Op zondag 12 juli 1646 (22 juli volgens de huidige kalender) sloeg tijdens een zwaar onweer de bliksem in de kruittoren van het kasteel Bredevoort. De daaropvolgende ontploffing verwoestte een groot deel van het kasteel. Volgens een vroege historische beschrijving kwamen ongeveer veertig mensen om; een exact aantal is niet vastgesteld. Dat laatste aantal wordt al in een publicatie uit 1807 gegeven op basis van het Bredevoortse Consistorie-Boek.
De explosie
De kruittoren maakte deel uit van het kasteelcomplex op het huidige ’t Zand. Toen de bliksem de toren trof, ontplofte de opgeslagen voorraad buskruit. Een contemporaine aantekening in het rechterlijk protocol (ECAL 3017, inv.nr. 415, fol. 24v) bevestigt de ontploffing rond vier uur ’s middags maar vermeldt geen hoeveelheid kruit. De vaak genoemde 320 vaten kruit zijn niet uit deze aantekening af te leiden. Ook in de korte samenvatting die G. van Hasselt in 1807 uit het Consistorie-Boek publiceerde, ontbreekt die hoeveelheid. Met ‘tonnen’ of ‘vaten’ worden overigens verpakkingen bedoeld, niet moderne metrische tonnen.
De kracht van de explosie sloeg de toren en andere delen van het kasteel uiteen. Ook het toenmalige ambtmanshuis bij het kasteel werd verwoest. Dat gebouw moet niet worden verward met het huidige Ambthuis aan de Landstraat, dat pas in 1699 werd gebouwd.
Schade in de stad
De ramp bleef niet beperkt tot het kasteelterrein. Ook in de stad stortten huizen in of raakten zwaar beschadigd. Volgens latere beschrijvingen verloren vrijwel overal daken en vensters delen door de luchtdruk. Dagenlang werd tussen het puin gezocht naar slachtoffers en mogelijke overlevenden. Ook de Sint-Joriskerk liep schade op. Volgens het rijksmonumentenregister van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed werd de kerk nog in 1646 hersteld na de kruitontploffing (rijksmonument 6869).
Archeologisch en historisch onderzoek bevestigt dat de ontploffing van 1646 een belangrijke breuk vormde in de geschiedenis van het kasteel. Het zwaar beschadigde complex werd daarna niet meer als volwaardig kasteel herbouwd.
Hoeveel slachtoffers?
Een van de belangrijkste vroege vermeldingen werd in 1807 gepubliceerd door G. van Hasselt. Hij baseerde zich daarbij op het Consistorie-Boek van Bredevoort en schreef dat bij de ramp ongeveer veertig mensen omkwamen. Hij noemt onder de slachtoffers drost Wilhelm van Haersolte, zijn vrouw Catharina van Brakel en “acht kinderen”. Dat laatste aantal is echter problematisch. Nederland’s Adelsboek vermeldde in 1908 dat Wilhelm en Catharina met zeven kinderen omkwamen, terwijl zoon Anthonie de ramp overleefde. Het Bredevoortse doopboek bevestigt bovendien Gerrit (1641), Assuerus (1643), Arent (1644) en Lodwich (1645) als kinderen van het echtpaar. De bronnen spreken elkaar dus tegen over het aantal omgekomen kinderen. Zonder controle van het oorspronkelijke Consistorie-Boek en aanvullende gezinsgegevens is een keuze tussen zeven en acht niet verantwoord.
Jacobus Craandijk noemde in de negentiende eeuw veertig slachtoffers: negentien mensen bij het kasteel en eenentwintig in de stad. Die precieze verdeling is niet onafhankelijk bevestigd door de tot dusver gecontroleerde contemporaine bronnen. Craandijks optelling is een latere reconstructie. Van Hasselts samenvatting uit 1807 spreekt slechts van ongeveer veertig slachtoffers. Old Aalten behandelt veertig doden daarom niet als een destijds vastgesteld exact aantal. Elders wordt ook het aantal 49 genoemd. Zolang de oorspronkelijke overlijdens- en begraafregistraties niet volledig zijn gecontroleerd, is een exact aantal niet met zekerheid vast te stellen.
G.H. Rots publiceerde in 1938 een uitgebreidere namenlijst. Hij noemt naast het gezin Van Haersolte onder anderen Berentjen van Brakel, luitenant Johan van Langen, Jeanne van Sedan, Maria Glazen, schildwacht Hendrik Otterpoël en verschillende inwoners die in ingestorte huizen omkwamen. Die namenlijst is waardevol, maar niet iedere spelling en identificatie is inmiddels opnieuw aan een contemporaine bron getoetst.
Begrafenis in de Sint-Joriskerk
De slachtoffers uit het gezin Van Haersolte werden enkele dagen na de ramp begraven. Wilhelm, Catharina en overleden gezinsleden kregen een graf in het koor van de Sint-Joriskerk. De grafzerken zijn later opnieuw zichtbaar gemaakt.
Zoon Anthonie van Haersolte overleefde doordat hij die dag niet in Bredevoort was. Over zijn precieze verblijfplaats spreken latere bronnen elkaar tegen. Hij zette deze tak van de familie Van Haersolte voort.
Een nieuw bestuurscentrum
Met de verwoesting van het kasteel verdween ook het oude bestuurscentrum van Bredevoort. Bestuur en administratie moesten daarna elders worden ondergebracht. Het rechterlijk protocol laat zien dat de administratie wel doorging: op 12 augustus 1646, een maand na de ramp, werden alweer rechtshandelingen vastgelegd onder Joost ter Vile, die in het register als plaatsvervanger en rentmeester wordt aangeduid (ECAL 3017, inv.nr. 415, fol. 25). Het rechterlijk protocol vermeldt op 12 september 1646 Georg Nicolaes van Lawick als drost en richter (ECAL 3017, inv.nr. 415, fol. 26). Hij vervulde die functies dus uiterlijk op die datum; de precieze benoemingsdatum blijkt niet uit deze aantekening. In 1699 werd aan de Landstraat een nieuw Ambthuis gebouwd. De ramp van 1646 vormt daarmee niet alleen een menselijke tragedie, maar ook een duidelijk keerpunt in de ruimtelijke en bestuurlijke geschiedenis van de Heerlijkheid Bredevoort.

