De Rooms-Katholieke Sint Joannesschool in Bredevoort werd rond 1908 gebouwd op de plek waar ooit de Aalterpoort stond. Begin jaren ’80 verhuisde de school naar de Izermanstraat.Nadat de school haar onderwijsfunctie verloor, werd het gebouw afgebroken en werden er appartementen gebouwd.
In 1897 kocht pastoor Bernardus Mulders het huis van de familie Roelvink aan ’t Zand in Bredevoort. Zijn doel was, zo schreef hij: “zijn arme kinderen” katholiek onderwijs aanbieden. Omdat katholieke scholen in die tijd geld kostten, bedacht hij een slimme oplossing: hij haalde nonnen naar Bredevoort die in het voormalige rentmeestershuis een klooster en een sanatorium vestigden. Met de winst van het sanatorium begon de pastoor een lagere school: de Sint Joannesschool.
In 1993 fuseerde de Joannesschool met de protestantse basisschool op ’t Zand tot de interconfessionele basisschool ’t Bastion.
De openbare lagere school aan de Schoolstraat in Bredevoort werd in 1929/1930 gebouwd in opdracht van de gemeente Aalten. Tot dat moment was het openbaar onderwijs in Bredevoort gevestigd in de school op ’t Zand.
Het schoolgebouw is karakteristiek voor de ontstaansperiode kenmerkende bouwtrant in een zakelijke stijl, met invloeden van de Amsterdamse School. Zowel in de hoofdvorm als in de detaillering is het oorspronkelijke karakter goed bewaard gebleven.
De nieuwe school werd geopend op 29 april 1930 maar was geen lang leven beschoren. Wegens een te gering aantal leerlingen werd ze in 1935 alweer opgeheven.
In 1946 werd het gebouw in gebruik genomen door de Christelijke Boeren- en Tuindersbond, die er een lagere landbouwschool vestigde. Daarna deed het dienst als rooms-katholieke kleuterschool en later als onderkomen voor peuterspeelzaal Doortje.
Markt 5 in Bredevoort is een voormalig borgmanshuis met een hoog wolfsdak. De bakstenen voorgevel heeft een getoogde en geblokte inrijpoort, terwijl de zijgevels vakwerk bevatten. Het pand beschikt over een deuromlijsting met gecanneleerde pilasters, bovenlicht, hoofdgestel en Empireramen met luiken.
Aan de gevel is een bordje bevestigd met de tekst: “Gotschalk van Rhemen, borgman in 1254”.
Deze voormalige onderwijzerswoning is, met erf en tuinhek, van architectuurhistorisch belang als voorbeeld van een woonhuis rond 1900 in de neo-renaissance. Vóór de bouw van de huidige woning stond er een ander huis op een deel van dit perceel, waar laatstelijk de doodgraver Piek woonde.
De laat-middeleeuwse kelder van Merfelt behoorde tot een borgmanhuis waar in vroeger tijden Adolf van Merfelt woonde, borgman te Bredevoort. De kelder van het borgmanhuis is zeldzaam en oud. De manier waarop deze kelder is overwelfd, is voor een woning zeer zeldzaam: vier kruisgewelven met in het midden een dragende zuil.
De kelder van Merfelt is in 2014 genomineerd voor de Erfgoedprijs van de gemeente Aalten. Reden voor de nominatie was de zorgvuldigheid en het respect voor de historische uitstraling en gebruik van materiaal waarmee de restauratie heeft plaatsgevonden.
De werkzaamheden van de kelder hebben verspreid over meerdere jaren plaats gevonden. Het hoogtepunt van de restauratie was het herstellen van de gewelven. Daarbij werd de stabilisatie van de kruisgewelven voor een lange tijd gewaarborgd.
Station Bredevoort (afkorting: Bdt) was een spoorwegstation van 1899 tot 1934, van het type GOLS klein, aan de spoorlijn Winterswijk-Zevenaar. Het station lag in de praktijk in de buurtschap Haart, op zo’n anderhalve kilometer van het stadje Bredevoort.
Een van de drijvende krachten achter de stichting van het station was pastoor Bernardus Stephanus Mulder, die zich maatschappelijk veel heeft ingezet voor Bredevoort. Er werd begonnen met de aanleg van een verharde Stationsweg van Bredevoort naar de spoorweg. De bouw van het stationsgebouw startte in 1898 in opdracht van de Geldersch-Overijsselsche Lokaalspoorweg-Maatschappij.
