De Begraafplaats Kloosterhof aan de Kloosterdijk in Bredevoort werd aangelegd in 1862-1863 en diende oorspronkelijk als rooms-katholieke begraafplaats.
Het oudste, centraal gelegen deel heeft een symmetrische indeling met een karakteristieke toegangspoort, een baarhuis dat tevens dienst doet als werkplaats, en rijen graven die zijn gericht op een Calvariekruis aan de achterzijde van het terrein.
In de jaren 80 van de vorige eeuw werd de begraafplaats uitgebreid met een algemeen gedeelte. In 1989 verrees tevens een mortuarium, waar overledenen kunnen worden opgebaard, families afscheid kunnen nemen en gelegenheid is voor condoleren.
In 2024 kondigde de gemeente Aalten aan dat een deel van de begraafplaats zal worden ingericht als natuurlijke begraafplaats. Deze ontwikkeling sluit aan bij moderne wensen en behoeften rondom begraven.
De Joodse Begraafplaats aan de Prins Mauritsstraat in Bredevoort werd rond 1830 aangelegd, gelijktijdig met de naastgelegen algemene begraafplaats. Het terrein kwam beschikbaar na de ontmanteling van de vestingwerken aan de oostzijde van het stadje.
De laatste Bredevoortse Joden die op deze begraafplaats werden bijgezet zijn broer en zus Levi en Sara Sander. Beiden overleden in 1938, kort na elkaar. De begraafplaats is niet toegankelijk voor het publiek.
Twee Joodse begraafplaatsen
Bredevoort had ooit twee Joodse begraafplaatsen. De oudste was gelegen op het voormalige kasteelterrein achter Hozenstraat 5. In 1953 werd dit terrein verkocht aan de gemeente Aalten ten behoeve van woningbouw. De stoffelijke resten en grafzerken werden toen overgebracht naar de tweede begraafplaats aan de Prins Mauritsstraat.
Locatie voormalige Joodse begraafplaats aan de Hozenstraat
Onderhoud en Restauratie
Aanvankelijk werd de begraafplaats onderhouden door de gemeente. Sinds 2018 verzorgen vrijwilligers van de vereniging Bredevoorts Belang het maaien van het gras en het vrijhouden van de muren en de 12 grafzerken van klimplanten. In 2022 werd gestart met de restauratie van de scheuren in de muren, is het voegwerk vernieuwd en de poort onder handen genomen.
Dutch Button Works was een knopenfabriek in Bredevoort die vanaf 1884 tot 1976 heeft bestaan. In de hoogtijdagen werkten er circa 270 mensen bij dit bedrijf, ten tijde van de sluiting nog ongeveer 44 mensen.
Hoornindustrie
In Nederland bestonden in de 19e eeuw al enkele knopenindustrieën. De oudste op dit gebied ontstond in 1815, maar dat betrof voornamelijk stofknopen, in het bijzonder van linnen. In Duitsland en Engeland waren rond 1900 bedrijven ontstaan die uit hoorn knopen produceerden. Met dat voorbeeld voor ogen begon Willem te Gussinklo in het jaar 1905 met het maken van hoornen knopen. Dat was een primeur voor Nederland, de eerste fabriek van buffelhoornen knopen. Al snel kwam zoon Willem te Gussinklo jr. (Piepkes Willem) in de firma, die zich ontwikkelde als innovatief ondernemer.
De eerste fabriek van Te Gussinklo stond aan ’t Dal in Aalten, de tegenwoordige Willemstraat. De productie was aanvankelijk uitsluitend handwerk en de knopen werden één voor één gemaakt. Vanwege de toenemende vraag naar knopen kocht hij in 1924 de oude weverij van Van Eijck in Bredevoort. Daar ging de productie van knopen van start.
Bredevoort had toen ook nog een station. Zo nu en dan arriveerde daar een wagonlading horens, afkomstig uit India en bestemd voor de Bredevoortse knopenindustrie. Naarmate de jaren verstreken werd de fabricage van knopen steeds meer gemechaniseerd. Met door eigen technici vervaardigde machines werd het product toen ten dele of geheel automatisch vervaardigd. Van het hoorn zaagde men schijfjes, rondellen genoemd. Hiervoor werd zowel het hoorn uit de massieve punten van buffelhoorn gebruikt, alsook de holle gedeelten ervan.
Export
De export van de knopen was van groot belang. De uitvoer was voornamelijk gericht op de Engelssprekende landen Engeland, Ierland en Noord-Amerika, waar Dutch Button Works een goede naam had. De knopen die men maakte waren tot in de jaren twintig van de vorige eeuw uitsluitend bestemd voor herenkostuums. Toen echter in de crisistijd van begin jaren dertig de vraag verminderde, werden als compensatie daarvoor ook damesknopen in productie genomen, nagenoeg gelijktijdig met het maken van benen knopen. De benen knopen waren voor onderkleding bestemd. Maar behalve knopen, fabriceerde men in Bredevoort ook wandelstokken. Dat wil zeggen: de knop of greep en de punt werden uit hoorn gemaakt.
Een aantal jaren nadat de kammenfabriek Ten Dam & Manschot uit Aalten was opgeheven nam DBW ook de productie van kammen ter hand. In de Tweede Wereldoorlog is men ook overgegaan op het verwerken van inlands hoorn. Behalve knopen waren asbakken en vogels favoriete werkstukken. Van hertshoorn vervaardigde men knopen voor de zogenaamde jagersjassen en van schijven hertshoorn maakte men kleine asbakjes of kaarsenstandaards op een voet van palissanderhout.
