Het huis werd gebouwd in de zogenaamde um 1800-bouwstijl in opdracht van August Sevink. Hij was een zoon van Herman Albert Sevink uit Warnsveld, en Catherina Poulina van Eijck, dochter van textielfabrikant Van Eijck. Daarmee is het huis een zichtbaar onderdeel van de sociaal economische textielgeschiedenis van Bredevoort.
Het huis heeft aan de voorzijde opvallende ramen die met een katrolsysteem te openen zijn. Zo kon men niet zoals bij “gewone huizen” uit het raam hangen, dat vond men ordinair. Ook nog aanwezig is het originele belsysteem waarmee dienstbodes opgeroepen konden worden. Boven de ingang van het huis is in glas in lood het wapen van Rotterdam aangebracht, dit verwijst naar de Rotterdamse wortels van Henriette van der Meulen, waarmee August Sevink in 1915 trouwde.
Piet en Fenny de Heus werden in 2004 eigenaar van het pand, en hebben het bijna volledig in eigen beheer het pand in oude stijl teruggebracht, inclusief het behang, en wonnen daarmee in 2008 de monumentenprijs van de gemeente Aalten.
De Ds. Stegemanschool werd in 1922 opgericht en heette aanvankelijk Nederlands Hervormde school. In 1955 werd de school vernoemd naar Ds. J.D. Stegeman. De school werd gesloopt in december 2005. Tegenwoordig staat hier woonzorgcentrum Stegemanhof.
Hotel De Roskam ‘van Voorderman’ in de Landstraat, met veranda, begin 20e eeuw.
Het pand aan de Landstraat 13-15 in Aalten kent een rijk horecaverleden: al in 1823 werd het vermeld als logement De Roskam. In datzelfde jaar stond Evert van Eerden er geregistreerd als kastelein. Na het overlijden van zijn ouders in 1837 en 1839 nam zoon Abraham van Eerden het stokje over.
Volgens een lijst van 1850-’60 overnachtten in De Roskam veel zakenmensen. Vaste passanten waren bijvoorbeeld de Zwolse azijnfabrikant Schaapman uit Zwolle en meelfabrikant Van der Lande uit Deventer. Ook Duitse zakenlieden kenden het adres.
In 1870 nam Pieter Oosthout uit Rotterdam het logement over. Deze bleef echter niet lang, want in 1876 wordt De Roskam overgenomen door Karel Gustaaf Avenarius. In een advertentie beveelt hij het logement “minzaam aan in de aandacht van het reizend publiek”.
Voorderman
Eind april 1890 vertrok Avenarius en vestigde zich hier Martinus Voorderman uit Brummen.
Hotel De Roskam, vanaf dan ook wel kortweg ‘Voorderman’ genoemd, was een plek waar niet alleen overnacht en vergaderd werd. Er werd ook goed geborreld. Vooral met de Meimarkt, de Kermis en de Sint-Nicolaasmarkt op 6 december was het er erg vol. De veemarkt in Aalten werd destijds gehouden tot één uur in de middag, waarna de boeren naar Voorderman gingen. ’s Middags gingen de jongelui naar de warenmarkt. Op alle hoeken in de cafés klonk muziek. De jongens trokken in groepen langs de kramen, evenals de meisjes en men probeerde tot elkaar te komen voor afspraakjes.
Wie voor de Meimarkt of Kermis al een afspraakje had weten te maken om er samen naar toe te gaan, had “d’n schadden al dreuge”. Op de markt deden ook de kwakzalvers en kiezentrekkers goede zaken. De meisjes die geen aanzoek hadden gekregen trokken alleen huiswaarts. Een verstokte vrijgezel en een late feestganger wipten dan nog even bij Voorderman binnen.
In september 1891 werd in Aalten een Landbouwtentoonstelling gehouden. In Hotel De Roskam konden de aanwezigen deelnemen aan een open tafel à ƒ 2,25 per couvert, inclusief een halve fles wijn. De Roskam was naast hotel ook een stalhouderij. In 1919 verscheen een advertentie waarin de mogelijkheid tot het stallen van paarden werd aangeboden.