Het station werd geopend op 1 mei 1899 en in 1919 verbouwd: het rechterdeel kreeg een verdieping. In 1950 is het station gesloopt.
Tramstation Bredevoort heeft dienst gedaan van 1910 tot 1953.
In 1910 vond de opening plaats van de tramlijn, Lichtenvoorde – Bredevoort – Aalten – Bocholt. Tot 1953 wist het goederenvervoer per tram zich te handhaven, daarna werden de tramlijnen definitief opgebroken.
Eerste bebouwing in 1867 door Gerhardus Albertus Ubbink. Herbouw in 1894, toen in eigendom van Josephus Godefroi Henricus (Sjef) van Eijck (directeur/eigenaar J. van Eijck & Comp. (stoomweverij, Misterstraat 2).
In 1902 verkocht aan Gradus Bernardus te Molder, landbouwer op Coenraad, Misterstraat 85. Het huis is tot heden in eigendom van een nazaat van G.B. te Molder, waarbij het gedurende lange tijd verhuurd/verpacht is geweest.
De Leste Stuver (Laatste Stuiver) was ooit een herberg (1659-1980), gelegen aan de Slingebeek en langs de hessenweg van Bredevoort naar Winterswijk. De weiden aan beide kanten van de Slingebeek behoorden tot de Leste Stuver, en stonden bekend onder de naam Ossenweide.
Reizigers die hun geld in de stad hadden uitgegeven, konden hier hun laatste stuiver verbrassen. De herberg bood ook onderdak aan wie na sluitingstijd voor een gesloten stadspoort stond en pas de volgende ochtend verder kon reizen.
De Leste Stuver kent ook haar eigen legendevorming:
Ooit zouden Kozakken er hun kwartier hebben gehouden. Alle kippen in de omgeving schoten ze neer ten behoeve van hun kippensoep. Zeer waren zij gesteld op spekpannenkoek en dronken daarbij het warme vet als water. In hun brandewijn mengden zij peper. Het was winterdag, en om de huid een beetje te harden tegen de wisseling van het klimaat, hakten zij een gat in het ijs en zwommen lustig rond in het koele nat. Daarna kropen ze in een heet gestookte vlasoven om spoedig droog te zijn.
Wij hebben deze historie van iemand, die het zelf vernomen had van een, die het misschien weten kon.
[Bron: G.J. Meinen, Gids voor dorpen langs de Slingebeek, blz. 52]
Blijkens vermeldingen in het Bredevoortse doopregister in 1674 en 1677 is de boerderij annex herberg “de Leste Stuver” te Bredevoort al eeuwen gelegen op ongeveer dezelfde plek. De toenmalige bewoners Arent ten Poll en Aeltjen Broeckhuijsen waren “woonende buijten de stadt op den wech na Wenterswijck in de herberge genaemt den Lesten Stuyver, toebehoordende den zaligen heer Drost Arent van Haersolte”, gelegen “bij de Ossenweijde”.
In 1720 woonde er het echtpaar Hendrik Bennink en Jenneke Penninks alias Hennekes. Toen Jenneke in 1728 hertrouwde, werd zij vermeld als afkomstig “van den Lesten Stuijver onder Bredevoort”. Tussen 1735 en 1740 woonde er het echtpaar Wander Scholten en Stijne Oonk, dat echter terugkeerde naar Aalten.
Het kohier van de Liberale Gifte vermeldt in 1748 als bewoner Coenraad Betting, gehuwd met Dorothea van Harksel. Ook Hendrik Benninks zoon Anthony woonde er na zijn huwelijk op 18 april 1751 met Helena Tieltjes uit Bocholt, maar overleed reeds kort daarna. Diens dochter Antonetta Bennink werd bij haar huwelijk in 1779 echter nog steeds genoemd “van den Lesten Stuver”. Waarschijnlijk woonden er oorspronkelijk twee gezinnen. In de hypotheekakte van 1766 is sprake van het “eigendommelijke halve goed den Laasten Stuiver met de daarop staande huizen”.