Voor de oorlog had DBW ook vestigingen in Duitsland: in Berlijn en Bocholt. Na 1945 beleefde DBW een hoogtepunt, De derde generatie, W.A. te Gussinklo was in de directie gekomen. Er was veel vraag naar knopen. Veel thuiswerkers hielden zich bezig met het opnaaien van knopen op kaarten. De hoornen knopen vonden hun weg naar de confectiefabrieken. De vertegenwoordiger ging op pad met een colbert, dat van diverse aan elkaar genaaide stukjes stof was samengesteld, een veelkleurig model. Op elk stukje stof waren de voor die stof meest geschikte knopen genaaid.
In 1959 werd het 75-jarig bestaan van het bedrijf herdacht. Het aantal werknemers was toen ruim honderd, uitgezonderd de thuiswerkers, Door de steeds verder doorgevoerde automatisering kwam men met minder mensen toch tot een hoge omzet. In de tweede helft van de jaren vijftig van de vorige eeuw werd het hoorn verdrongen door de kunststof. In 1963 nam de directie van DBW samen met een Engelse knopenfabriek de grootste knopenfabriek in Duitsland over.
Neergang
Een zware slag trof het bedrijf toen in 1968 de directeur W.A. te Gussinklo op 51-jarige leeftijd overleed, een half jaar eerder dan zijn vader. Hij werd opgevolgd door zijn vrouw B.A. te Gussinklo-Zandbergen. Toen haar zoon H.J. Gussinklo Ohmann een jaar later zijn studie aan de technische hogeschool in Eindhoven voltooid had, kwam ook deze in de directie. Het productiesysteem was toen geheel gericht op de kunststof knopen. Omstreeks 1960 was men tot het zelf produceren daarvan overgegaan (polyester). Het bleek echter op den duur uiterst moeilijk om te kunnen blijven concurreren. Met veel inzet trachtte men het bedrijf gaande te houden. Maar in 1976 zag men zich genoodzaakt tot sluiting van de DBW over te gaan.
De gemeente Aalten kocht het complex in 1977 en het werd doorverkocht aan de firma’s Van Wezel en Voltman-Riviera. Later was hier vele jaren lang autobedrijf Albert ten Bruin gevestigd.
Herbestemming
Op een gemeentelijke informatieavond in juli 2008 hield de Vereniging Bredevoorts Belang een pleidooi voor het behoud en herstel van dit karakteristieke gebouw. Bredevoorts Belang: “Dit pand is het enige overgebleven, tastbare en zichtbare, ongeschonden industrieel erfgoed dat Bredevoort nog bezit en daarom de Bredevoorters nog steeds de mogelijkheid verschaft te verwijzen naar zijn uitgebreide en langdurige textielgeschiedenis. Het nog in originele staat verkerend fabrieksgebouw heeft een markante, fraaie voorgevel voorzien van de typerende elementen die horen bij een industrieel pand gebouwd in het derde kwart van de negentiende eeuw.” De niet-monumentale delen werden in 2019 gesloopt. In het monumentale gebouw zijn woningen en een supermarkt gerealiseerd.
Het oorspronkelijke Ambthuis dateerde blijkens muurankers uit 1699. Het was vervolgens een eeuw lang het machtscentrum van de Heerlijkheid Bredevoort. Het Ambthuis werd ook wel Mauritshuis genoemd. Blijkbaar had Prins Maurits onder de inwoners een onvergetelijke indruk achtergelaten.
Hoofdgerecht
Na de kruittorenramp van 1646 was stad en heerlijkheid Bredevoort zonder ambtshuis (combinatie van een rechtbank en stadhuis) geraakt. Het zou toch nog ruim vijftig jaar duren voordat er weer een nieuw ambthuis werd gebouwd. Waarschijnlijk was het gebouw verbonden met de Misterpoort, de stadspoort tegenover het huis. Het gebouw was tevens het hoofdgerecht van de heerlijkheid. In Aalten en Winterswijk waren ook rechtbanken, maar de zware vergrijpen werden altijd in Bredevoort behandeld. De drost fungeerde als rechter.
In de kelders bevonden zich een aantal cachots, cellen, en een gruwelkamer met de nodige werktuigen. De terdoodveroordeelden hadden een cel zonder daglicht en frisse lucht. Wilde je niet bekennen, dan was dreigen met de martelkamer vaak voldoende om schuld te bekennen. Het vonnis werd traditioneel uitgesproken op ’t Zand. Bij een doodstraf werd de veroordeelde meteen naar de Galgenbulte op de Hollenberg gebracht voor uitvoering van het vonnis. Meestal betekende dit ophanging aan de galg die daar al eeuwenlang op slachtoffers stond te wachten. Het schijnt dat je de galg vanaf de Aalterpoort kon zien staan. Voor de plaatselijke bevolking was zo’n executie sensationeel. Heel Bredevoort en Aalten liep dan ook uit om dit mee te maken.
Andere functies
Na de Franse tijd verloor het gebouw haar functie en was het onder andere in gebruik als winkelpand van de katholieke coöperatie. In 1920 werd deze opgericht door de arbeidersvereniging. Vroeger gingen de katholieken naar deze winkel en wie een andere geloofsovertuiging had, ging naar de andere coöperatie iets verderop in de Landstraat.
Het Ambthuis werd omstreeks 1963 gesloopt. De kelders van het Ambthuis bevonden zich nog onder de winkel, met daarin twee gevangeniscellen. In 1964 werd de eerste steen gelegd voor de bouw van meubelzaak Betting op deze locatie. In 2009 werd dit pand weer gesloopt, na de verhuizing van Betting naar een nieuw winkelpand aan de Prins Mauritsstraat.
