Beroep: Burgemeester

  • Izaak Antonie de Moor

    Izaak Antonie de Moor

    Izaak Antonie de Moor, geboren op 31 mei 1905 te Goedereede, werd in 1939 tot burgemeester van Breskens benoemd. In 1941 sloot hij zich daar aan bij de N.S.B. Na ‘Dolle Dinsdag‘ vluchtte hij naar Aalten, waar hij vanaf 18 september 1944 het burgemeestersambt waarnam, tijdens de onderduikperiode van burgemeester Monnik. Toen hem een paar dagen voor de bevrijding de grond te warm onder de voeten werd, nam hij de wijk naar Grijpskerk, waar hij bij de bevrijding werd gearresteerd. Na 1½ jaar internering werd hij voorlopig in vrijheid gesteld.

    Op 10 maart 1947 stond De Moor terecht voor het oorlogstribunaal te Groenlo. De punten der tenlastelegging waren als volgt: groepsleider en onderkringleider der N.S.B., buurtschapshoofd N.V.D., lid N.A.F. ambtsperiode te Breskens; de eed van trouw aan Mussert af te leggen; scholingsmiddagen N.V.D. uit te schrijven; de gemeentebode J.J. Bliek te bedreigen; een wapenvergunning bij de Beauftragte van de Rijkscommissaris aan te vragen; door bij het terugvoeren van Ned. Militairen als krijgsgevangenen naar Duitsland te zeggen: „Ze verdienen niet anders, ze hebben niet anders gedaan dan saboteeren”; te colporteeren met Volk en Vaderland en de Zeeuwsche Stroom; medewerking te verlenen aan de arbeidsinzet voor de kustverdedigingswerken; te Goes een opleidingscursus voor burgemeesters te geven.

    De ambtsperiode te Aalten

    De dagvaarding betreffende zijn ambtsperiode te Aalten omvatte de volgende tenlasteleggingen: medewerking verlenen aan arbeidsinzet O.T. te Zevenaar en Bocholt; hulp van de Landwacht in te roepen voor controle op onderduikers, voor vordering van rijwielen en voor arrestatie onderduiker bij Te Giffel. Voorts heeft beschuldigde alle ondergedoken gemeente-ambtenaren ontslagen en de Sicherheitspolizei te Doetinchem in kennis gesteld van de arrestatie van drie personen, waaronder B.H. Wikkerink, wegens het voeren van illegale activiteit. Tenslotte heeft hij de hulp ingeroepen van de te Aalten gestationeerde Grüne Polizei in verband met de arrestatie van de ondergedoken joodse familie Baruch.

    Beschuldigde zette uiteen, dat hij door het aanvaarden van het burgemeesterambt te Aalten de bevolking zoveel mogelijk ter wille had willen zijn. De president: „U hebt al uw krachten gegeven aan de Duitse, dus vijandelijke zaak ter vernietiging van het Nederlandsche materiële zowel als geestelijke verzet. Toen U in Breskens zag, wie en wat de Duitsers waren, had u in Aalten niet meer als burgemeester moeten optreden.” Beschuldigde: „Ik had te kiezen tussen landwachter of burgemeester. Voor de landwacht voelde ik niets”. De president: „U had ook nog een andere weg kunnen kiezen: geen van beide.”

    Daarop kwam ter sprake, waarom beschuldigde op 10 oktober 1944, toen de S.S. in Aalten razzia had gehouden en de aangehouden personen in het feestgebouw werden gebracht, daarbij tegenwoordig was geweest. Beschuldigde: „De S.S. was voornemens de kerken af te zetten. Ik wist dat dit in Aalten veel beroering zou geven, daarom trachtte ik goed te maken wat er nog goed te maken was. In enkele gevallen heb ik nog iets ten gunste van de aangehoudenen kunnen doen.” Beschuldigde ontkende de zes gijzelaars te hebben laten arresteren. „In het rapport aan Doetinchem”, aldus beschuldigde, „heb ik het wel verklaard. Wijlen v.d. Glas, de landwachtcommandant gaf de opdracht tot arrestatie van gijzelaars. Als burgemeester moest ik het rapporteren.”

    De president: „Waarom poogde u een nieuw bevolkingsregister samen te stellen, u wist toch, dat het oude bewust was verdwenen. U was in alle opzichten een willoos werktuig in de handen van de Duitsers.” Voorts wees spreker er op, hoe gevaarlijk het was aan Vossers mede te delen, dat de secretaris der gemeente, Bijlsma, er met de gemeentepapieren en bescheiden vandoor was gegaan en genoemde Vossers te zeggen, waar B. zich waarschijnlijk bevond. President: „U was een overtuigd en fel N.S.B.-er.” Beschuldigde: „Fel niet, ik was idealist. Ik had het als roeping en taak beschouwd iets voor het Nederlandse volk te doen.”

