Dit is een fragment uit een artikel dat op 26 juni 1926 in De Amsterdammer is verschenen:
“O, eindelooze majesteit
W’ aanbidden Uwe heerlijkheid
Zoo groot…”
Een woord van Rhijnvis Feith, een christen, wat sentimenteel, doch dat was de geest van den tijd waarin hij leefde, maar ook een man, die de natuur liefhad, haar schoonheid zag en den Schepper eer toebracht. Zijn woord maakten we tot het onze toen we, op Montferland’s hoogte staande, de heerlijke werken Gods bewonderden.
Dáár spreekt men niet; men neemt het in zich op; men ziet, geniet, en thuis: een enkele aanteekening, een kaart, en alles herleeft voor het oog en de gids wordt nog eens geraadpleegd, zoo was de weg, daarheen gingen we.
Van Varsseveld met mooie bosschen in den omtrek, voert een schaduwrijke weg naar Aalten langs Linteloo. Een andere grintweg slingert zich eveneens door een vruchtbare streek langs Breedenbroek naar de grensplaats Dinxperlo. Hoewel er in deze streek geen aaneengesloten bosschen zijn, is ze toch rijk aan natuurschoon. Vindt men er de boerderijen schilderachtig gelegen diep weggescholen achter hooge boomen en omringd van grazige weiden, terwijl de beekjes als zooveel zilverdraadjes zich door het landschap slingeren.
De Slingerbeek over en ge ziet de heuvels van Aalten voor u opdoemen; Aalten gelegen op de grintgronden aan den rand van het oostelijk plateau. Een eigenaardig dorp met zijn hellende en hobbelige straten. Eén onweersbui en de regen maakt ze tot snelvlietende beekjes, die zich langs de hellingen al sneller en rapper spoeden naar de moederbeek.
Aalten — met zijn heuvelachtige omgeving (50 Meter boven A. P.), zijn mooien toren in Romaanschen stijl en een kerk in gothiek, kende in 1612 Jacobus Revius als predikant. Een Calvinist in merg en been. Een Oranjeman in hart en ziel. Een ziener, een dichter, een geleerde, hij bleef hier slechts twee jaar toen Winterswijk hem riep, gelijk het nu ons roept voort te maken eer de avond invalt, en het wandelen te zwaar wordt.
Maar Aalten zelf vraagt ook onze belangstelling. Let eens op sommige huisjes, de wanden van het raamwerk met steenen gevuld. De eerste stap van de leemen hut naar het steenen huis, en daar — die mooie frontgevel voor de helft hout. Ge denkt aan het oudste huis op den Zeedijk te Amsterdam of op het Bagijnehof… En dan de natuur, ware planten-dorado’s hier aan de slingerende beken.
Weet ge dat Aalten aan de oudste bekende heirbaan ligt? De Hessenweg, die nog in de richting Zelhem „Romienendiek” genoemd wordt, en is enkel voor wandelaars en fietsers te begaan, een heugelijkheid van natuurschoon is?
Weet ge, dat Aalten de eerste plaats in het Oosten is, waar uit de huisindustrie, de fabrieksnijverheid geboren is en dat — de lucht er wel ’s minder aangenaam riekend is? Dat komt van de kammenfabriek, de schildpadden haarkammen en -spelden. We vreezen, dat deze tak van nijverheid wel een knauw zal krijgen waar de dames geen haarkammen en spelden meer dragen en — we in Aalten het eerste pagekopje op onzen tocht ontmoeten.
Naast kammen en knoopen, heeft Aalten ook zijn stokkenfabrieken, en als we afscheid nemen van den gulden Aaltenschen Esch, dan richten we onzen weg naar Breedevoort. Een oud — typisch-oud vestinkje te midden van een moeras en een moerasflora — overschoon!
Van hier gaan we naar wat de gids noemt het brandpunt van den Achterhoek — naar ’t Woold en Winterswijk. Doch voor ditmaal genoeg. Stel u tevreden met wat Aalten’s en Winterswijk’s dominee Jacobus Revius toen hij de heerlijke schepping Gods zag, zong in een van die fijne sonnetten, die hij ons achterliet:
God heeft de wereld door onzichtbare klavieren
Betrokken, als een luit met al zijn toebehoor;
De hemel is de bocht vol reien door en door,
Het roosken: zon en maan, die om ons henen zwieren.
Twee groote bassen, die staag bulderen en tieren,
Zijn d’ aard en d’ oceaan; de quinte, die het oor
Verheuget is de locht; de reste, die het koor
Volmaket, is ’t geboomt en alderhande dieren.Dees luite sloeg de Heer met zijn geleerde vingers,
De Englen stemden in, als liefelijke zingers,
De bergen hoorden toe; de vloeden stonden stil;
De mensch alleen en hoort noch zangeren noch snaren,
Behalve die ’t den Heer belieft te openbaren,
Naar Zijn bescheiden raad en Goddelijken wil.