Nieuwbouw
Nu staat er op de plek van het oude Ambthuis een zorgappartementencomplex met twintig appartementen en een restaurant. De nieuwbouw kreeg wederom de naam ‘Ambthuis’. Uiterlijk vertoont het nieuwe pand veel overeenkomsten met zijn illustere voorganger. Aan het gebouw werd een replica van de historische zonnewijzer bevestigd en voor het gebouw een replica van de muziekkoepel. In de voorgevel werd een originele gevelsteen van het oude Ambtshuis ingemetseld met daarop de tekst “Die kan lide haet en nijt, die overwint in korten tijd.”
Ambthuis Bredevoort, geschilderd door Willy WalvoortLandstraatzijde van het oude Ambthuis in Bredevoort, ‘Anno 1699’.Kelder Ambthuis, tekening door Piet te LintumHet nieuwe ‘Ambthuis’ in Bredevoort
De Sint-Joriskerk is een laatgotische kerk in Bredevoort, waarvan de fundamenten dateren uit 1316. De kerk is gewijd aan Sint Joris, de schutspatroon van de borgmannen van Bredevoort. Kenmerkend is de torenversiering: Sint Joris met de draak, in plaats van een traditionele weerhaan. Aan de oostzijde van de kerk bevindt zich nog een zogenaamd melaatsenraampje. In vroeger tijden gebruikten gelovigen met een besmettelijke ziekte dit raam om de mis te volgen.
Vroege geschiedenis
De oudste fundamenten van de kerk stammen uit 1316, en mogelijk diende het gebouw in haar vroegste jaren als kapel op het kasteel van Bredevoort. Tijdens het Beleg van Bredevoort in 1597 door Prins Maurits is de oude (en grotere) kerk volledig afgebrand en zijn de gewelven ingestort. Het jaar erop richtten de Bredevoorters een verzoek aan de classis Zutphen om weer een nieuwe kerk te bouwen: “Die van Bredeforts soln met request an desen quartier verzoekcken assistentie tott reaparatie hearder Kapellene”. In 1599 begon men met de herbouw in gotische stijl.
Uitbreidingen
Na de herbouw onderging de kerk diverse uitbreidingen. In 1600, na nog een brand, werd een toren toegevoegd. In 1639 werd de kapel vergroot en aan de noordzijde uitgebroken. Met dezelfde stenen werd de muur enkele meters verder weer opgetrokken. Later volgden uitbreidingen in de vorm van de boeren- en orgelzolder. Deze uitbouw met zolder is duidelijk te zien. In de balken van de boerenzolder zijn spreuken uit de Bijbel aangebracht, zoals “Salich zijn se die rein van herte zin want sij zullen Godt zien”.
Kruittorenramp van 1646
Op 12 juli 1646 sloeg de bliksem in de kruittoren van het kasteel. De ontploffing die volgde verwoestte een groot deel van de stad. Veertig mensen kwamen om. Het kasteel was in een ruïne veranderd en ook de kerk liep aanzienlijke schade op. Elf slachtoffers, waaronder de drost van Bredevoort en zijn vrouw en acht van hun kinderen, werden in het koor (het oostelijk gedeelte van de kerk) begraven.
De kerk werd herbouwd, kleiner dan zijn voorganger. In 1672 schonk kapitein Satink een rococo-preekstoel met daarop zijn familiewapen, evenals een koperen lezenaar met het wapen van het Heilige Roomse Rijk.
Renovaties
De kerk heeft door de eeuwen heen verschillende renovaties ondergaan. In de Franse tijd werden onder andere een houten gewelf en een vloer van Bentheimer steen toegevoegd. Ook kreeg de kerk toen nieuwe banken en werd de vloer opgehoogd. In 1832 werden de kerkbanken wit geschilderd.
In 1849 werd het plankenplafond vervangen door een kalkplafond. In 1858 werd een catechisatielokaal toegevoegd, waarvoor koning Willem III 200 gulden schonk. De muren van de kerk werden in 1868 opnieuw bepleisterd, en tijdens de restauratie van 1949 werd deze pleisterlaag weer verwijderd. In 1869 werd de toren gerepareerd. In 1882 verving men vijf glas-in-loodramen door gietijzeren exemplaren. Drie jaar later werden ook twee gietijzeren exemplaren geplaatst op de boerenzolder.
In 1889 werd het catechisatielokaal uitgebreid met een aanbouw. Bij een grondige renovatie in 1896 kreeg de voorgevel nieuwe deuren, een rosetraam, twee gevelraampjes, en een ijzeren kruis op de gevel. De herinneringssteen is tegenwoordig aan de binnenzijde van de muur geplaatst van de orgelzolder. In 1920 onderging de torenspits een vernieuwing.
Restauraties na de oorlog
Na de Tweede Wereldoorlog was de kerk in slechte staat. Na een grootschalige restauratie nam men de kerk in 1967 weer in gebruik. Tijdens een restauratie in 2006 werden de verzakte grafzerken en de natuurstenen vloer hersteld. Daarbij ontdekte men dat een aantal zerken, waarschijnlijk tijdens de Franse Tijd, op de kop waren gelegd. Die liggen inmiddels weer naar behoren. Tijdens de werkzaamheden deed men verschillende historische vondsten, waaronder munten, menselijke resten en gebrandschilderd glas. Verder vond men een steen van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.
Uit onderzoek bleek dat twee van de zerken die op de kop lagen van de Bredevoortse drost Wilhelm van Haersolte en zijn gezin waren. Zij kwamen om het leven samen met bijna al hun kinderen tijdens de kruittorenramp van 1646. Alleen zoon Anthony had de ramp overleefd. In 2010 doneerden nazaten van hem een bedrag van 3.000 euro aan de restauratiecommissie.