Einde van Hotel De Roskam
Martinus Voorderman overleed in 1912. In april 1919 verkocht zijn weduwe de volledige hotel-inventaris, inboedel en stalhouderij. De veranda werd in mei van datzelfde jaar gesloopt en het pand werd verbouwd tot twee winkelhuizen: Landstraat 13 en 15.
Op nummer 13 vestigde zich vervolgens G.J.J. Degenaar met een drogisterij. In 1930 opende hij er tevens een lunchroom (modern woord!), ingericht als “Oud-Hollandsche taveerne”. Op de verdieping erboven werd het museum van de Oudheidkamer ondergebracht en de drogisterij kreeg zijn ingang aan de Hogestraatzijde. In 1934 werd de drogisterij overgenomen door C. van Nood. Begin jaren 70 werd het drogisterij Kwakkel en tegenwoordig is het een restaurant/pizzeria.
Op nummer 15 vestigde zich B.A. Veldhuis, manufacturier. In 1933 vinden we er het delicatessenhuis van G.A. Wieland en in 1967 de delicatessenzaak van B. Buesink. Tegenwoordig is het deel van modezaak Klein Entink (Landstraat 17).
Muurschilderingen
In 1988 ontdekten Marianne Kiwitz en Martin Finkenflügel muurschilderingen op de eerste verdieping van het pand Landstraat 13 (destijds drogisterij Kwakkel). Bij het verwijderen van behang kwamen in meerdere kamers wandversieringen tevoorschijn, waaronder in de woonkamer aan de Landstraat twee prachtige en goed bewaarde natuurtaferelen. Deskundigen van het Museum Frerikshuus concludeerden dat de decoraties dateerden uit de tijd dat het pand een hotelfunctie had.
De twee schilderingen in de woonkamer waren gesigneerd met “W.J. Rave”, en op één van de decoraties stond de toevoeging “Bred”. Dit wijst vermoedelijk op de schilder W.J. Rave uit Bredevoort, die Hotel De Roskam destijds van wandversieringen voorzag.
Eigenaren
Overzicht is niet volledig.
Jaar
Perceel
Eigenaar
Omschrijving
1832
I-1395
Evert van Eerden
370 m² huis & erf
1846
I-1395
Abraham van Eerden, logementhouder
370 m² huis & erf
1873
I-1395
Pieter Oosthout, logementhouder
370 m² huis & erf
1877
I-1395
Karel Gustaaf Avenarius, logementhouder
370 m² huis & erf
1884
I-3882
Karel Gustaaf Avenarius, logementhouder
370 m² huis & erf
1891
I-3882
Martinus Voorderman, logementhouder
370 m² huis & erf
1921
I-5806 I-5807
Gerrit Jan Johannes Degenaar, schilder Gerhard Flint, manufacturier
211 m² huis & erf 159 m² huis & erf
1934
I-6629 I-6628
Gerrit Jan Johannes Degenaar, schilder Gerhard Flint, manufacturier
220 m² huis & erf 155 m² huis & erf
1957
I-8121 I-8122
Cornelis van Nood, drogist Bernard Buesink, kruidenier
Fragment kadastrale kaart, 1884 (perceel I-3882)Nederlandsche Staatscourant, 19 juli 1823Zutphensche Courant, 19 september 1876De Graafschapbode, 3 december 1881De Graafschapbode, 9 september 1891Briefhoofd Hotel De Roskam, jan. 1919Museum ‘Oudheidkamer’, lunchroom ‘De Geldersche Keuken’ en beddenzaak ‘De Duif’Interieur van lunchroom-restaurant “De Geldersche Keuken”Nieuwe Aaltensche Courant, 2 december 1921Marianne Kiwitz en Martin Finkenflügel bij één van de muurschilderingen van het voormalige hotel De Roskam‘Drogisterij van Nood’
De voormalige pijpenfabriek Becking & Vaags in de Hoekstraat was van 1885 tot 1925 actief in de voor Nederland unieke hoornindustrie in Aalten. Het bedrijf produceerde pijpenstelen en later ook messenheften.