    Nadat de verschillende punten der tenlastelegging tijdens de ambtsperiode in Breskens waren behandeld, kwam tenslotte de arrestatie van de te Aalten ondergedoken familie Baruch ter sprake. Beschuldigde gaf toe, onvoorzichtig te hebben gehandeld. Hij had het in een gesprek met de Grüne Polizei gezegd. De president: „U wist zelf, welke beestmensen de G.P. waren.” Beschuldigde: „Het is op dat moment niet tot me doorgedrongen. Ik heb kunnen verhinderen, dat de Oberleutnant de drie bedoelde Joden liet doodschieten. Op mijn aandringen zouden ze op transport naar Doetinchem worden gesteld. Daar de bevrijding naderde, konden ze in Aalten blijven. En bij mijn vertrek heb ik Tilbusscher gezegd, dat de Joden direct vrijgelaten konden worden, hetgeen ook is geschied.”

    Uitspraak

    Beschuldigde, die geen verdediger had, zei in zijn slotwoord dat hij thans weer in het arbeidsproces ingeschakeld is. Hij riep de clementie van het Tribunaal in. „Ik heb een les voor mijn leven gehad. Bovendien werd mijn huis in Breskens weggebombardeerd, mijn 17 pensioenjaren zijn weg. Ik was ambtenaar in hart en ziel; ik erken totaal fout te zijn geweest. Geef mij de gelegenheid thans weer voor mijn gezin te zorgen”, zo riep hij uit.

    Na Raadkamer zei de president, dat het billijk zou zijn, beschuldigde een internering op te leggen langer dan de voor-interneering. Het Tribunaal wenste echter rekening te houden met de omstandigheden, waarin beschuldigde zich thans bevindt. Aan hem werden de volgende maatregelen opgelegd: Internering gelijk aan de voor-internering; ontzetting uit het recht een overheids- of semi-overheidsfunctie te bekleden; ontzetting uit de beide kiesrechten en verbeurdverklaring radio.

    De Moor overleed op 17 februari 1984, op 78-jarige leeftijd, in Warnsveld.

  • Ruurd Faber

    Ruurd Faber

    Ruurd Faber was een Nederlands politicus van de ARP. Hij werd geboren als zoon van Anne Faber (1875-1948; vanaf 1932 directeur van het eerste gesticht van de Rijkswerkinrichtingen te Veenhuizen) en Hermina Klein (1879-1973). Op 15-05-1941 trouwde hij in Assen met Aukje Fokje Wijngaard (Den Haag, 27-05-1918). Van 1971 tot 1975 was Faber burgemeester van de gemeente Aalten.

    In het begin van zijn loopbaan was Faber inspecteur van een levensverzekeringmaatschappij. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij betrokken bij het verzet en daarop werd hij gearresteerd en opgesloten in het huis van bewaring in Assen. Na de bevrijding kwam hij vrij en vervolgens werd hij hoofd van de Politieke Opsporingsdienst (POD) te Assen. Na enige tijd werd Faber Officier-fiscaal bij de Asser Kamer van het Bijzonder Gerechtshof te Leeuwarden. Later is hij ook nog werkzaam geweest in een andere functies bij het ministerie van Justitie en het ministerie van Maatschappelijk Werk.

    In 1960 werd hij burgemeester van Ulrum en daarnaast was hij ook nog van 1962 tot 1963 waarnemend burgemeester van Leens. In 1965 werd Faber burgemeester van Dantumadeel. Daar genoot hij naam als “groot formaat maatschappelijk werker”.

    In 1971 volgde hij Hendrik Haverkamp op als burgemeester van Aalten en bekleedde deze functie tot 1975.

    In 1992 overleed Ruurd Faber op 79-jarige leeftijd.

    Faber werd als burgemeester van Aalten opgevolgd door Doeke Bekius.

    Burgemeester Faber lost het eerste schot op het Schuttersfeest van 1971
    Burgemeester Faber lost het eerste schot op het Schuttersfeest van 1971
  • Doeke Bekius

    Doeke Bekius

    Doeke Bekius (Gauw, 14 november 1922 – Haart, 8 juni 2013) was een Nederlands politicus voor achtereenvolgens de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en het Christen-Democratisch Appèl (CDA). Van 1976 tot 1988 was Bekius burgemeester van de gemeente Aalten

    Bekius werd geboren en groeide op in het Friese dorp Gauw, nabij Sneek. Na de ULO trad hij op zestienjarige leeftijd in dienst bij de gemeente Wymbritseradeel, een plattelandsgemeente rond Sneek met 28 dorpen. In 1946 maakte hij de overstap naar de gemeente Zutphen. Met de daar opgedane ervaring aanvaardde hij in 1951 de functie van chef Algemene Zaken bij de gemeente Apeldoorn. In juli 1961 werd hij burgemeester van Westdongeradeel, waarna in december 1966 zijn benoeming volgde tot burgemeester van Kollumerland en Nieuwkruisland.

    Burgemeester in de gemeente Aalten

    Medio 1976 aanvaardde Bekius het burgemeesterschap van de gemeente Aalten, als opvolger van burgemeester Faber. Het stadje Bredevoort beschouwde hij als een geschenk, een enthousiaste taak. In 1988 werd hij daar benoemd tot ‘eredrost’.

    Na zijn pensionering bleef hij in de gemeente Aalten wonen. Hij bleef lid van zowel Bredevoorts Belang als Haarts Belang. Daarnaast zette hij zich in voor de Vereniging van Kleine Kernen (VKK) Gelderland. Eind 1987 begon hij daar als adviseur van het bestuur; al snel trad hij toe als bestuurslid en vervolgens was hij jarenlang voorzitter.