Klokken en uurwerk
De Sint-Joriskerk herbergt drie klokken. De oudste, een monumentale klepklok uit 1454, werd in 1596 geleend van het klooster Schaer. Na de vernietiging van het klooster, tijdens de belegering van 1597, is deze klok altijd blijven hangen. Wilhelm van Haersolte tot Elsen schonk de brandklok, gegoten in 1644. De luidklok dateert van 1731 en wordt volgens oude traditie dagelijks om 8.00 uur, 12.00 uur en 21.00 geluid. De stadspoorten werden vroeger om 8.00 uur geopend en om 21.00 uur gesloten. Etenstijd was om 12.00 uur.
In 1942 kreeg de kerk een nieuw uurwerk. Het oude uurwerk uit 1666 is binnenkort weer te bezichtigen in de Sint-Joriskerk. In 1980 werd het kleine carillon van drie klokjes herplaatst.
De groote kerk te Bredevoort, 1687, door Jacobus Stellingwerff (bron: Gelders Archief)De Sint-Joriskerk in de 19e eeuw, toen nog bepleisterd, door P.A. Schipperus (bron: Gelders Archief)De Markt in Bredevoort met de Sint Joriskerk, ca. 1912Boerenzolder
De Prins van Oranje is een ronde stenen walkorenmolen met een met dakleer gedekte kap voor het malen van graan. De molen staat op een belt van 3,5 meter hoogte, maar daaronder zit ook nog het zes meter hoge Bastion Welgemoed dat ooit deel uitmaakte van de vestingwerken van Bredevoort.
Omstreeks 1644/45 werd door de prins van Oranje, als heer van Bredevoort, toestemming verleend voor de bouw van een standerdmolen op het bastion Welgemoed. Nadat deze in 1869 afbrandde werd in 1870 op dezelfde plaats de huidige molen gebouwd. De bouw duurde langer dan gebruikelijk, omdat de Duitse metselaars moesten dienen als soldaat in de Frans-Pruisische Oorlog. De molen is in 1968 gerestaureerd en nogmaals in 1991 en 1992 voor wat betreft het technische gedeelte.
Archieven
Kadaster 1832
Bredevoort B121 Gerrit Willem Heusinkveld molenaar te Bredevoort 25 m² korenmolen
Huize Sint Bernardus is een karakteristiek pand aan ’t Zand, het centrale plein van Bredevoort. Het gebouw kent een rijke geschiedenis, waarin het dienstdeed als woonhuis, sanatorium en rusthuis.
Het pand werd oorspronkelijk gebouwd in opdracht van Jan Satink, luitenant-kolonel in het Staatse leger, Regiment Nationalen. Het verrees op de plek waar ooit de voorburcht van het kasteel Bredevoort heeft gestaan. In 1800 kwam het huis door vererving in bezit van de familie Roelvink. Arnoldus Florentinus Roelvink, telg uit deze familie, was vanaf 1813 burgemeester van Bredevoort.
In 1897 werd het pand gekocht door pastoor Bernardus Mulders. De pastoor was een bemiddeld man en verwierf het voormalige rentmeestershuis uit eigen middelen. Zijn doel was, zo schreef hij: “zijn arme kinderen” katholiek onderwijs aanbieden. Omdat katholieke scholen in die tijd geld kostten, bedacht hij een slimme oplossing: hij haalde nonnen naar Bredevoort die in het rentmeestershuis een klooster en een sanatorium vestigden. Zusters waren goedkoop, want zij ontvingen geen loon; zij hadden immers hun leven aan God gewijd.
Onder beheer van de Zusters Franciscanessen van Thuine werd het ‘R.K. Sanatorium St. Bernardus Gesticht’ opgericht. Het klooster-sanatorium noemde hij naar zijn eigen patroonsheilige, Sint Bernardus van Clairvaux. Met de winst van het sanatorium begon de pastoor een lagere school: de Sint Joannesschool.
Het sanatorium was bedoeld voor welgestelde patiënten want de verpleegkosten waren hoog: variërend van f 1,50 tot f 2,20 per dag. Voor medische kosten en apotheek werd 10 gulden per maand in rekening gebracht. Patiënten uit de zogenoemde tweede klasse betaalden f 7,50.
Vanaf 1907 kwamen mensen uit het hele land naar Bredevoort om in het sanatorium te herstellen. Zij verbleven er vaak maandenlang. Overdag lagen zij in bed in een lighal, ook in de winter; helemaal ingepakt. In de tuin van Sint Bernardus, nu het Vestingpark, stonden minstens tien van deze lighallen met hun open zijde naar de zon gericht. Twee daarvan zijn bewaard gebleven en hebben de status van rijksmonument.
Het sanatorium bleef in gebruik tot 1933. Daarna werd het pand herbestemd tot bejaardentehuis. In 1938 werden de zusters van Thuine opgevolgd door de zusters van St. Jozef uit Amersfoort. De laatste zusters vertrokken in 1985 uit Bredevoort.
In 1988 volgde een grootschalige renovatie en uitbreiding van het gebouw door Stichting Verzorgingstehuis St. Bernardus. Het bejaardentehuis verhuisde uiteindelijk in 2008 naar het nieuwgebouwde Ambthuis.
Het huis werd gebouwd in de zogenaamde um 1800-bouwstijl in opdracht van August Sevink. Hij was een zoon van Herman Albert Sevink uit Warnsveld, en Catherina Poulina van Eijck, dochter van textielfabrikant Van Eijck. Daarmee is het huis een zichtbaar onderdeel van de sociaal economische textielgeschiedenis van Bredevoort.
