Categorie: Aalten Achteruit

  • Op mars op de weg der welvaart!

    Op mars op de weg der welvaart!

    De Graafschapper, 5 februari 1948

    Na de bevrijding is er in veel gemeenten in Oost-Gelderland een verheugende activiteit ontplooid om de plattelandsgemeenten tot grotere welvaart te brengen. Ook Aalten heeft niet stil gezeten en het is gelukkig dat deze pogingen met succes bekroond worden.

    Fabriek voor machine- en apparatenbouw in Aalten

    Straks, als het voorjaar weer in het land gekomen zal zijn, zal met de verbouwing en uitbreiding van het gebouwencomplex van de firma Treppmann aan de Polstraat begonnen worden, want hierin zal een voor Aalten geheel nieuwe industrie ondergebracht worden, n.l. een fabriek voor machine- en apparatenbouw.

    Deze vestiging is des te meer gelukkig, omdat niet alleen Aalten tot op heden een dergelijke industrie niet kende, maar ook omdat in de omgeving nog weinig van deze fabrieken gevonden worden. Tot dusver had de firma Koop Lenstra en Kramer haar bedrijf in Amsterdam ondergebracht, doch voor de toekomst achtten de firmanten het beter, ’n andere plaats van vestiging te zoeken en dank zij de activiteit van het gemeentebestuur ter plaatse, is Aalten dit geworden. Het ligt in de bedoeling der firmanten om hier het hoofdbedrijf onder te brengen, terwijl in de hoofdstad alleen enkele werkplaatsen zullen overblijven.

    Wat was de bedoeling?

    Naar aanleiding van dit feit, hadden wij dezer dagen een onderhoud met burgemeester E.S. van Veen, die zich zeer verheugd toonde over de bereikte resultaten. Op onze vraag welke voordelen deze industrie zou kunnen opleveren, antwoordde de burgemeester, dat hierdoor o.a. voor de jonge bankwerkers, die de Ambachtsschool bezocht hebben, een toekomst ligt. „In het afgelopen jaar”, aldus de burgemeester, „vermeerderde de bevolking van Aalten alleen door geboorten met 276 zielen en nu wil het gemeentebestuur, het surplus zoveel mogelijk opvangen en de toekomst. Daarbij willen wij hier graag verschillenden helpen aan een goede werkkring in de takken van industrie gevestigd hebben, want zou bij een achteruitgang van een bepaalde tak, de arbeiders in dit bedrijf zonder werk komen, dan nog zou het slechts een klein gedeelte van de bevoIking betreffen, welk voordeel men niet heeft bij een eenzijdige industrialisatie.

    Zal dan Aalten een industrie-dorp worden?” zo vroegen wij. „Neen”, antwoorde de burgemeester, „we moeten het rustige van het landskarakter blijven behouden, ook uit oogpunt van geestelijk-zedelijke motieven”.

    Verwacht mag worden, dat aanvankelijk ongeveer 40 personen, uitsluitend mannelijke arbeidskrachten, hier werk zullen vinden en men hoopt dit met enkele jaren op te kunnen voeren tot plus minus 60. Niet alleen de oud-leerlingen der Ambachtsschool, zullen hier terecht kunnen, ook voor anderen liggen hier goede mogelijkheden. Het personeel zal voor een groot gedeelte bestaan uit ongeschoolden, die daar zelf een vakopleiding kunnen volgen.

    De oude fabriek ondergaat een gedaanteverwisseling

    Voordat het echter zover is, zal er nog heel wat met het gebouwencomplex gebeuren moeten. Vroeger heeft de heer Leezer hier zijn slachthuis gevestigd gehad, waarna het verkocht werd aan de firma Gebr. Wijers, die het verbouwde en er een beschuitfabriek van maakte. Nog later ging het over naar de firma Pothof, die het tot klompenfabriek promoveerde. In de oorlogsjaren werd het in beslaggenomen door de Duitser Treppmann en thans draaien er weer de machines van de firma Pothof.

    Het gemeentebestuur van Aalten verdient alle lof voor de wijze waarop zij deze zaak heeft aangepakt, want talrijke moeilijkheden moesten overwonnen worden. Niet alleen moest voor het bedrijf van de firma Pothof een andere plaats gezocht worden, maar wegens de woningnood werden hier destijds ook enkele gezinnen ondergebracht en ook voor hen moest thans een andere woongelegenheid komen.

    Het laat zich dus gemakkelijk begrijpen, dat er nog heel wat veranderd moet worden, voordat de machines van de firma Koop Lenstra en Kramer hun lied van de arbeid kunnen gaan zingen. Het moet voor Burgemeester en Wethouders dan ook een grote voldoening geweest zijn, dat in de laatste vergadering van het oude jaar de Raad haar goedkeuring hechtte aan hun voorstel om het fabriekscomplex aan genoemde firma te verkopen, waardoor zij hun pogingen met succes bekroond zagen.

    Daarmee heeft Aalten een mijlpaal bereikt op de weg naar grotere bloei en wij hebben de vaste overtuiging dat het niet aan het gemeentebestuur zal liggen, als de Aaltenaren in de toekomst niet nog vaker dergelijke „paaltjes” zullen tegenkomen!

    Bron


    • De Graafschapper, 5 februari 1948 (via Delpher)
  • Bezoek aan een 82-jarigen oud-mulder in Aalten

    Bezoek aan een 82-jarigen oud-mulder in Aalten

    Dagblad Tubantia, 6 mei 1942

    De moderne techniek heeft heel wat prachtige molens in ons land doen verdwijnen. De tijdsomstandigheden zijn zeker oorzaak, dat vele windmolens in ons land thans weer in bedrijf worden gesteld. In de meeste gevallen wordt dan de nieuwste techniek voor de wieken toegepast, welke meer rendement oplevert, waardoor de kans groot is, dat de molens ook in de toekomst in gebruik zullen blijven. Men vraagt zich echter af: Hoe is het mogelijk, dat op verschillende plaatsen de windkracht nog voor de molens kan worden gebruikt, terwijl elders de wieken moeten worden afgenomen en alleen met den motor kan worden gemalen. De 82-jarige oud-molenaar D. Hakstege uit Aalten wist ons hiervoor een interessante verklaring te geven.

    Vanzelfsprekend kan met windmolens niet onder alle omstandigheden worden gemalen. Is er geen wind, dan kan de molen niet draaien en terecht zegt het versje, dat de wind de vrind van den mulder is. Een motor kan op elk oogenblik in gebruik worden gesteld en de mensch is nu eenmaal gemakzuchtig. Het plaatselijk gebruik speelt ten deze een beslissende rol. Reeds in de vorige eeuw waren er molenaars, die de stoomtechniek voor het malen toepasten en zij verwendden de klanten. Vele boeren werden er daardoor aan gewend, dat zij konden wachten tot het graan gemalen was, zoodat ze het meteen weer konden meenemen. Bij een windmolen is dat in vele gevallen niet mogelijk.

    Kon een ouderwetsche mulder niet aan de nieuwe verlangens voldoen dan gingen de klanten naar een anderen molen, waar met stoom en later met electrische kracht werd gemalen. Zoo noodzaakten de molenaars elkaar op de moderne manier te malen en na verloop van tijd werd hetgeen eerst een gunst was, later als iets vanzelfsprekends beschouwd. In andere streken werden de klanten echter niet zoo verwend en daar is men tot op den huidigen dag gewoon om eerst na eenigen tijd het meel van den molen te halen omdat men daar weet dat de mulder niet kan malen wanneer er geen wind is. De stichting van de landbouwcoöperaties, waar ook op de meest moderne wijze wordt gemalen, speelde uiteraard ook een rol.

    De molens van Aalten

    Het is interessant eens met den rustenden mulder Hakstege te praten, die zijn 82 jaar ten spijt nog een kwieke oude baas is, die zich allerlei voorvallen uit lang vervlogen tijden nog uitstekend weet te herinneren. De gemeente Aalten, zoo vertelde hij ons, had oorspronkelijk 11 molens, waarvan alleen nog die te Bredevoort in bedrijf is. Ook de molen te Lintelo is nog ongeschonden, hoewel hij niet meer draait. Deze molen is aangekocht door de plaatselijke landbouwcoöperatie; hopenlijk zal hij in den tegenwoordigen staat behouden blijven.

    Van de vier molens van Aalten bezat de heer Hakstege de jongste, welke in 1873 was gebouwd door een boer, die liefhebberij had in het muldersbedrijf maar die het niet kon bolwerken. Toentertijd bestond ook de watermolen te Aalten nog, welke later is afgebroken. Uit een oudheidkundig oogpunt is dat zeer te betreuren, maar de heer Hakstege begroette het indertijd met vreugde omdat er een lastige concurrent mee verdween.

    Vooral in de ’70er en ’80er jaren van de vorige eeuw werden vele molens gebouwd; het was toen een bloeitijd van het muldersbedrijf. Men denke echter niet, dat de eigenaar van een molen alleen daarvan kon bestaan. Hij was er of landbouwer of winkelier bij; de heer Hakstege oefende ook het boerenbedrijf uit. Hij was een dergenen, die al spoedig de stoomtechniek in bedrijf bracht. Maar dat heeft hem heel wat hoofdbrekens gekost! In ’86 bouwde hij al een nieuwen molen in de plaats van den oude, welke uit dennenhout was opgetrokken.

    Op 16-jarigen leeftijd, toen hij knecht was bij den molenaar Van Eerden te Aalten beleefde Hakstege eens een hachelijk avontuur. Hij moest mais malen, een in dien tijd op de molens vrijwel onbekende graansoort. Op een gegeven moment is toen de molensteen gesprongen; als door ’n wonder werd de jongen niet door de stukken steen, welke met geweldige kracht werden weggeslingerd, getroffen! Hij kwam zóó onder den indruk van het voorgevallene, dat hij eenigen tijd niet durfde te malen.

    De molen van Hakstege is reeds in den vorigen oorlog stop gezet. Hij kreeg gedurende een jaar een subsidie van f 25 van de Vereeniging „De Hollandsche molen” om de wieken aan de molen te laten. Na een jaar hield die subsidie echter op, maar de wieken bleven zoolang intact, tot ze een gevaar begonnen op te leveren door bouwvalligheid. Thans staat de molen er als een zielloos geraamte, als een aanklacht tegen den modernen tijd, welke zoo veel oude schoonheid heeft weggevaagd.

    Bron


  • Nog nooit een stoplicht gezien!

    Nog nooit een stoplicht gezien!

    In 1941 moest een Aaltense jongedame zich voor het kantongerecht in Apeldoorn verantwoorden wegens het negeren van een rood verkeerslicht… Huh, een wat…?

    “De volgende verdachte, die voor het hekje verscheen, bleek een ware ‘Unschuld vom Lande’ te zijn. Het was een jongedame, G. H. H. zonder beroep, uit Aalten, die voor een dag of tien bij haar tante in Apeldoorn had gelogeerd. En toen was het gebeurd: ze had over de Hoofdstraat gefietst en er geen oogenblik aan gedacht, om voor het roode stoplicht af te stappen. Dergelijke automatische verkeersregelaars kent men immers in het landelijke Aalten niet!

    Toch leek het wat ongeloofwaardig, dat in het jaar 1941 een jong meisje nog nooit een stoplicht zou hebben gezien en daarom werd er van achter de groene tafel geïnformeerd, of de verdachte dan nog nooit in een stad was geweest. “Ja, wel in Winterswijk”, zei het meisje, “maar daar hebben ze dat ook niet.” Verdere reizen, al was het maar naar Arnhem of naar Bocholt bleek zij nooit gemaakt te hebben. Met het oog daarop kwam zij eraf met een boete van f 3.”

    Bron


    • Nieuwe Apeldoornsche Courant, 6 november 1941 (Delpher)
  • Reis met abonné’s naar Amsterdam

    Reis met abonné’s naar Amsterdam

    Aaltensche Courant, 1 augustus 1939

    Hier is dan de „Van Hasselt”, het dubbelschroef-stoomschip van de Reederij Koppe, waarmede wij met onze abonné’s op Maandag 14 Augustus a.s. een boottocht op de Noordzee denken te maken.

    Om 6.12 uur (Varsseveld 6.20 uur) vertrekken wij met de eerste trein naar Amsterdam. Aankomst aan het Centraal Station 8.28 uur.

    Om 10.15 uur vertrekt de „Van Hasselt” van de De Ruyterkade. Via het IJ varen we door het Noordzeekanaal, en wij kunnen de verschillende havenwerken, dokken en scheepswerven nu eens van dichtbij bekijken. We varen door naar IJmuiden. Als een echte oceaanstoomer wordt het schip in ’s werelds grootste sluis geschut, en dan ligt de wijde zee voor U open. Ongeveer twee uur kruist de boot op zee en kunt U genieten van het onvergetelijke uitzicht op onze prachtige duinen, en op de gezellige stranddrukte aan de Noordzeebadplaatsen.

    Voor prima voorlichting aan boord van alle bezienswaardigheden wordt gezorgd. (Bij ongunstig weer wordt een boottocht op het IJsselmeer gemaakt.)

    Om 5 uur des namiddags zijn we weer te Amsterdam terug, en is men geheel vrij de resteerende uren van den dag te besteden naar eigen goedvinden.

    Om half 7 of om half 9 des avonds kan men de terugreis ondernemen. Op de terugreis is men niet aan het gezelschap gebonden en kan men desgewenscht nog te Utrecht of Arnhem een trein overblijven, indien men tenminste om half 7 uit Amsterdam vertrekt.

    Bij voldoende deelname bestaat ook de gelegenheid om in plaats van deze boottocht een rondvaart door de havens en grachten te maken per motorboot, gevolgd door een bezoek aan Artis of Schiphol. Heeft men andere plannen, dan kan men ook op eigen gelegenheid zijn dag indeelen, mits men dezelfden dag de terugreis aanvaardt.

    Zooals men ziet, wordt aan de deelnemers volkomen de vrijheid gelaten, den dag door te brengen zoo ze zelf verkiezen. Abonnè’s uit Dinxperlo, Varsseveld en Lichtenvoorde, kunnen zich of te Aalten, of te Varsseveld bij het gezelschap voegen. De totale kosten van treinreis en boottocht of één der andere attracties bedragen f 3,75 per persoon.

    Verdere kosten als verteringen e.d. zijn voor rekening van de deelnemers. Men kan naar verkiezing zijn fourage voor dien dag medenemen of aan boord of elders iets bestellen. (Men verzekerde ons dat de buffetten aan boord van de „Van Hasselt goed en billijk zijn). De deelname staat open voor abonné’s op ons blad en hunne huisgenooten, en voor hen, die zich thans als abonné opgeven.

    Opgave liefst vóór 7 Augustus, opdat wij tijdig kunnen beoordeelen of de tocht kan doorgaan. De reissom kan tegelijk met de opgave worden gestort en wordt gerestitueerd bij niet doorgaan of bij verhindering.

    Reisverslag

    Aaltensche Courant, 18 augustus 1939

    Van een der deelnemers aan onze eerste reis met de abonné’s ontvingen wij onderstaand verslag, waarvoor wij natuurlijk gaarne een plaatsje inruimen.

    Toen de firma Gebr. de Boer in het nummer van j.l. Vrijdag 28 Juli, melding maakte van een tocht op de Noordzee met een zeewaardig schip, door haar te organiseeren voor de abonné’s, huisgenooten en logees, dachten we dadelijk: dat is voor ons landrotten nu eens een uitstapje waar we al zoolang naar hebben uitgekeken. Zeker, als men goed gebeursd is, kan men zoo’n uitstapje ten allen tijde maken, doch anders komt men tot zoo’n uitgaan niet zoo gauw. Toen dan ook dit zeer voordeelige uitstapje, door de directie van dit blad werd aangekondigd, hebben we deze kans met beide handen aangegrepen.

    Wel hebben we de dag van Maandag 14 Augustus 1939 met eenige vreeze tegemoetgezien, wat het weer zou betreffen. De hondsdagen hadden zich de laatste week niet van hun beste zijde laten kennen. Maar zie, hoe ongegrond is deze vrees voor het weer geweest. Toen we Maandagmorgen te kwart voor 6 aan het station te Aalten arriveerden (om vooral maar niet te laat te komen) hing er een ietwat koude nevel, doch de hemel was klaar. Toen de mist dan ook even later was weggetrokken, werd het weer prachtig en deed alle goeds beloven voor het verdere gedeelte van den dag.

    Het is den geheelen dag schitterend weer gebleven, wat ons buitengewoon te stade kwam bij de boottocht. Even voor zes uur zagen we een der heeren de Boer het perron opkomen, om zich naar den chef te begeven, teneinde de passage voor een nagekomen deelnemer nog te regelen.

    Dachten we eerst dat de deelname niet al te groot zou zijn, ruim 6 uur kwamen de de meeste deelneemsters en deelnemers pas opdagen. Toen de trein binnenkwam stapten we met 85 deelnemers in de gereserveerde wagens. Allen goed voorzien van proviand, en bovendien enkelen met fototoestellen en verrekijkers, hadden spoedig een plaatsje opgezocht.

    De spoorwegen hadden voor goed materiaal gezorgd en weldra gingen we met een flinke vaart in de richting Arnhem. Het was voor een tweetal deelnemers uit Dinxperlo—Suderwick erg jammer dat ze juist 1 minuut te laat te Aalten aan het station arriveerden. Wijl ze per motor waren gekomen hebben ze nog getracht te Doetinchem de aansluiting te halen, doch ook hier waren ze juist even te laat.

    In den trein werden ons door den heer de Boer, organisator en leider, de plaatsbewijzen uitgereikt. Voordat we Arnhem bereikten, hadden we al eenige medegenomen boterhammen verorberd, daar op zoo’n dag het meest genoten kan worden, als de inwendige mensch ook op tijd verzorgd wordt.

    In Arnhem werd vlug overgestapt in een Dieseltrein, die een behoorlijke lengte had gekregen, met het oog op ons gezelschap. Met een vaart van 120 km per uur stoven we op Amsterdam aan. Wat een prachtige treinen die Diesels. Men zit er rustig als thuis in een gemakkelijke stoel. Ongeveer half negen arriveerden we aan het Centraal Station te Amsterdam. Terstond begaven we ons naar een wachtkamer waar ons door de firma Gebr. de Boer een heerlijk kopje koffie werd aangeboden. Dat dit zich na deze treinreis goed liet smaken behoeft geen nader betoog.

    Na even nog wat uitgerust te hebben, werd opgestapt en verlieten we het Centraal Station door de tunnel, aan de Oostzijde, waar we op de De Ruyterkade kwamen, vlak bij den steiger waar de „R. van Hasselt”, het dubbelschroefstoomschip van de reederij Koppe gemeerd lag. Even voor 10 uur waren we reeds allen aan boord van dit mooie passagiersschip en konden rustig een goede plaats opzoeken. De een ging een plaats opzoeken beschut achter glas, een ander zocht op het vrije dek een heerlijke zonnige zitplaats. De boot vulde zich weldra met meerdere gezelschappen, o.a. uit Enschedé en Groningen alsmede met Amsterdammers enz. enz. Ruim kwart over 10 werden de trossen los gesmeten en onder de tonen van een lustige marsch ging het full speed ’t IJ op.

    Door middel van ’n versterkerinstallatie werd door den leider van de boottochten van de reederij Koppe, uitstekende voorlichting gegeven van de bezienswaardigheden van Amsterdam’s groote havens. Wij passeerden o.a. de Minervahavens, de groote Tankhaven, de groote haven voor het bunkeren van kolen, tal van kleine, doch ook zeer veel groote zeeschepen. Zoo zagen we op de scheepswerven nog eenige groote zeeschepen in aanbouw en in de droogdokken enkele schepen die gerepareerd moesten worden.

    In een dezer dokken lag ook “De Heemskerk” die verleden week Zaterdag in Vlissingen, door een ander zeeschip is aangevaren. Zelfs lag er een tankschip dat op den Oceaan doormidden is gebroken, en waarvan de helft door een Hollandsche en Duitsche sleepboot naar Amsterdam is gesleept. Alles voor ons Achterhoekers buitengewoon interessant, om dit van zoo dichtbij te kunnen aanschouwen.

    Intusschen waren we het IJ reeds heelmaal afgevaren en kwamen op het Noordzeekanaal. Steeds gaf de boottochtleider van alles uitleg, hetgeen we aan stuur- of bakboord passeerden. We kwamen langs de groote Ford Automobielfabriek, de Amsterdamsche Superfosfaatfabriek, de monding van de Zaan met het prachtige gezicht op de nijvere Zaanstreek en de groote houthaven van Bruinzeel’s bekende deurenfabriek, de artillerie-inrichtingen en de kolossale Hembruq, ja te veel om alles op te noemen. Tot IJmuiden toe het prachtige Hollandsche Polderlandschap met z’n mooie vergezichten. Bij het passeeren van de verschillende fabrieken gaf de leider van de boot steeds een uitvoerige uitleg van de fabricatie enz. enz. Zoo ook van de fabrieken de N.V. Plaatwellerij te Velsen, de Kon. Ned. Papierfabrieken “de Eendracht” van Van Gelder, alsook van het hoogovenbedrijf te IJmuiden.