[Met dank aan H. Ruessink, Bredevoort]
Genealogie
De genealogie van de archiefvormers begint met het echtpaar Willem Deunk en Hendrina Dierkink uit Winterswijk, dat reeds in 1760 in Bredevoort woonde. Hun zoon Jan Deunk was tevens schoolmeester in de aangrenzende Winterswijkse buurtschap Miste. Door introuwende schoonzoons kwamen achtereenvolgens de families Brummelstroete en Lensink op de Leste Stuver. Deze bewoners waren meest landbouwer en tapper van beroep. In de 19e en 20e eeuw werden de Lensinks daarnaast vooral bekend als radmakers.
De bewoners van de Leste Stuver waren generaties lang tevens beheerders of weidewaarders van de nabijgelegen Ossenweide. Dit was een groot weidecomplex, gelegen aan weerszijden van de Slingebeek in de aangrenzende Winterswijkse buurtschap Miste, dat eigendom was van de notabele families Willink en Roelvink te Winterswijk. Hier konden de boeren uit Bredevoort en naaste omgeving vee inscharen of percelen hooigras pachten. De taken en werkzaamheden van de weidewaarder staan uitgebreid beschreven in het artikel over de Ossenweide van G.J. Lensink.
De archieven
Van de bewoners vóór 1760 zijn geen archivalia achtergebleven. Waarschijnlijk, omdat zij slechts tijdelijke pachters waren. Het huisarchief ontstond vermoedelijk pas, nadat de pachter zelf eigenaar was geworden, zodat huis en bescheiden vererfden op volgende generaties. Mogelijk hield de in 1766 door Willem Deunk afgesloten hypotheek verband met de aankoop van het goed.
In het archief komen naast persoonlijke stukken diverse bescheiden voor, van oudere datum en van elders afkomstig, die door de bewoners van de Leste Stuver zijn hergebruikt. Deze waren waarschijnlijk afkomstig van boeldagen en zolderopruimingen. In vroeger tijden hadden ook de vergaderingen en openbare verpachtingen door de geërfden van het Bredevoortse Broek in de Leste Stuver plaats. Daarvan zijn geen bescheiden overgebleven. Uit overlevering is bekend, dat jarenlang bij verpachtingen in het Brook en de Ossenweide percelen werden afgebakend met staken. Voor de zichtbaarheid in het hoge gras en de ruigte werden daarop stukken papier gestoken. Deze markeringen werden gescheurd uit de aanwezige oude folianten, die destijds blijkbaar in ruime mate voorhanden waren.
De laatste bezitter van het archief was Gerrit Jan Lensink, die als “Opa Lensink” actief was in de historische werkgroep Aalten-Dinxperlo-Wisch en in het Contactorgaan ADW publiceerde over de Leste Stuver, de radmakerij, de Ossenweide en de Slingebeek. Hij droeg de stukken omstreeks 1980 over aan ADW-bestuurslid R. Wartena, destijds archivaris te Aalten. De aanwezige stukken zijn voor zover mogelijk geordend naar de opeenvolgende generaties, die ze hebben gevormd en of gebruikt. De stukken betreffende de Ossenweide bestrijken meerdere generaties. Deze zijn, evenals de stukken zonder duidelijk verband, afzonderlijk opgenomen.
[Bron: P. Meerdink, Aalten, 2003]
Bewoners
De Leste Stuver werd door meerdere gezinnen, vaak maar gedurende relatief korte tijd, bewoond, waarschijnlijk ontbreken bewoners in onderstaande overzicht.
Eerst bekende bewoners:
Arent ten Poll, trouwt < 1674 met Aeltjen Broeckhuijsen
– – Hiaat – –
Volgende bewoners:
Hendrik (Henricus) Bennin(c)k alias Sweenen (Bocholt, 12-02-1673 – Bredevoort < 1728), trouwt (2) op 24-05-1716 in Aalten met Jenneken Hennekes alias Penninks alias Drommelaars (Lievelde)
Hendrik (Henricus) en Jenneken kwamen van Zweenen in Barlo.