De fabriek vindt haar oorsprong bij twee vakmannen: Wessel Becking en Willem te Gussinklo leerden het pijpendraaien bij Gerrit Peters. Beiden vertrokken op ‘Wanderschaft’ naar Duitsland zich in hun vak te verdiepen.
Na hun terugkeer in 1880 begonnen zij een eigen zaak, eerst in een huis op de Kattenberg en vanaf 1883 in het gebouw naast de meubelzaak van de heer Vreede. Dat pand met het karakteristieke klokgeveltje is rond 1959 gesloopt.
Op onderstaande kadastrale kaart is te zien dat de twee percelen aan de Landstraat en de Hoekstraat in elkaars verlengde liggen.
Becking en Te Gussinklo werkten korte tijd samen, maar gingen in 1884 ieder hun eigen weg.
In 1885 startte Becking met Bernardus Gerhardus Vaags, neef en naamgenoot van Bernard Vaags, de firma Becking & Vaags. De fabriek maakte pijpenstelen en later ook messenheften. Toen de verkoop van Duitse pijpen terugliep, ging de fabriek korte bruyèrepijpen produceren.
In 1907 kreeg de fabriek haar huidige aanzicht: naar ontwerp van gemeentearchitect Jan Brill. werd het gebouw uitgebreid met een machinekamer, bergplaats, werkplaats, kleedkamer en privaat.
Na de Eerste Wereldoorlog liep de handel met Duitsland terug. In 1921 werd de fabriek enige tijd stilgelegd; later werd de productie hervat, zij het slechts nog drie dagen per week. In september 1925 was de firma Becking & Vaags nog te vinden als exposant op de Leipziger Messe. Niet lang daarna werd het bedrijf geliquideerd.
In de jaren vijftig deed het pand enige tijd dienst als kleuterschool, totdat de nieuwe Beatrixschool aan de Oosterkerkstraat gereedkwam.
Het gebouw aan de Hoekstraat staat er nog steeds en is aangewezen als gemeentelijk monument. De schoorsteen is wel verdwenen.
Eigenaren
Overzicht is niet volledig.
Jaar
Perceel
Eigenaar
Omschrijving
1891
I-3707
½ Bernardus Gerhardus Vaags, pijpenfabriekant ½ Wessel Johannes Becking, fabriekant
230 m² pijpenfabriek, erf
1909
I-5311
½ Bernardus Gerhardus Vaags, pijpenfabriekant ½ Wessel Johannes Becking, fabriekant
346 m² fabriek & erf
1934
I-6619
Hendrik Jan Vreede e.c., meubelmaker
405 m² huis, fabriek & erf
1946
I-7458 I-7459
Hendrik Jan Vreede, meubelmaker Hendrik Willem Vaags, bakker
355 m² huis, fabriek, erf 105 m² schuur, erf
1984 1967
I-11203 I-7459
Hendrik Jan Meerdink, horlogemaker Janna Hermina te Paske e.c., wed. H.W. Vaags
Pijpenfabriek Becking & Vaags, met schoorsteenFragment kadastrale kaart, 1909 (perceel I-5311)De Graafschapbode, 21 januari 1903Algemeen Handelsblad, 21 februari 1925Arnhemsche Courant, 18 april 1921De Tijd, 14 juli 1925De Graafschapper, 17 juli 1925Aaltensche Courant, 22 mei 1931
Voormalige borstelfabriek, rond 1950 opgericht aan de zuidzijde van de Hogestraat, op het terrein van het boerderijtje Hogestraat 69 II. Dit boerderijtje en het omliggende terrein waren in bezit van borstelfabriek Luva (Luvink –Aalten).