Het huis heeft aan de voorzijde opvallende ramen die met een katrolsysteem te openen zijn. Zo kon men niet zoals bij “gewone huizen” uit het raam hangen, dat vond men ordinair. Ook nog aanwezig is het originele belsysteem waarmee dienstbodes opgeroepen konden worden. Boven de ingang van het huis is in glas in lood het wapen van Rotterdam aangebracht, dit verwijst naar de Rotterdamse wortels van Henriette van der Meulen, waarmee August Sevink in 1915 trouwde.
Piet en Fenny de Heus werden in 2004 eigenaar van het pand, en hebben het bijna volledig in eigen beheer het pand in oude stijl teruggebracht, inclusief het behang, en wonnen daarmee in 2008 de monumentenprijs van de gemeente Aalten.
AALTEN – 24 Juli 1890. Een vreeselijk ongeluk had heden avond, omstreeks 6½ uur, in het naburig Bredevoort plaats. Zijne Doorluchtige Hoogheid de Bisschop van Utrecht, was heden aldaar, om het Heilig Sacrament des Vormsels toe te dienen aan parochianen van Aalten, Bredevoort, Winterswijk en Vragender.
De stad was bij die gelegenheid versierd met vlaggen en groen, terwijl de kerk, zoowel binnen als buiten, getooid was met bloemen en schilden, waarop toepasselijke spreuken, en aan weerskanten van het altaar waren het Pauselijk en het Bisschoppelijk wapen aangebracht.
Een oud kanon, destijds opgegraven bij het slechten der wallen, en afkomstig, naar men wil, uit den tijd der fransche revolutie, dat steeds bij feestelijke gelegenheden gebruikt wordt, deed ook heden weer trouw dienst. Reeds was Z. D. H. tien minuten vertrokken, toen nog als een laatste eerbewijs het oude kanon zou worden afgeschoten, zooals geschiedde.
Helaas! het oude stuk, waarvan de wanden circa 15 cent. dikte hadden, sprong in verscheidene stukken; een der stukken nam twee knaapjes op van ongeveer 10 jaren, slingerde ze 20 meter ver door de lucht, met ’t treurig gevolg, dat van een het hoofdje van den romp werd gescheiden, terwijl het andere zoodanig werd gewond, dat ’t eenige minuten daarna overleed.
Steller dezes begaf zich onmiddellijk naar het terrein des onheils en zag, dat het stuk van het kanon, waarmede de arme kinderen waren weggeslingerd, de sporen droeg van het onheil. Bloed, stukjes vleesch en hersenen waren er aan vastgekleefd.
Rave, de lader van het oude stuk, een onlangs uit Indië teruggekeerd militair, kreeg belangrijke wonden aan het hoofd, die echter gelukkig niet levensgevaarlijk moeten zijn. De verongelukte kinderen zijn: het een van de echtelieden J.L. Heyink en het andere van de echtelieden A. Klompenhouwer. De ouders zijn radeloos, hun toestand te beschrijven is onmogelijk. Arme ouders.
Bredevoort in 1743 door Jan de Beijer, ter illustratie
In de achttiende eeuw bevond zich in het vestingstadje Bredevoort een Latijnse School — een onderwijsinstelling waar jongens werden voorbereid op een universitaire of kerkelijke loopbaan.1 Hoewel er geen tastbare resten zijn, bieden enkele archiefvermeldingen een glimp van het bestaan van deze school.
Een onderwijzer uit Molsberg
De eerste aanwijzing komt uit de Oprechte Haerlemsche Courant van 1 november 1763, waarin Lotharius Frederik Wurm adverteert dat hij al twee jaar werkzaam is als praeceptor (onderwijzer) in Bredevoort. Zijn aanstelling dateert dus van circa 1761. Hij kondigt aan een kostschool te willen beginnen en biedt lessen aan in Latijn, Hoogduits, Frans, geschiedenis, rede- en dichtkunst en psalmzang.2
Nog geen maand later verschijnt op 26 november 1763 vrijwel dezelfde advertentie in de Amsterdamsche Courant.3 Een jaar daarna, op 13 september 1764, volgt wederom een soortgelijke advertentie in de Oprechte Haerlemsche Courant.4 Dit toont dat Wurm zich actief en herhaaldelijk presenteerde om leerlingen te werven.
Op 29 oktober 1765 verschijnt hij opnieuw in de krant, ditmaal als rector der Latijnsche School te Bredevoort, benoemd “van zyner Doorluchtige Hoogheid den Erf-Stadhouder.” In deze functie bood hij onderwijs aan in Latijn, Grieks, geschiedenis, rede- en dichtkunst, met daarnaast privélessen Frans en Hoogduits.5
Oprechte Haerlemsche Courant, 29 oktober 1765
Wurm was afkomstig uit Molsberg, in het keurvorstendom Trier (nu Duitsland). Hij trouwde op 9 augustus 1764 met Elisabet Eliveret in Bredevoort.6 Hij overleed vóór september 1774, want toen hertrouwde Elisabet als “weduwe van wijlen Lotharius Fredericus Wurm.”7
Een schoolmeester met kerkelijke taken
Op 26 maart 1773 wordt in het Trouwboek van de Nederduits Gereformeerde Gemeente Bredevoort genoteerd dat Alette Diemont, weduwe van schoolmeester Jan Hendrik Prevenier, het trouwboek overdraagt. De vermelding luidt:
“Anno den 26 maart 1773 hebbe dit boekjen ontfangen van Juffr. Alette Diemont, wed. v. den Schoolmr dezer stad Jan Hendrik Prevenier.” — ondertekend: H. Conradi, senior sijn8
Deze notitie bevestigt dat Prevenier schoolmeester was. Dat hij het trouwboek in beheer had, wijst erop dat hij ook verantwoordelijk was voor het bijhouden van kerkelijke administratie — een taak die in kleine steden vaak werd vervuld door de schoolmeester of voorzanger.9
Daarnaast wordt Prevenier in andere bronnen vermeld als stadsrentmeester, belast met de financiële administratie van Bredevoort.10 Daarmee wordt duidelijk dat hij niet alleen in het onderwijs en de kerk een centrale rol vervulde, maar ook in het stedelijk bestuur. Het is aannemelijk dat hij verbonden was aan de Latijnse School, omdat in kleine steden de functies van schoolmeester en leraar aan de Latijnse School vaak samenkwamen.11 Voor Bredevoort is dit niet expliciet overgeleverd, maar gezien de context ligt een combinatie van functies voor de hand.