Volgende bewoners weduwe en 2e echtgenoot:
Berent te Hoppenkreijs (Lichtenvoorde, 03-11-1678 – Bredevoort < 1733), trouwt op 18-07-1728 in Bredevoort met Jenneken Hennekes alias Penninks alias Drommelaars (Lievelde)
Volgende bewoners weduwe en 3e echtgenoot:
Gerrit Ni(eu/j)hof alias Welvaert (Lievelde), trouwt op 25-10-1733 in Bredevoort met Jenneken Hennekes alias Penninks alias Drommelaars (Lievelde)
Gerrit en Jenneken vertrokken naar ‘Den Welvaart‘.
Volgende bewoners:
Wander Scholten (Aalten, 11-08-1715 – Lintelo, 01-02-1794), trouwt op 23-04-1735 in Aalten met Stijne Oonk (Aalten, 25-08-1709 – Lintelo < 1756)
Volgende bewoners:
Teube Kro(o)senbrink alias Hutter Teube (Winterswijk, 17-12-1719 – Bredevoort, 23-05-1804), trouwt op 10-08-1743 in Winterswijk met Geertruit Klumpers (Winterswijk, 25-09-1718 – Bredevoort, 07-11-1798)
Volgende bewoners:
Coenraet Betting(k) uit Laer, trouwt op 08-04-1742 in Sassenheim met Dorothea van Harxen (Lichtenvoorde, 11-09-1718 – Bredevoort, 06-05-1794)
Coenraet en Dorothea kwamen rond 1743/’44 op ’De Leste Stuver’.
Volgende bewoners zoon van Hendrik (Henricus) en Jenneken en schoondochter:
Ant(h)onij Bennink (Bredevoort, 09-08-1720 – Bredevoort, 1752), trouwt op 18-04-1751 in Bredevoort met Helena Tielkes / Tieltjes alias Bekink (Bocholt, 09-07-1720 – Bredevoort, 24-12-1794)
Volgende bewoners weduwe en 2e echtgenoot:
Coenraet ten Have (Lichtenvoorde, 16-10-1729 – Bredevoort, 20-10-1806), trouwt op 20-07-1753 in Bredevoort met Helena Tielkes / Tieltjes alias Bekink (Bocholt, 09-07-1720 – Bredevoort, 24-12-1794)
Coenraet en Helena vertrokken naar Coenraad in Bredevoort.
Volgende bewoners:
Willem Deunk (Winterswijk, 20-04-1732 – Bredevoort, 04-07-1794), trouwt op 11-04-1759 in Winterswijk met Hendrina Dierkink (Winterswijk, 02-02-1735 – Bredevoort, 24-02-1810)
In 1771 betaalde Willem Duenk de verponding van den halven Lestenstuiver (Maandcedullen Verpondingsboek 1771).
Volgende bewoners:
Arent Meijerinck (Aalten, 14-12-1727 – Bredevoort, 02-12-1797), trouwt (1) op 07-09-1748 in Bredevoort met Wilmina Wamerlink (Winterswijk, 27-02-1707 – Bredevoort, 23-06-1778)
In 1771 betaalde Arent Meijerink de verponding van den halven Lestenstuiver (Maandcedullen Verpondingsboek 1771).
Volgende bewoners, dochter van Coenraet en Helena en schoonzoon:
Derk Hendrik ter Maat (Bredevoort – Bredevoort, 26-11-1794), trouwt op 01-05-1785 in Bredevoort met Dor(e/a) ten Have (Bredevoort, 27-04-1755 – Bredevoort, 09-05-1836)
Dor(e/a) vertrok na het overlijden van haar man naar Coenraad in Bredevoort waar haar vader woonde.
Volgende bewoners zoon van Willem en Hendrina en schoondochter:
Jan Deunk (Bredevoort, 13-07-1766 – Bredevoort, 13-06-1812), trouwt op 24-06-1787 in Bredevoort met Beerndeken / Berendina Meenk alias Ubbink (Winterswijk, 27-03-1746 – Bredevoort, 24-03-1809)
Volgende bewoners:
Jan (K/C)lomp(e)s (Winterswijk, 13-09-1750 – Bredevoort, 12-09-1809), trouwt op 25-07-1790 in Winterswijk met Anna C(at)ha(t)rina te Haveste / te Hoffeste / te Hofstede (Winterswijk, 13-01-1751 – Bredevoort, 23-05-1817)
Gerhard Christiaan Lensink (Bredevoort, 28-03-1824), landbouwer (1) Hanna Berendina te Brummelstroete (Bredevoort, 19-09-1824) (2) Johanna Gesina te Kolstee (Miste, 24-04-1839)
De oudste nog bestaande delen van de boerderij zijn in de tweede helft van de 18e eeuw gebouwd. Het woonhuis en de verlenging van de deel zijn in 1906 gebouwd. Tevens is de rechter schuur op stevige karren aan één stuk van de voorzijde van het nieuwe woonhuis naar rechtsachter de deel verplaatst. Deze schoppe is tegen de al bestaande schuur aan gebouwd.
