In het bevolkingsregister is nummer 62 overschreven door 63 (met later toegevoegd het nieuwe nummer 39), met bovengenoemd gezin Vonhof als bewoners. Dit adres werd later Hozenstraat 7.
De Hozenstraat 3 ligt evenwijdig aan de noordzijde van de straat, in de kern van Bredevoort, vlakbij ‘t Zand. Het pand heeft waarschijnlijk een laat 19e-eeuwse (of nog oudere) oorsprong, maar onderging vermoedelijk in de vroege 20e eeuw enige vernieuwing. De bouwmassa telt één bouwlaag en is gevat onder een zadeldak met rode mulden pannen.
Karakteristieke opzet met witgepleisterde gevels, vensters met luiken en een door sierklossen gedragen goot. De invulling van de ingangen is deels vernieuwd, maar zowel in de hoofdvorm als de detaillering is de historische verschijningsvorm goed behouden gebleven.
Door zijn opzet neemt het object een beeldbepalende positie in. Het pand ligt vlakbij ’t Zand, het plein waar voorheen de burcht van Bredevoort stond. Dit deel van de historische binnenstad is nog vrij lang onbebouwd gebleven. Pas na de oorlog is er de bebouwing langs het omhoekende deel van de Hozenstraat gerealiseerd. Aan de overkant van nr. 3 staat de als GM beschermde bebouwing aan de Hozenstraat 4, 6 en 8.
In 1910 werd de Vereniging Ons Huis opgericht om een verenigingsgebouw voor protestanten te exploiteren. Het eerste Ons Huis stond aan Prinsenstraat 6. De Nederlands Hervormde kerk was destijds de initiatiefnemer. In 1931 verhuisde de vereniging naar een nieuw gebouw aan de Grote Gracht, de locatie van het huidige Grachthuys.
Daarna kreeg het gebouw een nieuwe bestemming. In 1967 stond het adres Prinsenstraat 6 geregistreerd als Christelijke Kleuterschool. Tegenwoordig is in het pand een uurwerkmaker gevestigd.
In 1991 vierden Hendrik en Leida te Selle hun 75-jarig huwelijk. Dit was zo bijzonder dat de kamerheer van H.M. Koningin Beatrix het echtpaar persoonlijk feliciteerde.
Hendrik heeft lang in de textiel gewerkt, eerst bij de Gebr. Sevink, vervolgens bij Müter en de laatste jaren van zijn werkzame leven bij De Batavier in Winterswijk.
Het echtpaar te Selle woonde aanvankelijk in ’t Luutenshuus in Aalten en verhuisde later naar de Landstraat in Bredevoort. Later begon men aan de Prinsenstraat 8 in Bredevoort een zaak in tabaksartikelen.
Men adverteerde met: “Tabaksartikelen koopt u natuurlijk bij Speciaalzaak G.H. te Selle, Prinsenstraat 8, Bredevoort. Ruime sortering, Vakkundig verzorgd.”
Na de sluiting van de tabakszaak woonden Hendrik en Leida te Selle in huize St. Bernardus.
In een interview in 1991 vertelde Hendrik iets over het ‘geheim’ van het 75-jarig huwelijk: “Er is geen geheim, je moet bij elkaar blijven en gewoon geen rare dingen doen.”
Arent Jan Snoeijenbosch (Aalten, 01-12-1809), timmerman (1) Hendrika Aleijda te Kloese (Aalten, 13-12-1796) (2) Johanna Maria Schoemaker (Bredevoort, 24-11-1807)
In de 19e eeuw woonde hier de gepensioneerde luitenant Diderik Christoffer Hendrikus van Hopbergen en zijn gezin. Zijn dochter Louiza Wilhelmina trouwde in 1837 met luitenant-kolonel Jan Jacob Thomson en zij vestigden zich in zijn ouderlijke woning, enkele huizen verderop.
Eigenaren
Overzicht is niet volledig.
Jaar
Perceel
Eigenaar
Omschrijving
1832
B-203
Diderik Christoffel van Hopbergen, gepens. officier
Jan Berend van Eerden (1852-1935), ging in Driebergen op kostschool en werd architect. Hij ontwierp voor J.M. Stöcker (1829-1891) en diens zwager J.G. du Pré (1812-1887) de in 1881 opgerichte cichorei- en peekoffiefabriek aan de Ambthuiswal in Bredevoort.