    Te IJmuiden concentreerde zich aller aandacht op het schutten van de Van Hasselt in ’s werelds grootste sluizen. We troffen het zeer daar in de groote sluis nog eenige zeeschepen geschut werden. Buitengewoon snel ging dit schutten in z’n werk. We waren dan ook zoo weer buiten en de wijde zee lag weldra voor ons.

    Juist buiten de sluis passeerden we nog de Z. 8 waar de Jantjes de vlag streken, evenals onze boot zulks deed. Hier passeerden we ook het groote fort dat de monding van het Noordzeekanaal bewaakt. Nog even en we waren al tusschen de pieren die in zee liggen voor het veilig binnen kunnen loodsen der groote schepen, en dan de groote haringvijver.

    Buitengewoon prachtig was de tocht op dit gedeelte der reis, voor hen die van zeeziekte geen hinder hadden. Gelukkig waren er maar enkelen die zich ietwat vervelend gingen voelen en dan nog in lichte mate, het kwam dan ook niet zoo ver dat er een fooitje in de door de scheepsbemanning beschikbaar gestelde papieren zakken geofferd behoefde te worden. Prachtig dat gezicht op de Nederlandsche badplaatsen, als Zandvoort enz.

    Ruim 2 uur werd op de Noordzee gekruist, met schitterend weer in een boot vol zeer voldane passagiers. Op de boot was gelegenheid om te dineeren, en nagenoeg alles te krijgen, voor billijke prijzen. Na een terugtocht die gelegenheid gaf om nog eens alles weer goed op te nemen, arriveerden we om 5 uur weer in de stad Amsterdam. Na nog even in de verte het groote prachtige schip de “Oranje” te hebben zien liggen, met naast haar de “Tarakan” en de 24 jaar oude “J. P. Coen” gingen we zeer voldaan van boord.

    Een groot gedeelte der deelnemers heeft nog per touringcar Amsterdam bekeken, doch wij gingen, daar een ieder vrij was te gaan waar hij wilde, op eigen gelegenheid Amsterdam bekijken. Om half 9 moesten we weer aan het C. S. zijn, maar door een ontsporing van een wagon gingen we iets later weg en over een omweg. Hierover is in het blad van Dinsdag j.l. al het een en ander geschreven. Er rest ons dus niets anders meer, dan de geachte firma Gebr. de Boer, (bij de dank die we reeds betuigd hebben, bij ons afscheid aan het station), nogmaals hartelijk dank te zeggen voor de organisatie van deze prachtige tocht, die hen zeer zeker de moed zal geven, een volgend jaar iets dergelijks te doen ondernemen.

    EEN DEELNEMER.

    Van onze zijde danken wij onze abonné’s langs dezen weg voor hun deelname aan dezen tocht en voor hun prettig reisgezelschap, waardoor wij zeer zeker den moed hebben een volgend jaar weer met onze abonné’s op stap te gaan.

    DE UITGEVERS.

    Bronnen


    • Aaltensche Courant, 01-08-1939 (via Delpher)
    • Aaltensche Courant, 18-08-1939 (via Delpher)
  • Een Paaskamp in de Achterhoek

    Een Paaskamp in de Achterhoek

    De Verkenner, no. 5, 1938

    Op de laatste leidersbijeenkomst van ons district te Arnhem, waren we overeengekomen, met de Paasdagen een groot kamp te houden in Aalten met de groep uit Winterswijk, de Burchtlanciers uit Aalten, Dodo uit Doetinchem, Zutfen en de Dunogroep uit Oosterbeek, allen oude vrienden van Woestduin!

    De staf werd gevormd door Hopman Post, Vaandrig Beskers en ondergetekende. Op Goede Vrijdag des namiddags omstreeks twee uur arriveerde de Dunogroep per fiets uit Oosterbeek, die onderweg 4 Dodo p.l.’s had opgepikt.

    Triomfantelijk werden deze eerste gasten door enkele v.t.’s ingehaald en naar de oude Padvindersburcht in het centrum van Aalten gevoerd, waar reeds meerdere Aaltense verkenners aanwezig waren. Met enkelen gingen we vervolgens Winterswijk tegemoet, dat met Zutfen per fiets even buiten Aalten aankwam. Gezamenlijk gingen we terug naar de Burcht, waar in de Ridderzaal het kamp door Hopman Post geopend werd.

    Hierna konden de verkenners hun nachtkwartieren opzoeken om daar de boel voor de nacht in gereedheid te brengen. De Winterswijkers en Zutfenaren werden gedeeltelijk in de Burcht, gedeeltelijk in Lansbulten (het zomercentrum van de Winterswijksche padvinders te Aalten!) en in een tweetal directiewagens ingekwartierd. De Dunogroepers en Dodo zouden de nachten in de oude burcht doorbrengen. Om half vier vertrok een gedeelte der deelnemers naar Lansbulten om daar enkele spelen te doen. Ik kan hierover niets zeggen, daar ik met een aantal mijner verkenners en enige v.t.’s vergeefse pogingen deed in Aaltens wirwarstraatjes een selderijknol en andere fourageartikelen machtig te worden.

    Daar we geen sleutel hadden moesten we op inbrekerswijze de oude burcht forceeren! Des avonds na het eten werd er op Lansbulten een kampvuur gehouden, waar ook Oubaas (Akela) Kreit aanwezig was. De verschillende recreaties der troepen amuseerden ons kostelijk en de zang en yells (vooral het Bospaadje en de Kurassiersyell!) gingen uitstekend. Na het kampvuur volgde de terugtocht per fiets en dan de nacht! In het kantoor werd door de staf nog beraadslaagd, maar verder heerste er overal diepe stilte!

    De volgende morgen al vroeg renden verkenners met een urn in de hand in hun flanelletje naar de pomp, even verder op de straat om daarna weer snel terug te rennen. Een was- en kleedpartij, ochtendgymnastiek en daarna zou om 10 uur een grote propagandatocht met vlaggen, trommels en hoorns door Aalten worden gehouden!

    Wie schetst Vaandrig Beskers’ verontwaardiging, toen hij van de politie te Aalten hiervoor geen vergunning kon krijgen! Er werd op het kantoor hevig beraadslaagd, waarna besloten werd stapvoets rijdend op de fiets een défilé te houden met ontplooide vlaggen en schallende hoorns! Aldus geschiedde en dat de route tweemaal langs het politiebureau ging, waar de tocht bijzondere belangstelling genoot, was natuurlijk bloot toeval!

    Des middags werd een grote gemeenschappelijke oefening gehouden in de omliggende bossen. Er werden mixed patrouilles gevormd, terwijl er twee partijen bestonden, Sueven en Saksen, die elkander moesten bekampen. De opdrachten werden met toepasselijke toespraken door den priester in de kelder uitgereikt, waarna de patrouilles uittrokken, speurend naar vage aanwijzingen, verstopte urnen en tenslotte naar den Priester.

    De oefening slaagde uitstekend! Er kwam behalve deductie en speuren, ook lopen op de kaart en natuurkennis bij te pas, zodat het alleszins een goed verkennersspel werd! In de ridderzaal werd het kamp die avond gesloten. Winterswijk en Zutfen keerden terug naar hun haardsteden. Dodo en Duno bleven met enkele Winterswijkers in de Padvindersburcht achter.

    De Zondag hebben we des morgens weinig uitgevoerd en de middag besteedden we aan nieuwe verkennersspelen op Lansbulten. Ook hadden we de gelegenheid een klein brandje te blussen. De avond brachten we door met een verkennersquest aan de brandende schouw! De Maandagmorgen was voor kerkgang gereserveerd en des middags trok de troep naar Winterswijk, waar we het prachtige troephuis bezichtigden en des avonds het Paasvuur met een geestige padvindersrevue meemaakten.

    Het was een door het publiek druk bezocht feest, dat zeer zeker goed geslaagd mag heten. Bij de uitdovende resten van het Paasvuur, lang nadat de jongens o.l.v. den troepleider vertrokken waren, namen Hopman Post en ik afscheid van elkaar. Daarna suisden we met een auto de heerlijke weg over Bredevoort naar Aalten langs en sloten de dag.

    De Verkenners gingen ter ruste en wij hielden nog een korte nabeschouwing. Toen was ook het ogenblik van afscheid nemen van Vaandrig Beskers daar. De nacht ging voorbij en voor dag en dauw waren we in de weer, de kar vol te laden, die een half uur eerder vertrok. Om half acht koerste het vehikel weg in de richting Oosterbeek, om acht uur gevolgd door de verkenners, vechtend met een straffe tegenwind.

    Het werd een zware terugtocht, maar in ons was die grote vreugde van dit heerlijke Paaskamp en wat maalden we dan om wat tegenwind? Om ongeveer half vier hebben we ons dorp weer bereikt.

    Laat ik eindigen met te zeggen, dat het kamp art. 4 van de padvinderswet in de practijk heeft gebracht. De Jamboreezaden hebben vrucht gevormd en de toen aangeknoopte banden zijn zeer versterkt!

    Van deze plaats nog een eresaluut aan Vaandrig Beskers, die met zoveel energie probeert in Aalten een eigen padvinderstroep te krijgen en daar nu al optreedt als Akela en Vaandrig. Het kamp zal zeker de Padvindersbeweging in Aalten meer populair gemaakt hebben en ik twijfel dan ook niet aan Vaandrig Beskers’ succes!

    Hopman VAN DER VELDE

  • Huwelijksdrama te Aalten

    Huwelijksdrama te Aalten

    4 augustus 1937

    In Aalten woonde het gezin Kl. H., waarvan de man en zijn veel jongere vrouw in ongenoegen met elkaar leefden. De man liet vrouw en kinderen gebrek lijden, omdat hij geen werk wilde zoeken en niet om steun wilde gaan. De toestand werd van dien aard, dat de vrouw besloot naar haar ouders terug te keeren. Gemakkelijk was dat niet, want de man had haar al eens gedreigd met een geladen geweer, voor het geval zij dit plan ten uitvoer zou leggen.

    Om nu van hem af te kunnen komen met de jonge spruiten en het meubilair, daar was een truc voor noodig. Met de familie werd overleg gepleegd en in den morgen van 4 Augustus j.l. voltrok zich in onze anders zoo rustige gemeente het echtelijk „drama”. Een kostganger van de ouders van de vrouw kwam dien morgen bij KI. H., zich voordoende als koopman, om te vragen of er nog wat te handelen was. KI. H. bemerkte reeds, dat er iets ongewoons aan de hand was en zijn vermoeden bleek niet ongegrond.

    Vastgebonden

    Deze kostganger, J. G. K., timmerman te Sinderen, pakte KI. H. plotseling vast en een ware worsteling ontstond nu. Gelijkertijd kwam toen binnenstappen de zwager van KI. H., de fabrieksarbeider J. H. K. uit Silvolde, die een handje hielp. Deze vroeg aan de vrouw van KI. H. waar hij een touw kon vinden, waarop deze zei, dat dit in het kalverhok lag. Het touw werd vlug gehaald, gezamenlijk hebben ze toen den wel zeer geschrokken echtgenoot aan beenen enz. gebonden en zoo werd hij getransporteerd naar de kelderdeur, waar ze hem langs de keldertrap naar beneden lieten glijden. De kruk werd hierna uit de deur genomen en de deur dicht gespijkerd, zoodat ontkomen hieruit al moeilijk ging.

    Om nu KI. H. ook de kans te ontnemen, dat hij door het kelderluik naar buiten kon kruipen, waartoe hij pogingen deed, werd dit luik afgesloten met een mat, waarop takkenbosschen en een tuinbank. Het voorgenomen plan van juffrouw KI. H. om een en ander rustig te kunnen weghalen, gelukte nu volkomen. Met een vrachtauto werd alles vervoerd.

    Toevalligerwijze kwam een buurvrouw van KI. H. die per fiets uit was geweest, de verhuisauto tegen met haar buurvrouw, juffrouw Kl. H. er in, welke laatste haar nog een laatste vaarwel toewuifde. Deze buurvrouw, juffrouw B. spoedde zich vlug naar huis, omdat ze al wat vreesde, nu ze dit had gezien.

    Bij het huis van Klein H. gekomen stelde ze een kort onderzoek in, totdat ze plots vanuit de kelder een geroep hoorde. Haar vreugde was niet gering, toen ze op haar vraag in de richting van het keldergat „Leef ie nog” een bevestigend antwoord hoorde. Zij heeft haar buurman KI. H. hierop spoedig uit zijn benarde positie bevrijd.

    Voor de rechter

    Het drietal, t.w. de 26-jarige Ba. Wa. W. echtgenoote van KI. H., haar 27-jarige zwager J. H. K. en de 36-jarige kostganger J. G. K., hadden zich nu heden voor deze wederrechtelijke vrijheidsberooving voor de Zutphensche Rechtbank te verantwoorden. Als getuigen waren gedagvaard het slachtoffer van dien vierden Augustus, B. H. Klein Hesselink en de buurvrouw, die de „vreeselijke” ontdekking in de kelderruimte deed.

    Verdachte was verschenen en erkende de feiten. Hij zag evenwel niet in iets strafbaars gedaan te hebben. Hij geloofde integendeel een goede daad gedaan te hebben, om het leven van de vrouw te redden. De Off. van Justitie dacht er anders over. Vrijheidsberooving is strafbaar. Hij eischte deswegen tegen elk der verdachten een half jaar gevangenisstraf. De verdediger achtte opzet niet bewezen en pleitte vrijspraak, of anders de uiterste clementie.

    Twee weken later deed de rechtbank te Zutphen uitspraak en veroordeelde elk der verdachten tot drie maanden gevangenisstraf.

    Bronnen


    • Nieuwe Winterswijksche Courant, 15 oktober 1937 (Delpher)
    • De Avondpost, 15 oktober 1937 (Delpher)
    • Aaltensche Courant, 29 oktober 1937 (Delpher)
  • Aalten’s lofzang

    Aalten’s lofzang

    De Standaard, 23 juli 1936

    Zij, die nog vreemdeling in den Achterhoek zijn, raden wij aan eens een vacantie door te brengen in Aalten, dat een heel eigen karakter heeft en liefelijk is gelegen op de Zuid-helling van een heuvel, de „Aalter-esch.” Dit hoog en laag met de beekjes, de bosschen, en heiden, de golvende korenvelden afgewisseld door weiden en koeien, de echte, oude boerenhofsteden tusschen de aardappelakkers, maken het landschap zeer afwisselend en speciaal geschikt voor rustige wandelingen en prachtige fietstochten. Mondain vermaak vindt men hier niet, maar voor wandelen en fietsen is het hier een dorado.

    Wanneer we de kaart van de gemeente Aalten beschouwen valt het op, dat het dorp, juist als een spin in haar web, midden in de gemeente ligt. Straalsgewijze gaan van dit middelpunt de harde wegen uit. Deze wegen en de door de gemeente stroomende beekjes, maken het zeer gemakkelijk om zich te oriënteeren. Tusschen al deze harde wegen, en als onderlinge verbinding ervan, zijn er honderden zandwegen, alle met uitstekende fietspaden, die u vanzelf langs alle mooie plekjes voeren. Nergens vindt u een bordje „Verboden Toegang”, nergens loopt u de kans, dat een weg plotseling ophoudt.

    Vlak bij het dorp ligt het Natuurmonument ’t Loohuis (dennen, heide, vennetjes en hoog akkerland), dat een bezoek overwaard is, en door onze vereen. op het juiste moment werd aangekocht om het voor vernietiging te behoeden. Nu is het een bezitting der Vereen. tot behoud van Natuurmonumenten in Nederland. De wandeling erin is geheel vrij, maar kampeeren in dit stukje natuur is verboden. Verder vindt u in den „Wolboom”, in het „Klooster”, in „’t Walfort” en in alle buurtschappen, (Haart, Barlo, Lintelo, Heurne, Dale en IJzerlo), overal een rijkdom aan natuurschoon.

    Voor de liefhebbers van planten en dieren is het hier een waar paradijs! Veel, weinig voorkomende planten zult u hier in de bosschen, langs de oevers der beekjes en langs de vochtige weggetjes in Lintelo aantreffen. Gevonden worden hier o.a. orchideeën, orchis incarnata, witte nacht orchis, dalkruid, wintergroen, Geldersche Roos, Spiraea’s, Senecio paludosus, Parnassia, blauwe gentiaan, Jasione, moerasandoorn, Conium-maculatum, Bereklauw, hulst, Wakel, Kamperfoeli, Heksenkruid, Circaea, lutetiana, etc.

    Wat de dierenwereld betreft zien we b.v. in ’t Loohuis reeën, fazanten, patrijzen, etc. Als vogels noemen we de zwarte specht en de Ortolaan, en als vlinders: het moerasblauwtje, Lycaena euphemus, Lycaena corydon Poda, (zeer zeldzaam), Limenitus sybilla L., Plusia moneta F, Plusia Chrysitis L., enz.

    Handel en Industrie te Aalten

    Wanneer men het heeft over den handel en industrie in Aalten, wie denkt dan ook niet aanstonds aan Joh. Lammers’ Groothandel, een bedrijf dat op het gebied van den Groothandel in Levensmiddelen over bijna den geheelen Achterhoek bekend staat. De eigenaar, de heer Joh. Lammers op de Wehme, heeft zijn zaak sinds 1923 dusdanig weten uit te beiden, dat ieder winkelier van beteekenis zich gaarne door deze firma wil laten bedienen. Vooral in dezen tijd heeft hij de bakens steeds tijdig weten te verzetten en op deze manier zich aangepast bij de tijdsomstandigheden mede tot voordeel van den winkelier. Zijn leus „De klant is Koning” heeft ook zeer veel ten goede bijgedragen. Van beide zijden heerscht er een goede verstandhouding.

    Dat deze kleine zaak in een zeer kort tijdsbestek was uitgegroeid tot een volslagen Groothandel in Levensmiddelen, was mede de oorzaak dat vooral nieuwe zaken met deze firma in zee gingen. Onder de zeer groote verscheidenheid van artikelen welke verhandeld worden neemt Koffie en Thee een eigensoortige plaats in, waarom het een zeer goede gedachte is geweest dat de heer Lammers een paar jaar geleden speciaal aan deze artikelen aparte aandacht heeft besteed en naar de juiste middelen heeft gezocht ook voor deze artikelen succes te kunnen boeken. De geïmporteerde Koffie en Thee gaat nu via Rotterdam naar Aalten, en wie kent ze niet de geurige melange’s „ELZET”.

    Het is nu Juli 1936. Na ongeveer dertienjarigen noesten arbeid staat het pakhuis nog bij het Tramstation, maar een nieuw modem ingericht gebouw is in het zicht, want over nog slechts enkele maanden zullen de nieuwe kantoren en gebouwen aan de Patrimoniumstraat in gebruik genomen kunnen worden. Wij wenschen den eigenaar gaarne ook voor de toekomst succes.

    Het reeds meer dan 40 jaar bestaande bedrijf van de fa. J.B. te Paske is in de eerste plaats houthandel, annex stoomhoutzagerij en -schaverij. Voorts handelt men in Vuren- en Grenenhout, en daarnevens ook Eikenhout en Oreg. Pine en alle soorten Triplex en Boards. In de afd. Bouwmaterialenhandel, die vooral in den laatsten tijd sterk naar voren komt, zijn zoo goed als alle artikelen verkrijgbaar. In eigen werkplaats vervaardigt men buizen en andere betonartikelen. Daar de opslagplaatsen gunstig aan het water, spoor en tram gelegen zijn, kan men concurreerend leveren.

    De Boekh. De Graafschap – gevestigd sedert 1919 als afdeeling van de N.V. „De Graafschap”, drukkerij en uitgeverszaak – is sinds 1 November 1935 een zelfstandige zaak: de eenige erkende boekhandel in Aalten, die zonder nevenbedrijf wordt uitgeoefend. De boekhandel wordt thans gedreven door den heer Ant. Lammers, die ongeveer 12 jaren in deze venn. werkzaam was, en is thans gevestigd in een nog betrekkelijk nieuw pand a/d Landstraat No. 19. Zoowel in- als exterieur zien er thans buitengewoon aantrekkelijk uit. Behalve een schitterende sorteering, studie- en ontspanningslectuur vindt men er ook een buitengewoon groote voorraad andere artikelen op het gebied van kantoorboekhandel, kunsthandel enz., waarvan ongetwijfeld velen een dankbaar gebruik zullen maken. Ook de achter den winkel gelegen toonkamer zal ongetwijfeld den verkoop ten goed komen. Een ieder is n.l. vrij hier zonder verplichting een kijkje te komen nemen en kan hier rustig zijn zaken bespreken.

    De Dames- en Heerenkleedingmakerij van de fa. Gebr. Prinsen legt zich speciaal toe op lederen kleeding naar maat. Levering geschiedt „en gros”. De afwerking hiervan is prima. De firma heeft hiermede dan ook een goede reputatie verworven.