    Bekius woonde en overleed in de buurtschap Haart, in de gemeente Aalten. Op 14 juni vond zijn begrafenis plaats in zijn geboorteplaats Gauw.

    Hij werd als burgemeester van Aalten opgevolgd door Tijme Bouwers.

  • Adriaan Johannes Willem Monnik

    Adriaan Johannes Willem Monnik

    Adriaan Johannes Willem Monnik werd op 19 november 1879 geboren in Vorden, zoon van Adriaan Johannes Wilhelmus Monnik, geneeskundige, en Anna Hendrika Blotkamp. Op 22 mei 1913 trouwde hij in Den Haag met Louise Wilhelmina de Waal Malefijt (Zeist, 17 augustus 1881), dochter van Jan Hendrik de Waal Malefijt, minister van koloniën, en Frederica Sophia Wilhelmina Couvée. Van 1910 tot 1945 was Monnik burgemeester van de gemeente Aalten.

    Monnik werd in 1910 benoemd tot burgemeester van Aalten. Hij volgde Willem Carel Tack op.

    Hij was maar liefst 35 jaar burgemeester van Aalten. Het gezin Monnik woonde in villa Zonneheuvel aan de Bredevoortsestraatweg in Aalten, waar later het overdekte zwembad zou komen.

    In 1944 krijgt burgemeester Monnik opdracht er voor te zorgen dat 500 mannen uit Aalten in Zevenaar aanwezig zijn, om ingezet te worden voor het graven van militaire verdedigingswerken. Bij hem en zijn ambtenaren valt dan het besluit te weigeren en met zijn allen onder te duiken. Het bevolkingsregister wordt in veiligheid gebracht.

    Tijdens zijn onderduikperiode werd Monnik vervangen door I.A. de Moor, voormalig burgemeester van Breskens en vandaar met vele andere NSB’ers gevlucht. Na de bevrijding keerde Monnik terug als burgemeester en ging op 1 november 1945 met pensioen.

    In 1946 werd Monnik benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

    Op 2 augustus 1951 overleed hij in het Bronovo-ziekenhuis in Den Haag, na een operatie. Hij werd begraven op begraafplaats Berkenhove.

    Hij werd als burgemeester van Aalten opgevolgd door Evert Sickens van Veen.

    Interview 25-jarig ambtsjubileum

    Ter gelegenheid van het 25-jarig ambtsjubileum van burgemeester Monnik publiceerde de Graafschapbode op 8 maart 1935 een interview met de jubilaris, hieronder enigszins verkort weergegeven:

    Wanneer we in de ruime burgemeesterskamer zitten, is vanzelf onze eerste vraag: Wilt U ons eens iets vertellen over uw allereerste jaren, schoolopleiding, enz.? We vernemen dan, dat Adriaan Johannes Willem Monnik den 19en November 1879 te Vorden geboren werd. De eerste twee schooljaren werden op de Chr. school in zijn geboorteplaats doorgebracht. Toen kwam er een gouvernante in huis. Eén kamer werd tot schoollokaal ingericht en hier werd de jeugdige leerling met nog één medeleerlinge, klaargemaakt voor het gymnasium.

    Na dit lager onderwijs werd gedurende 3 jaar het Chr. gymnasium van Ds. van Lingen te Zetten bezocht. De studie moest toen om gezondheidsredenen onderbroken worden en werd later voortgezet aan de H.B.S. te Zutphen. Dan werden een jaar de colleges gevolgd van Prof. Hugo de Vries aan de Gem. Universiteit te Amsterdam.

    Benoemd tot Burgemeester van Aalten

    Het was altijd mijn streven,” vertelt ons de heer Monnik, “om ook nog eens burgemeester te worden, en toen Aalten openkwam werd ik op 23 Febr. 1910 benoemd tot burgemeester van Aalten.” Na de beëediging op 2 Maart werd op 15 Maart 1910 de heer Monnik hier als burgemeester geïnstalleerd. De oudste wethouder, Z.G. van Eerden, hield de installatierede. De burgemeester besloot zijn antwoordrede o.a. met de mededeeling: “lk zal doen wat des burgemeesters is.

    Toentertijd was de heer B.H. Vaags gemeente-secretaris, wethouders waren de heeren Z.G. van Eerden en W. te Gussinklo. De Raad was als volgt samengesteld: F.H. Somsen, Th.A.M. Driessen, Sal. Gussinklo, L. Heusinkveld, H.A.J. Luiten (Sondern), J.P. Obbink, H.J. Veldhuis (Vels), Wander Nijhof, J.H. Veldkamp (Breedev.), A.P. Slicher van Bath.

    Tot zijn huwelijk was de heer Monnik in pension bij de dames Vaags, op de Kattenberg.

    Belangrijkste besluiten, enz.

    De burgemeester meent zich te herinneren, dat het eerste besluit geweest is. de aankoop van het oude huis van Heijmans op den hoek van de Koelmansteeg, voor de verbreeding van de ingang der Koelmansteeg (nu Stationsstraat). — De oude notulenboeken worden er bij gehaald, en ja, het klopt (het geheugen van onzen burgemeester is, tusschen twee haakjes, bijzonder goed): dit hoekhuis werd aangekocht voor ƒ 3500, waardoor er een behoorlijke ingang van de Stationsstraat kon komen.