Locatie onbekend
Waar de Latijnse School van Bredevoort precies heeft gestaan, is niet bekend. Mogelijk was het niet meer dan een vertrek in of bij de kerk, of de woning van de onderwijzer — zoals elders in kleine Gelderse steden gebruikelijk was.12 De aanwezigheid van een dergelijke voorziening in een kleine stad als Bredevoort wijst in elk geval op een relatief hoog niveau van onderwijs en cultuur in de 18e eeuw.13
Eind 1664 gaf de Bredevoortse kerkenraad opdracht aan Joannes Holthus om een nieuw uurwerk te maken voor in de kerktoren omdat het oude versleten was. In 1666 werd het geplaatst. Het begin van een bewogen geschiedenis, die eindigde op de plaats waar het ooit begon: de Sint Joriskerk in Bredevoort.
In het jaar 1664 was Nederland nog de Republiek der Zeven Provinciën. Johan de Witt regeerde het land en Michiel de Ruyter heerste over de wereldzeeën. In de oosthoek van Gelre lag het stadje Bredevoort. Joannes Verschage was hier dominee en Gerhard van Hengel en Bernard Ecckervelt waren de kerkmeesters.
Als je destijds wilde weten hoe laat het ongeveer was, dan keek je naar de zonnewijzer die nog altijd aanwezig is in de buitenmuur van de kerk. Maar was er geen zon, dan was je aangewezen op het uurwerk in de kerktoren. Maar dat werkte niet best, het was vervallen en ongangig, aldus het kerkbestuur. Er moest een nieuw uurwerk komen.
Joannes Holthus
Het kerkbestuur ging in onderhandeling met uurwerkmaker Joannes Holthus uit Arnhem. In december 1664 tekenden zij een contract dat Holthus binnen anderhalf jaar een uurwerk zou leveren dat de hele en de halve uren zou slaan. De afgesproken prijs was 300 carolusguldens. Daarvan werd 50 gulden als voorschot uitbetaald. Het uurwerk werd keurig op tijd opgeleverd. In de zomer van 1666 stond het in de toren. Maar achteraf bleek dat het afgesproken bedrag niet voldoende was.
In 1667 tekenden alle partijen voor een extra bedrag van 228 gulden. Maar over de uitbetaling moeten problemen zijn ontstaan. Holthus moest procederen bij het gerecht. Hij raakte in armoede. Hij moest ergens in dienst treden en zijn kinderen verlaten of afstaan en is uiteindelijk in armoede gestorven. Na zijn overlijden zette zijn dochter Jasperina het proces voort tot zeker 1692. De afloop kennen we niet.
Door de eeuwen heen
Na enige tijd werd slagwerk aan het torenuurwerk toegevoegd dat ook de kwartieren voor en na het hele uur deed slaan. Ook kwam er een voorspel dat de slagen aankondigde. Mogelijk gebeurde dit in 1680. Dat jaartal is in het ijzer gegraveerd. In 1886 is het uurwerk gerestaureerd door Gerrit Jan Heinen uit IJzerlo. Hij woonde op boerderij de Klokkemaker.
Na bijna drie eeuwen trouwe dienst werd het uurwerk in 1942 vervangen door een nieuw mechanisch torenuurwerk. Het oude uurwerk ging naar Aalten. Daar heeft het een tijd staan te verstoffen in de brandweerkazerne. Daarna kwam het terecht in de Aaltense Oudheidkamer, die later is opgegaan in museum Frerikshuus en uiteindelijke het Nationaal Onderduikmuseum. In 2017 werd het uurwerk een gemeentelijk monument.
Terug naar Bredevoort
Het Bredevoortse uurwerk paste echter niet meer in het concept van het museum en er moest een andere locatie voor worden gevonden, liefst een plek waar het publiek het kon bewonderen. Begin 2025 nam Bredevoorts Belang het torenuurwerk over. Terugplaatsing in de toren van de Sint Joriskerk was niet meer mogelijk. De interieurcommissie van de kerk stelde voor om het uurwerk op de boerenzolder te zetten en de kerkenraad ging akkoord.
Het uurwerk van Joannes Holthus uit 1666 staat nu te pronken op de kerkzolder, en alles werkt nog!