    De Kapperszaak van den heer Kruithof, welke de per 1 Augustus voortgezette zaak is van den heer H.J. de Lijn aan de Hoogestraat 35, is sinds dien datum aanmerkelijk veranderd. De heer Kruithof meende de zaak direct goed te moeten aanpakken. Zoo werden dan ook verschillende verbeteringen aangebracht, zooals uitbreiding van meubilair, betere sorteering en het nemen van een tabaksvergunning. Vakkundige behandeling was echter steeds hoofdzaak. Voortdurend was een groei merkbaar, met het gevolg dat de heer Kruithof thans werkt met twee bedienden. Vooral werd ook reclame gemaakt met Kruithof’s haarwater en Kruithof’s vloeibare scheerzeep. Van laatstgenoemde artikelen maken niet alleen verschillende Aaltenaren gebruik, maar ook worden nog regelmatig postbestellingen ontvangen. Zoo heeft deze zaak zich reeds een goeden naam weten te veroveren.

    De Electrische Brood-, Koek-, Beschuiten Banketbakkerij G.J. Heersink bestaat reeds ca. 70 jaar en is de oudste zaak van Aalten. Men levert prima brood tot volle tevredenheid van de klanten. Gedurende den tijd van haar bestaan heeft deze zaak een goeden naam weten te verwerven.

    Een aan te bevelen adres voor dames- en heerenmodeartikelen is de fa. F. J. Oberink. Door eerste klas kwaliteit te leveren heeft de firma goede bekendheid gekregen. Daarbij heeft men de prijzen zoo laag mogelijk gehouden.

    In 1896 stichtte de heer Johs. Peters een zaak, die door associatie met den heer M. Gans, den firmanaam Peters & Gans kreeg. Dit bedrijf was op moderne leest geschoeid. In 1900 trad de heer Gans uit de firma. Op 27 Mei 1917 werd de fabriek aan de Gasthuisstraat door brand totaal verwoest en niet herbouwd, doch in Juni reeds werd het bedrijf weer voortgezet in de voormalige meubelfabriek van den heer Vreede, die door bijbouw en verbouw aan den eisch en behoeften van het bedrijf was aangepast. Hoofdzakelijk werden pijpen gefabriceerd. Naast pijpen werden wandelstokken vervaardigd; het afzetgebied was voor beide producten tot den oorlog hoofdzakelijk over de grens gelegen.

    Thans zijn de bordjes evenwel verhangen en importeert het bedrijf meer dan de export bedraagt; de eigen productie moest tot een minimum worden teruggebracht. Een groote tegenstelling met de mobilisatie-jaren, toen de vraag de productie overtrof. De tabakspijp is het hoofdartikel, dat de zaak thans pousseert; den rookers zullen de bekende bruyère „Pega”-pijpen wel niet vreemd zijn. De houten „koppen” worden ruw geïmporteerd, de „spitsen” of mondstukken zijn eigen fabrikaat. Naast de bruyère pijpen worden nog steeds de z.g, Duitsche pijpen vervaardigd, welke in bepaalde streken nog steeds aftrek hebben.

    Voor Woninginrichting is de fa. B.H. Houwers een aangewezen adres. Eenigszins ongunstig gelegen heeft zij toch goede bekendheid gekregen en staat een 35-jarige ervaring haar ten dienste. Zoowel in de betere als in de goedkoopere genres streeft zij er naar alleen de beste kwaliteit te leveren. In het bijzonder trad deze firma in de laatste jaren op het gebied van gordijnen en vloerbedekkingen naar voren. Tenslotte zij nog vermeld, dat men zich ook belast met het uitvoeren van verhuizingen.

    Bron


  • Een erfenis in Bredevoort

    Een erfenis in Bredevoort

    In de jaren dertig van de vorige eeuw publiceerde het Rotterdamsch Nieuwsblad een reeks verhalen met in de hoofdrollen een ‘reporter’, een ’teekenaar’, en de oom en tante van de laatste, een voormalig deurwaarder genaamd Wolzak en zijn vrouw Koosje. Uit de verhalen blijkt dat het echtpaar Wolzak aan de Voorstraat in Delfshaven woonde. Op een dag krijgt ‘ome Wolzak’ bericht dat een ongetrouwde tante van hem in Bredevoort is overleden. Daarop begaf het gezelschap zich naar de Achterhoek, om bij de notaris in Bredevoort – een plaats die hen onbekend was – de erfenis te aanvaarden, zonder te weten wat deze inhield.

    In tien delen, hieronder weergegeven, wordt uitgebreid verslag gedaan van deze ‘wereldreis’. Elk deel werd telkens vergezeld van een fraaie tekening. Het geheel is vooral een reisverslag van de zuidoostelijke Achterhoek, leerzaam en met humor. De redactie van Old Aalten heeft de identiteit van de schrijver vooralsnog niet kunnen achterhalen. Mede daarom durven wij geen uitspraken te doen wat betreft het waarheidsgehalte van het erfenisverhaal. Desalniettemin is het de moeite van het lezen zeker waard!

    We hebben een verheven doel

    We zijn in ons Fordje op weg naar het Oosten des lands om het Gulden Vlies te gaan zoeken. Onder ons gezegd en gezwegen, er is in Bredevoort een tante van oome Wolzak overleden en hij erft alles. Een deftige brief van een notaris bracht ons dit blijmoedige bericht.

    — Is ze dood! sprak Wolzak aangedaan. Ik wist niet eens dat ze nog leefde. — En hoeveel erf je? vroeg tante. — Alles, antwoordde de reporter, die den notarieelen brief nog eens had bestudeerd. — Ja, dit hoorde ik ook wel, gek. Maar wat is alles? — Het kan veel zijn, het kan weinig zijn, maar in elk geval is het alles, aldus de artiest. — Juist, Jehan. Jij praat tenminste ferstandig. — We gaan er in elk geval zoo gauw mogelijk met ons vijfjes heen en ons licht opsteken in Bredevoort, bepaalde Wolzak. — Breefoort, waar leittat?

    Niemand wist het, behalve natuurlijk de teekenaar. — Ergens achter Zwolle, mummelde hij, met een vaag handgebaar. — Geef eens een atlas, dan zoek ik het wel op, aldus de reporter. Een atlas! Hij had evengoed om een Grieksch woordenboek kunnen vragen. — Hebbe we niet. ’t Kan ons niks schele, waar al die plaase en die berrege legge, waar we toch niet hene gaan, zei tante.

    — Dan een spoorboekje. — Ja, dat was er. Van verleden jaar zomer dienst weliswaar, doch het was bruikbaar. Nee Bredevoort stond er niet in. — Geen eens an het spoor, riep tante. Wat kan dat nou sijn? En die errefenis lijkent me ook niefeel soeps. Soo’n afgelege gehuch. — We rijden eerst naar Zwolle en daar vragen we dan wel verder, stelde de artiest voor.

    Gelukkig won van deze onbezonnenheid het schrandere inzicht van den reporter, die behoorlijk op de redactie een atlas ging ter leen vragen en toen werd, na een kwartier in spanning, Bredevoort gevonden, ’t Ligt een heel eind van Zwolle af. En zoo besloten we dan met z’n allen naar het dorp in den Achterhoek te tuffen. Haast was er niet bij, want de notarieele brief was verkeerd geadresseerd geweest aan een vorig adres van Wolzak en had heel wat gezworven eer hij in de Voorstraat arriveerde. Voor de begrafenis zouden we te laat komen.

    — Dan laat ik eerst vier nieuwe banden om den wagen leggen, zei Wolzak. — Fier? Fier tegelijk? — Ja. Als voorschot op de erfenis. Met, de gammele gestopte lappen waren we nu op rijden moeten is ’t te gevaarlijk. Tante had geen bezwaar. — Asseme d’r maar gauw binne. Mit errefenisse kan je nooit te foorsichtig sijn. Allicht binne d’r kapers op de kus en dan is alles weg eer dat we d’r sijn. Het werd verder een prettige avond.

    Zoo’n aanstaande erfenis is een aangenaam onderwerp van discours. ’t ls in elk geval een loterij zonder nieten en je hebt kans op de ton. — Misschien wel op meer tonne, zei tante Koosje. Soo’n ongetrouwde juffrouw in soo’n klein plaatsje heb niefeel fan d’r eige noodig en die kan d’r heele lefe spare foor nette errefgenante sooas wij. — Ze woont misschien in een fraai oud landhuis: Een klein kasteel, hoopte de teekenaar. — Bes mogelijk. Jessis Wolzak seg jij nou ook is wat. ’t ls toch jouw tante. Wat weet je fander? Is se spaarsaam gewees? Weet je dat allemaal niet? Soo’n deurwaarder als jij mot ter nog gebore worre. — We gaan naar Bredevoort en daar zullen we verder hooren, zei Wolzak.

    Aldus zijn we nu op weg naar Bredevoort en we zijn zonder eenig ongeval tot Jutfaas gereden. Daar sprong een band. — Jessis, nou benneme nog nie eens in Utrecht en daar sitte me al, klaagde tante. — As ’t soo doorgaat kommeme fast te laat voor de errefenis.

    Het was de beurt van den reporter om een nieuwen band om te zetten en om hem te negeren toog de rest van het gezelschap op een wandelingetje uit naar een oud kasteel dat op eenigen afstand rees: ’t Kasteel Rijnhuizen. De fabelachtig handige reporter doet een werk als dit in een paar minuten en dus stond hij bijna tegelijk met de rest van de Bredevoortgangers op de brug van ’t kasteel.

    — Sjongejonge, as jouw tante daar gunter ook zoo’n huis heef magje metter tefreje zijn, vond tante. Haar en ons ontzag groeide toen we de brug overschreden hadden en in het park terecht kwamen. Rijnhuizen is als monument voor het publiek toegankelijk en dat kost maar tien cent.

    Het park is prachtig onderhouden. Het huis zelf, is geheel in den stijl Lodewijk XlV gebouwd en stamt geheel uit dien tijd, toen men het niet meer noodig achtte een Kasteel te bewonen, dat er als een vesting uitzag. En die zienswijze was juist, want geen aanval heeft het tegenwoordige kasteel te doorstaan gehad. Wij hoorden dit alles tijdens onze wandeling en wij waren zeer onder den indruk. Alleen tante had bezwaar. — Asse wij in Breefoort een kasteel errefe late we de mensche niet foor een duppie binne, zei ze. Dat bracht ons weer tot de werkelijkheid. We waren op weg naar een nalatenschap. Dus stegen we in en gleden verder naar ’t Oosten, waar de wijsheid vandaan pleegt te komen.

    Het echtpaar Wolzak heeft „angank”

    Het is me het autotochtje wel geweest! Wolzak heeft zich tweedehands banden in de hand laten stoppen — mag dit een goeden deurwaarder overkomen? — zoodat we meer aan ’t bandenomzetten dan aan ’t rijden zijn geweest en ’t den eersten dag niet verder dan Arnhem hebben gebracht. Dat was Vrijdag. Zaterdag hebben we over de vijf en zestig kilometer naar Breedevoort zes uur gedaan en toen was het notariskantoor gesloten.

    We besloten den Zondag dan maar in Winterswijk door te brengen, dat in elk geval een soort stad is. Met een bioscoop. Tante was monumentaal uit haar humeur. — Je sal sien, dat de errefenis weg is, snauwde zij. Die netaris sal denke, dajje het geld niet wil hebbe en toe heeft’ie ’t an een ander gegefe. — Dat kan niet, troostte de teekenaar. — ’t Is nou net ies foor een tante van Wolzak om soo fer uit de buurt te gaan wone, klaagde tante. — Je slijt meer an je schoene, astat ’t je oplefert om is foor een errefenis te gaan buurte. Waarom moste we d’r natoe? Soo’n netaris kan ’t geld toch wel mit een postwissel sture. — Dat mag een notaris niet doen, sprak, rechtsgeleerd, Wolzak. — Misschien is er zooveel, dat ’t niet op één postwissel kan, veronderstelde de reporter en tante keek iets vriendelijker.

    Maar nu werd Wolzak kregel. — U moest niet zoo kankeren, voegde hij zijn gemalin toe. U moest blij zijn. dat u misschien een kasteel en enkele schoone landouwen in onvervreemdbaar bezit krijgt. U moest uw mond houden tot we bij den notaris zijn geweest. — Jewel! viel tante uit. — Zeg jij maar u tege me. Ik wil niet geuud worden. Ik bin geen juffrouw die je als deurwaarder in de gijseling brenge mot. Had jij liefer gesorregd dat je met je tante op een nette manier in keneksie was geblefe. Se kenne je nou strakkies wel alles in je hande stoppe, want je weet nerreges fan. —U moest beseffe… De artiest werd thans óók kwaad. — Ga mee, dan gaan wij Winterswijk eens bekijken, stelde hij den reporter voor en die was daartoe aanstonds graag bereid. We lieten oom en tante en Jonassie alleen.

    Winterswijk is een heel aardig stadje. Het heeft iets heel ouds en ’t is half Duitsch. Maar we schrijven geen reisgidsen, we vertellen alleen historische levenservaringen. Van onze wandeling hebben we dien Zondagochtend vooral één indruk behouden en daar moet ik u even iets van vertellen. De kerk van Winterswijk behoort tot de oudste van ons land. Zij schijnt, naar wat wij er van hoorden en later van lazen, regelrecht, wat haar stichting betreft, uit den tijd van Karel den Groote te dateeren. Want de Heidensche Hertog Wittekind die in 785 door Karel werd overwonnen, en die zich toen door den Abt Bernard liet doopen moet er den grond voor hebben afgestaan, en de stichting hebben beschermd. Van den eersten Bisschop van Munster, den lateren heiligverklaarden zendeling onder de bewoners van ons land, Ludger, was hij een groot vereerder. Een kerk, gesticht op de plaats waar eens Wittekind’s kasteel stond, te Vreden, even over de tegenwoordige Duitsche grens, werd zelfs op zijn verzoek door den heiligen Ludger gewijd. De kerk tot dien tijd aan den H. Jacobus gewijd, ging in het laatst der 16e eeuw (het jaar 1597) aan de Hervormde Gemeente over, en is dat sindsdien gebleven.

    Het prachtige plein, met de oude boomen, en de nog veel oudere kerk, biedt, vooral op Zondagen, een gezellige drukte. Want wie uit de kerk komt, gaat niet direct naar huis; er zijn dan zooveel boeren die uit de verre buurtschappen komen, en die wil men dan wel eens spreken over het één en ander. Vroeger namen de boeren die van verre kwamen ook hun kruidenierswaren en wat er verder op de buurt niet te krijgen was, uit het stadje mee naar huis. Het paard en de wagen werden dan tijdens den kerkdienst bij smid, timmerman, grossier in meststoffen, of een bekende familie gestald. Men had daar dan meteen zijn „angank”, hetgeen wil zeggen, dat men daar zijn kerkboek liet tot de volgende week en dat men er na afloop van den kerkdienst eerst een „kupken koffie” dronk vóór de reis huiswaarts werd ondernomen.

    Na de gesprekken met kennissen of zakenvrienden op het Kerkplein, werd de gezellige babbel bij den „angank” nog een half uurtje gerekt. Daar dit vrijwel de eenige ontspanning was die de boerenfamilies op de buurt hadden, begrijpt men, dat velen reikhalzend uitzagen naar den Zondag waarop het hun beurt was, om mee ter kerke te gaan. Een boerderij kan niet zoolang zonder toezicht blijven, dat iedereen naar de kerk zou kunnen. Voor den angank werd door de gebruikers ééns per jaar een klein bedrag betaald. Tegenwoordig bedraagt dit omstreeks zes gulden.

    Veel is er echter aan het veranderen. De winkelsluitingswetten maken den handel op de Zondagen vrijwel onmogelijk, zoodat de prettige drukte rond de winkels voorbij is. Het gebruik van auto en rijwiel, in plaats van het oude karretje met het paard er voor en de geperfectionneerde wegen maken de afstanden kort. Zoodoende zijn er reeds velen, die ’s Zondags na de kerk direct huiswaarts gaan. Maar er zijn er ook heel veel, die der traditie getrouw, de „angank” nog steeds in eere houden.

    Onze teekenaar heeft een vriendelijke prent van het Zondagsche festijn gemaakt en daar kwamen we dankbaar mee thuis in het hotel. Oome Wolzak en tante Koosje waren nog altijd aan het „discussieeren”. De hotelier en het dienstpersoneel stonden in de gelagkamer welwillend te luisteren naar hun gesprek. Die meneer schijnt erg stout geweest te zijn, zei het kamermeisje tot den ober en beiden schudden bedenkelijk hun hoofden. — Heelemaal niet stout! Die meneer komt een erfenis halen, verklaarde de reporter. De teekenaar was verontwaardigd. — U moest niet zoo staan luisteren, vermaande hij. Mijn tante en mijn oom hebben alleen maar hun „angank”. Mag dat in Winterswijk soms niet meer?

    Wij verkennen Bredevoort

    Aan ’t ontbijt ’s morgens in het hotel vertelde de reporter zijn aandachtig gehoor van de erfenis van Neeltje Pater, die nog altijd onverdeeld ergens bij een notaris schijnt te liggen. Een erfenis van 9.500.00 oude ponden, dus honderd veertien millioen goeie Hollandsche guldens. Tante Koosje sloeg haar zachte eitje kapot dat het struif over haar handen liep en terwijl zij die handen aflikte beet zij Wolzak toe: — Weromistie Neeltje Paters jouw tante niet, Wolsak? Mit soo’n errefenis ware we tenminste foorloopig binne gewees.

    — Misschien is de erfenis van tante uit Bredevoort óók wel zoo groot? veronderstelde de reporter. — Sou je denke? zong tante hoopvol. Maar dan werd zij weer prozaïsch. — Salwelniet! riep ze. ’k Vind ’t niks foor Wolzak om soo’n rijke tante te hebbe. As ’t een onnoosele ton is maggeme al blij zijn. — Onnoozel is een ton nooit en waarom zou er in Oome Wolzak’s familie niet méér disponibel zijn? In zoo’n klein plaatsje als Bredevoort leven tante’s zuinig, ze doen niks als sparen, ik zou maar op een bom duiten rekenen als ik u was. Bijvoorbeeld de helft van Neeltje Pater, praatte de reporter.

    — Wijje nog een lekker koppie thee mit feul suiker? vroeg tante zoetjes aan den reporter, die opeens hoog in haar achting scheen gestegen. — Asjeblieft, tante, geen suiker en geen melk. Wel thee. Het was dus een vredig discours dien morgen in Winterswijk aan ’t ontbijt met eieren en koek en we waren koek-en-eieren toen we in ’t Fordje stapten om naar den notaris in Bredevoort te tijgen.

    —As jullie buite maar wachte, zei tante. As je mit soofeul man binnenkomp, maak je soo’n netaris misschien ferlege en later sal je fanself wel hoore hoefeel miljoen dat Wolsak heb georve… Wij zetten het geliefde paar bij den notaris af en stalden ergens het Fordje, om, met Jonassie aan een touwtje, door Bredevoort onze eerste wandeling te gaan maken. Dat was een plaisante tocht. Ik laat den teekenaar ’t u vertellen.

    Bredevoort noemt zich een stad. De in den volksmond liggende benamingen: stad, dorp, gehucht enz. kent de erentfeste Nederlandsche wetgeving niet. Daar wordt alleen over gemeenten gesproken. Oude privilegiën echter geven een zeker recht op uitzonderingen. Dit geldt, voor de gemeente Bredevoort; een klein plaatsje, in „Holland” nauwelijks bekend, dat echter in de geschiedenis van ons Vaderland een zeer voorname rol heeft gespeeld. Immers het ligt in een gebied, dat beurtelings aan de Geldersche, beurtelings aan de Munstersche machthebbers toebehoorde.

    Dat de strijd, steeds op dit betwiste gebied plaatsvond, laat zich begrijpen. Het was niet alleen de „Stad Bredevoort”, maar het geheele „Ambt” van denzelfden naam, met de gemeenten Winterswijk, Aalten, Dinxperlo en Varsseveld, dat in meerdere of mindere mate het lot van de vesting, want dit was het tevens, deelde. Wanneer in 1612, na een zeer hardnekkigen strijd, de uiteindelijke jurisdictie, niet was gekomen in de handen van Prins Maurits, doch naar de Munstersche zijde was overgegaan, dan zou de Oostelijke grens van Nederland, er zeer zeker nu heel anders hebben uitgezien.

    Dat Bredevoort door de herhaalde aanvallen van weerskanten steeds paraat moest zijn en zoodoende een sterke vesting werd, laat zich licht begrijpen. De tijden zijn sindsdien zeer veranderd. Onze verhoudingen met de Oostelijke buren zijn eeuwen lang van vreedzamen aard gebleven. Bredevoort onderging daardoor een gedeeltelijke verandering. De wallen zijn voor de helft geslecht, en aan dezelfde zijde zijn de grachten gedempt. Waar vroeger een gracht was, slingert zich nu de groote autoweg Winterswijk—Aalten—Arnhem om het oude stadje heen. Door dezen weg komt er nu wat belangstelling voor de ingedommelde bewaakster van onze Oostelijke grens, uit het grijs verleden. En het is dit meer dan waard.