    Dan volgt op 27 April 1910 de opening van de tram, de G.W.S.M. lijn B (Lichtenvoorde, Breedevoort, Aalten, Bocholt).

    Dadelijk in 1910 komt zijn liefde voor de volksgezondheid naar voren, eenige woningen worden onbewoonbaar verklaard. “Met de politiek heb ik me nooit veel bemoeid: ik voel veel meer voor volksgezondheid, woningbouw en dergelijke,” zegt de burgevader zoo en passant.

    In 1910 krijgen we dan verder nog den bouw van de Koembrug, de eerste betonbrug in Aalten. De openbare school-verbouwing, de reorganisatie van het politiecorps (de heer Blom werd toen chef-veldwachter). Ook dateert de aanstelling van een voorwerker voor de gemeente-arbeiders van dezen tijd.

    In 1911 kwam ter sprake: de afschaffing van het Duitsche geld, maar het duurde nog tot Juli 1914 voor het ingevoerd werd. Door het groote getal arbeiders dat destijds naar de Bocholtsche fabr. gingen werken en die allemaal bij een Duitsche ‘Krankenkasse’ waren aangesloten, was hier een moeilijke ‘Krankenkasse-quaestie’ ontstaan, die ook nu opgelost werd.

    In Maart 1911 werd hier een wekel. markt voor groenten, kippen, eieren en visch ingevoerd. De verbetering van de afwatering van het Goor kwam ook een groote stap verder door de stichting van het Waterschap der Baaksche Beek. Bij een oud convenant was bepaald, dat de Veengoot niet uitgediept mocht worden, zoodat afwatering van het Goor onmogelijk was. Door de stichting van het Waterschap kon er nu verandering komen. In 1911 werden ook de Lankhofstraat en de Ormelstraat aangelegd.

    Het zou ons te ver voeren, om zoo jaar voor jaar uitvoerig te behandelen. We zullen de volgende jaren met een beetje ‘versnelde pas’ doorwandelen en meer als jaartal memoreeren. We krijgen dan in: 1912 de pensionneering van veldwachter Heersink.

    Den 22en Mei 1913 treedt de heer Monnik in het huwelijk met L.W. de Waal-Malefijt. Het pension van de dames Vaags wordt verwisseld voor ‘Zonneheuvel’.

    Den 21en Febr. 1914 besluit de Raad nieuwe scholen te bouwen in IJzerlo en op de Haart. 13 Maart van hetzelfde jaar volgde de onderwijzerswoning in Aalten. In Febr. werd ook begonnen met den woningbouw aan den Haartschen weg.

    1 Augustus krijgen we dan het begin van den grooten wereldoorlog, die tal van moeilijkheden meebracht. Langzamerhand werden alle levensmiddelen, enz. schaarscher en krijgen we ’t tijdperk der distributie. Wat ’n drukte en moeilijkheden bracht die mee! Wij leverden in dien tijd 1.000.000 K.G. rogge en waren één van de grootste roggeleverende gemeenten van het land.

    In Sept. 1914 wordt de verordening op de herbergsluiting van kracht en krijgen we de ‘zwarte lijst’. Den 31 October wordt de post ‘nachtwakers‘ geschrapt en op 1 Januari 1915 behoort de nachtwaker te Aalten tot het verleden.

    In het laatst van 1917 sprak de Raad zich in principe uit voor overname der Gasfabriek. Het besluit tot overname werd genomen op 19 Dec. 1918. De Raad nam toen de gasfabriek over voor ƒ 115.000 plus ƒ 29.602,87 voor de leidingen, gasmeters, enz. De dag van overname was 2 Mei 1919.

    Na den wapenstilstand, toen de krijgsgevangenen naar de grens kwamen, heette het, dat er 30.000 hier naar toe zouden komen. Gelukkig namen ze in Bocholt een andere richting. Toch kregen we ook hier ons deel in November 1918, n.l. Franschen en Italianen, die in het Feestgebouw en in de fabriek der N.V. Textiel Mij. werden ondergebracht. Uitgehongerd waren de menschen. “Met die Italianen beleefden we nog wat eigenaardigs,” vertelt ons de burgemeester, “we hadden ze allemaal wat van onze prachtige zeep, waarvan we toen een heelen voorraad hadden, gegeven om zich eens frisch te kunnen wasschen, maar den volgenden dag was alle zeep door de Italianen opgegeten!

    26 Febr. 1920 werd den ‘Oosterman‘ aangekocht met de bedoeling hier de nieuwe begraafplaats te maken. Dit plan is niet doorgegaan. Later in 1922 werd een ander terrein hiervoor bestemd, het tegenwoordige ‘Berkenhove‘.

    In Aug. 1920 werd een begin gemaakt met de straatnamendoop. De eerste is de ‘Oranjestraat’ te Breedevoort. Ook had in Augustus de aanbesteding plaats van den Gendringschen weg.