In het boek Nazareth van Jos Wessels staat dat er in 1780 een Coenraad ten Have woonde op deze boerderij, vandaar de naam. Een dochter van hem, Dora, trouwde in 1785 met Derk Hendrik ter Maat. Daar weer een dochter van, Theodora, trouwde met Jannes te Molder uit Zieuwent.
Eigenaren
Overzicht is niet volledig.
Jaar
Perceel
Eigenaar
Omschrijving
1832
A-389
Janus te Molder, landbouwer
870 m² huis, schuur & erf
Bewoners
Eerst bekende bewoners:
Coenraad ten Have (Lichtenvoorde, 16-10-1729) trouwt op 20-07-1753 in Bredevoort met Helena Tieltjes (Bocholt), weduwe van Antonij Bennink
Volgende bewoners, dochter en schoonzoon:
Derk Hendrik ter Maat (– Bredevoort, feb. 1794) Dora ten Have (Bredevoort, 27-04-1755 – Aalten, 09-05-1836)
Dora ten Have (Bredevoort, 27-04-1755 – Aalten, 09-05-1836)
Volgende bewoners, dochter en schoonzoon:
Jannes te Molder (Zieuwent, 06-05-1787) trouwt op 02-09-1820 in Lichtenvoorde met Antonetta ter Maat (Kruiskapel, 18-08-1789), d.v. Derk Hendrik ter Maat en Dora ten Have
Het Jugendstilpand ‘Villa Maria’ aan de Misterstraat 4(a) is begin vorige eeuw gebouwd in opdracht van textielfabrikant J. Müter, compagnon van Josephus van Eyck. Het ontwerp is van de Winterswijkse architect J.J. Post. In 1915 werd de villa aan de linkerzijde voorzien van een kantoorgedeelte in dezelfde stijl.
Deze villa in Jugendstil is rond 1910 gebouwd in opdracht van textielfabrikant Petrus Joseph Marie (Piet) Sevink (1885-1960). Hij was gehuwd met Catharina Theodora Maria (Cato) Hulshof (1886-1954). De villa is vernoemd naar de plaats waar Piet vandaan kwam: Vierakker.
Na de familie Sevink woonde onder andere meester Van Velden in het pand. De familie Piek woonde al eens een tijdje op de bovenverdieping. Tot 2016 werd de villa bewoond door de familie Van der Geest.
De Koppelkerk is een monumentale voormalige gereformeerde kerk in Bredevoort, gelegen op de hoek van de Koppelstraat en de Prins Mauritsstraat. Het gebouw, opgetrokken in de sobere stijl van de Delftse School, werd in 1947–1948 gerealiseerd en is tegenwoordig een centrum voor kunst en cultuur.
Tot de Tweede Wereldoorlog moesten de gereformeerden uit Bredevoort uitwijken naar Aalten om kerkdiensten bij te wonen. Na de oorlog kreeg de gemeente de beschikking over eigen grond op het terrein dat bekend stond als De Koppele. Deze locatie lag bij de gedempte gracht en moest eerst worden opgehoogd omdat het terrein laag en vaak drassig was. De naam Koppelkerk verwijst naar dit gebied.
De kerk werd ontworpen door architect W. Geels. In 1947 werd de eerste steen gelegd en in 1948 nam men het gebouw officieel in gebruik.
Uitbreidingen en toren
De oorspronkelijke kerk kreeg in de loop der tijd verschillende uitbreidingen:
In 1956 werd de toren, aanvankelijk zonder toestemming, clandestien aangebouwd.
In 1958 voegde architect W. van der Zee uit Aalten de betonnen torenbekroning toe, waardoor de toren circa vijf meter hoger werd.