    Het heeft hier en daar de eigenaardigheden van een middeleeuwsche stad behouden. Men ziet hier de oudste huizen, geheel onder Saksischen invloed in vakwerkbouw opgetrokken. De straten zijn met ronde zwerfkeien geplaveid, die in de omgeving bij massa’s in alle grootten kunnen worden gevonden. Men treft hier een oude pomp en een lindeboom. En dan het oude kerkje. Het is alles bijeen een idylle. Het tot werkelijkheid geworden beeld uit het oude Duitsche versje, dat ook in het Hollandsch is vertaald: Am Brunnen vor dem Tore, da steht ein Lindenbaum. Ich träumt’ in seinem Schatten so manchen süssen Träum…

    Tot zoover het verhaal van onzen artiest want toen hij zoover was, trok Jonassie het koordje uit mijn argelooze handen en liep wat hij loopen kon in de richting van het huis van den notaris. ’n Lief, trouw dier is ie. Met een paar harde woorden op de lippen renden wij ons hondje na, hevig ongerust over ’t gezicht van tante Koosje, als haar zielepoot weg zou zijn. Maar dan zagen we ’m springen in de wijd geopende armen van tante, die er midden op de straat voor was gaan zitten. Een auto slipte gevaarlijk, toen de chauffeur ervan om tante heen moest rijden en we vernamen een zeer geduchte oud-Hollandsche verwensching naar haar verkeersfoutenschuldig hoofd.

    Tante trok er zich niets van aan. Zij zoende Jonassie op z’n neusje. — En… is de erfenis meegevallen? vroeg de teekenaar, die als Koosje’s erfgenaam nochtans volkomen onpartijdig blijft. Een bom, jongen, een bom! Drie ton, vijf honderdzestig gulden drie en negentig en een halve cent! jubelde tante. — Blikskaters, tante! juichte de teekenaar. Zóóveel? — Ja, Johan. Maar Wolzak, die uit zijn deurwaarderstijd de gewoonte heeft overgehouden om alle gepaste vreugd te bederven, schudde afwerend een wijsvinger. — Ze kletst, zei hij norsch, we weten nog niks. De notaris is uit de stad…

    Veemgericht

    Nu de notaris niet thuis is en we dus een paar dagen in den Achterhoek moeten vertoeven, hebben we volop gelegenheid om dit genoegelijk romantische land op ons gemak te waardeeren. We gaan er met ons Fordje geregeld op uit en we interviewen allerlei menschen over de Bredevoortsche en andere zeden en gebruiken. Tante maakt het ons niet gemakkelijk. Die moppert aldoor maar over de afwezigheid van den notaris en zij vraagt telkens, of dat mag en of de erfenis in zoon leeg notarishuis wel goed zou worden bewaakt.

    En dan de kosten! Vier personen en een hondje zooveel dagen pension, dat loopt op. Wij beweren nu wel, dat daar de erfenis goed voor is, maar tante is dat niet met ons eens. — Wolsak s’n tante heb niet d’r heele lefe voor ons tweeën gespaard tot se een paar tonnen besat, dat daar nou twee niksnutte (de teekenaar en ik) heele dage fan souwe lanterfante.

    Wij laten haar praten en voelen ons bevoorrecht, dat we eindelijk eens ergens anders zijn dan in het Hollandsche polderland, dat we zeer liefhebben maar dat we graag toch eens een poos niet zien. De teekenaar en ik zijn ongetrouwd, doch we hebben wel eens gehoord, dat in een huwelijk ’t geen kwaad kan, als man en vrouw mekaar soms een paar dagen niet in den weg loopen. — Dat is een onsedeloos gepraat, zegt tante. Wolsak sou bleek en mager worde astie me een dag mos misse. Is ’t niet soo, Wolsak? Wolzak leek ons niet enthousiast, ofschoon ie vriendelijk: „zeker Koosie” antwoordde. — Hij sou wegkwijne sonder mijn, verzekerde tante toen nog.

    Wij stoorden tante’s teedere illusies niet, we bewonderden Bredevoorts schoonheden met frissche aandacht en lieten ons allerlei historische bijzonderheden vertellen. Eén van de merkwaardigheden van het plaatsje waar Wolzak’s tante vele jaren spaarzaam heeft geleefd, met een flink batig saldo naar we hopen, is het oude veemgericht. Evenwijdig aan den grooten weg, van Aalten naar Bredevoort, die de plaats van de vroegere Landstraat of Hessenweg inneemt, loopt zuidelijk daarvan een mulle zandweg. Diepe karsporen, in den regentijd bijna onbegaanbaar, maken dezen weg wel schilderachtig, maar niet meer geschikt voor onzen tijd en voor ons Fordje.

    Buitendien, het is geen verkeersweg; hij wordt alleen gebruikt door de boeren, die in de omgeving hun roggeland hebben. Zware eiken staan aan weerskanten, en de ruimte tusschen dezen weg en de Landstraat wordt geheel gevuld met dennenbosch. Dwars door deze zandweg loopt een beek, de Koppel, die des zomers heel laag en smal is, maar in den winter met de aanmatiging van een groote rivier, soms buiten haar oevers treedt.

    De Provinciale Waterstaat, maakt echter in den laatsten tijd, door bedijking en besluizing aan de capriolen der Geldersche beken, voorgoed een einde. Langs deze beek ligt een groot stuk land, feitelijk uitgespaard in het genoemde dennenbosch. Daar zagen en hoorden we geduchte dingen. Op dit terrein staan een paar kolossale eiken, waarvan de ouderdom zeker op vier à vijfhonderd jaar mag worden geschat. Vroeger stonden er meer zoo. — De tand des tijds heeft aan deze eiken geknaagd, zei de teekenaar, deskundig en literair, en hij was nog trotsch óók op zijn dichterlijkheid.

    Hier is het stuk land, eeuwen lang gevreesd door heel den omtrek. Wie als gevangene dit stuk grond betrad en de Bredevoortsche burgers als rechters voor zich zag, kon er verzekerd van zijn, dat het doodvonnis over hem uitgesproken werd, vertelde ons een achtenswaardige Bredevoorter. Tante keek heel eerbiedig. — Het stukje boerderij, dat men, onder de boornen door, ziet liggen, is het overblijfsel van het eens zoo beruchte kasteel „Het Walfort”, den zetel van het eenige veemgericht in ons land.

    De veemgerichten, waar het z.g. standrecht werd uitgeoefend, hebben in Duitschland vooral tijdens den 30-jarigen oorlog (1618—1848) een groote rol gespeeld. Vermoedelijk zijn de Duitsche veemen, nagevolgd naar dat van Bredevoort, ’t welk zeer waarschijnlijk van ouderen datum moet zijn. En dat reeds lang bestond, voor het zijn zetel officieel op het Walfort nam.

    Van oudsher af had men in Bredevoort een sterk gevoel voor snel en afdoend recht, daar hoorden we later nog allerlei bijzonderheden over. — De zaken werden hier gauw en resoluut afgedaan, roemde de oude Bredevoorter en tante, die er heelemaal niet over dacht dat een erfenis-deelen en veemgericht twee precies tegenovergestelde dingen zijn, merkte op: — ’k Hoop, dat de netaris hier dan nog een echt ouwerwetsche heer is en niet lang seurt foordie ons uitbetaalt. — Tante, houd nu even uw mond met uw erfenis, smeekte de teekenaar. — Toe, meneer vertelt u ons nog wat van dat veemgericht. — Maling an die fertelseltjes. Daar binne me niet foor hiergekomme. Kan mijn ’t schele wat hier in de ouwe tijd is gepasseerd, ik sit te springe om te telle wat Wolsak s’n goeie lieve tante foor ons heb opgespaard.

    De welwillende Bredevoorter glimlachte tante hartelijk toe, liet haar sputteren en vertelde ons van de veemgerichten in Bredevoort.

    Veemgericht en erfenis

    — Vertel u ons wat van het Veemgericht? verzochten wij den vriendelijken wijsgeer uit Bredevoort. — Fertel me wat fan de errefenis en fan Wolsak s’n tante, zeurde Koosje. — Laten we er in elk geval een kop koffie bij gaan drinken, zei de teekenaar en toen we dit verstandige voorstel hadden aanvaard en in ’t cafétje in Bredevoort om een knus tafeltje zaten, was tante Koosje wel bereid om mee te luisteren. De oorsprong van de Veemrechtbank is zeer duister, ving de wijsgeer aan. Notulen van vergaderingen, of aanteekeningen der uitgesproken vonnissen zijn er natuurlijk niet. Althans niet in het begin.

    Ontstaan uit den druk der tijden en als reactie op de tyrannieke overheersching der Pandheeren, vergaderde zij des nachts. De burgers, die de rechtbank vormden, kenden elkander soms niet. Zij verschenen gemaskerd. Om te voorkomen, dat de gevangenen zouden verklappen, wat er was gebeurd, en waar de zittingen, of liever de bijeenkomsten werden gehouden, was het vonnis, dat geveld werd, steeds de doodstraf. — Da’s dan kort en krachtig, zei tante. — De gemakkelijkst uit te voeren straf was die van den strop.

    Om aan den langskomenden te laten zien, dat men te doen had met een veemvonnis, werd in den boom, waaraan de gehangene was gevonnist, het teeken van het Veemgericht met een bijl gehakt, een z.g. Wolfshaak. Dit alles — zoo praatte onze vriend voort — lijkt ons, in, den tegenwoordigen tijd zeer wreed. Maar men moet niet vergeten, dat de verbittering in verband met den nood der tijden tot deze maatregelen heeft geleid.

    Want hoofdzakelijk keerden de veemrechters zich tegen de ontslagen krijgsknechten van de vele legertjes der vele elkander voortdurend bestrijdende Potentaatjes. Deze krijgslieden, die vriend noch vijand ontzagen, stroopten bij grootere of kleinere troepjes het platteland af. Zij stalen vee, kippen en levensmiddelen. Ook geld, dat bij de boerenbevolking van die oude tijden schaarsch was, benevens huisraad en sieraden. En kerkschatten waren van hun gading. Schandelijk gedroegen deze lieden zich tegenover vrouwen en kinderen. En wee, den boer die op een eenzame hoeve woonde zich tegen hun misdaden durfde verzetten. Zijn gezin mishandelde men voor zijn oogen, terwijl hij, gebonden, toezag. Zijn hoeve werd in brand gestoken, en hijzelf als laatste, dood geslagen.

    Herman Löhns heeft in zijn boek, Der Wehrwolf, de gruwelijke sfeer van een Veemgericht tot een roman verwerkt. — ’t Is net een fullieton, vond tante. — Het Veemgericht, dat was samengesteld uit bewoners van Bredevoort en Aalten, werd naderhand officieel op het Walfort gevestigd, waar uit de familie van Lintelo, de Richter, Vrijgraaf of voorzitter van de Rechtbank werd verkozen.

    In 1573 treffen we er als zoodanig Arend van Lintelo aan. Een vroegere rechter, die van een plaatsje in de buurt Bocholt burgemeester was, en van zijn familienaam Duiker heette, is om zijn wreedheid in den volksmond blijven leven. Verbasterd in het Geldersch dialect, zegt men bij wijze van stopwoord: Den Duker zal oe haolen, waarmede dan den veemrechter Duiker werd bedoeld. — We hebbe in de Voorstraat een juffrouw Duiker gehad, zei tante. En nou ik dassoo hoor, geloof ik fast dasse fan die meneer is afgestampt. Sij had de gewoonte… — Stil nou tante, smeekte de teekenaar. Onze verteller was helaas den draad van z’n verhaal kwijt en dus stonden we maar op.

    Want de verteller zou ons het Walfort laten zien. De teekenaar heeft er een fraaie schets van gemaakt. Wat men op zijn meesterwerk vindt is een stuk van de oude zaal, waaronder zich de kelder bevindt. Er zijn daar zeven verschillende gewelven, vernamen wij. Vroeger dienden deze kelders om er de gevangenen in te bergen, vóór ze werden verhoord en gevonnist. Nu staan er, heel vreedzaam, potten boter en kannen melk. Eén gedeelte van den kelder gebruikt men voor de aardappelen. De geweldig dikke muren maken den kelder volkomen vorstvrij. — Dan selle de lui hier lekkere piepers ete, zei tante. Een vroeger aanwezige toegang tot een ander gedeelte is dichtgemaakt. Allerlei verhalen doen hieromtrent de ronde. Hier zou een gang beginnen, die onder de beek, de Koppel, doorliep tot het Kasteel van Bredevoort. Ook vertelt men van menschen, die levend waren ingemetseld en dergelijke dingen meer…

    — Nou weteme genog fan die akeligheden, Wolsak. Fraag jij meneer nou liefer is na je tante. Oftieder heef gekend en vvattie denk dasse nagelate heef gekend en wattie denk dasse nagelate heef. Nou, werom niet, as die meneer hier soofeul weet fan watter foor een paar honderd jaar hier is gepasseerd, saldie fast wel alles wete fan je tante, die pas dood is… Maar Wolzak weigerde. Wij drukten onzen gids dankbaar de hand en prezen hem om zijn schoon verhaal. — Hoe kejjenou plesier hebbe — verweet tante ons nadien — en soo aapwathebbiemooie jonge spele om een paar ingemetselde mensche, as je sit te springe na de errefenis. — De notaris is toch niet thuis, zei Wolzak, voor de honderdste maal. — Och wat, niet thuis? Assewij voor een errefenis komme mot soo’n netaris thuis zijn. Hij mog wel blij wese dasse hier niemeer sukke feemgerichte hebbe…

    Van een kleermaker te Winterswijk

    Wat zegt u van het volgende huiselijk tooneeltje in het hotel te Winterswijk? — Lieve Koosje, ik ben gisteren mijn knie kapot gevallen, zoudt u een steekje aan mijn pantalon willen doen. — Nee! dat doen ik niet. Ik heb op je knie al een pleister geplak, die pantelion mot je sellef maar pleistere, Wolsak. — Er zijn twee knoopen ook van mijn vest af, lieve Koosje. — Dan ga je maar naar een kleerefrik, Wolsak. — Dat kan toch niet. Als ik met een kapotte pantalon en een vest zonder knoopen bij den kleermaker kom, zou hij denken dat we hebben gevochten. — Mottie dan maar denke! Dan heb jij toch op je kop gehad en niet ikke. Jij hebt je mond altijd soo fol fan de huiselijke zweer… — Sfeer, tante! riepen drie mannelijke, stemmen. — Oók goed. Maar ik kan Keen kleermaker speule. ’k Heb ook geen naaigerei mee naar de erfenistante genome. Uit!

    Omdat het mannelijk deel van ons gezelschap vond dat oome Wolzak niet voor schandaal kon loopen, gingen we dus op zoek naar een kleermaker. Tante en Jonassie liepen méé. De notaris was nog steeds uit, we verzuimden dus niets ernstigs. En de tocht naar den kleermaker was heusch heel aardig. Niet zoozeer de tocht zelf, maar wat we tenslotte, voorgelicht door een man die netjes een Winterwijksche straat veegde, bij den meester-tailleur vonden.

    Deze voortreffelijke man woonde n.l. op een oude „deel”, een gedeelte van een oud boerenhuis midden in het stadje. Volgens oude Winterswijksche gewoonte staat het huis met het deel-gedeelte, dus het achterhuis, naar den openbaren weg. Zoo staan trouwens alle boerenhuizen. De woonvertrekken liggen van de straat afgekeerd. Deze deel is juist daarom zoo eigenaardig, omdat de oude gereedschappen daar nog worden gebruikt en dit komt, omdat het maar een „kleine bouwerije” is. De boer, die er woont, oefent het beroep van kleermaker uit.

    We hebben wel eens op onze tochten een boer ontmoet, die barbierde, maar een boer, die een rokcostuum kon aanmeten was voor ons een novum. ’t Zou wel bij aanmeten blijven, want toebereiden zou hij dat vermoedelijk niet kunnen. Maar kleermaker was ie: Ik maakt kleeren voor de boeren, zei hij. Oome Wolzak stak zijn knie vooruit en vroeg of hij dat kon repareeren. De vakman zette zijn bril op. — Trek maar uit, zei hij. Oome Wolzak kreeg een kleur.

    — Hier midden in die stal? vroeg hij. — Dadoeje niet, Wolsak. Dat is onsedeloos, sprak tante en tot den snijder-landbouwer: Naai ’t, maar an s’n knie bij. — Ja maar, protesteerde Wolzak, als die me nou in m’n knie naait. — Dan roep je maar au! troostte hartelijk tante. De snijder ging op een driepoot zitten, schoof een stoof bij en sprak, een beetje kregel dacht mij, tot oome Wolzak: — Zet je poot dan maar hierop. Of de ex-deurwaarder een paard was en hij een hoefsmid! Terwijl hij doende was met een heel grove naald en heel dik garen, gingen de teekenaar en ik de deel eens rond en vroegen honderd uit. Al naaiende antwoordde de deelbezitter ons.

    Aan de bouwerij doet hij niet veel. Alleen voor eigen gebruik. Toch heeft alles den schijn, dat het boerenbedrijf nummer één is en de rest bijzaak. Tusschen de keuken, tevens kamer, die men op het meesterwerk van onzen teekenaar door de open deur achterin ziet, en het kleine kleermakerskamertje vooraan, komt men door de opening links achteraan, in een donkeren stal, waar hoogstens vier koeien kunnen staan. ’s Zomers zijn die natuurlijk in de weide.

    Aan den muur hangen vooraan de dorschvlegels. De boerderijen van eenige beteekenis gebruiken die heelemaal niet meer, want sinds jaren dorscht men overal machinaal. Je vindt in Winterswijk geen één vlegel meer, zei de snijder. Of ze motten van buiten komen. Daarbij keek hij tante alleronbeleefdst aan. We ontdekten verder twee ouderwetsche dingen, die een groote boer ook niet meer gebruikt. Een boonenpoter, en een erwtenpoter. Voor boonen de vierkante, voor erwten de ronde blokjes. Bovenaan houdt men het dwarshout vast, drukt de plank met de blokjes in den grond, om dan in de kuiltjes de erwten of de boonen te leggen. Dan maakt men de gaatjes weer dicht en gaat verder. De harken en de egge zijn bij de meeste menschen nog wel bekend, al was het alleen maar van de sigarenzakjes waar de rebussen op staan.

    Boven het geheele huis ligt de hooizolder, toegankelijk door de beide schotdeuren achter op de deel. Aan den zolder hangen de struiken koolzaad te drogen, om volgend jaar weer te worden uitgezaaid. Vroeger brandde men een vuur in de keuken, onder een schouw. Daarvoor had men in den hoek van de deel een plaats voor de houtblokken. Nu liggen er eierkolen. Want het open vuur heeft men bijna nergens meer.

    De moderne tijd demonstreert zich hier, door een kolenfornuis. Al deze aardige pittoreske dingen ontdekten wij terwijl de boeren-snijder met oom Wolzak bezig was. Hij riep wel tienmaal au. — Wat bèje toch kleinseerig, klaagde tante. Tenslotte raakte de kapotte pantalon toch heel, en tante zei dat ’t heel netjes was. En zoo goedkoop: twintig centen. Oome Wolzak hinkte huisgaande nog al. Zijn knie zat vol gaatjes zei hij.

    Maar vooral onprettig was het voor hem, dat de kleermaker zijn pantalon had vastgenaaid aan de rood baaien pantalon daaronder, zoo dat die twee een onverbreekbaar geheel vormden en oome Wolzak, tot we weer in Rotterdam kwamen, verplicht was ze steeds allebei tegelijk uit te trekken. Dat vond hij lastig en verdrietig en hij moest er bij geholpen worden, meestal door onzen geachten teekenaar.

    Autotocht in den mist

    De notaris komt morgen thuis en dan kan Zijnweledelgestrenge de erfgenamen van de weduwe Jacobine Cats ontvangen. Met deze boodschap kwam oome Wolzak vóór de koffie thuis en we mochten dus weer over een vrijen namiddag beschikken. — Late we dan maar een beetje gaan tuffe, fan dat sitte hier wor je maar melig, zei tante Koosje en haar voorstel vond algemeene instemming.

    Het was mooi voorjaarsachtig weer, we hadden nu eenmaal ons Fordje bij ons en we waren in fraai en romantisch land, waarin elke wandeling of rijtoer ons nieuwe, boeiende merkwaardigheden beloofde te openbaren. We waardeerden honderduit. — Ik wor moei van jullie gedaas, sprak tante kregel. Onze teekenaar zat aan het stuur en telkens remde hij voor iets moois op den weg, zonder te waarschuwen. — Als je me met alle geweld met mijn kop door een voorruit wil hebben, moet je zoo maar dikwijls doen, klaagde ik. — Man, wees blij, dat ik hier niet voorbij rijd, zei toen de teekenaar. Kijk toch eens naar dit geval, waar ik een plaat van ga maken. Deze boerderij van het Walfort. Het is inderdaad verwonderlijk, hoe deze boerderij, die aan den uitgang van het bosch van het Walfort staat, het meer dan driehonderd jaar heeft uitgehouden in zulke rumoerige en moeilijke tijden.

    De dikke eik, de laatste, of zoo men wil ook de eerste boom van de laan, die langs het Walfort gaat, heeft even als de boerderij al veel meegemaakt. Hoeveel krijgsknechten, zoowel Munstersche als Geldersche, Staatsche of Spaansche ruiters zouden er wel langs deze laan hebben gereden en hoevelen hebben er, als gevonnisten van het veemgericht aan de takken gebengeld? Hoeveel malen heeft men langs deze oude boomen geslopen om een overval op de vesting Bredevoort te doen en hoeveel malen zijn er boosdoeners heengesleept om omhoog te worden geheschen? Ja, ’t is een romantisch land hier.