    19 Mei 1922 wordt de veemarkt naar de binnenmarkt verplaatst. In de laatste jaren is echter de veemarkt weer in eere hersteld. In dit jaar werd ook de keuringsdienst ingevoerd. Dr. Rexwinkel werd keuringsveearts. Den 11en April werd het slachthuis overgenomen.

    Dan krijgen we de laatste jaren, die ons allen nog versch in het geheugen liggen. Diverse wegen werden in deze jaren verhard: Sondernweg in ’29. Haartscheweg in 1929. Een Ringweg werd aangelegd, 24 Aug. 1928 en nu het Natuurbad ’t Walfort, een werk van de allerlaatste jaren.

    De Wethouders in deze 25 jaren

    Het is wel interessant ook even na te gaan welke wethouders we in deze 25 jaren gehad hebben. In 1910 waren er, zooals we reeds vermeldden Z.G. van Eerden en W. te Gussinklo. Na den dood van Van Eerden werd in Mei 1916 de heer Theod. Driessen wethouder, die in 1918 weer is afgetreden. We krijgen dan voor een kort poosje den heer F.H. Somsen. Van 2 Sept. 1919 tot 4 Sept. 1923 zijn wethouders de heeren H.J.J.G. ten Dam en Joh. Obbink. Dan neemt de heer F.H. Somsen de plaats in van den heer ten Dam (4 Sept. 1923) en op 8 Maart 1926 volgt de heer A. Brethouwer den heer Obbink op. De heeren Somsen en Brethouwer zijn heden nog als wethouders in functie.

    Als secretaris volgde op 1 Febr. 1930 de heer S. Bijlsma zijn voorganger, den heer B.H. Vaags op. Op 29 Jan. 1924 ging de gemeente-ontvanger, de heer F.H. Freriks, met pensioen. De heer F. Heisterman werd toen als ontvanger benoemd. Bij Gemeentewerken kwam na het overlijden van den heer J. Brill, de heer Tilbusscher als gemeente-architect, die door den heer H. Rollman wordt bijgestaan.

    Andere functies van den jubilaris

    Naast zijn eigen drukken werkkring stelt de burgemeester vooral belang in het onderwijs. De heer Monnik is penningmeester van den Bond van schoolbesturen, onderwijzers en voorstanders van het Chr. onderwijs in den Geld. Achterhoek en omgeving.

    Ook is hij bestuurslid van de Groen van Prinsterer Kweekschool te Doetinchem. Verder nog commissaris van de N.V. Waterleiding Oostel. Gelderland en Lid van den Raad van Toezicht der N.V. ‘De Graafschap‘, Drukkerij en Uitgeverij.

    We zijn ten slotte nog nieuwsgierig naar de meening van den burgemeester over de vooruitzichten van onze Gemeente in de naaste toekomst.

    Deze voorbijgegane 25 jaren,” zegt de heer Monnik, “zijn zeker niet gemakkelijk geweest. Eerst de oorlogsjaren en nu de misschien nog moeilijker na-oorlogsche periode met haar groote achteruitgang op ieder gebied, haar groote werkloosheid, met de werkverschaffing en alles wat daar aan vast zit. Mijn vrouw is mij bij deze moeilijkheden steeds tot zeer grooten steun geweest.

    Wat de werkverschaffing betreft kunnen we nog vermelden, dat op 24 Nov. 1916 ‘Patrimonium‘ om werkverschaffing verzocht. De eerste werkverschaffing was het grintgraven in 1918. Op 30 Mei 1917 ging Aalten, als één van de eerste gemeenten over tot werkloosheidsverzekering.

    De burgemeester vervolgt dan: “Wij als Gemeente, staan er niet zoo slecht voor. Dit is een zeer zwaar jaar, zeker, maar ik zie aankomen, dat het langzamerhand beter wordt. We zullen met vertrouwen voortgaan, één oog naar boven, één oog naar binnen. De hand aan de ploeg, dan zal het einde goed zijn. We moeten zoeken niet wat verdeelt, maar wat samenbindt!

  • Johan Hora Adema

    Johan Hora Adema

    Johan Hora Adema was burgemeester in drie verschillende gemeenten. Daarnaast diende hij als kapitein bij het regiment Grenadiers en Jagers. In 1870 trad hij in het huwelijk met de Friese Lucia Aurelia Bergsma Fruitier de Talma, met wie hij vier kinderen kreeg. Van 1886 tot 1888 was Hora Adema burgemeester van de gemeente Aalten.

    Feestelijke intocht in Aalten

    In 1886 werd Hora Adema, als opvolger van burgemeester mr. L. Roelvink, benoemd tot eerste burger van Aalten. Ter gelegenheid van zijn komst werd een feestelijke intocht georganiseerd. Er was een wedstrijd voor de mooiste ereboog, en op veel plaatsen in het dorp werkte men hard om de nieuwe burgemeester een waardige ontvangst te bereiden.

    De dag van zijn intocht verliep buitengewoon hartelijk en feestelijk; vrijwel iedereen was op de been. In een rijtuig werd de nieuwe burgervader door Aalten gereden. Bij elke ereboog hield men halt zodat hij de daarop aangebrachte spreuken kon lezen. De ereboog in de Dijkstraat sprong er bijzonder uit. Daarop stond te lezen:

    Wees welkom J. Hora Adema,
    Voor U is deze boog geplant.
    Bestuur, beheer voor aller eer
    Dit dorp in ons vaderland.”