In de bedrijfsruimte achter de boerderij werden tot 1970 borstels gemaakt. Het bedrijf verhuisde naar het industrieterrein en de fabriek aan ’t Dal heeft jarenlang leeggestaan. Inmiddels is voormalige fabriek verbouwd tot woning, waarbij de oorspronkelijke hoofdvorm en karakteristieke industriële uitstraling grotendeels behouden bleef. Mede door de forse bouwmassa neemt het een prominente plaats in binnen het beeld aan dit gedeelte van ’t Dal.
’t Dal 6 is het huidige adres. Vóór 1955 hoorde de fabriek bij het toenmalige adres Willemstraat 1 (tegenwoordig Hogestraat 69-II).
Eigenaren
Overzicht is niet volledig.
Jaar
Perceel
Eigenaar
Omschrijving
1959
I-8266
vof M.J.J. Lurvink
1.239 m² huis, fabriek, erf
1987
K-1636
Martinus Wilhelmus Johannes Lurvink, borstelfabrikant
1.190 m² fabriek, erf
De geschiedenis van borstelfabriek Lurvink
Borstelfabriek Lurvink is een familiebedrijf in Aalten met een geschiedenis die minstens twee eeuwen teruggaat. Uit archiefonderzoek blijkt dat er al vanaf het begin van de 19e eeuw allerhande soorten borstels werden gemaakt.
Jan Lurvink (1747–1823), een kleermaker uit Aalten, had samen met zijn vrouw Willemina Wenderink (1763–1832) tien kinderen. Uit diverse aktes van de burgerlijke stand en notarissen blijkt dat vijf van hun zoons het beroep van borstelmaker kozen. De eerste officiële vermelding is te vinden in de huwelijksakte van Arnoldus Lurvink (1789–1876), die in 1813 trouwde met Johanna Geertruid Feldkamp. Hij werd op de akte aangeduid als borstelmaker. In 1820 trouwde zijn jongere broer Frederikus Reinirus Lurvink (1793–1842) met Maria Wilhelmina Joanna Balster. Ook hij werd in de huwelijksakte vermeld als borstelmaker.
Familiebedrijf aan huis
Toen Jan Lurvink in 1823 overleed, woonden nog drie zoons thuis: Gerhardus (1796), Bernardus (1799) en Henricus Bernardus (1805). Zij oefenden allen het beroep van borstelmaker uit. Vermoedelijk waren zij hiermee al vóór het overlijden van hun vader begonnen. In mei 1823 verkochten Jan en Willemina hun huis aan hun zoon Gerhardus. In de notariële koopakte werd Gerhardus aangeduid als borstelmaker. Ook op zijn huwelijksakte uit 1828 met Joanna Oostendorp werd dit beroep vermeld.
Registratie en generatiewissel
In 1823 begon Aalten met de aanleg van een bevolkingsregister. Willemina woonde toen met haar drie zonen op het adres ‘Aalten 136’, tegenwoordig Hoekstraat 4. Alle drie stonden geregistreerd als borstelmaker.
Gerhardus Lurvink (1796) was de eerste die stopte met het ambacht. In 1836 droeg hij zijn bedrijf over aan zijn broer Bernardus (1799), die in datzelfde jaar trouwde met Hendrika Scheerder (1801). Zij kregen geen kinderen. Op de huwelijksakte van 10 februari 1836 traden de broers Henricus Bernardus, Arnoldus en Gerhardus op als getuigen, allen aangeduid als borstelmakers.
In 1843 kreeg Henricus Bernardus Lurvink een zoon, die hij Bernardus noemde. Op diens geboorteakte werd zijn vader als borstelmaker vermeld. Zoon Bernardus, geboren in 1843, kwam rond 1862 als leerling-borstelmaker in dienst bij zijn oom Bernardus (1799), zoals blijkt uit het bevolkingsregister.
Een nieuwe locatie voor de fabriek
In 1861 kocht Bernardus Lurvink (1799) via een veiling een pand aan de splitsing Willemstraat/Hogestraat voor 960 gulden. Hier vestigde hij zijn borstelfabriek. In zijn testament benoemde hij zijn neef Bernardus (1843) als erfgenaam en vermeldde hij dat deze als borstelmaker bij hem werkzaam was.