    De geschiedenis van den Achterhoek is nog lang niet voltooid, en bergen documenten, met de meest interessante verhalen, liggen nog om nagezocht te worden, in de oude archieven. Maar bovenal, hoeveel zal ons de taal, die de monumenten spreken, welke door alle rampen heen bewaard zijn gebleven, nog kunnen leeren? Het kan nog heel veel zijn. Ook de bronnen, waaruit men de geschiedenis put en die voor het Westelijke Nederland vrijwel alle bekend zijn, bieden in Oostelijk Nederland nog vele mogelijkheden, aldus sprak de teekenaar. Ze zijn daar, evenals de landstreek zelve, voor de meeste „Hollanders”, nog onbekend terrein.

    Maar de nieuwe verkeerswegen zullen ook hier binnenkort de schoonheden van het landschap voor de toeristen ontsluiten. — Kijk maar liefer uit dat je niet tegen die schoonheden anbost, zei tante. — Toon je een knap chauffeur en zet er den gang in, raadde ik. Toen werd er in den artiest een andere ijdelheid gewekt dan die van den schoonheidsvriend, hij wilde toonen dat hij rijden kon en ik moet zeggen: ons Fordje deed het best. Op de mooie Geldersche wegen gleed hij onberispelijk en snel voort.

    We reden langs Aalten en Varsseveld en het kasteel Slangenburg, langs Doetinchem, Laag Keppel, Doesburg, Ellecom. De Middachterallee, De Steeg en Velp op Arnhem aan en we vonden het prachtig. Zelfs tante was er stil bij. Alleen af en toe zuchtte zij eens, als een heel mooi buiten achter een glooiend grasveld langs den weg zichtbaar werd en dan zeide zij: — Wolsak, ik hoop toch soo dajje tante soo’n’ huisie in d’r errefenis hep…

    De teekenaar en ik wilden vandaag eens royaal zijn en we boden de Wolzaks en ons zelf een voedzamen lunch aan in een melkinrichting op het Velperplein. Over Zutphen, Deventer, Lochem en Ruurloo rijden we weer huistoe, stelde onze chauffeur voor en wij vonden dat best, nog een mooi stuk van Oostelijk Nederland zouden we aldus mogen bewonderen. Ja, we hebben een mooi land, een om echt van te houden en blij te wezen dat je er geboren bent! We keken uit, links en rechts, vóór ons heen, en wel eens naar achteren, maar we zeiden niet te veel om onze chauffeur niet af te leiden.

    De teekenaar moest zijn aandacht op den weg voor-uit houden, opdat we gevijven niet onzen nek zouden breken. — Hoe vind je dat ik rijd? vroeg hij telkens en dan juichten wij hem levendig toe. Toen we Zutphen uitreden gebeurde ons echter iets onprettigs. Een natte nevel, melkwit en donzig, kwam over den weg zinken, snel zich verdikkend. — Jehan, kijk uit! ’t Mist! riep tante, volkomen overbodig, want Jehan deed nu niet anders dan uitkijken. — La mij naast je sitte, sprak zij iets later en dat was een onhartelijkheid tegen mij die naast den teekenaar nauwgezet meetuurde en oogen tekort kwam.

    De mist werd dikker, ons Fordje reed niet meer dan tien kilometer en ik bespeelde vlijtig den signaalhoorn. — Je ziet niks meer, Johan, hoe rij je eigenlijk? vroeg tante. Ik houd de rails, laat mij maar begaan, op de rails kan ons niets gebeuren. Er staan geen boomen op de rails en er loopt geen rivier doorheen. Ja, dat was heel schrander van onzen teekenaar. De veilige weg, door twee glimmende rails afgeteekend, lag dus ondanks den mist duidelijk voor ons. Zonder zorg lieten we ons zoo naar Deventer glijden. Ho! Opeens konden we niet verder. Er stond een tramwagen voor ons. Dan maar wachten tot de weg weer vrij was.

    — Jehan, d’r staat achter ons óók een trem, sol je oppasse damme niet gekraakt worre? sprak na een poos tante. — Zeker natuurlijk, antwoordde kregel de teekenaar. Weer gingen enkele minuten voorbij. — D’r is zeker iets op den weg gebeurd, meende oome Wolzak. — Een ongeluk netuurlijk, stilletjes blijfe wachte. Ik keek door de zijruit. Hé, kijk, hier links staat óók een tramwagen. — Links, je bedoelt rechts, zei oome Wolzak. — Nee, links. Maar u hebt gelijk, rechts óók. Nou, dan is de weg wel versperd. We stonden een kwartier, twintig minuten. Ik ga toch even kijken, zei toen de dapperste van de opvarenden in het Fordje en de reporter sprong onversaagd den wagen uit. Na twee minuten was hij terug. Nou, da’s ook wat, riep hij. We staan in de tramremise!

    Houtconstructie en ontbijt

    Om tien uur ’s ochtends was de notaris te spreken en na ’t ontbijt zouden oome en tante Wolzak Zijnweledelgestrenge een bezoek brengen — de ex-deurwaarder noemde dat „een officieel bezoek” — om nu eindelijk eens te hooren hoe de erfenis van oome’s tante er uitzag.

    We genoten dus het ontbijt met meer zielevreugd dan op andere morgens. Zoo’n Hollandsch hotelontbijt is nooit voor de poes, in ons hotel was het nog niet voor tien poesen. Een tafel vol met allerlei oudbakken broodsoorten: kadetjes, hallefies gescheurd, wit, half wit, grijs, krentenbrood en rogge; vele welgevulde en met riggeltjes op de boter versierde vlootjes, vele bordjes met ham, rookvleesch, worsten, paling, potjes met stroop, jam, muisjes, hagelslag, eieren, een stolp met een kwart kaas er onder, een bord met gesneden plakken Leidsche kaas, een ontbijtkoek, een torentje groene schapenkaas, kannen melk, potten thee, potten koffie, karaffenwater met glazen… er is nog meer, de inventaris is nog niet compleet.

    Hoe stelt toch Horecaf in de provincie zich een eenvoudige Hollandsche maag voor? — Handelsreizigers in ons land zijn gelukkig gezonde menschen en die beginnen den dag met zich solide te voeden, dan gaan de zaken gesmeerder, zoo vertelde ons de Winterswijksche Ober. — Nou, dan bin ik ook een handelsreiziger, zei tante en zij profiteerde geducht; dat deed zij trouwens eiken morgen.

    — Staan daar nog eitjes? vroeg zij haar heer en meester. — U hebt al zooveel op. Als u nóg meer eet, zult u d’r straks bij den notaris last mee krijgen, waarschuwde de ex-deurwaarder. — Laat dat maar an mijn ofer, zei tante, en zij smeerde haar derde kadetje. Minachtend keek zij tegelijk naar het dunne boterhammetje met het zachte eitje van den reporter. — Dattis geen ete, dattis een snoepie doen, zei ze. — En wat u doet is uzelf vullen, was het antwoord.

    Dien ochtend dan vulde zij zich. Wolzak at met smaak, de teekenaar proefde van alles, de reporter nam een snoepje en alle vier waren welgemutst. Want de erfenis was nu aan ’t naderen. De artiest had bovendien een teekening waar hij bar trotsch op was en die hij over de jam, de boter en den hagelslag onder ons liet rondgaan. — Heb je ooit zoo’n mooie houtconstructie gezien? juichte hij. Tante keek eens even en gelastte toen aan Wolzak haar het bord met hoofdkaas aan te geven. Wij keken belangstellend en hoorden de voordracht van den artiest aan.

    — Nagenoeg alle oude huizen van Bredevoort zijn nog gemaakt volgens den Saksisch-Middeleeuwschen bouwtrant, in vakwerk, aldus doceerde hij. Dit vakwerk bestaat uit een houten geraamte. De steunpalen, aan de hoeken, waar het noodig bleek deze te zetten, steken niet in den grond (ze zouden dan wegrotten) maar zijn geplaatst op al dan niet behakte zwerfkeien, die de bodem in den Gelderschen Achterhoek met massa’s in alle formaten oplevert. De zware binten zijn alle met lippen, door gaten in de steunpalen bevestigd. De zware binten, ook wel moerbinten genaamd, dragen door inkepingen wederom de kinderbinten. Dit zijn de kleinere balkjes, die zoldering of vloer moeten dragen.

    — Johan, schei uit, ik bin geen timmerman. Wat kanne me die binte ferscheele, riep tante. Wolsak geef mijn de sure paling is an. — Neen, ga door, ik vind het heel interessant, verzekerde de reporter en de teekenaar voer voort. — Op de teekening kan men heel duidelijk zien hoe op werkelijk zuiver constructieve wijze, de verschillende stukken hout zijn opgestapeld, en hoe ze ook zeer rationeel en constructief elkander ondersteunen. In onze eeuw waar men zich zoozeer op de rationalisatie van de bouwkunst laat voorstaan, zou men aan deze constructies, die zoo logisch zijn uitgedacht, nog wel een voorbeeld kunnen nemen. — Jessis Johan, je bederref me heele eetlus! riep tante. Wolsak, sijne er nog eiere? Nee? Geef dan die rosbief maar. En de mosterd mit de peper.

    Met zijn vinger op de teekening bijwijzend verklaarde de kunstenaar de interessante details van de houtconstructie, — De vakken, die ontstonden tusschen het houten raamwerk, werden, wanneer het skelet klaar was, met steenen volgemetseld. Elke horizontale voeg eindigt tegen het houtwerk in een paar ijzeren of soms eikenhouten pennen, die het metselwerk voor verschuiven behoeden. De bovenste lagen, werden niet horizontaal gelegd, maar, schuin tegen den onderkant van het bovenste bint aangewrongen. — Geef mijn maar een krintebroodje. En soetemelleksche kaas d’r op, dat ete se in Friesland altijd en in Friesland wete se het wel.

    De teekenaar bleef bewonderenswaardig professoraal: — Enkel vakken van de oudste huizen waar van sommigen nog uit de 15e of 16e eeuw dateeren hebben nog een andere soort vakaanvulling. Deze is nauw verwant, wat haar oorsprong betreft, aan de wijze waarop men tegenwoordig op rasterwerk van z.g. harmonicagaas, cementmuren aanstrijkt. — Wolsak, ik heb nog wel trek in een hallef kedetje mit bloedworst, sprak tante.

    — De oude huizen van Bredevoort — vervolgde de teekenaar — zijn allen door een brandgang van 30 tot 50 c.M. van elkander gescheiden. Een gemeenschappelijke muur kende men niet. Het feit, dat sommige houtconstructies na meer dan vierhonderd jaar nog goed in tact zijn, pleit wel voor de hechtheid van den bouwwijze. Hier en daar was het echter noodzakelijk ijzerwerk te gebruiken, om het bouwwerk voor inzakken te behoeden. — Nou nog een beschuitje mit hagelslag of mit sjam. En dan gane me na de notaris, sloot tante des teekenaars aangrijpend en boeiend betoog over de Bredevoortsche houtconstructie.

    Dichter bij het doel

    — Of u maar wil binnenkomen in de wachtkamer, zei de klerk van den notaris in Bredevoort en oom en tante Wolzak schreden deftig het aangewezen vertrek binnen. De reporter en de teekenaar liepen mee.

    — Is u ook van de familie? vroeg de klerk. — En of! antwoordde de teekenaar. Met ons vieren zaten nog wel tien lieden te wachten. De notaris was op reis geweest, dus er was wat uitstel van zaken ontstaan.

    — Souwe die allemaal voor de errefenis komme? vroeg tante ongerust. — Bestaat niet. Ik ben de eenige erfgenaam, antwoordde Wolzak fier. — Wat doene se dein tegelijk mit ons hier? Ik fertrouw dat niet. Wolsak je leest alles goed foordat je iets onderteekent, hoor je. — Ja, en vooral ’t geld goed natellen, raadde de reporter. — U hoeft een oud-deurwaarder niet te leeren opzitten en pootjes geven, sprak Wolzak. — Als we eens mee naar binnen gingen, stelde de reporter voor, want hij rook kopij. — Geen pottekijkers. Wolsak en ik mit de netaris en niks meer.

    Wij zaten dus in de wachtkamer zonder plichten en we konden rustig de clientèle van den notaris bekijken, die voor hypotheken, testamenten, koopen en verkoopen, voorschotten en afbetalingen gereed zat en mekaar en ons met wantrouwende blikken monsterde.

    Vooral wij vieren schenen verdacht en werden met dichtgeknepen monden bekeken en ik merkte op dat een paar van de Bredevoortsche heeren, als zij den teekenaar hadden bezichtigd, dadelijk in hun binnenzak tastten of daar de portefeuille met geld nog wel was.

    Ik vroeg aan een der notabelen heel welwillend en hartelijk of hij hier ook soms voor een erfenis kwam en ik kreeg prompt het onheusche antwoord: — Jij mot nooit vrage naar dingen die je niet angaan, jonge man. — Siesoo, die sit, lachte tante en het geheele publiek toonde even belangstelling voor den reporter. Maar die liet zich niet ontmoedigen. — Hoe gaat het met de kalvers en de bigges? vroeg hij aan een anderen cliënt. — Als u daar mijn leerlingen mee bedoelt, is uw vraag hoogst ongepast, jongeling, was het antwoord. Ik ben onderwijzer. Weer had tante Koosje schik. — Pardon, ik had u voor een veeboer aangezien, verontschuldigde zich de reporter. — Dat heeft nog nooit iemand me gezegd. Ik zal maar niet vertellen, waar u op lijkt, was het vinnige antwoord. Ziezoo er kwam wat leven in de brouwerij.

    — Wat denkt u van Abessynië en den negus? vroeg de reporter aan de juffrouw naast ‘m. En hij kreeg een blik zóó minachtend zoo krenkend, dat hij ervan schrok: — Ik bemoei me niet met dingen, die me niet angaan ventje. De teekenaar troostte zijn medewerker: — Je moet nooit in een notariswachtkamer een gewoon praatje willen houden. Daar zijn de menschen niet normaal. Net als in de wachtkamer van den tandarts, als ze door den muur een patiënt op een stoel hooren gillen en de uitgetrokken kiezen kraken. — We gaan Bredevoort maar weer eens bekijken, stelde ik voor. Tante speelt het alleen wel klaar, daar kan geen notaris tegen op. — ’t Is een pak fan me hart dat die nagel an me doodkis d’r uit trek, sprak tante. We wenschten het geheele geselschap hartelijk: „nou sterkte verder” en slenterden het schoone dorp binnen. Eigenaardig, in Bredevoort ontdek je telkens weer iets nieuws en iets bijzonders. De teekenaar sprak het professoraal uit als volgt:

    — Ziet, hier ademt de geheele situatie den ouden geest van late middeleeuwen en de renaissance. Schilderachtig in hooge mate, ondergaat het oog hier telkens een nieuwe bekoring, daar de harmonie in de enkele straten en pleintjes nimmer wordt verstoord door de moderne bouwsels, die in deze omgeving niet zouden passen. Terwijl hij zoo praatte trok hij zijn schetsboek en zette met liefde en talent het hierbij afgebeelde prentje in potloodstrepen neer. Dit sierlijke, dit verwonderlijk fraaie huis heet: de Vischmarkt. Visch was er niet te bekennen, maar ’t heet nou eenmaal zoo, vertelde ons iemand.

    — De naam dateert nog uit den tijd, toen ons Bredevoort als vesting te midden van uitgestrekte moerassen lag. De tegenwoordige verkeersweg, die nu om het stadje heen loopt, ging er toen dwars door heen, onder den naam van Landstraat, of zooals men in het Achterhoeksche dialect zegt Landstraote. Twee poorten, de Winterswijksche en de Aaltensche sloten de moeilijk te veroveren vesting af.

    De moerassen, die de stad omringden, waarvan het zeer uitgestrekte Swanenbroek één der grootste was, zijn nu drooggelegd. Hierdoor is ook het Vischwater verdwenen. En aldus bestaat de Vischmarkt alleen nog maar in naam. De oud zanderige „Landstraote” loopt nu als een mooie fiets- en autoweg door de droogmakerijen, waar groote roggevelden en flinke boerderijen een beeld geven van de tegenwoordige welvaart van de streek.

    Zoo leerden we telkens, op elke wandeling door Bredevoort iets nieuws en het ging ons aan het hart, dat we nu wel weer heel gauw naar Holland terug zouden moeten. Want het erfenisgeval lag nu langzamerhand op apegapen. We wandelden, ’t was drie uur later, weer naar het huis van den notaris, liepen daar wat heen en weer, tot eindelijk de deur open ging en het echtpaar Wolzak verscheen.

    Ik ben nooit voorheen zóó geschrokken. Tante’s hoed stond schreef. Haar mantel hing open. Jonasje lag met zijn staart, in plaats van met zijn kop naar voren in haar trillende armen. Wolzak zelf had een kleur als een verschaalde biet. Zijn weinige haren, waarop hij gemeenlijk zoo zuinig is, stonden als oeverriet na een storm op zijn blanken schedel en zijn lippen trilden. — Hebben jullie met den notaris gevochten? informeerde de reporter. — Zijn jullie zóó blij? Is ’t zóó meegevallen? vroeg de teekenaar. En èèn antwoord met schorre stem uit twee monden raspte: — Gauw in ’t fordje, gauw naar huis!

    Eindelijk de erfenis binnen

    Diep verontwaardigd en teleurgesteld waren de heer en mevrouw Wolzak. — Motte me daarfoor soo fer reise datte we mit onse neus bijna tegen Duisland anstoote! klaagde tante. — Maar tante, we hebben zulke prachtige dingen in deze streek gezien! juichte onze artiest. — Het is een land als nergens anders tusschen Dollar en Schelde: Kijk eens wat ik nog gisteren heb geteekend in Dinxperlo, daar vlak bij de grens, geen tien meter er vanaf! Een Saksische boerenwoning! Meer dan drie eeuwen oud! Dat lijkt niets op een Hollandsch boerenhuis. ziet u wel, tante? Hooischelven, die op onze erven geheel buiten de boerenhuizing staan, kent men hier niet. Men heeft er ook niet zooveel hooi noodig als in Holland. Want veeboeren bestaan in den Gelderschen Achterhoek bijna in het geheel niet. — Lame koud, bitste tante.

    — Het is daar gemengd bedrijf. redeneerde onze artiest onbewogen voort. Land-tuinbouw, en vee. Voor de weinige koeien, die een boer noodzakelijk moet houden, als mest voor het steeds schrale land, is de ruim gehouden zolder van voldoende grootte om het hooi te bergen. Ook de roggeoogst moet op den zolder een plaatsje vinden, daar het dorschen een winterwerkje is.

    De woning is in dit oude huis heel klein, dat begrijpt u wel, tante. Alleen, wat men op de teekening ziet aan den versten hoek. De deur in het midden gaat naar de deel, waar in het verlengde van de woonkamer, maar door een muur daarvan gescheiden, tot in het achterste stuk van het huis, plaats is voor de koeien. De deel loopt geheel door, eveneens tot aan den achtergevel. Het raampje, aan den kant, rechts en ook dat van den zijkant, behoort aan de „Wevekaomer”. Het is de plaats, waar vroeger het weefgetouw stond van den boer.

    Want in den ouden tijd verbouwde men zelf het vlas voor zijn linnen. De vrouwen sponnen het garen, en de mannen weefden van dit garen het linnen voor het dagelijksch gebruik. Weven en spinnen waren evenals het dorschen, winterwerkjes. Dat dit zelf geweven linnen sterk was. begrijpt u toch wel, tante? De weefkamers hebben daar, waar ze nog bestaan, een geheel andere bestemming gekregen. Want sinds de fabrieken haar textielproducten over de wereld verspreiden is het weven en ook het spinnen gedaan.

    Achter de weefkamer vindt u vertrekken om meel te bewaren en deeg te maken. Bakken deed men niet in huis. Daarvoor had men buiten een apart ovenhuisje. Brood bakte men hoogstens ééns per week. Het ovenhuisje bij de boerderij op het Boesveld, is verdwenen. Is dat allemaal niet interessant, tante? — ’t Ken me allemaal niks ferschele, riep tante. Wat een land is ’t hier. Hoe gauwer ’k er weg bin hoe liefer!

    En de erfenis, tante, hoe groot is de erfenis? vroeg de teekenaar op zeer dringenden toon. Want hij is tante Koosje’s naaste erfgenaam. — Maak je maar niet blij mit een dooje mos, Jehan, zei tante. De reporter wendde zich tot den ex-deurwaarder. — Vertel u ons nu eens wat u geërfd hebt, oome Wolzak. De man van tante snoot hartstochtelijk zijn neus en sprak toen de beroemde dichtregelen van zijn bet-over-groot-oud-oom Jacob Cats:

    Wie op een erfenis betrouwt
    Die heeft voorwaar op zand gebouwd
    Hij maakt zich gouden dingen diets
    En krijgt dan later bijna niets

    Zóó ongeveer tenminste luidde zijn reciet, als ik me niet vergis. — Hoeveel? vroeg de teekenaar met heesche stem.