In 1966–1967 ontwierp architect Willem Hebly, eveneens uit Aalten, een uitbreiding aan de achterzijde met vergaderruimtes.
In 1988 werd de toren voorzien van een luidklok, gegoten door klokkengieterij De Klok in Aarle-Rixtel.
Architectuur
De Koppelkerk is terugliggend gesitueerd in een ruime tuin en valt op door haar eenvoudige maar krachtige vormgeving. De kerk geeft een helder beeld van de protestantse kerkbouw kort na de Tweede Wereldoorlog. Zowel in de hoofdvorm als in de detaillering is het authentieke karakter goed bewaard gebleven.
Nieuwe functie
In 2013 werd het gebouw aangewezen als gemeentelijk monument. Kort daarop verloor de kerk haar oorspronkelijke functie. Na overleg gaf de kerkenraad toestemming om het gebouw een nieuwe bestemming te geven. In 2015 werd de voormalige kerk verbouwd tot een multifunctioneel centrum voor kunst en cultuur.
Vandaag de dag vervult de Koppelkerk een prominente rol in het culturele leven van Bredevoort:
Kunst komt aan bod in wisselende exposities en concerten.
Verdieping wordt geboden via lezingen, discussieavonden en colleges.
In het boekencafé, ingericht als huiskamer vol boekenkasten, vinden maandelijkse literaire cafés plaats.
Op het oude bastion Ossenkop in Bredevoort staat sinds 1876 de katholieke H. Hart en H. Georgiuskerk, een eenbeukige, neogotische kerk, ontworpen door architect Alfred Tepe. Het is een gemeentelijk monument.
Tot het einde van de 16e eeuw kerkten de Bredevoortse rooms-katholieken in de oude Sint Joriskerk aan de Markt. Na het beleg van Bredevoort en de invoering van de Reformatie in 1597 werd het hen verboden kerkdiensten te houden. Lange tijd maakten zij gebruik van de Kruiskapel, net over de grens in Duitsland.
In 1798 werd er weer een rooms-katholieke kerk gesticht in Bredevoort. Dit eerste kerkje stond tegenover de huidige kerk, op het perceel dat tegenwoordig het adres Koppelstraat 9 draagt. Het bestond uit twee samengevoegde huizen, waarvan de daken waren verwijderd en de muren opgehoogd. Het altaar was van baksteen en de muren waren wit geverfd om het gebouw een kerkelijke uitstraling te geven. In 1855 werd de kerk tot parochie verheven.
De huidige kerk
In 1871 werd A.E. Smorenburg pastoor in het vestingstadje en kreeg hij van de bisschop de opdracht om een nieuwe kerk te bouwen. Nadat de vestingwerken van Bredevoort in de negentiende eeuw voor een groot deel werden geslecht werd de Sint-Georgiuskerk gebouwd op de courtine tussen twee bastions. Hierdoor staat de kerk nog altijd iets hoger dan de omliggende straten.
Van de gemeente Aalten kreeg de parochie het bastion Ossenkop deels (1420 m²), inclusief het stuk gracht en kade eromheen. De resterende 1420 m² werd aangekocht voor 795,20 gulden. Het eerste ontwerp voor Bredevoort was van Pierre Cuypers, naar voorbeeld van de Ruurlose kerk. Het ontwerp van Alfred Tepe uit 1874 werd uiteindelijk uitgevoerd. Aannemer was A. Ubbink.
Voor de bouw van de kerk waren 230.000 stenen en 150 mud kalk nodig. De eerste 100.000 stenen werden op kruiwagens aangevoerd door parochianen uit het Duitse Barlo, die op deze wijze hun verbondenheid met de Nederlandse katholieken wilden tonen. De resterende stenen werden vermoedelijk gebakken in de steenoven op de Haart. De bouw begon in 1875 en al op 3 oktober 1876 werd de kerk door pastoor Smorenburg ingewijd. Het oude kerkje werd daarop afgebroken en de grond verkocht.
Renovatie en uitbreiding
In 1897 werd de kerk onder pastoor Mulder gerenoveerd en uitgebreid met een uurwerk en drie klokken. Een jaar later werd een terrazzovloer gelegd door Felice Monasso uit Bocholt, en werden de muren beschilderd door Muermans en zoon uit Roermond, waaronder een voorstelling van Christus en de apostelen in de Hof van Olijven.
