Gertrud van Myllendonk (1552–1612), ook bekend als Geertruida van Millendonck, was een adellijke bestuurder in de Duits-Nederlandse grensstreek. Zij was vrouwe van Drachenfels, Königswinter en Anholt, en dertig jaar lang pandvrouwe van de heerlijkheid Bredevoort (1582–1612).
Haar bewind viel midden in de Tachtigjarige Oorlog (1568–1648). Terwijl de streek werd verscheurd door het geweld tussen Spanje en de opkomende Nederlandse Republiek, probeerde zij haar gebieden met een strikte neutraliteitspolitiek buiten de vuurlinie te houden. Hoewel zij persoonlijk rooms-katholiek en Spaansgezind was, koos zij politiek gezien geen partij. In 1612 droeg zij haar rechten over Bredevoort over aan prins Maurits van Oranje.
Vroege jaren en huwelijk

Gertrud van Myllendonk werd in 1552 geboren op kasteel Myllendonk, in de buurt van Düsseldorf. Ze was de dochter van Dietrich von Myllendonk en Theodora van Bronckhorst-Gronsveld. Via haar vader erfde zij diverse bezittingen en adellijke titels langs de Rijn.
Op 13 mei 1576 trouwde Gertrud in Anholt met Jacob van Bronckhorst-Batenburg, de heer van Anholt. Zijn familie had op dat moment de heerlijkheid Bredevoort in pandschap. Dit betekende dat zij het kasteel, de stad en het omliggende gebied bestuurden in ruil voor grote leningen die zij aan de landsheer hadden verstrekt. Het echtpaar kreeg drie kinderen:
- Dirk IV van Bronckhorst-Batenburg-Anholt (24 maart 1578 – 16 juni 1649), later graaf van Bronckhorst, vrijheer van Batenburg en heer van Anholt, Moyland en Bahr.
- Johan Jakob van Bronckhorst-Batenburg (12 augustus 1579 – 19 oktober 1630), later graaf van Batenburg en Anholt, en militair bevelhebber.
- Elisabeth van Bronckhorst-Batenburg (Aalten, februari 1582 – 1629), trouwde in 1613 met Willem van Ketteler, heer van Lage.
Het gezinsleven was van korte duur. Jacob vocht in Spaanse dienst en raakte in september 1582 zwaargewond tijdens gevechten bij Lochem. Hij bezweek korte tijd later op 29-jarige leeftijd op het kasteel van Bredevoort. Gertrud bleef op dertigjarige leeftijd achter als weduwe met drie jonge kinderen.
Bestuur en neutraliteitspolitiek
Na de dood van haar echtgenoot in 1582 nam Van Myllendonk het bestuur over de heerlijkheid Anholt en het pandschap Bredevoort op zich. Het front tussen de Spaanse en Staatse legers liep in deze periode dwars door de Achterhoek. Hoewel zij persoonlijk rooms-katholiek en Spaansgezind was, koos zij om strategische redenen voor een strikt neutrale opstelling om plunderingen en inkwartiering op het platteland te voorkomen.
Zij zette hiermee de lijn voort van haar schoonvader, Diederik van Bronckhorst-Batenburg. Deze had geprobeerd de gebieden buiten de strijd te houden door te verklaren dat de Spaanse koning geen soevereine rechten bezat over Anholt en Bredevoort. Hoewel de neutraliteit van Anholt internationaal werd gerespecteerd, gold dit niet voor Bredevoort. Vanwege de strategische ligging en de sterke vestingwerken bleef Bredevoort een militair doelwit voor beide partijen.
Bestuurscrisis in Winterswijk
Het bewind van Van Myllendonk werd niet alleen bedreigd door externe legers, maar ook door binnenlandse politieke spanningen. In Winterswijk, dat onder de rechtspraak van de heerlijkheid Bredevoort viel, was de pandvrouwe niet onomstreden.
Er ontstond een directe machtsstrijd toen Johan Rump buiten haar om tot voogd van Winterswijk werd benoemd. Als reactie hierop greep de door Van Myllendonk aangestelde drost van Bredevoort hard in: hij liet Rump arresteren en installeerde een tegenkandidaat, Otto Volmer. Deze ingreep leidde tot escalatie en onrust in de regio. Om de situatie te deescaleren, zette Van Myllendonk haar persoonlijke zaakwaarnemer uit Brussel en Antwerpen, Gottfried Gerardi, in. Pas nadat Jacob Vockink als nieuwe voogd werd geïnstalleerd, keerde de rust in het Winterswijkse bestuur terug.
Het Beleg van Bredevoort in 1597 en de nasleep
Gertruds neutraliteitspolitiek hield definitief geen stand toen een Spaans garnizoen bezit nam van de vesting Bredevoort. Net als de Staatse legerleiding wilde Gertrud deze troepen het liefst zo snel mogelijk weg hebben, maar zij kreeg hiervoor geen toestemming van de Spaanse landvoogd Parma.
Tijdens het Beleg van Bredevoort in 1597 omsingelde prins Maurits van Oranje de stad met een Staats leger. Gertrud deed nog een dringend beroep op Maurits om haar pandrechten te respecteren en de stad te sparen, maar de Spaanse bezetters weigerden op te geven. De daaropvolgende beschietingen en de uiteindelijke stormloop richtten enorme verwoestingen aan in de stad en op het kasteel.

Ondanks deze nederlaag bleef Gertrud juridisch strijden voor haar bezittingen. Met succes: in 1602 gaven de Staten van Gelderland de heerlijkheid Bredevoort tijdelijk aan haar terug. Haar oudste zoon, Dirk IV, stelde vervolgens een radicale oplossing voor: de volledige sloop (ontmanteling) van de vestingwerken van Bredevoort. Zijn logica was dat een onverdedigbare stad geen legers meer zou aantrekken, wat de lokale bevolking rust zou geven. Prins Maurits en de Staten van Gelderland staken hier echter een stokje voor. Maurits had te veel moeite gedaan om de strategische grensbarrière te veroveren en keurde de sloop af.
Overdracht en overlijden
De financiële en politieke druk op het pandschap nam in de jaren daarna toe. Op 20 oktober 1612 kwamen de Staten van Gelderland en Gertrud van Myllendonk tot een definitieve overeenkomst. Het openstaande pandschap werd financieel afgelost en de heerlijkheid Bredevoort werd officieel overgedragen aan prins Maurits, die daarmee de nieuwe pandheer werd.
Ruim een maand na deze overdracht, op 23 november 1612, overleed Gertrud van Myllendonk op zestigjarige leeftijd in Anholt. Haar zonen zetten de adellijke titels voort, waarbij haar tweede zoon, Johan Jakob, later een prominente rol zou spelen als keizerlijk veldmaarschalk tijdens de Dertigjarige Oorlog.
Bronnen
- H.A. Hauer: Breevoort can ick vergeten niet, tweede druk, 1993
- Drost en Geërfden van Bredevoort, 1608-1794 (archieven.nl)
- Wikipedia