    En het antwoord luidde, op somberen notarieelen toon: —Eén honderd zeventig gulden twee en een halve cent benevens een oud kinderledikantje. Wij keken elkaar ontsteld aan. Mocht dit ten erfenis heeten? ƒ 170.02½ en een ledikantje. Wij zwegen en bestegen ons Fordje. In weemoedige stemming reden we huiswaarts. Och, laat ik van de rest maar liever zwijgen. Het was een nare reis. Alleen een enkel document moge u worden overgelegd. De rekening door oome Wolzak met beëedigde accountantsnauwkeurigheid op het eind van de reis opgemaakt van onzen tocht naar Bredevoort:

    Vertering onderwegƒ 0.50
    Aspirine, pleister en laxeerpillenƒ 1.50
    Eén bekeuringƒ 2.50
    40 Liter benzine à 11 ct.ƒ 4.40
    Vier nieuwe bandenƒ 100
    Tol te Bodegravenƒ 0.10
    Olie 2 literƒ 1.50
    Eén kip overredenƒ 2.15
    Logies 4 personen en een hondjeƒ 56.95
    Extra fooienƒ 0.42½
    Totaalƒ 170.02½

    Zoodat we dus voor een oud kinderledikantje heelemaal naar de Duitsche grens zijn gereisd.

    Bronnen


  • Jan Bennink bouwde een zweefvliegtuig

    Jan Bennink bouwde een zweefvliegtuig

    Aaltensche Courant, 2 oktober 1934

    Het schitterende weer der laatste dagen, echt zomersch weer, met veel zonneschijn en milde temperatuur, lokt nog velen naar buiten naar bosch en heide. Wandelaars en de meer gehaasten die per rijwiel er op uittrekken, kiezen voor hun uitstapjes dikwijls den mooien Zelhemschen weg (de tegenwoordige Romienendiek, red.), de oude Hessenweg.

    Vrijdag was naast het natuurschoon nog van iets anders te genieten. Een aantal jongelui zwoegden voor een karretje, beladen met vreemdsoortige constructies, door den mullen weg. Af en toe even uitblazend, werd druk gebabbeld en gegesticuleerd. Blijkbaar was er iets bijzonders aan de hand. Wie z’n nieuwsgierigheid wilde bevredigen, kon dit slechts ten koste van een behoorlijke wandeling. Telkens verder trok het gezelschap, na elke korte rustpoos met hernieuwden ijver trekkend of duwend. Ter hoogte van de Schaapskooi gekomen, ging de colonne rechts af en aan den zoom van de bosschen op de hoogte voor het vlakke ontgonnen terrein, waar hier en daar nog de bloeiende lupinen felle, hel gele plekken op de bruingrijze oppervlakte teekenden, werd halt gemaakt.

    Van uitblazen nu geen sprake meer. Drukke beweeglijkheid nu, rappe handen pakten voorzichtig de geheimzinnige voorwerpen van den wagen en legden deze zorgvuldig volgens een bepaald plan op den daar mooi gelijken heidegrond. Tangen en sleutels, bouten en moeren kwamen voor den dag. Met zorg en overleg werden de verschillende voorwerpen aan elkaar verbonden, er kwam nu teekening in het werk. Wat stond hier te gebeuren?

    Een soort slede met zitplaats en daarvoor een draaibare stok waarop de voeten een plaats kunnen vinden. Daarachter een paar opstaande buizen, stevig aan de slede bevestigd. Nu komen een paar groote platte stukken aan de beurt. Constructie van buis en latten, met linnen bespannen, overplakt met papier, ongeveer ter lengte van 9 meter bij ruim een meter breedte. Met vereende krachten worden deze stukken op de opstaande buizen gelegd en met bouten bevestigd. Spandraden zorgen voor den juisten stand. Het geheel krijgt nu den vorm van een grooten vogel. Nog rest de staart welke eveneens spoedig is aangebracht en voor ons staat een, hoewel niet volgens alle eischen geconstrueerd, toch heel aardig zweefvliegtuig met hoogteroer en richtingsroer aan de staart, echter zonder ailerons aan de achterzijde der vleugels.

    Nu wordt alles nog eens grondig gecontroleerd, moeren nog eens nagetrokken, spandraden iets bijgesteld en dan zal de eerste proef worden genomen. De startkabel, in dit geval een aantal binnenbanden, wordt bevestigd, het toestel naar den rand der helling gesleept en de bestuurder neemt op de slee plaats. De voeten op het „stuur”, even gecontroleerd of dit werkt, en ja ’t gaat best. De roeren luisteren naar den minsten druk van den voet.

    Nu is het groote moment gekomen. De verwachting is hoog gespannen. Zal het lukken? Een deel der helpers plaatst zich achter de machine en houden deze tegen, een ander deel gaat naar de sleepkabel en trekt, trekt uit alle macht om een zoo groot mogelijke spanning te krijgen. Immers hoe grooter snelheid bij den start, hoe grooter de kans op los komen van den grond. Ook de wind spreekt een woordje mee. Echter die laat op zich wachten, ’t is absoluut windstil.

    Toch maar even probeeren. Harder trekken de helpers, nog één rukje en met een fluitend geluid knapte de tot het uiterste gespannen gummikabel door. Een mengeling van verdriet en plezier. Verdriet over den tegenslag, plezier over de dapper in het zand bijtende helpers, die kopje duikelend de helling afrolden. Spoedig echter is de kabel weer hersteld. Een ervaring rijker, wordt opnieuw gestart, nu met wat minder energie. Dan klinkt het commando van den bestuurder „los”.

    Met een ruk komt het gevaarte naar voren en glijdt een eindweegs over den grond, komt zelfs reeds iets los van den grond. Van zweven echter nog geen sprake. Dan maar weer terug naar de startplaats. Het hoogteroer wordt wat steiler gezet en opnieuw wordt gestart. En ja, nu gaat ’t beter. Duidelijk komt het vliegtuig los van den grond, doch komt een eind verder wat ongelukkig terecht. Zonder al te groote beschadiging echter.

    Nogmaals terug naar de startplaats. Alle goede dingen in drieën. Wederom trekken de helpers uit alle macht, weer klinkt het commando „los” en weer stuift de vogel naar voren, nu met nog steiler hoogteroer en ja, nu gaat het omhoog. Over een stroomijt zweeft deze zwijgende vogel, doch raakt met één der vleugels een tak van een boom. De vleugel breekt af en als een vleugellam geschoten vogel gleed de machine neer en kwam met een krak op den grond terecht, onherstelbaar beschadigd.

    Het werk van maanden lang zwoegen in vrije uurtjes was in één slag vernietigd. Het nog bruikbare materiaal werd gesloopt en weer op de handkar geladen, en een minder enthousiaste troep trok weer naar het dorp. Minder enthousiast dan op den heenweg, doch de constructeur, de 17-j. electricien Bennink was niet ontmoedigd. ’t Ging immers! ’t Moest mogelijk zijn met een zelf gebouwd, doch wat beter geconstrueerd toestel van stabiler bouw. De plannen hiervoor werden reeds gemaakt en dat geteekent hier dat we dit ondernemend jongmensch over eenigen tijd wel weer een poging zullen zien wagen. Geleerd door de ervaring zal een volgende poging wel meer kans van slagen hebben.

    De bouwer van het zweefvliegtuig, Jan Bennink, woonde op de Kattenberg in Aalten. Negentig jaar later werd een zelfgebouwd zweefvliegtuig van Jan Bennink vlakbij zijn ouderlijk huis teruggevonden, op de zolder van een pand aan de Lichtenvoordsestraatweg, waar destijds een vriendje van hem woonde. Wellicht dat deze het kort na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog uit voorzorg heeft verstopt, nadat Bennink op het politiebureau was ondervraagd over zijn vlieghobby.

    Bronnen


    • Aaltensche Courant, 2 oktober 1934 (Delpher)
    • Aaltensche Courant, 5 oktober 1934 (Delpher)
    • De Graafschapbode, 3 oktober 1934 (Delpher)
    • De Gelderlander, 10 juli 2024 (Gelderlander.nl)
  • Scheren „op de oldewetse maniere” te Breedevoort

    Scheren „op de oldewetse maniere” te Breedevoort

    De Graafschapbode, 23 maart 1934

    In onzen Achterhoek met zijn roemruchte geschiedenis is Breedevoort met Groenlo en Lichtenvoorde een der weinige vestingstadjes van weleer, waar de geest en de sfeer der vorige eeuw nog geheel of grootendeels bewaard zijn gebleven. Breedevoort spant in dit opzicht van deze drie evenwel de kroon en men vindt hier dan ook veelvuldiger dan in Groenlo of Lichtenvoorde de zichtbare kenteekenen daarvan.

    De tijdgeest schijnt hier — gelijk heden ten dage het snelverkeer er zijn weg baant niet dóór, maar langs de kom, het stadje voorbij te zijn geraasd. Het geheel maakt trouwens min of meer den indruk, of deze „stad,, met zijn pittoreske geveltjes en stuntelige smalle straatjes, waar de knusse verweerde huisjes in wanstaltige gedaanten aaneenklonteren, altijd zal blijven dommelen in zalige sfeer van gemoedelijkheid, waarbij begrippen als snelverkeer en moderne woningbouw geheel uit den toon vallen.

    De bewoners zijn met deze sfeer van gemoedelijkheid saamgegroeid van geslacht op geslacht en schijnen zich behaaglijk te gevoelen in hun betrekkelijk isolement buiten het jachtende zenuwspannende zakenleven rondom. Niemand hunner, die ook maar een poging waagt, daarin verandering te brengen en zoo treft men er heden ten dage dan ook nog gebruiken en toestanden aan, die in de meer moderne samenleving allang naar het rijk der historie zijn verwezen.

    Dit bleek ons op treffende wijze, toen wij er Zaterdagavond een gesprek hadden met een der bewoners, welk onderhoud wij afbraken, omdat ons gezelschap tijdig thuis wilde zijn, om vóór den Zondag behoorlijk geschoren te kunnen worden.

    Scheren, m’nheer? Nergens beter, vlugger en goedkooper dan in Breedevoort!

    „Als dat de zaak is, dan hoeft u zich niet te haasten, want dat is hier in Breedevoort het werk van een oogenblik. Wij hebben hier een behoorlijk ingerichte scheersalon, maar bovendien ook nog „’n scheerbaas” van den ouden stempel, den scheert ow op de olderwetse maniere. Dat kost ow heelemaol vijf centen. Da’s nog wel is aardig veur owluu persmenschen, um dat is te beleven…”

    Inderdaad, dat vonden wij ook en toen men ons den dwaalweg door het stadje naar den „salon” van „den olden scheerbaas” Gerardus Frenken in de zgn. „olde Hozze” had uitgeduid, reden wij met onze auto derwaarts.

    Het felle schijnsel der autolampen gleed langs de grauwgrijze geveltjes, die als spookgestalten uit het donker tevoorschijn traden en weldra bereikten wij via den Ambthuiswal het meest antieke „stadsdeel” van Breedevoort, de zgn. „olde Hozze”. Een samenvoeging van enkele kromme straatjes en nauwe steegjes, waar onze tegen een der verweerde bouwvalletjes geparkeerde auto in zijn glinstering van lak, nikkel en spiegelglas met zijn omgeving wel een heel schril contrast vormde tusschen den ouden, en den nieuwen tijd. Links en rechts werden deurklinken opgetild en kwamen schuchter de bewoners naar buiten turen. Vreemde menschen met een auto op dit late ongewone uur in de buurt? Wat zou dat te beteekenen hebben? Een der nieuwsgierigen, dien wij naar het juiste adres vroegen waar we zijn wilden, wees ons het sobere woninkje met den vinger aan: „Hierzoo, meneer, daor woont-e… Loop d’r maor in, dan vin i’j van eigens den scheerwinkel.”

    Een gemoedelijk praatje in den scheerwinkel van „baas Frenken”.

    Over een vrij hoogen steenen drempel stapten wij de schamele woning binnen, waar een klein petroleumlampje, midden op de tafel geplaatst, een spookachtig schijnsel wierp in de duistere kamerholte. Via een nauw doorgangetje bereikten we een langwerpig smal loodsje van ca. 2 bij 4 meter, met steenen tegels bevloerd, waarbij een brandende gaslamp het eenige was, dat ons aan den hedendaagschen tijd herinnerde. In deze bescheiden ruimte bleek de „scheersalon” ondergebracht. Geheel aan ’t eind stond een schamele tafel en een „scheerstoel”, een gewone knopstoel zonder hoofdleuning. Niets herinnerde hier aan een „kapperswinkel”, omdat een spiegel, een waschtafel en alle verdere noodzakelijke attributen voor een scheersalon hier te eenenmale ontbraken. Geen witte jas, geen fleschjes odeur, geen leestafeltje, kortom niets, maar dan ook letterlijk niets, dat aan een scheersalon doet denken.

    Hier zwaaide de welhaast 71-jarige scheerbaas Gerardus Frenken den scepter, d. w. z. zijn scheermes. In een blauwe kiel, pilo-broek en op klompen troffen we hem bezig, een zijner vaste klanten te barbieren, terwijl een drietal andere scheerklanten hier in gemoedelijken kout hun beurt afwachtten, gezeten op verweerde stoelen, die langs de zijwanden van het loodsje stonden gegroepeerd.

    Onze onverwachte komst deed de aanwezigen vreemd opkijken en de conversatie stokte natuurlijk onmiddellijk, nadat ons „goeien aovond samen” min of meer schuchter was beantwoord. Met een gemoedelijk babbeltje over het weer — in een scheerwinkel nog maar steeds „je’ methode om gesprekken op gang te brengen — was echter spoedig „het ijs gebroken” en toen vlotte het weer als vanouds.

    „Derk en Bearnd onderhielden zich „ovver ’t eapels potten”, dat Derk nog „wat vrog af was” en waarbij verschillende soorten piepers als Roode Star, Keizerkronen, Oelenkronen en Veldbeumers de revue passeerden. Onderwijl hadden weer drie „’t gezichte schoon”, waarvan de laatste operatie op de gevoelige plaat was „vastgelegd”. Dan was een der beide ons vergezellende photografen aan de beurt (zie foto) en begon het feest opnieuw: Rechtop zitten, bakje met warm water vasthouden, linnen lapje op den schouder… en meteen was de kranige oude barbier alweer aan den slag. Met de bloote hand maakte hij het gezicht nat, een stukje zeep werd er langs de kwast er eventjes overheen en daar streek het vlijmscherpe mes onhoorbaar langs wangen en hals. In een ommezien, nog binnen de vijf minuten, was het gebeurd.

    „Dat gaat hier vlug,” waagden wij op te merken, waarop een der „vaste klanten” inviel: „Jao, dat mot ook. Maor den man hier kan d’r met ummegaon. Veural met owluu, i’j hebt nog al neet völle an den bek an zitten…”

    Onze fotograaf rijst overeind en grijpt, evenals zijn voorgangers, den zakdoek om zich de restanten zeep van het gezicht te vegen. Want afspuiten, bewerking met aluinsteen, afdrogen en poederen is hier taboe.

    „Met dee fratsen hollen wi’j ons hier neet op.”

    „Vraagt u den klanten nooit of het mes goed is of trekt?”

    „Waorumme zo’k dat doon? Dat veult ze eiges wel…”

    „Den scheerbaas in Zieuwent scheerden vrogger nog anders,” mengde een oud mannetje met ’n baard zich in ’t gesprek. „Den spo’j ow maor zoo in ’t gezichte en dan zeep en kwast d’r maor aover hen… Toe maor jonges…” (Hilariteit.)

    „Maor weet i’j den juusten tied, Willem? Wat zeg i’j, half negen?? Bu’j wal good, i’j met ow Bookelsen punder…”

    Dan strompelen beide oudjes op hun klompen door het loodsje, door het gangetje en verder door de in ’t halfdonker gehulde huiskamer naar buiten, zich nog wat „um ’t gezichte vegend”, druk babbelend de frissche buitenlucht tegemoet.

    De laatste klant, voor dat oogenblik althans, is geschoren en wij maken een praatje met den ouden scheerbaas, die men nauwelijks 60 in plaats van 71 jaar zou geven.

    Uit zijn levensloop, die niet altijd over rozen ging, stippen we aan, dat zijn oorspronkelijk ambacht eigenlijk wever is op een textielfabriek in Bocholt. Dat hij vroeger in den oogssttijd van ’s morgens 6 tot ’s avonds 8 uur ging roggemaaien in Duitschland, wat aangenomen werd per „scheppelszaod” en dat hij al z’n leven hard heeft moeten ploeteren voor een schamel stukje brood. Het leed is hem en zijn vrouw daarbij niet gespaard gebleven, want al zijn vier kinderen – twee dochters en twee zoons – zijn hun in den leeftijd van 18 tot 19 jaar helaas door den dood ontnomen. Het wreede noodlot heeft dit menschenpaar in hun grauwe werkbestaan dus allerminst gespaard.

    Sinds 35 jaren nu is de scheerwinkel, die goed beklant is, hun voornaamste bron van inkomsten en verder voorzien hij en z’n vrouw in hun sober levensonderhoud door het bewerken van een stukje grond, dat hun eigendom is. Zoo strijden zij hun moeilijken strijd, doch niettemin opgewekt, met levensmoed en levensdurf. Doch beiden zijn ze gezond en tevreden met hun deel…

    Old Aalten heeft onderzocht wie deze “scheerbaas” Frenken was. In het artikel wordt hij Gerardus genoemd, maar deze naam konden wij in de archieven uit die tijd niet terugvinden. Mogelijk heeft de auteur de naam verkeerd verstaan of onthouden? Het artikel vermeldt ook dat hij op dat moment bijna 71 jaar oud was, zijn oorspronkelijke beroepen (veldarbeider en wever), dat zijn vrouw nog leefde, maar dat hun vier kinderen waren overleden.

    Met behulp van deze informatie concluderen wij dat de barbier niemand anders kan zijn dan Johannes Hendrikus Frenken, geboren op 8 juni 1863 (overleden op 4 mei 1936) en wonende aan de Ambthuiswal 24.

    Heeft u aanvullende informatie, dan horen we dat graag!

    Bron


  • Twee inbraken gepleegd te Aalten

    Twee inbraken gepleegd te Aalten

    Op 26 januari 1934 stond de 33-jarige B. K. uit Aalten terecht voor de Rechtbank te Zutphen. Hij was op dat moment gedetineerd in het Huis van Bewaring aldaar. K. werd beschuldigd van diefstal van een kistje sigaren en enige halve markstukken uit het kantoor van de Chemische Wasscherij „de Slinge” op 3 december 1932 en het stelen van boter, sigaren, doosjes sigaretten, kaas, worsten en 3 tassen op 10 Juli 1933 uit de winkel van Te Brake op de Kattenberg.

    De chef-gemeenteveldwachter te Aalten, de heer Wijnants, werd tijdens de rechtszaak als getuige verhoord. Hij verklaarde op 4 december 1932 te hebben gezien dat in het kantoor van de chemische wasserij „De Slinge” aldaar een ruit was vernield. De directeur van de wasserij, Van de Kamp, had hem gewaarschuwd dat er een inbraak was gepleegd. Getuige heeft toen een onderzoek ingesteld.

    In Juli 1933 werd getuige gewaarschuwd dat in de winkel van Te Brake was ingebroken. Ook hier was een ruit verbrijzeld. Verschillende artikelen waren ontvreemd. Op een flesje vond getuige vingerafdrukken.

    Deze vingerafdrukken heeft hij vervolgens laten onderzoeken door het Commissariaat van Politie te Amsterdam, waar de commissaris van politie, de heer Van IJsendijk het onderzoek verrichtte. Deze had de vingerafdrukken van verdachte vergeleken met de gevondene en concludeerde dat ze van verdachte afkomstig moesten zijn.

    Desondanks bleef de verdachte volhouden dat hij niets met deze zaak te maken had.

    Volgens de Officier van Justitie was het wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte schuldig was ten volle geleverd. Verdachte had bovendien al meerdere strafdelicten op zijn kerfstok en een flinke straf was zijns inziens dan ook op zijn plaats. De eis bedroeg 8 maanden gevangenisstraf.

    De rechter veroordeelde K. uiteindelijk tot 6 maanden gevangenisstraf.

    Bronnen


    • De Graafschapbode, 26 januari 1934 (Delpher)
    • De Graafschapper, 30 januari 1934 (Delpher)
    • Arnhemsche Courant, 20 april 1934 (Delpher)
  • Fort Honswijk-dag te Aalten

    Fort Honswijk-dag te Aalten

    De Graafschapbode, 16 januari 1933

    Zaterdagmiddag had in het café-restaurant „De Geldersche Keuken” van den heer G.J.Joh. Degenaar te Aalten, een bijeenkomst plaats van de „Honswijkers” uit De Graafschap, d.w.z. van allen, die Augustus 1914 tot en met 1915 dienden in het Fort Honswijk. Deze samenkomst stond onder leiding van den WelEd. Gestr. Heer Overste Captijn te Zeist, die destijds als kapitein het commando had over dit fort. De geest van de bezetting van dit fort moet daar destijds bijzonder goed geweest zijn, zoodat er een zeer sterk gevoel van kameraadschap ontstond tusschen officieren en minderen. Dit kameraadschapsgevoel was zoo sterk, dat reeds toen besloten werd nog eens allen weer samen te komen op dit fort. Hiervan is echter, door de moeilijke oorlogs- en na-oorlogsche jaren nooit iets gekomen. Nu echter, na twintig jaar, blijkt het kameraadschapsgevoel nog zoo te zijn, dat in het volgende jaar bedoelde samenkomst zal worden gehouden.