Onttrekking aan de eredienst
De Sint Georgiuskerk is in het voorjaar van 2021 aan de eredienst onttrokken en verkocht aan een maatschappelijk ondernemer.
RK Sint Georgiuskerk met oude pastorie, Bredevoort (ca. 1900)Fragment kadastrale kaart uit 1878, met rechtsboven de contouren van het oude kerkje en de pastorieFragment kadastrale kaart uit 1879, het kerkje is afgebrokenAaltensche Courant, 29 oktober 1898
De firma J. van Eijck & Co. is een voormalige weverij in Bredevoort, gelegen aan de Misterstraat, net voorbij de Munsterbrug en aan de Slingebeek (rechts op bovenstaande foto). Deze weverij speelde een belangrijke rol in de textielindustrie van Bredevoort.
Het bedrijf werd rond 1867 opgericht door Josephus Godefridus Henricus van Eijck, geboren in Helmond en van oorsprong afkomstig uit een familie uit Sint-Niklaas, België. In Bredevoort werd hij kortweg ‘Sjef’ genoemd. J. van Eijck & Co. was de tweede textielfabriek in Bredevoort. Bij de eerste fabriek, van H. van Eijck & Zoon, werd intussen gestaakt. Hoewel de staking eind januari was beëindigd, werd het 25-jarig jubileum van die fabriek slechts sober gevierd door de werknemers.
Na het overlijden van Josephus G.H. van Eijck in 1898 nam zijn vrouw, Hendrika Maria Kavelaar, de leiding van het bedrijf over. Zij benoemde de broers Henricus en Johannes Müter tot directeuren. Johannes Müter liet de monumentale Villa Maria bouwen, gelegen naast de fabriek (ook op bovenstaande foto te zien). Na de dood van Hendrika Maria Kavelaars zetten de broers het bedrijf voort. Ondertussen was een deel van het oude familiebedrijf in handen gekomen van A. Ubbink uit Bredevoort.
Vermoedelijk heeft Sjef van Eijck geprobeerd dit deel van het familiebezit terug te verwerven en is daar anno 1893 in geslaagd, zoals blijkt uit akten met betrekking tot de familie Ubbink. Na het overlijden van Sjef in 1898 werd de firma ‘J. van Eijck & Co.’ op contractbasis voortgezet door zijn weduwe, H.M. Kavelaars, samen met vennoot J.H.J. Müter, voor een periode van tien jaar.
Na een periode van leegstand werd het gebouw in 1956 in gebruik genomen door het bedrijf Aparta, dat er een snoepfabriek vestigde. Later huisvestte het gebouw onder meer een dozenfabrikant, een Coca-Colafabriek, een groothandel in hangsloten en de bontweverij/tuftingfabriek van Jos Rusink. In 1993 werd het complex door brand verwoest, waarmee een markant gebouw uit het stadsbeeld verdween.
De firma H. van Eijck & Zoon werd in 1834 opgericht door Henricus van Eijck (Helmond, 02-04-1780 – Sint-Niklaas (B), 08-04-1846). Het was de eerste textielfabriek in Bredevoort. Aanvankelijk kreeg Van Eijck geen toestemming van de Nederlandse Handel Maatschappij, maar door persoonlijk ingrijpen van koning Willem I kwam die toestemming alsnog.
Henricus kwam uit Sint-Niklaas (België) met zijn familie, omdat daar de textielindustrie stagneerde in verband met de Belgische Opstand die in 1830 was uitgebroken. Doordat die toestand zich bleef voortslepen zagen veel Belgische fabrikanten de oplossing door zich te vestigen in noord-Nederland.
De Bredevoorters waren dankzij de huisnijverheid niet onbekend met weven, desalniettemin liet Van Eijck meesterknechten uit België overkomen. De eersten vertrokken al spoedig naar Doetinchem, Peter Lavinus van den Broek, bleef met vrouw en kinderen tot zijn dood in Bredevoort wonen.