    De makers van deze ereboog ontvingen de eerste prijs. De nieuwe burgemeester vestigde zich in de Landstraat.

    Burgemeester in drie gemeenten

    Hora Adema was achtereenvolgens burgemeester van de gemeenten Aalten (1886–1888), Hengelo (1888–1891) en Harlingen (1896–1914).

    Als burgemeester van Aalten werd hij opgevolgd door jonkheer Georg Ludwig Carl Heinrich Baud.

  • Hendrik Hieltje Hans Haverkamp

    Hendrik Hieltje Hans Haverkamp

    Hendrik Hieltje Hans Haverkamp was een Nederlands politicus van de CHU. Van 1968 tot 1970 was hij burgemeester van de gemeente Aalten.

    Hij werd geboren als zoon van Johan Hendrik Wilhelm Haverkamp (1900-1953), ambtenaar bij de gemeente Doetinchem en later burgemeester van Dinxperlo, en domineesdochter Louisa Petronella Ynzonides (Obergum, 12-08-1901). Hij is afgestudeerd in de rechten en was plaatsvervangend chef van het kabinet van de commissaris van de Koningin in Overijssel voor hij in april 1963 benoemd werd tot burgemeester van Staphorst.

    In januari 1968 volgde hij Evert Sickens van Veen op als burgemeester van Aalten. Al tweeënhalf jaar later, in augustus 1970, stapte hij op als burgemeester om de tweede secretaris van de Rijnmondraad te worden. Haverkamp overleed in 2011 op 84-jarige leeftijd.

    Haverkamp werd als burgemeester van Aalten opgevolgd door Ruurd Faber.

  • Georg Ludwig Carl Heinrich Baud

    Georg Ludwig Carl Heinrich Baud

    Jonkheer Georg Ludwig Carl Heinrich Baud werd op 28 maart 1858 geboren in Amersfoort, zoon van Jean Chretien Baud en Eveline Alexandrine van Ranzow. Van 1888 tot 1895 was Baud burgemeester van de gemeente Aalten.

    Per Koninklijk Besluit van 2 februari 1888 werd Baud benoemd als burgemeester van Aalten. Hij volgde Johan Hora Adema op. Op zijn eigen verzoek werd tijdens zijn installatie als burgemeester, behalve het uitsteken van vlaggen, geen openlijk huldebetoon gebracht.

    In 1892 stelde hij zich kandidaat voor de Provinciale Staten namens de Liberale Kiesvereniging. Hij werd gekozen. Op 1 december 1895 vroeg hij eervol ontslag als burgemeester aan. Hij werd als burgemeester van Aalten opgevolgd door mr. Willem Carel Tack.

    In 1898 trad hij af als lid van de Provinciale Staten om te voorkomen dat er een scheuring zou ontstaan binnen zijn partij.

    Op 31 maart 1908 trouwde hij, 50 jaar oud, in Den Haag met de 14 jaar jongere Elisabeth Lamberta van Riemsdijk (Batavia, 10-10-1871). Baud overleed op 4 april 1921 in Den Haag.

  • Willem Carel Tack

    Willem Carel Tack

    Willem Carel Tack zag op 26 september 1838 in Doesburg het levenslicht als zoon van Benjamin Tack, lid van de stedelijke raad, en Françoise Caroline Madelon baronesse Van Eck. Op 5 juni 1873 trouwde hij in Aalten met predikantendochter Cornelia Johanna Paré (Bredevoort, 2 augustus 1848). Samen kregen zij vijf kinderen. Van 1895 tot 1910 was Tack burgemeester van de gemeente Aalten.

    Op 4 maart 1880 werd Tack per Koninklijk Besluit benoemd tot burgemeester van Kesteren. Na een eervol ontslag als burgemeester van die gemeente aanvaardde hij met ingang van 15 december 1895 het burgemeesterschap van Aalten. Hij volgde jonkheer Georg Ludwig Carl Heinrich Baud op.

    Feestelijke ontvangst in Aalten

    Op maandagmiddag wachtte een grote menigte Tack en zijn familie op het station Aalten op en heette hen daar welkom. Koetsen, ruiters en een muziekkorps begeleidden de familie vervolgens naar de ambtswoning aan de Gasthuisstraat (het huidige Haartsestraat 10), die later de bijnaam ‘Tackshuis’ kreeg. Die avond trok ter ere van de nieuwe burgemeester een fakkeltocht door het met vlaggen en groen versierde dorp. Bij Koninklijk Besluit van 25 november 1907 werd Tack herbenoemd tot burgemeester met ingang van 15 december 1907.

    Tack overleed op 4 mei 1915 in Aalten op 76-jarige leeftijd en vond op 8 mei in Doesburg zijn laatste rustplaats.

    Na zijn vertrek volgde Adriaan Johannes Willem Monnik hem op als burgemeester van Aalten.