    Nadat allen successievelijk gearriveerd waren en een foto gemaakt was, heette de heer Captijn allen welkom en sprak daarbij ongeveer de volgende woorden: „Als leider van den „Honswijkdag 1934” heet ik U allen hartelijk welkom op deze samenkomst in dit „Honswijksche huis”. Want zoo mag ik thans zeker wel deze woning noemen, waar met U allen tegelijk de geest van „Honswijk” is binnengestroomd en de sfeer van ons Honswijks verleden weer merkbaar en voelbaar geworden is. En toch liggen bijna 18 jaren tusschen ons verleden en ons heden, toch ligt er een geheele wereldverandering tusschen het toen en het nu.

    Te grooter is daarom onze vreugde en onze dankbaarheid. Spreker richt hierop den blik naar het toekomstplan van de Honswijksche kameraden uit andere deelen van het land, n.l. een groote samenkomst op Hemelvaartsdag 1934 van alle Honswijkers uit Nederland. Moge — zegt spr. — ieder onzer de verwezenlijking van deze Honswijksche illusie beleven. Hij denkt hierbij aan de Kameraden, die reeds zijn heengegaan. Spr. vermeldt in dit verband, dat door een vergadering van Honswijkers te Arnhem (5 Sept. j.l.) besloten was, in de week, voorafgaande aan den Honswijkdag, een palmtak met lint te leggen op het graf van ieder Honswijker, die inmiddels overleden is. Op het lint zal het woord „Honswijk” staan. Tevens vernamen we, dat in een vergadering van Honswijkers te Utrecht (3 October j.l.) zonder hoofdelijke stemming was aangenomen het voorstel om in den vervolge ieder Honswijksche kameraad, die overlijdt, de laatste eer te bewijzen door in den geest als door de Arnhemmers is bedoeld, een palmtak met lint op zijn baar te leggen.

    Spr. wees erop, dat deze besluiten genomen waren na 17 jaar, door mannen, die inmiddels vrije, onafhankelijke burgers geworden waren. Hij verheugde er zich in, dat ook de Graafschappers als vrije onafhankelijke burgers geworden waren. Hij verheugde er zich in dat ook de Graafschappers als vrije onafhankelijke burgers nog met dezelfde kameraadschappelijke gevoelens waren bezield als in 1914—1915, getuige haar overtalrijke opkomst tot zelfs van heinde en ver. Hij sprak den wensch uit, dat het nieuwe plan voor alles tevens een blijde afleiding zou zijn in deze zoo verschrikkelijk slechten tijd, waarin zoovelen, door de dagelijksch terugkeerende zorgen, behoefte hebben aan eenige opwekking, aan een klein straaltje levensvreugd.

    De financieele regeling, aldus spreker, heeft zoodanig plaats gehad, dat ook de kameraden, die door de tijdsomstandigheden niet in staat zijn eenige contributie toe te zeggen, aan den Honswijkdag kunnen mededoen. Arnhem en Utrecht hebben gezegd, dat geen Honswijker in Nederland aan een station mag worden achtergelaten. In het vaststellen van de contributie houdt men rekening daarmee. Wie meer dan de gemiddelde contributie geven kan, geeft meer. Verder deelt spr. mee, dat de Honswijkdag een dag zal worden van ontmoeting en van herinneringen tevens.

    Een programma in dien geest is ontworpen en door Utrecht en Arnhem bij acclamatie aangenomen. Ook door de Graafschappers wordt het ontworpen programma met gejuich ontmoet. Het bevat: ontvangst te Utrecht en vereenigen in de zaal van het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, daarna, wanneer dit door de autoriteiten goedgekeurd wordt, rit per autobus naar het fort, waar aan het „Honswijksche hek” een metalen lauwerkrans met het jaartal 1934 zal worden bevestigd. Verder plechtige herdenking van de overleden kameraden met zoo mogelijk 1 minuut luiden van de fortbel, zooals dit in 1914-1915 ook bij begrafenissen van overleden kameraden gebruikelijk was. Daarna zal de dag verder genoegelijk doorgebracht worden. Ook de vrouwen der Honswijkers zullen aan den grooten dag kunnen deelnemen.

    Na deze met gejuich ontvangen mededeelingen van den heer Captijn, offreerden de aanwezigen, bij monde van den heer G.J.Joh. Degenaar, een prachtige bloemenmand aan hun vroegeren commandant. De heer Captijn dankte zeer geroerd voor deze hulde. Verder werd de middag zeer genoegelijk met Honswijksche liederen in Honswijkschen geest doorgebracht tot eindelijk allen naar hun diverse woonplaatsen moesten vertrekken.

    Vermelden we nog, dat er gelukstelegrammen en brieven waren van de Honswijkers uit Groningen, Friesland, Utrecht, Noord-Holland, Zeeland en Limburg.

    Het is zeker een unicum in ons land, dat een dergelijk kameraadschappelijken geest na 20 jaren nog bestaat en het moet wel een zeer tactvolle, en met de jongens in alles meelevende commandant geweest zijn, waarbij dezen geest kon, en door zijn omgang móest ontstaan! Dat de heer Captijn deze gave bezit, bleek Zaterdag ten volle!

    Bronnen


  • Broedermoord in Aalten

    Broedermoord in Aalten

    Op vrijdag 24 april 1931 werd de 24-jarige Anton Prinsen dood gevonden op de deel van zijn ouderlijk huis in ’t Dal. De gewaarschuwde arts vermoedde al spoedig dat er mogelijk een misdrijf in het spel was. Het gebeuren veroorzaakte grote opschudding in het dorp en kwam landelijk in de pers.

    Anton Prinsen woonde samen met zijn broer Derk Jan (1908) en hun moeder, de weduwe Mina Prinsen-te Kiefte (1873), in een boerenhuis met het toenmalige adres Aalten A160. Bij de adreswijziging in 1934 werd dit ’t Dal 14. Het schijnt, dat bij de familie Prinsen herhaaldelijk heftige onenigheden voorkwamen. Beide broers stonden als zeer ruw bekend.

    Die betreffende vrijdagmorgen om ongeveer half acht werd dokter Hartman door een buurjongen gewaarschuwd dat Anton Prinsen op de deel was gevallen. Prinsen zou die bewuste ochtend een partijtje kunstmest naar het land brengen en daarvoor van ene V. een paard lenen. Toen dit niet gehaald werd ging men kijken en vond het lichaam op de deel liggen. Toen de dokter ter plaatse kwam, bleek Anton reeds te zijn overleden.

    Als tragische bijkomstigheid werd ook nog vermeld, dat het slachtoffer de woensdag voor zijn overlijden in ondertrouw was gegaan.

    Mogelijk misdrijf

    Door de ligging van het lijk en de zichtbare uitwendige verwondingen, constateerde dokter Hartman dat er mogelijk sprake was van een misdrijf. De burgemeester en de chef-veldwachter werden gewaarschuwd en verschenen ter plaatse. Zij stelden onmiddellijk een onderzoek in en namen de huisgenoten, moeder en zoon, alsmede de personen, die na het ongeval ter plaatse waren geweest, een verhoor af. Moeder en zoon verklaarden dat Anton was gevallen en zodanig met zijn hoofd op een trekwagen terechtgekomen, dat hij hieraan was bezweken. Het onderzoek versterkte echter het gerezen vermoeden van een misdrijf en telefonisch werd het parket te Zutphen gewaarschuwd.

    Het lijk werd voorlopig in beslag genomen en door de politie bewaakt. Omstreeks half drie in de middag verscheen de officier van justitie, mr. Baron Speyaart van Woerden, de rechter-commissaris, mr. Mees, de griffier, mr. Meindersma en twee artsen voor sectie-onderzoek. Later arriveerde ook een politie-deskundige, dr. Hesselink uit Arnhem.

    De rechter-commissaris verhoorde de broer van de verongelukte, doch hij ontkende alle schuld. Nadat dr. Hesselink enige foto’s van de ligging van het lijk had gemaakt, werd het lijk per politie-brancard naar het Rusthuis overgebracht. Ondertussen zochten de deskundigen en de chef-veldwachter naar bloed- en andere sporen. Men ontdekte deze onder andere op de muren, de buitendeur van de deel en op enkele zakken graan.

    Arrestatie

    Sectie op het lichaam van het slachtoffer duidde erop dat deze door wurging om het leven was gekomen. De broer van de verongelukte werd gearresteerd en in verzekerde bewaring gesteld. De arrestant werd te voet naar het politiebureau overgebracht, onder belangstelling van een grote menigte, die druk het geval besprak. Daar werden overigens nog kamervragen over gesteld door Tweede Kamerlid mevr. Bakker-Nort. De Minister van Justitie antwoordde dat “uit een onderzoek is hem gebleken, dat de betrokken verdachte in den avond van Vrijdag 24 April 1931 omstreeks negen uur ongeboeid van zijn woonhuis naar het politiebureau te Aalten en zeer spoedig daarop van dat bureau naar de arrestantenlokalen, het geheel over een afstand van ongeveer 750 m, is overgebracht geworden. Daar geen ontvluchting werd gevreesd, de houding van het publiek rustig was en de verdachte in stede van eenige bedenking tegen de overbrenging te voet te uiten, zich zeer onverschillig toonde, hebben de met de overbrenging belaste politiebeambten blijkbaar geen reden gevonden om voor die overbrenging bij avond over den betrekkelijk korten afstand naar een vervoermiddel uit te zien. De minister meent, dat onder de gegeven omstandigheden, en daar het gebruik van een celwagen uiteraard was buitengesloten, op de wijze, waarop de verdachte werd overgebracht, bezwaarlijk gegronde bedenking kan vallen“.

    Zaterdagmorgen om 8 uur is de verdachte naar Zutphen overgebracht en daar ter beschikking van de Officier van Justitie gesteld. Bij het tramstation riep hij alle bekenden een “Mòjn” toe.

    Bekentenis

    Enkele dagen later legden moeder en broer alsnog een volledige bekentenis af. Volgens hen ging het als volgt:

    Vrijdagmorgen vroeg riep de weduwe Prinsen haar zoon Anton om de koeien te melken. Deze jongeman heeft toen eenige zeer onbehoorlijke uitdrukkingen tegen zijn moeder gebezigd en is toen begonnen te melken. Toen zijn moeder hem tijdens het melken van de tweede koe riep te komen eten, antwoordde hij: “Och olde, ik snie oe leever in reepen“. Daarop is de andere zoon Derk zijn broer aangevallen en er ontstond een hevige worsteling. Plotseling bemerkte Derk Jan, dat hij zijn broer Anton te hard de hals dichtgedrukt had. Hij riep: “Mooder, mooder, ik heb ‘em dood emaakt! Zeg toch niks, maak mien niet ongelukkig!

    Beiden hebben toen afgesproken niet de waarheid te vertellen maar bedachten een valse verklaring. Het zou voorgesteld worden, dat Anton gevallen was met het hoofd op een wiel van een trekwagen en dat dit de dood ten gevolge had gehad. Dit hebben zij dan ook vrijdagmorgen aan dokter Hartman en aan de burgemeester en de chef-veldwachter verteld.

    Het Limburgsch Dagblad meldt op 4 mei nog dat ook de moeder is aangehouden, wegens medeplichtigheid en zelfs het wurgen van het bewusteloze slachtoffer. Deze aanklacht is vermoedelijk later weer ingetrokken, want de rechtbankverslagen melden hierover niets.

    Rechtszaak

    De Rechtbank in Zutphen veroordeelde Derk Jan Prinsen bij vonnis van 23 oktober 1931 tot 10 jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. Zowel de verdachte als de officier van justitie gingen tegen deze uitspraak in beroep. Verdediger was Mr. H. Maten, advocaat te Arnhem.

    In de hoger beroepzaak verklaart een getuige over de verdachte: “Hij heeft een beperkt intellect, is achterlijk en schuw“. Ook vermeldt het rechtbankverslag dat verdachte “uit een moeilijk milieu komt, dat het gezin niet gunstig bekend stond en dat herhaaldelijk diefstallen enz. voorkwamen“.

    De Arnhemsche Courant had kort na het misdrijf gemeld dat de aangeklaagde ook verdacht werd van aanranding van een 14-jarig meisje in Lintelo. Daarover wordt in het rechtbankverslag overigens niets gemeld.

    Donderdag 4 februari 1932 oordeelde het Gerechtshof te Arnhem dat de dader niet de opzet had zijn broer te doden, zodat men hier ‘slechts’ te doen had met het misdrijf van mishandeling den dood tengevolge hebbende. De maximumstraf op dat misdrijf was zes jaar, en die maximumstraf werd hem dan ook door het Hof opgelegd, zonder aftrek van voorarrest. Prinsen heeft hier vier jaar van uitgezeten, waarna de straf werd omgezet in een voorwaardelijke.

    Anton Prinsen werd begraven op de Oude Begraafplaats aan de Varsseveldsestraatweg.

    Dader gaat voort op het slechte pad

    Ruim tien jaar later, op 3 maart 1943, schrijft dagblad Het Volk:

    “De dader van de moord op den zevenjarigen Guusje Zadelhof, die Zondag jl. te Hummelo werd gepleegd, de 34-jarige D.J. Prinsen uit Aalten, heeft zich ongeveer tien jaar geleden ook schuldig gemaakt aan moord op zijn broer, dien hij bij een vechtpartij door worging om het leven gebracht.

    Dit is niet het enige misdrijf dat op zijn straflijst prijkt. Op 5 februari j.l. was hij juist uit de gevangenis ontslagen, waar hij een jaar had doorgebracht wegens kippendiefstal.

    Naar wij vernemen, heeft dr. Hulst uit Leiden sectie verricht op het lijk van het jeugdige slachtoffer. Het is niet uitgesloten, dat de moordenaar den jongen eerst stokslagen gaf. Daarna is hij met een bijl geslagen.”

    De Arnhemse rechtbank veroordeelde de inmiddels 34-jarige landbouwersknecht voor dit misdrijf tot 15 jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en daarna tbs.

    Het jongetje werd vermoord nadat hij die zondagochtend de schuur bij zijn ouderlijk huis betrad om zijn konijnen te voeren. Vermoedelijk had hij daarmee Prinsen gestoord, die daar de nacht had doorgebracht.

    Bronnen


    • Graafschapbode, 27 april 1931 (Delpher)
    • Graafschapbode, 29 april 1931 (Delpher)
    • Limburgsch Dagblad, 4 mei 1931 (Delpher)
    • Arnhemsche Courant, 5 mei 1931 (Delpher)
    • Graafschapbode, 1 juni 1931 (Delpher)
    • Graafschapbode, 23 oktober 1931 (Delpher)
    • Graafschapbode, 5 februari 1932 (Delpher)
    • Graafschapbode, 19 februari 1932 (Delpher)
    • Dagblad van het Oosten, 2 maart 1943 (Delpher)
    • Het Volk, 3 maart 1943 (Delpher)
    • Dagblad van het Oosten, 9 juni 1943 (Delpher)
  • Goede samenwerking politie Aalten en Bocholt

    Goede samenwerking politie Aalten en Bocholt

    Aan de gemeente-politie werd door de Bocholtsche politie telefonisch medegedeeld dat aldaar 2 Hollanders op verdachte wijze een rijwiel te koop aanboden. Twee onzer polietie-agenten vertrokken hierop naar Bocholt en troffen daar de verdachten aan, zijnde H. C. S. en M. v. d. Sch. Beide personen voldeden aan het verzoek om mede naar Aalten te gaan en bij onderzoek bleek dat beiden te Doetinchem woonachtig waren.

    Uit een telefonisch onderhoud met de politie bleek, dat door middel van braak een rijwiel was ontvreemd op den Vijverberg en het rijwiel dat S. bij zich had kwam geheel overeen met de gestolen fiets. Beide rijwielen zijn daarop in beslag genomen en de verdachten zijn vervolgens geboeid naar Doetinchem overgebracht, waar de zaak verder zal worden onderzocht. Het blijkt nader dat de verdachten beruchte inbrekers zijn. S. heeft n.l, al 10 jaar gevangenisstraf moeten ondergaan en v.d. Sch. werd al meermalen veroordeeld.

    De goede verstandhouding tusschen de Bocholtsche en Aaltensche politie is dus oorzaak dat deze gevaarlijke heeren aangehouden zijn.

    Bron


    • Nieuwe Winterswijksche Courant, 19 maart 1926 (Delpher)
  • Wolven in Aalten

    Wolven in Aalten

    In 1937 beschreef G.H. Rots in een serie artikelen in de Aaltensche Courant hoe het er in vroeger tijden in Aalten aan toeging. Zo schreef hij over de wolvenjacht:

    “Gelijk men tegenwoordig vossenjachten organiseert om de enkele langstaarten die er nog zijn te verdelgen, deed men dit vroeger om een grooter en schadelijker roofdier uit te roeien. In de jaren waarin de bevolking onder de rooverijen der soldaten veel te lijden had, was de wolf nog het gevreesde roofdier in deze streken.

    Men denke zich even de situatie in van die dagen. Uitgestrekte bosschen en in de laagten de boerenhoeven. Het vee graasde in de weiden omzoomd door houtgewas. Ook om de esschen groeide het slaghout welig op. Een eldorado dus voor het wild. De wolf ging op roof uit en den gedunden veestapel der boeren werd nog belaagd door den natuurlijken vijand. Dan organiseerde men groote klopjachten.

    Groote netten werden ergens gespannen en daar het wild ingedreven, terwijl de jagers op de loer lagen om met het geweer, toegerust met ‘pan en steen’, het wild neer te leggen. Door de voortschrijdende ontbossching zullen echter de wolven wel meer verdwenen zijn dan door de klopjachten. Vooral toen de oorlogsfakkel niet meer brandde en de boerenbevolking zich overal vestigde, was het met de wolvenheerschappij afgeloopen.”

    Juni 1923

    En ongeveer een eeuw geleden was er sprake van de aanwezigheid van een wolf in de bossen van ’t Walfort.

    December 1847

    In de nacht van 5 op 6 december richtten twee ‘grote honden’ een bloedbad aan in het schapenhok van boerderij Kortbeek in de Aaltense Heurne.

    Bronnen


  • Zwager met bijl vermoord

    Zwager met bijl vermoord

    Dinsdag 26 juli 1921

    Te Aalten is in den nacht van Dinsdag op Woensdag een zekeren H.J. Jansen, terwijl hij reeds te bed lag, door zijn zwager S., met een bijl de hersenpan verbrijzeld. Hoewel zijn toestand bijna hopeloos was, werd hij met den trein naar Arnhem vervoerd. Met denzelfden trein kwam zijn zwager, die te Winterswijk was gearresteerd, geboeid te Aalten aan. Hij werd door den veldwachter Blom uit Aalten en den rijksveldwachter Hendriks uit Winterswijk naar het gemeentehuis gebracht om daar te worden verhoord.

    Het slachtoffer is den volgenden nacht in Arnhem overleden. Hij laat een weduwe met zes kinderen achter. De zwager S., de vermoedelijke dader, werd woensdag naar Zutphen overgebracht. Hij is ongehuwd. De oorzaken van dit drama zijn familietwisten.

    De Rechtbank te Zutphen behandelde op 24 augustus 1921 de zaak tegen H.H. S., arbeider te Aalten, verdacht op of omstreeks 25 Juli, aldaar, na een feest, zijn zwager H.J. Jansen in zijn huis met een bijl te hebben vermoord, terwijl hij te bed lag, tengevolge waarvan zijn schedel is gespleten en hij eenige dagen later is overleden.

    Beklaagde beweert zich niets meer te herinneren en zegt, dat hij dronken was. Tegen een der getuigen, een zekeren P., heeft hij echter in den bewusten nacht gezegd: „Ik heb H. wat gedaan. Hij kan wel dood gaan”. J. is op ongeveer 15 meter afstand van zijn slaapkamer in een zijkamertje gevonden. In de slaapkamer, op den muur en op het bed waren bloedspatten te bespeuren. De Officier van Justitie eischte 4 jaar gevangenisstraf. De verdediger, mr. Wildervank de Blécourt, pleitte clementie.

    De Rechtbank te Zutphen veroordeelde verdachte S. overeenkomstig den eisch tot 4 jaar gevangenisstraf, met aftrek der preventieve hechtenis.

    Scheveningen

    In 1922 vinden we H.H. S. in de strafgevangenis aan de Pompstationsweg in Den Haag / Scheveningen, bekend vanwege haar markante poortgebouw.

    Bronnen


    • Het Nieuws van den Dag, 27-07-1921 (Delpher)
    • Het Nieuws van den Dag, 29-07-1921 (Delpher)
    • Arnhemsche Courant, 25-08-1921 (Delpher)
    • De Amsterdammer, 09-09-1921 (Delpher)
  • Undercover in Aalten

    Undercover in Aalten

    AALTEN, 6 mei 1920 – Het was een drukke dag voor de heer G. de Vries, directeur van de plaatselijke boterfabriek. Samen met zijn assistent, de heer Kempink, had hij ƒ 14.094,40 in zakjes afgepast en in de brandkast opgeborgen. Het geld was bedoeld om de melkleveranciers de volgende ochtend te betalen. Aan het eind van de dag verliet De Vries als laatste het kantoor en sloot de deur achter zich. De brandkast stond echter nog open, met de sleutel in het slot.