Hierbij leerde hij de oudste dochter Anna Stöcker (1859-1935) kennen. Zij had de ‘school voor jongedames’ bezocht, Frans en muziek geleerd. In Museum Freriks in Winterswijk hangt nog de baljurk uit haar jonge jaren (in 1995, red.).
Zij werd zijn vrouw. Van zijn geboorteplaats Aalten ging hij nu naar Bredevoort, waar hij later directeur was van de Coöperatieve Boerenleenbank en bestuurslid van de marktcommissie. Het paar ging wonen in het pand van Stöcker aan de Prinsenstraat in Bredevoort. Dit was een zeer fraai oud herenhuis. Op oude foto’s is te zien dat er links ook een deftig koetshuis naast stond. Van Eerden had een eigen koetsier, ene Jan Oonk. Meester Mol in Bredevoort leende de koets wel eens als hij bezoek van de trein in Aalten moest halen.
Achter het huis was een pomp, die door de hele buurt werd gebruikt. Op de voorgevel van het huis stond het jaartal 1713. Jan Berend en Anna overleden beiden in 1935. De nieuwe eigenaar van het huis aan de Prinsenstraat maakte er een winkel van en moderniseerde de woning, waarbij veel schoons van historische waarde verloren ging. Het koetshuis is gesloopt.
Begin 19e eeuw woonde hier Jannes (James) Thomson en zijn gezin. Hij was een telg uit een militair geslacht met Schotse wortels. Veel van hun nakomelingen zouden de militaire traditie van hun familie voortzetten.
Na hun dood bleef één van hun zoons in het huis wonen. Hij werd brievengaarder van beroep en daarmee kreeg de woning tevens de functie van postkantoor.
In 1952 werd het pand verbouwd tot Hervormd Rusthuis „Zandzicht”. In 1970 werd dit rusthuis gesloten en verhuisden alle bewoners naar het nieuwe bejaardencentrum ’t Hoge Veld in Aalten. Tegenwoordig maakt deze locatie deel uit van St. Bernardus.
Postkantoor Bredevoort, 1918, met Hendrik Christiaan den Hartogh en Antonia Theodora KrosenbrinkZutphensche Courant, 10 oktober 1872Dagblad Tubantia, 17 december 1952Bewoners Rusthuis ‘Zandzicht’, Bredevoort (1967)Dagblad Tubantia, 3 september 1970
De wortels van het katholieke geslacht Lueb liggen in het Duitse Rees. Daar lieten Jacob Lueb en Maria Kaldenhoeven op 9 februari 1785 een zoon dopen, die zij Johannes noemden, roepnaam Jan. Hij werd bakker van beroep. In die hoedanigheid klopte hij regelmatig aan de zware deur van de Wasserburg in Anholt: om in de keuken brood te bakken of om brood te bezorgen. Bij één van die bezoeken leerde hij Françoise Persille (1777-1824) kennen, een in het Franse Nancy geboren gouvernante die naar Anholt was gekomen om daar te werken. Die ontmoeting resulteerde in 1811 in een huwelijk, gesloten in Anholt.
Op enig moment, om redenen die uit de bronnen niet bekend zijn, verhuisde het echtpaar naar Bredevoort. Daar werden vijf kinderen uit dit huwelijk geboren: de eerste levenloos (1812), vervolgens Lodewijk (1813), Maria Magdalena (1817), Grada Aleijda (1819) en Françoise (1824). Françoise Persille overleed op 9 januari 1824 in Bredevoort, 47 jaar oud. Jan Lueb stond daarmee alleen voor de zorg voor zijn vier jonge kinderen. Op 24 augustus 1826 hertrouwde hij in Aalten met de 41-jarige Harmina Johanna Meijerink (1785). Uit dit tweede huwelijk werd nog een dochter geboren, Carolina Berendina (1827).
Jan Lueb was in Bredevoort enkele jaren kerkmeester van de Sint Georgiuskerk. Uit de notulen van de bestuursvergaderingen rijst het beeld van een rustige man, iemand die heikele kwesties niet op de spits dreef en er ook anderen van wist te weerhouden. De parochie had duidelijk veel vertrouwen in hem: hij pachtte van de kerk een koeweide op het Zwanenbroek te Bredevoort, waarvoor hij jaarlijks drie gulden huur betaalde. Daarnaast verstrekte de rooms-katholieke gemeente hem op 21 juli 1842 een onderhandse lening van honderd gulden, waarover hij ieder jaar rente moest voldoen. Borg voor deze obligatie stond een zekere W. Meijrink, destijds een redelijk vermogend familielid van Jan Luebs echtgenote.
