De Oudheidkamer aan de Dijkstraat (1935–1956)

De geschiedenis van het museumgebouw van Oudheidkamer Aalten aan de Dijkstraat, van de opening in 1935 tot de afbraak in 1956.

Oudheidkamer, Dijkstraat 10b, Aalten
Oudheidkamer, Dijkstraat 10b, Aalten

In april 1935 kreeg de Oudheidkamer van Aalten voor het eerst een eigen museumgebouw aan de Dijkstraat. Het kleine gebouwtje was meer dan alleen onderdak voor een verzameling: de inrichting moest bezoekers letterlijk een beeld geven van het vroegere leven in Aalten en omgeving. Ruim twintig jaar later moest het alweer verdwijnen.

Van Landstraat naar Dijkstraat

De Oudheidkamer was in 1930 begonnen op de verdieping boven de lunchroom van G.J.J. Degenaar aan de Landstraat. Daar werden historische en folkloristische voorwerpen uit Aalten en omgeving tentoongesteld, deels geschonken en deels in bruikleen gegeven.

De beschikbare ruimte was beperkt. Op initiatief van Aaltens Belang kwam er daarom een plan voor een eigen museum. Bestuurslid Jos Driessen stelde een perceel naast zijn villa aan de Dijkstraat beschikbaar. Daar verrees het gebouw dat in april 1935 officieel in gebruik werd genomen.

Oudheidkamer, Dijkstraat 10b, Aalten
De Oudheidkamer aan de Dijkstraat.

Een boerenkeuken als museumzaal

Bij de opening beschreef voorzitter Jos Driessen hoe het oorspronkelijke plan voor één grote museumzaal was losgelaten. Het voorste deel werd ingericht als een oude Gelderse boerenkeuken, met onder meer een bedstee, een klaptafel, aardewerk, koperwerk en gebruiksvoorwerpen die vroeger in veel boerderijen te vinden waren. In de ruimte erachter stond een groot deel van de overige verzameling opgesteld.

Aaltensche Courant over de opening van de Oudheidkamer, 19 april 1935
Aaltensche Courant, 19 april 1935.

Een bijzonder onderdeel was de vloer van kleine keitjes. Joh. Benning legde daarin de lindeboom uit het wapen van Aalten. Ook de schouw en de inrichting van de boerenkeuken waren nadrukkelijk onderdeel van de museale presentatie.

Keitjesvloer in de Oudheidkamer Aalten
De keitjesvloer in de Oudheidkamer, gefotografeerd in 1948.

De haardplaat

Tot de opvallende voorwerpen behoorde een oude haardplaat die eerder in een huis aan de Hoekstraat had gezeten. Via Joh. Degenaar kwam de plaat in bezit van de Oudheidkamer. De plaat droeg de namen van Georg Friedrich van Waldeck en Elisabeth Charlotte van Nassau-Siegen. De precieze route waarlangs het stuk uiteindelijk in Aalten terechtkwam, was ook in 1935 al onderwerp van onderzoek.

Haardplaat uit de collectie van de Oudheidkamer Aalten
De haardplaat uit de collectie. © Nationaal Onderduikmuseum

Te klein en toch van grote betekenis

Al bij de opening bleek dat de Oudheidkamer meer voorwerpen bezat dan in het gebouw konden worden getoond. Een geplande weefkamer paste er bijvoorbeeld niet meer bij. Het bestuur hoopte daarom op verdere groei, meer leden en financiële steun. Tegelijk werd het museum gezien als een nieuwe trekpleister voor Aalten en als een manier om plaatselijk erfgoed voor latere generaties te bewaren.

Het gebouw moet verdwijnen

De grond onder het museumgebouw was nooit formeel aan de vereniging verkocht of geschonken. Toen het perceel in 1955 van eigenaar wisselde, moest de Oudheidkamer vertrekken. De collectie werd voorlopig opgeslagen in de textielfabriek van H. Driessen & Zn. aan de Hofstraat. In februari 1956 meldde het bestuur dat er nog geen goede oplossing voor de huisvesting was gevonden.

Een van de mogelijkheden was het Luutenshuus. De vereniging vroeg de gemeente het oude pand aan te kopen en aan de Oudheidkamer te verhuren. Uiteindelijk kreeg de collectie later onderdak in het Frerikshuus aan de Markt, samen met de achtergelegen Freriksschure.

Bericht over mogelijke huisvesting van de Oudheidkamer in het Luutenshuus
Dagblad Tubantia, 3 maart 1956.

Bronnen

  • Aaltensche Courant, 19 april 1935 (via Delpher)
  • Dagblad Tubantia, 1 maart 1956 (via Delpher)
  • Dagblad Tubantia, 28 februari 1956 (via Delpher)
  • Dagblad Tubantia, 29 december 1955 (via Delpher)