  • Mr. Leonard Roelvink

    Mr. Leonard Roelvink

    Leonard Roelvink werd op 30 april 1833 geboren als zoon van Arnoldus Florentinus Roelvink, burgemeester van Aalten, en Elzabé Maria Theodora ten Cate. Op 14 november 1870 trad hij in Winterswijk in het huwelijk met Christina Paschen, geboren aldaar op 27 maart 1848. Van 1861 tot 1886 was Roelvink burgemeester van de gemeente Aalten.

    In 1857 publiceerde Roelvink bij uitgeverij Post Uiterweer te Utrecht zijn juridische proefschrift onder de titel Theses juridicae inaugurales. Vier jaar later, in 1861, volgde hij zijn vader op als burgemeester van de gemeente Aalten.

    Roelvink woonde in de villa aan ’t Zand in Bredevoort die we tegenwoordig kennen als Sint Bernardus. Dagelijks reed hij per rijtuig naar Aalten, net als zijn vader had gedaan. Hij was fel tegen de komst van de spoorlijn naar Aalten, uit angst dat zijn paarden zouden schrikken van het “dampende treinmonster”.

    Leonard Roelvink overleed op 3 maart 1886 aan een beroerte. De gemeenteraad zou juist vergaderen en wachtte op de komst van haar voorzitter toen een arts het treurige bericht van zijn overlijden kwam mededelen. Hij werd begraven op de oude begraafplaats aan de Prins Mauritsstraat in Bredevoort.

    Na zijn overlijden richtten zes vooraanstaande Aaltenaren zich in een brief tot de minister van Binnenlandse Zaken. Ze maakten van de gelegenheid gebruik om hun zorgen te uiten over wat zij als wantoestanden beschouwden binnen de gemeente, die ze toeschreven aan het beleid, of het ontbreken daarvan, van de overleden burgemeester. In hun brief stelden ze nadrukkelijk géén invloed te willen uitoefenen op de benoeming van een nieuwe burgemeester, maar gaven tegelijkertijd aan dat “de treurige toestand” in Aalten volgens hen mede het gevolg was van het feit dat de functie van vader op zoon was overgegaan. Ze klaagden over onder meer gebrekkig onderwijs, slechte wegen, overmatig drankgebruik en ongeoorloofde kinderarbeid. De zes pleitten voor de benoeming van een krachtige opvolger die orde op zaken kon stellen. Hun bezwaren werden serieus genomen door zowel de minister als de commissaris van de Koning.

    Roelvink werd als burgemeester van Aalten opgevolgd door Johan Hora Adema.

  • Mr. Arnoldus Florentinus Roelvink

    Mr. Arnoldus Florentinus Roelvink

    Burgemeester (1818-1861) en notaris

    Arnoldus Florentinus Roelvink werd op 23 december 1789 geboren in Borculo als zoon van Bernard Andreas Roelvink en Harmina Abbink. Op 12 november 1817 trouwde hij in Bredevoort met Elzabé Maria Theodora ten Cate (Neede, 21 juli 1798), dochter van Tieleman ten Cate en Anna Jacoba Roelvink. Het echtpaar kreeg samen zeven kinderen.

    Roelvink was notaris en na de Franse tijd werd hij in 1813 tevens benoemd tot de eerste burgemeester van gemeente Bredevoort. Toen deze gemeente in 1818 werd samengevoegd met Aalten werd Roelvink burgemeester van de fusiegemeente Aalten. Deze functie bekleedde hij tot zijn overlijden op 6 januari 1861.

    Roelvink woonde met zijn gezin in de villa op ’t Zand in Bredevoort die we tegenwoordig kennen als Sint Bernardus. De Roelvinkstraat in Bredevoort is naar hem vernoemd.

    Roelvink werd als burgemeester van Aalten opgevolgd door zijn zoon Mr. Leonard Roelvink.

  • Christiaan Casper Stumph

    Christiaan Casper Stumph

    Christiaan Caspar Stumph werd te Aalten gedoopt op 14 februari 1745, als zoon van Abraham Stumph en Elisabeth Ovink. Op 12 november 1780 trouwde hij met Jeanne Lesturgeon. Zij kregen ten minste één kind, Abraham Antoni. Deze zoon verdronk op 34-jarige leeftijd in de Slingebeek. In de volksmond zei men dat zijn dood met liefdesverdriet te maken had. Van 1811 tot 1818 was Stumph burgemeester van de gemeente Aalten

    In 1795 werd Stumph beschuldigd van de aanval op Ten Holte en gevangengezet. Een maand later werd hij vrijgelaten omdat zijn schuld niet bewezen was.

    Stumph was goed bevriend met de Freule van Dorth die in 1799 te Winterswijk werd geëxecuteerd. Zeven uur voor haar dood schreef ze hem een brief: “Mijn Waarde Vriend Ik bedank uw zeer voor alle Vriendelijkheid aan mijn bewezen in dit leven. Ik schrijf [deeze] om 4 uuren, dus 7 uuren voordat mij het [leven], door een kogel zal benomen worden. De reijs van Groenlo etc. is oorzaak van mijn Dood. Ik vind in dezelve een verzoend God, troost mijn Ongelukkige Broeder die mij tot in de Dood benauwd. Weest zo goed en zegt een Eeuwig Vaarwel aan alle mijn bekenden. J.M.C.J. van Dorth.