Ontwikkeling
De fabriek stond aan de Misterstraat, ter hoogte van de Bekendijk. H. van Eijck & Zoon was een weverij voor met name katoen. Bij de aanvang werd gewerkt met een stoommachine van 4 pk en een ketel. Het hoogtepunt werd bereikt in 1839 toen hier 225 wevers werkten. Het uitbreken van de Amerikaanse Burgeroorlog veroorzaakte een dip in de activiteiten, omdat de import van Amerikaans katoen praktisch stil kwam te liggen. In 1865 kwam er echter een opleving en twee jaar later werd er een stoommachine aangeschaft. In 1878 kwam het bedrijf stil te liggen, doordat de vrouw van Jean Leander van Eijck overleed.
Mogelijk is er een ruzie over de erfenis ontstaan, want nog datzelfde jaar werd er een nieuwe fabriek geopend. De helft van het oorspronkelijke familiebedrijf werd aangekocht door Josephus Godefridus Henricus (‘Sjef’) van Eijck en met zijn vennoot J.H.J. Müter uit Amsterdam voortgezet onder de firmanaam J. van Eijck & Co.
Stakingen
In januari 1903 brak een staking uit, nadat bekendgemaakt werd dat werknemers niet langer meer op de vloer mochten spugen richtte men een afdeling van de vakbond Unitas op. In Aalten bleken de fabrieksarbeiders van de pijpen- en kammenfabriek solidair te zijn en stortten 30 gulden in de stakingskas. Eind januari was de staking voorbij.
In september 1903 waren er wederom grimmige stakingen rondom de uitbetaling van salaris in Nederlands geld, waar de werknemers gewoonlijk in Duits geld uitbetaald kregen. Vanaf 1 oktober legden de arbeiders het werk neer. Voorzitters van de vakbond Unitas waren onder anderen predikant Johan Henri Ledeboer, pastoor Joannes Mulder en W.W.M. Moll. Het bedrijf negeerde de staking en wierf nieuwe arbeiders. De politie moest ingrijpen om de stakers en de ‘vreemde werknemers’ te scheiden. Burgemeester W.C. Tack liet de politie ingrijpen toen tijdens het Volksfeest van Bredevoort een spotlied ten gehore werd gebracht.
Eind december werden 109 ruiten van de fabriek ingegooid. Op 15 januari 1904 moesten dertien mensen zich in Groenlo voor de kantonrechter verantwoorden voor het zingen. Een week later nog een viertal. De boete bedroeg 5 gulden of twee dagen hechtenis. Twee personen werden vrijgesproken. Na een jaar staken had de helft van de stakers intussen een andere baan gekregen, de rest ontving ondersteuning uit de stakingskas. Het is onbekend of de stakers ooit zijn teruggekeerd. Na 17 maanden was de staking in elk geval voorbij. Na de staking werkten er nog maar 10 mannen en 10 jongens.
Sluiting
In 1905 werkten er bij H. van Eijck & Zoon 29 mannen, 6 jongens en 5 meisjes. Tijdens de Eerste Wereldoorlog verving Van Eijck de 8 pk machine voor een 45 pk machine, later nog vergroot tot 60 pk. Begin 1924 sloot de fabriek. Dutch Button Works kocht het complex, en maakte er een knopenfabriek van.
J. van Eijck & Co. heeft nog bestaan tot in de Tweede Wereldoorlog.
De Oude Begraafplaats aan de Prins Mauritsstraat in Bredevoort werd rond 1830 aangelegd, gelijktijdig met de naastgelegen Joodse Begraafplaats. Het terrein kwam beschikbaar na de ontmanteling van de vestingwerken aan de oostzijde van het stadje.
De begraafplaats wordt gekenmerkt door een plattegrond met ongelijke zijden, omringd door beukenhagen en hoge bomen. Het oudste gedeelte bevindt zich direct langs de Prins Mauritsstraat. In 1925 werd de meest zuidelijke strook aan de begraafplaats toegevoegd. Tegelijkertijd werd een nieuwe toegangspoort geplaatst, en enkele jaren later werd een baarhuis gebouwd.
Deze website gebruikt cookies voor een optimale ervaring en analyse van bezoekgegevens. Ga je hiermee akkoord? Zonder toestemming werken sommige onderdelen van de site mogelijk minder goed.
Functioneel
Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistieken
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door je Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een site of over verschillende sites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.