Het Bredevoortse torenuurwerk uit 1666 (foto: Ap te Winkel)De zonnewijzer aan de Sint Joriskerk (foto: Jos Wessels)Een gesmede strip met inscriptie (foto: Ap te Winkel)
Technische omschrijving
Het torenuurwerk bestaat uit twee aan elkaar gekoppelde segmenten. Het segment met de slagwerken is 120 cm lang, 65 cm breed en 104 cm hoog. Het gedeelte met het gaande werk en het speelwerk is 81 centimeter lang, 58 cm breed en 104 cm hoog. Op gesmede strippen zijn de volgende teksten aangebracht:
“JOANNES HOLTHUS ME FECIT (heeft mij gemaakt) 1666. JOANNES VERSCHAGÆ PASTOR HUIUS ECCLESIÆ (herder van deze kerk) GERHARD VAN HENGEL DR. BERNARD ECCKERVELT KERKMEISTEREN IN BREDEVORT“.
Het uurwerk is uitgerust met een dubbel slagwerk, dat zowel op de hele als de halve uren Bredevoort bij de tijd hield. Bovendien weerklonken een kwartier voor en na de hele uren vier tonen op drie klokken.
De hoekstijlen zijn versierd met een prachtig gesmede krul. De verbindingen bestaan voornamelijk uit spieën. Het geheel staat op een houten beun. Als aandrijfgewicht fungeert een grote brok zandsteen. Die steen is vrijwel zeker oorspronkelijk. De steen hangt aan een touw van gevlochten hennep, zoals ook al het andere touwwerk. Het geheel werkt perfect.
Het uurwerk is beschreven in het boek: ‘Achterhoekse klokken en uurwerkmakers’, door J.L. Sellink, A.F. Abbink en R.E. Wiggers, (ISBN 90-9003816-7). Op bladzijde 8 schrijft dhr. Wiggers over het uurwerk onder andere: “Het gangwerk bestaat uit een Grahamgang met tandvorm volgens Schwilgué, dit moet na 1715 zijn ingebouwd. “Het voorspel lijkt namelijk origineel en direct in 1666 te zijn geconstrueerd. De huidige plaats voor het gaande werk is ook authentiek en de opwindas ervan is ook gelijk aan de andere drie assen.“
Kasteel Bredevoort, 3D impressie door Paul van Druten
Kasteel Bredevoort was een burcht in het hart van het gelijknamige stadje en voormalige heerlijkheid Bredevoort in het Graafschap Zutphen van het Hertogdom Gelre. Het behoorde tot de belangrijkste kastelen van Gelderland. In de 13e en 14e eeuw speelde kasteel Bredevoort een belangrijke rol in de strijd tussen Gelre en Munsterland.
Het kasteel werd in 1188 voor het eerst genoemd op een lijst van goederen van het bisdom Keulen als “Castrum Breidervort“. Het kasteel is in die tijd een omstreden plek. Het heeft dan ook meerdere eigenaren, waardoor een eeuwenlange strijd volgt om het kasteel. In 1238 komt het kasteel als gemeenschappelijke erfenis in handen van Ludolf van Steinfurt en Herman van Lohn. Het kasteel zal versterkt worden waarbij ze gezamenlijk de kosten dragen. In 1278 wordt de burcht tijdens een wraakactie verwoest door Graaf Everhard I van der Mark. Daarna bleef het kasteel 23 jaar als ruïne bestaan. In een verkoopacte uit 1284 wordt gesproken van “area castri Bredevort”.
Na een jarenlange strijd om Bredevoort tussen Münster en Gelre komt het kasteel uiteindelijk in 1301 opnieuw in handen van graaf Herman van Loon II. In dat jaar verplichten de bisschoppen van Münster en Keulen zich om Herman van Lohn te helpen bij het herstel van de burcht. In de roerige tijden daarna gaat de burcht regelmatig over in Münsterse of Gelderse handen via strijd of door verkoop. De bisschoppen van Münster en Keulen moesten gezamenlijk de wederopbouw van kasteel Bredevoort betalen.
Na eeuwen van strijd om het kasteel gaf de bisschop van Münster de strijd op, en wilde vredesonderhandelingen. Na jarenlang onderhandelen werd uiteindelijk op 28 juni 1326 de vrede getekend met het Verdrag van Wesel. Dit belangrijke verdrag werd ook ondertekend door de steden Zutphen, Groenlo, Emmerik en Arnhem. Hierdoor kwam Reinoud II van Gelre in pandbezit van de gerechten in Winterswijk, Aalten en Dinxperlo en het graafschap Bredevoort. Hierdoor komt het gebied definitief bij Gelderland.
In 1882 vervaardigde J. Craandijk twee tekeningen die kasteel Bredevoort zouden voorstellen. Of dat ook klopt is echter de vraag.Kasteel Bredevoort, ‘de Zaal’
Plattegrond
In 1562 liet de pandheer van Bredevoort, Diederik van Bronckhorst-Batenburg, heer van Anholt, een plattegrond maken van het kasteel te Bredevoort. Op deze plattegrond werden ook de functies en bouwkundige staat van de verschillende onderdelen beschreven. De maten werden genoteerd in Rijnlandse voeten. Een Rijnlandse voet is ruim 31 cm lang. Het kasteel was een rechthoek die 42 m lang en 36 m breed was. De muren waren ongeveer 65 cm dik. Om het kasteel liep een wal van zand. Op de hoeken waren rondelen. De wal was ongeveer 2 m breed.
Plattegrond kasteel Bredevoort, 1562
Verklaringen van de beschrijvingen op de plattegrond (vertaald uit oud schrift):
Dit gewelf zal instorten, als het niet snel gerepareerd wordt.
Hier is de trap om naar de ridderzaal te gaan.
Deze muur is bouwvallig. De staande balken zijn onderaan verrot. Dit is een grote zaal: 47 voet lang en 23 voet breed, van binnen gemeten. Eronder is een kelder. De vloer bestaat uit balken en planken en is met estrikken (vloertegels) dichtgelegd. Boven de zaal is maar één zolder.