    De eerste burgemeester van Aalten

    Na de inlijving van ons land bij Frankrijk op 10 juli 1810 werd naar Frans model de gehele bestuursmacht gewijzigd en gecentraliseerd. Er kwam een departementale organisatie met aan het hoofd van de departementen een prefect, aan het hoofd van de arrondissementen een sous-prefect en aan het hoofd van de gemeenten een maire (burgemeester).

    Op 12 maart 1811 werd Christiaan Caspar Stumph aangesteld tot maire van het Canton Aalten. Men beschouwt hem daarom als eerste burgemeester van de gemeente Aalten. Hij behield deze functie tot 1 januari 1818 toen een nieuwe bestuursregeling tot stand kwam.

    Stumph woonde op het Smees. Hij was rentenier en organist te Aalten, een integer man met vele verheven doelstellingen. Op 14 mei 1819 trouwde hij te Aalten op een leeftijd van 74 jaar met de 30-jarige Caatjen Weversborg. Voor zover bekend bleef hun huwelijk kinderloos.

    Christiaan Casper Stumph deed graag pogingen om een eind te maken aan misstanden. Eén van zijn grootste ergernissen was het begraven in de kerk of op het kerkhof binnen het dorp. Inderdaad leidde dit vaak tot onvoorstelbare toestanden. Meerdere malen ontstonden in de kerk verzakkingen in de vloer en bleven de eigenaren van deze graven, wat het herstel betreft, in gebreke. Wekenlang was er dan in de banken bij het betreffende gat niet te verkeren. Er kwam dan ook een regeling tot stand waarbij men bepaalde dat de kerkmeesters, in geval van nalatigheid, de nodige herstelwerkzaamheden mochten aanbesteden waarbij de betreffende plaats aan de kerk verviel.

    Grafheuvel op het Smees

    Ook op de begraafplaats rond de kerk was de toestand vaak slecht. Doordat lange tijd niet op “genoegsame” diepte begraven was kwamen regelmatig beenderen aan de oppervlakte. Een beenderoplezer verzamelde, voor twee schepel rogge per jaar, deze beenderen van tijd tot tijd en wierp ze in de “Beenhalle”, een huisje op het kerkhof aan de Markt-kant. Werd de voorraad te groot dan ruimde men deze op en maakte de muren schoon en herstelde deze waar nodig.

    Met het verbeteren van de maatschappelijke toestand en de hogere eisen op het gebied van de hygiëne kwamen op dit terrein ook langzaam maar zeker veranderingen, o.a. de verplichting de graven voldoende diep te maken. Een wet om het begraven binnen stad en dorp te verbieden kon, in navolging van het buitenland, in ons land nog geen genade vinden. Tot de grote stap, te breken met alle tradities en de doden, vér buiten het dorp “zo maar ergens in de grond” achter te laten, kon men hier niet komen.

    Stumph was voorstander van het begraven buiten het dorp, hij besloot in één der Smeesweiden een “Buitenbegraafplaats” te laten vervaardigen. In 1818 werd de stichtingsakte en wilsbeschikking opgesteld. Christiaan Casper Stumph overleed op 6 januari 1820. Volgens zijn laatste wens werd hij begraven op het oude Smees. Deze plek is tegenwoordig nog steeds herkenbaar als grafheuvel, gelegen aan het Nannielaantje.

    Burgemeester Stumph werd opgevolgd door mr. Arnoldus Florentinus Roelvink.

  • Abraham Casper Salomon ten Bokkel

    Abraham Casper Salomon ten Bokkel

    Abraham Casper Salomon ten Bokkel werd geboren op 1 november 1761 in Bodegraven, als zoon van predikant Theodorus ten Bokkel (op 23 juni 1728 gedoopt in Aalten) en Margaretha van Hoeij. Ten Bokkel studeerde in Harderwijk (ingeschreven in 1786). Ten Bokkel was advocaat, notaris, landschrijver, vrederechter, tijdelijk burgemeester van Aalten en plaatsvervangend drost.

    Op 29 april 1787 trouwt hij in Terborg met Gesina Geertruid Schaars (Aalten, 15 maart 1767). Uit dit huwelijk worden vier dochters, waarvan er twee al kort na de geboorte overlijden.

    1. Cornelia Theodora (Aalten, 03-08-1795 – Aalten, 17-11-1795)
    2. Cornelia Theodora (Aalten, 07-08-1799 – Dinxperlo, 04-12-1866)
    3. Stephanetta Hendrika Wilhelmina (Aalten, 18-01-1801 – Amsterdam, 07-01-1885)
    4. Aurelia Margaretha (Aalten, 08-03-1804 – Aalten, 10-05-1804)

    We vonden een advertentie uit 1797 waarin Ten Bokkel wordt genoemd als advocaat, betrokken bij de verkoop van het aanzienlijke Huis Lohn, net over de grens in Südlohn (D). En in 1803 vonden we een soortgelijke advertentie met betrekking tot de verkoop van het Huis Sinderen.

    In 1823 woonde Ten Bokkel aan de Landstraat in Aalten, tegenwoordig nummer 17.

    Abraham Casper Salomon ten Bokkel overleed op 29 mei 1831 in Dinxperlo.