In 1876 droeg Bernardus (1799) het bedrijf over aan zijn neef Bernardus (1843). Deze was in 1872 getrouwd met Johanna Wilhelmina Berendsen. In 1880 werd hun zoon Martinus Johannes Joseph Lurvink geboren. Ook op diens geboorteakte werd de vader aangeduid als borstelmaker.
Op 18 november 1897 werd het bedrijf ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.
20e eeuw
In het bevolkingsregister van 1900-1910 werd Bernardus (1843) vermeld als “borstelmaker baas”, en twee van zijn zoons, Martinus Johannes Joseph (1880) en Wilhelmus Gerhardus Johannes (1886), als borstelmakers in dienst bij hun vader.
Op een wisselbrief uit 1905 en een betaalbewijs uit 1911 stond de naam ‘B. Lurvink en Zonen’. In een briefkaart uit 1913 werd die naam nog steeds gebruikt.Wanneer Martinus Johannes Joseph Lurvink (1880) de leiding van zijn vader overnam is niet exact bekend, maar uit een orderbevestiging uit 1926 blijkt dat de fabriek toen werd aangeduid als ‘M.J.J. Lurvink – Machinale Borstelmakerij’.
Martinus richtte later de ‘Vennootschap onder firma M.J.J. Lurvink’ op. Op 2 januari 1961 trad zijn kleinzoon, Martinus Johannes Joseph Lurvink (1945), in dienst. Hij was de zoon van Gerhardus Johannes Bernardus Lurvink (1913).
Aaltensche Courant, 14 november 1947
Verhuizing en voortzetting
In 1972 verhuisde de Fa. M.J.J. Lurvink naar de Tweede Broekdijk, op bedrijventerrein ’t Broek in Aalten.
In 1975 werd de Besloten Vennootschap “Borstelfabriek M.J.J. Lurvink B.V.” opgericht. Bij de oprichting werden onder anderen Gerhardus Johannes Bernardus Lurvink (1913) en zijn zoon Martinus Johannes Joseph Lurvink (1945) als comparanten vermeld.
Op 3 juli 1987 werd Martinus Lurvink (1945) benoemd tot directeur. Zijn zoon, Martinus Johannes Gerhardus Lurvink (1984), trad in 2010 toe als eigenaar van de fabriek. Daarmee is hij de jongste generatie uit de Lurvink-stamboom die het familiebedrijf voortzet.
In dit dubbele woon/winkelpand waren ooit boekhandel ‘De Graafschap’ (links, nr. 19) en sigarenmagazijn Dick Fries (rechts, nr. 21) gevestigd. Tegenwoordig zit Pearle opticiens op nummer 21 en staat nummer 19 leeg.
Sigarenmagazijn Dick Fries
De sigarenwinkel van Dick Fries (1924-2002) en zijn vrouw Leis (1931-2004) aan de Landstraat was een begrip in Aalten. De winkel lag centraal en het echtpaar was nauw betrokken bij het wel en wee van het dorp. Velen kwamen er om rookwaren te kopen, maar ook voor een praatje. Jarenlang organiseerden Dirk en Leis Fries rookwedstrijden, waarbij het er om ging wie de langste askegel rookte. Prins Bernhard ontving jaarlijks op zijn verjaardag een doos goede sigaren. Daarom kreeg de winkel het predikaat ‘hofleverancier van Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard’.
Zoals in vele middenstandsgezinnen bepaalde de winkel het ritme van de dag en de week. De zaak was zes dagen in de week en op koopavonden geopend. Ook buiten de officiële openingstijden kon een klant bij Fries terecht. ’s Avonds werd de administratie gedaan.
