen, toegang tot de stad en toezicht op de wallen nog werden georganiseerd.

Toch liep het tijdperk van Bredevoort als actieve garnizoensstad ten einde. In 1755 besloot de Raad van State de fortificaties buiten gebruik te stellen. Daarmee begon de geleidelijke ontmanteling van de vesting die in 1672 nog inzet was geweest van een Europese oorlog. De langere ontwikkeling van de verdedigingswerken staat beschreven bij Vestingstad Bredevoort.

Bronnen