Rond 1853 raakte Jan Lueb in ernstige financiële moeilijkheden. Zijn vier kinderen uit het eerste huwelijk eisten namelijk hun kindsdeel op. Het kerkbestuur wendde zich daarom op 7 juli 1853 in een brief tot monseigneur Johannes Zwijsen, bisschop van Utrecht. In die brief schetste men de situatie als volgt:
“Volgens een onderhandsche obligatie in de kerkenkist alhier aanwezig waarvan duidelijkheidshalve ingesloten de Copie Sub. No. 1 wordt overgezonden, is de kerkmeester J. Lueb een kapitaal van f. 100,— schuldig aan deze Gemeente. Omdat het alhier algemeen bekend is dat de voornoemde kerkmeester door zijn meerderjarige voorkinderen, die hun erfdeel eischen, en door verschillende andere Crediteuren tot den verkoop van alle Zijne goederen wordt genoodzaakt, en het volgens het algemeen gevoelen en zelfs volgens de mondelinge verklaring van een zijner schoonzonen meer dan waarschijnlijk is dat er een te kort kan plaats hebben, zoo wenschte het kerkbestuur gaarne te weten, hoe het hierin moet handelen, daar de borg onvermogend is.”
Zwijsen adviseerde het kerkbestuur om nog eens zorgvuldig na te gaan of het reëel was dat de honderd gulden, met de daarover verschuldigde rente, alsnog kon worden terugbetaald. Tijdens de vergadering van 26 november 1854, die mede over deze kwestie ging, besloot het kerkbestuur om tot 1 januari 1855 geen verdere stappen tegen Jan Lueb te ondernemen. Men wilde eerst afwachten of Lueb het opgezegde kapitaal van honderd gulden, met de verschuldigde rente, alsnog zou voldoen.
Door de problemen rond Lueb en eerder geharrewar binnen de parochie over het gebruik van kerkelijke onroerende goederen door andere parochianen liet het kerkbestuur op 12 juli 1855 een inventarisatie opmaken. Op die lijst stonden alle personen die op dat moment een weiland van de kerk pachtten of een obligatie ten gunste van de kerk had. Bij Jan Lueb noteerde men:
“Een obligatie ten laste van J. Lueb, gewezen kerkmeester, groot f. 100,00 met ene borg. Er is beslooten omdat er geen rente is betaald en de debiteur waarschijnlijk een frauduleus bankroet heeft gemaakt of nog zal maken en de borg reeds vele jaren bankroet is, deze obligatie in handen van bovengenoemden notaris te stellen, ten einde te handelen volgens de wet.”
Naar aanleiding van die brief voelde het kerkbestuur zich genoodzaakt opnieuw naar de bisschop van Utrecht te schrijven. In deze brief, gedateerd 29 juni 1856 en opgebouwd uit vijf verschillende punten (A t/m E), behandelde het bestuur de zaak-Lueb onder punt B.:
“Het kapitaal van J. Lueb, gewezen kerkmeester, is volgens het gevoelen van het kerkbestuur bijna zeker verloren. Het kerkbestuur heeft alle mogelijke zachte middelen gebruikt, om er nog iets van terug te krijgen, doch alle moeite is vruchteloos geweest. Den weg van regten durft het kerkbestuur niet in te slaan, omdat dit wellicht evenmin zou baten. Het kerkbestuur is derhalve van meening om deze zaak ook maar stil te laten berusten.”
Op 4 juli 1856 schreef monseigneur Zwijsen, onder de brief die hij van het kerkbestuur uit Bredevoort had ontvangen, slechts één regel over deze kwestie: “De authorisatie in A. B. en C. bovenstaande wordt bij deze gegeven.” Vervolgens stuurde hij de brief terug naar Bredevoort.
Op 20 april 1867 vertrok Jan Lueb naar Winterswijk. Eind 1872 keerde hij terug naar Bredevoort. Daar overleed hij op 2 februari 1874.
Deze website gebruikt cookies voor een optimale ervaring en analyse van bezoekgegevens. Ga je hiermee akkoord? Zonder toestemming werken sommige onderdelen van de site mogelijk minder goed.
Functioneel
Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistieken
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door je Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een site of over verschillende sites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.