Gedurende het 65-jarig bestaan van de sigarenwinkel was er in de inrichting en het assortiment vrijwel niets veranderd. Dit kwam omdat Dick Fries blind was. Omdat alles op dezelfde plek bleef, kon hij de weg goed vinden. Zijn visuele handicap belette hem niet om in de jaren zestig nog een kruidenierswinkel en een restaurant aan de Duitse grens te openen. Deze zaken, waarin familieleden werkten, werden na een aantal jaren weer afgestoten. Tot kort voor zijn overlijden stond Dick Fries in zijn sigarenwinkel. De zaak bleef nog bestaan tot 2004.
Landstraat 19-21 (geheel links), ca. 1910. Ansichtkaart uitgegeven door C. van Bennekom.Briefhoofd Boekhandel Ant. Lammers vh. De Graafschap, 1951Dick Fries in zijn winkel
De ‘Ark van Noach’ was een eeuwenoud pand aan de Hogestraat in Aalten. Waar deze naam precies vandaan kwam, is niet bekend. Mogelijk verwees deze naar de vorm van het gebouw en zagen sommigen er iets van een schip in? Een andere verklaring is dat er ooit een kinderrijk gezin woonde. Bij families met veel kinderen werd vroeger wel gezegd: “dat is er eentje uit de Arke Noachs”.
Minder bijbelvaste Aaltenaren spraken ook wel van ‘De Olde Kaste’.
In 1936 werd het pand onbewoonbaar verklaard. Een jaar later namen de padvinders het pand in gebruik als clubhuis voor de net opgerichte ‘Welpenclub’. Het pand is vermoedelijk rond 1950 afgebroken.
Op deze plek kwam daarna de schoenenzaak van Rozema. Tegenwoordig is hier bakker Heyerman gevestigd.
Eigenaren
Overzicht is niet volledig.
Jaar
Perceel
Eigenaar
Omschrijving
1832
I-1391
Antonij Vreede
157 m² huis & erf
Bewoners
Bevolkingsregister 1823-1837
Aalten 122
Antonij Arnoldus Vreede (Aalten, 28-04-1796), leerloyer 1) Aafke Radsma (Hempens, 30-12-1801), d.v. Tjeerd Radsma 2) Isabella ten Dam (Aalten, 20-02-1802)
Bevolkingsregister 1838-1851
Aalten 125
Antonij Arnoldus Vreede (Aalten, 28-04-1796), leerlooyer Isabella ten Dam (Aalten, 20-02-1802)
Bevolkingsregister 1850-1861
“Hoogestraat”
Aalten, 125
Isabella ten Dam (Aalten, 20-02-1802)
Volgende bewoners:
Henry Wood (Wilmslow/UK, 24-06-1830), fabriekbediende Helena Gaskill (Lancaster/UK, 06-08-1828)
Bevolkingsregister 1860-1870
Aalten, 125
Henry Wood (Wilmslow/UK, 24-06-1830), fabriekbediende Helena Gaskill (Lancaster/UK, 06-08-1828)
De Graafschapper, 27 maart 1936Graafschapbode, 12 november 1937 – Tekening: Piet te LintumAaltensche Courant, 30 december 1947Aaltensche Courant, 15 april 1949
Bij een luchtgevecht boven Lintelo op 8 januari 1943 komt in de nabijheid van het woonhuis van de familie Hiddink een zware bom terecht. Het huis wordt geheel verwoest en Gerrit Jan Hiddink, door bomscherven getroffen, is op slag dood. Zijn elfjarig zoontje Willem overlijdt enkele uren later.
Bewoners
Bevolkingsregister 1880-1890
Lintelo 72a
Gerrit Jan Perebolte (Wisch, 20-07-1834) Hendrika Rutgers (Varsseveld, 15-06-1832)
Schildersbedrijf H.C. Bartholomeus, Ormelstraat 7Nieuwe Winterswijksche Courant, 17 januari 1979
⚠️ Website onderhoud
Momenteel voeren we groot onderhoud uit om de website te verbeteren. Daardoor kunnen er tijdelijk foutmeldingen optreden (zoals “Pagina niet gevonden”).