Dit is een trap om in de grote zaal te komen.
Dit is de keuken, 21 voet lang en 23 voet breed. Eronder is een kelder die net zo groot is als de kelder onder de grote zaal.
Deze schuur is door drost Isendoorn gemaakt. De muren zijn tussen balken gemetseld.
Dit is de wal die rondom het kasteel loopt.
Dit is een erg vervallen schuurtje, net een varkenshok.
De gevangentoren. Hij is 38 voet in het vierkant (van buiten gemeten). De muren zijn 8½ voet dik. [Deze toren is later waarschijnlijk als kruittoren in gebruik geweest, red.]
Hier zijn twee rondelen.
De kamer van de drost (Maarschalcksekamer) boven de poort. [De naam ‘Maarschalckse kamer’ stamt uit de periode 1534-1555 toen maarschalk Maarten van Rossum drost van Bredevoort was, red.]
Dit is de kapel.
Van hieruit stookt men de haard van de ridderzaal.
Dit is de ridderzaal. Het vertrek is 36 voet lang en 19 voet breed. Hieronder bevinden zich de kamers van de burggraaf (slotvoogd) en van de rentmeester. Ook de ingang van de poort ligt hieronder.
Deze muur is goed, voorzover hij boven de wal te zien is.
Deze muur is gemetseld tussen houten balken en heeft een dikte van een halve steen. [De gebruikte stenen waren kloostermoppen van ca. 14 cm breedte, red.]
Een vervallen wenteltrap.
Nog een kamer. Hieronder is een wasruimte. Omdat de wal tegen de wasruimte ligt, is de muur verrot. De stenen zitten los.
Deze muur is grotendeels tussen houten balken opgemetseld en is erg bouwwalling.
Hierin staan de graanmolen en de bakovens. Boven is de kamer van de knecht, met twee zolders en een schoorsteen.
Hier slaapt de drost. Het vertrek is 28 voet lang en 23 voet breed. Daaronder is een vleeskelder.
Deze kamer is in tweeën gedeeld. De vloer is van hout. Ook hieronder ligt de vleeskelder.
Deze kamer boven wordt de salon (pronkkamer, wapenkamer) genoemd. Eronder is de harnaskamer.
Hier raakt de wal de muur, zodat de muur vocht doorlaat en gebreken vertoont. De muur is heel dik en als men het water zou kunnen tegenhouden, zal dat wel enige verbetering geven.
Deze twee kamers en ook de korenzolder liggen boven het bakhuis en brouwhuis.
Deze tekening is in Arnhem gemaakt, nadat alles zo goed mogelijk gemeten is. De tekening klopt aardig. Maar soms is het in het echt iets groter dan hier getekend staat, bijvoorbeeld de kapel, de wenteltrap op de binnenplaats en de gevangentoren.
Er is niet veel bekend over hoe kasteel Bredevoort er precies heeft uitgezien. Er bestaan wel tekeningen van het kasteel, maar deze zijn deels gebaseerd op aannames en fantasie.
Het kasteel was gebouwd op een zandrug van ca. 42 x 26 meter groot en daarmee één van de grotere kastelen van Nederland. Op oude kaarten blijkt de hoofdburcht een typische concentrische burcht te zijn, voorzien van dubbele grachten met daarin een dikke ringmuur. Een voorburcht met zware hoektorens, een rechthoekig burchtmuur voorzien met vier hoektorens waarvan drie torens verlaagd werden tot rondelen.
Kasteel en stad waren gescheiden door een dubbele gracht. Via een brug had men vanuit de stad toegang tot het kasteel. Met moest daarvoor twee poorten passeren, waarvan de tweede poort voorzien was van een barbacane, ten slotte nog een poortgebouw in de ringmuur voordat men op de binnenhof was. Binnen de burcht stonden verschillende gebouwen rondom een ruime binnenhof. Deze afbeeldingen wijzigden in de loop der tijden, en het uiterlijk en aanzien zal door de eeuwen heen vaak gewijzigd zijn geweest door strijd, oorlog, een stadsbrand, en andere oorzaken.
Verwoest
Het kasteel raakte zwaar beschadigd door de Kruittorenramp in 1646. Daarna domineerde het kasteel als ruïne ruim 150 jaar het stadsbeeld tot omstreeks het einde van de 18e eeuw. Uit 1791 is de laatst bekende melding van een zichtbare ruïne, overgeleverd in Bredevoortse kerkeraadsnotulen toen Willem V de restanten bezichtigde tijdens zijn bezoek aan Bredevoort. Het hoofdgebouw (zonder voorburcht, rondelen en ringmuur) had een omvang van ongeveer 42 x 36 meter. Daarmee was het één van de grotere kastelen van Nederland.
Kasteel Bredevoort in 1597
Restanten
Tegenwoordig liggen de restanten van het kasteel in de vorm van fundamenten, gewelven, tunnels en puin van dit kasteel onder en rondom plein ’t Zand en de Hozenstraat in het hart van de stad. In het voorjaar van 2009 werd tijdens archeologisch onderzoek rondom de voormalige school op ’t Zand een deel van de fundamenten blootgelegd. Er zijn muurresten aangetroffen van 2,5 tot 4 meter dik. Op plein ’t Zand zijn fundamenten gevonden van de barbacane. De contouren van dit poortgebouw zijn met messing gekleurde banden in de bestrating zichtbaar gemaakt.
Deze website gebruikt cookies voor een optimale ervaring en analyse van bezoekgegevens. Ga je hiermee akkoord? Zonder toestemming werken sommige onderdelen van de site mogelijk minder goed.
Functioneel
Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistieken
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door je Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een site of over verschillende sites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.