    De volgende ochtend was het geld verdwenen. Alleen aan een touw van een gordijn dat buiten het raam hing was iets van inbraak te merken. De directeur had de deur van het kantoor weliswaar gesloten, maar de ramen, met uitzicht op straat, konden gemakkelijk van buiten opengeschoven worden.

    De Nieuwe Aaltensche Courant berichtte op 7 mei over de diefstal: “Uit de brandkast van de Aaltensche Coöp. Zuivelfabriek is den afgeloopen nacht een bedrag van ƒ 14000 gestolen. Op verzoek van de politie deelen we geen nadere bijzonderheden mee.”

    Onderzoek

    In de maanden die volgden bleef het stil in de media. Op de achtergrond werd echter hard gewerkt aan deze geruchtmakende zaak. De marechaussee te Winterswijk stelde een onderzoek in, en arresteerde enkele verdachten die later weer moesten worden vrijgelaten, wegens gebrek aan bewijs. Daarna werd de zaak nog eens onderzocht door de rijks-, gemeente- en militaire politie, zonder succes. Ook een rijksveldwachter-rechercheur keerde onverrichterzake huiswaarts.

    Ten slotte werd de Wachtmeester der Marechaussee Woerts te Zutphen het onderzoek opgedragen. Woerts ging undercover en zwierf in Aalten een tijd als landloper rond, verbleef in een logement en werkte op een fabriek. Na aldus veel informatie te hebben verzameld, ging geheim agent Woerts, Evert Jan Woerts, naar Duitsland en wist het daar zo te schikken, dat hij in een gevangenis werd opgesloten bij een persoon die er meer van wist…

    Ook dat leverde veel waardevolle informatie op en dit alles leidde tot de arrestatie van twee verdachten: Gerrit Jan W. (29 jaar, opperman) uit Enschede, voorheen wonende in Aalten, en Hendrikus P. (28 jaar, klompenmaker) uit Aalten.

    Gerrit Jan W. uit E.

    Verschillende kranten deden verslag van de rechtszaak, die plaatsvond in december 1920 in de rechtbank te Zutphen. Als eerste stond Gerrit Jan W. terecht. Hij verklaarde dat hij en medeverdachte P. door een raam waren binnengeklommen en de zakjes met geld uit de brandkast hadden ontvreemd. Buiten gekomen deden ze de zakjes in een grote juten zak en zijn toen naar W’s huis gegaan, waar ze het geld telden. P. gaf daarvan aan verdachte ƒ 110 en vertrok met de rest van de buit, ongeveer ƒ 14000. P. zou de rest in de “Schaapsche hei” verstoppen (werd hier wellicht de Schaarsheide bedoeld?). De zakjes waarin het geld had gezeten had W. verbrand.

    De verdediger mr. C.C. de Jonge wees er op dat verdachte epilepticus is – verdachte kreeg ook een toeval tijdens de verdediging – en verzocht een onderzoek naar diens geestvermogens. Volgens hem was P. in deze zaak de hoofddader en zou W. waarschijnlijk hebben verleid. In elk geval drong hij aan op een lichtere straf.

    De Officier van Justitie prees wachtmeester Woerts, door wiens nasporingen en tact van optreden deze verdachte tot bekentenis was gebracht. Volgens hem was gebleken, dat deze beklaagde de minst schuldige was. Daarom kon voor hem de straf lichter zijn en eiste de Officier 1½ jaar gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest.

    Hendrikus P. uit A.

    Hierna stond Hendrikus P. terecht wegens medeplichtigheid in dezelfde zaak. P. ontkende echter alles. Hij verklaarde dat hij die avond niet bij W. is geweest, wel acht dagen tevoren. Voor die bewuste avond had P. een alibi: hij was tussen 10 en 11 thuis geweest en had geslapen. De volgende ochtend was hij naar “Heersen” (?) gefietst. P. hield dan ook vol dat hij niets met de inbraak te maken had en dat W. een heleboel mensen in deze zaak verdacht heeft gemaakt. Ook de vrouw van W. was volgens hem onbetrouwbaar.

    Getuige Hendrika Geessink, de vrouw van W. verklaarde dat medeverdachte P. op de avond van 6 mei haar man kwam halen, zeggende: “Gerrit, ga je mee, er is bij de boterfabriek wat te halen”, of iets dergelijks. Haar man had eerst geweigerd, maar nadat P. bleef aandringen is W. uiteindelijk. toch meegegaan. Of het precies kwart over elf was, toen P. kwam en één uur toen ze terugkwamen, dat wist de getuige niet meer precies. Toen ze terugkwamen, lag getuige in bed, doch ze heeft wél geld gezien en ook papieren zakjes. Hoeveel weet zij niet.

    Getuige bevestigt dat ze na 6 mei met een auto met de hele familie naar Enschede zijn gegaan. Er is Duits en Nederlands geld bij haar in beslag genomen op 17 september. Zij ontkent dat het 4000 mark zou zijn geweest. Ook schijnt het, dat zij wel voor ƒ 800 allerlei dingen gekocht had na 1 mei. Haar man had haar niet alles verteld, immers: “geen man doet dat!” Op 16 mei had ze 10.000 mark gestort bij een bank in Enschede. Getuige zegt dat dat eerlijk verdiend geld van haar man was.

    Het O.M. achtte desondanks bewezen dat P. het meest schuldig was in deze zaak en eiste drie jaar gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. De verdediger echter, bestreed het bewijs; de getuigenverklaringen van de vrouw van W. achtte hij weinig betrouwbaar, maar zelfs al waren zij juist, dan was omtrent de inbraak nog niets bewezen. Voorts wees hij op de grote uitgaven door het gezin W. na 6 mei gedaan. Uit niets zou P.’s schuld zijn gebleken. Aangezien W. voortdurend  op het terrein van de fabriek werkzaam was, lag het meer voor de hand dat W. naar P. zou zijn gegaan om hem te halen. De verdediging vroeg daarom vrijspraak voor P.

    Uitspraak

    Op 5 januari 1921 veroordeelde de Rechtbank in Zutphen Hendrikus P. tot 2 jaar en Gerrit Jan W. tot 6 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, wegens diefstal door inklimming in de Aaltense boterfabriek.

    De verdachten werden opvallend genoeg niet veroordeeld tot terugbetaling van de gestolen geldsom. De boterfabriek draaide dus zelf op voor het verlies. Tweede-Kamerlid Weitkamp vond dat vreemd en heeft daarop de minister van Justitie nog gevraagd of deze bereid was de eigenaars van de boterfabriek “van Rijkwege schadeloos te stellen voor het groot geldelijk nadeel, door hen geleden ten gevolge van eigenaardige opvattingen bij een rechterlijk ambtenaar?

    De minister was echter van mening dat “niet gebleken is, dat de eigenaars der gestolen gelden door enig verzuim vanwege de justitiële autoriteiten geldelijk nadeel hebben geleden” en dat er daarom voor hem geen reden was om een schadeloosstelling te overwegen.

    Bronnen


    • De Nieuwe Aaltensche Courant, 7 mei 1920 (via delpher.nl)
    • De Telegraaf, 19 november 1920 (via delpher.nl)
    • De Nieuwe Aaltensche Courant, 28 december 1920 (via delpher.nl)
    • Overijsselsch Dagblad, 28 december 1920 (via delpher.nl)
    • Overijsselsch Dagblad, 5 januari 1921 (via delpher.nl)
    • De Nieuwe Aaltensche Courant, 11 februari 1921 (via delpher.nl)
    • Nieuwsblad van het Zuiden, 23 april 1921 (via delpher.nl)
    • wiewaswie.nl
  • Zeperd

    Zeperd

    In 1918 werd de gemeente Aalten voor 60.000 gulden opgelicht bij de aankoop van drie wagons harde zeep die achteraf van waardeloze kwaliteit bleek.

    Tijdens de Eerste Wereldoorlog kreeg het neutrale Nederland te kampen met ernstige schaarste aan levensmiddelen, brandstoffen en tal van andere goederen. Tijdens de laatste twee oorlogsjaren ontstond er ook een groot tekort aan zeep. Zeep werd schaars en duur. De regering greep in, ook al omdat de volksgezondheid door het zeeptekort in gevaar dreigde te komen. Zeepfabrieken mochten alleen nog zogenaamde regeringszeep produceren. Dat kon maar mondjesmaat en daarom ging zeep op de bon.

    Soms wisten oplichters een grote slag te slaan. De burgemeester van Aalten, A.J.W. Monnik, werd een wel heel onnozel slachtoffer van een bekende oplichterstruc. Hij kocht voor rekening van het gemeentelijke levensmiddelenbedrijf drie wagons harde zeep van een handelaar. De inkoopprijs bedroeg ƒ 37 per kist. De plaatselijke winkeliers, die ƒ 40 per kist aan het gemeentelijke levensmiddelenbedrijf dienden te betalen, mochten de zeep vervolgens verkopen voor de detailprijs van 23 cent per stukje van 100 gram, wat hun een aardig winstje zou opleveren.

    Waardeloos

    Maar de vlieger ging niet op. Al snel bleek de partij zeep heel anders van samenstelling dan het zeepmonster dat de handige zakenman aan de burgemeester had laten zien. Het vetzuurgehalte bleek slechts 10 procent, in plaats van het wettelijk vereiste minimum van 25 procent. Volgens de inmiddels door de regering vastgestelde maximumprijzen zou zo’n stukje zeep slechts 3½ cent mogen kosten.

    Geen wonder dat de Aaltense huisvrouwen de winkeliers massaal lieten zitten met hun waardeloze goedje. De burgemeester had geen andere keus dan de zeep terug te nemen. De gemeente draaide op voor de schade, die bijna ƒ 60.000 bedroeg.

    Tegenspraak

    Naar aanleiding van dit bericht verklaarde de firma De Fraiture & Co. te Breda, wiens naam daarin werd genoemd, dat zij de in dat bericht als verkoper genoemde heer Tulp uit Terborg, noch het Levensmiddelenbedrijf te Aalten kende. Ook verklaarden zij nooit stukjes zeep van ongeveer 100 gram in de handel te hebben gebracht en dat zij bovendien nooit zeep fabriceerde met een lager vetzuurgehalte dan 20-25 procent. Van deze zaak was hun absoluut niets bekend. Zij vermoedden dat een partij van hun zeep van bovenvermelde kwaliteit of hoger door de tussenhandel was omgewerkt tot een slechte kwaliteit.

    Bronnen


  • Aalten vooruit of achteruit?

    Aalten vooruit of achteruit?

    Aaltensche Courant, 16 februari 1916

    Dezer dagen kregen we het blaadje „Stad en Ambt”, publicatieblad vanwege de commissie te Ambt-Doetinchem inzake het vraagstuk van de vereeniging van de gemeenten Stad- en Ambt-Doetinchem in handen, waaraan wij het volgende ontleenen, en waarin onze lezers misschien wel belang stellen. Het is ontleend aan het rapport van de commissie voor andere gemeenten.

    Door de commissie inzake het vraagstuk hierboven vermeld werd eene commissie benoemd om een persoonlijk onderzoek in te stellen in de gemeente Aalten, omtrent welke gemeente was medegedeeld, dat zij is lijdende aan achteruitgang wegens onvoldoende medewerking van de boerenbevolking bij het aanbrengen van verbeteringen. Ook werd besloten, dat de commissie in haar geheel een bezoek zal brengen aan de gemeente Winterswijk, waar, naar verluidt, dezelfde verschijnselen zijn waargenomen als in Aalten.

    Op 30 Dec. 1915 werd het voorgenomen bezoek gebracht aan de gemeente Aalten. Acht personen werden bezocht, meest vooraanstaande ingezetenen. Daaronder waren: 3 liberalen, 5 anti-revolutionairen, 1 gesignaleerd als „tusschenbeide” en 1 R. C. Met de meeste welwillendheid werden de gevraagde inlichtingen gegeven. En ofschoon de beantwoorde vragenlijsten nader licht zullen geven, zijn toch al enkele indrukken als van zelf naar boven gekomen.

    Vragenlijst

    De vragen, die gedaan werden, bepaalden zich bij heel het onderzoek in hoofdzaak tot de volgende: Is de gemeente Aalten vooruitgaande of achteruitgaande? Werkt de landelijke omgeving belemmerend voor den vooruitgang? Is er voldoende samenwerking tusschen kom en buurtschappen? Houden de boeren-raadsleden het aanbrengen van de noodige verbeteringen in de kom tegen? Werken de burgerraadsleden mede voor verbetering in de buurtschappen? Zou splitsing van kom en buurtschappen in twee gemeenten gewenscht zijn? Bevordert het Rechtsche (in hoofdzaak (A.-R.) Gemeentebestuur voldoende den bloei van de gemeente, speciaal van het openbaar onderwijs?

    Omtrent sommige punten waren de meeningen geheel tegenstrijdig. Eenerzijds werd betoogd, dat de gemeente Aalten met reuzenschreden vooruitgaat. Aalten, werd gezegd, staat in ontwikkeling verre boven Doetinchem. Ook staat Winterswijk nog achter bij Aalten. Wat Doetinchem is, heeft het voor een groot deel te danken aan Ds. Van Dijk. Maar wat is daar voor industrie? In Aalten is textielindustrie, een knoopenfabriek, een kammenfabriek, zoomede veel klein-industrie. Er zijn 16 gasmotoren in gebruik. Tal van smeden zijn gediplomeerd. Men zendt zijn kinderen naar de onderwijsinrichtingen te Winterswijk. De loonstandaard is hoog.

    Anderzijds werd beweerd, dat Aalten niet vooruitgaat. Als hoofdoorzaak werd genoemd de omstandigheid, dat tal van jongelui uit den gegoeden stand niet trouwen, waardoor de energie wordt gedoofd. De jongelui hebben geen levensdoel. Er zit geen spirit in.

    Gunstig steekt daartegen af de landbouwende bevolking, waar leven in zit. De boeren trouwen en krijgen flinke gezinnen. Dat wekt geestkracht en den landbouw gaat het goed. Een enkele zocht het euvel bij de overheersching door de boeren, die wel voor wegen en bruggen geld willen geven, maar niet voor verbeteringen in het dorp. Er komen geen vreemdelingen zich vestigen, wel arbeiders in overvloed.

    Boeren vs. Burgers

    De Raad bleek te zijn samengesteld uit 6 burgers en 7 boeren. Vroeger gingen de verkiezingen in hoofdzaak om de vraag: boer of burger? Thans wordt dit anders, hoewel de oude toestand nog niet geheel is verdwenen. Slechts één sprak zich beslist uit voor splitsing in kom en buurtschappen. Deze ging echter niet van eene meerzijdige beoordeeling der kwestie uit. Een ander zou ook veel voor splitsing voelen, indien bij de kom voldoende terrein voor uitbreiding werd gelaten. Een derde zou vóór splitsing zijn, indien elk deel op zichzelf behoorlijk in eigen behoeften zou kunnen voorzien. Evenwel was hij overtuigd, dat er geen tegenstrijdige belangen zijn, als men het maar wil zien. Een vierde verklaarde zich niet tot oordeelen bevoegd.

    Overigens spraken allen zich zeer beslist uit tegen splitsing. Algemeen was men van oordeel, dat er in werkelijkheid geen tegenstrijdige belangen zijn. Waar de menschen tegenstrijdigheid meenen te zien, is dat, omdat er een verkeerd egoïsme bestaat; omdat ze te klein van blik zijn; alleen de directe, de voor de hand liggende belangen zien, en geen oog hebben voor de indirecte belangen, die een klein eindje verder liggen, en toch ook weer zóó dichtbij zijn, dat eigenlijk ieder ze moest kunnen zien.

    Door meerderen werd als hun besliste overtuiging uitgesproken: „De kom en de omgeving zijn twee deelen, die bij elkaar behooren, die elkaar zonder ophouden noodig hebben, die zijn saamgebonden door een gordel, waar wel eens een deuk in komt, maar die toch steeds weer de saamhorigheid doet gevoelen. Er wordt wel eens een stem gehoord: „daar hebben de boeren niets aan”, maar ’t is niet moeilijk deze stem te onderdrukken”.

    Een der meest vooruitstrevende ingezetenen antwoordde op de vraag: zijn er tegenstrijdige belangen tusschen boer en burger? „Absoluut niet. Elk belang van de kom is een boerenbelang en elk belang van de buurtschappen is een burgerbelang. Als ze het maar willen zien. Er is geen enkel tegenstrijdig belang.”

    En op de vraag: Zou U denken, dat een vereeniging van een kom met een uitgestrekte omgeving, gepaard gaande met een krachtige leiding vanuit het centrum, gunstig zou werken? antwoordde dezelfde persoon, die elken dag door zijn uitgebreiden werkkring midden in het volle rijke leven verkeert en die door zijn relatiën op allerlei terrein zoowel den boer als den burger door en door kent: „Indien U zulk een vereeniging kunt tot stand brengen, hebt U een ideale toestand. Kunt U dat bereiken, dan hebt u den meest gewenschten toestand verkregen. Maar van een flinke leiding hangt alles af. Als dan éen plaats voor vereeniging is aangewezen, zou het Stad- en Ambt-Doetinchem zijn”.

    Verbeteringen

    Maar werkt de landbouwende bevolking niet belemmerend? Zijn de boeren conservatief? Het oordeel over deze vragen was vrij eenparig. Een enkele was er, die op deze vragen bepaald „Ja” zeide. Maar deze werd geheel overstemd door al de anderen, die verklaarden: „Geen kwestie van”. Algemeen was men van oordeel, dat de boeren niet het initiatief nemen voor het aanbrengen van verbeteringen, doch ook de verbeteringen niet tegenhouden.

    Het gevaar van boerenoverheersching is niet denkbeeldig, wanneer ze onder slechte leiding staan. Is er zoo’n leider, die op hun zwak weet te speculeeren te groote voorzichtigheid op het gebied der financiën dan gaan ze soms in verkeerde richting mede. Evenwel, wanneer het hun goed wordt voorgesteld, zijn zij voor het aanbrengen van verbeteringen zeer zeker te vinden. Leiding, leiding en nog eens leiding daar komt het op aan.

    In Aalten stemden de boeren vóór de gasfabriek, gaven 80 mille voor de tram, waarvan ze vooraf wisten dat f 40.000.— geheel weg was en de overige f 40.000.— als renteloos voorschot werd gegeven. Voor verbetering van straten werd uitgegeven: in 1896 f 15.000.— en in 1898 f 15.000.—. Voor rioleering bewilligden ze een uitgaaf van f 7000.—. Wel werden ook enkele buurtwegen verhard, maar in de laatste jaren werd besteed: f 30.000.— voor aanleg en verbetering van straten en vernieuwing van een brug in het dorp, tegen f 10.000.— voor verbetering van buurtwegen.

    Ja, werd gezegd, dat is zoo, maar de nieuwe stationsweg in het dorp is ook een boerenbelang, daar hij de toegangsweg is naar de boterfabriek. Maar in elk geval: de boeren stemden vóór en als toegangsweg voor de boterfabriek had ’t ook nog wat minder gekund dan die mooie straat, zooals die nu is aangelegd. Voor verbetering der goten werkten de boeren ook mede. Niemand zeide: dat is te veel of te duur.

    Onderwijs

    En op het gebied van het onderwijs… ja, nu komen we aan een teer puntje. Dat dachten we allen eerst ook. Zou het Gemeentebestuur wel voldoende de onderwijsbelangen behartigen? Toch werd ook dat punt der Commissie helderder. Een enkele klacht werd vernomen. De Rechtsche Raad, werd gezegd, komt niet voldoende op voor het openbaar onderwijs. Waarom niet? Er werd gesproken over onvoldoende leermiddelen. Dit bleek echter geheel onjuist te zijn. Het schooltoezicht had een onderzoek ingesteld en nu bleek, dat Winterswijk met haar modelscholen f 0.80 per leerling geeft, tegen Aalten f 1.—.

    Geklaagd werd over Barlo en Lintelo, waar het getal kinderen boven de 25 is en geen nieuwe onderwijzeressen worden benoemd, hoewel dat de Gemeente maar f 50.— per jaar zou kosten voor elke onderwijzeres. Dit leek wel wat vreemd. Maar wat bleek nu? Dat bij den laatsten kwartaalstaat het aantal leerlingen aan de school te Lintelo 22 was en dat te Barlo 23. Was het nu niet zeer verstandig van den Raad om, toen er een vacature ontstond, den fatalen termijn van 15 Januari 1916 af te wachten en de gemeente niet te zetten voor een uitgaaf buiten de Wet om en dus ten eigen laste van f 1100.— per jaar voor schooltjes van minder dan 25 leerlingen?

    Een ander bezwaar in dit verband werd nog genoemd door een deskundige uit Aalten en wel: Er is principieel bezwaar tegen die klassetjes van 10—12 leerlingen, ’t Is doodend werken in zulk een klasse. Het maakt luie onderwijzers en onzelfstandige leerlingen. Ik zou nooit medewerken, om dat te bevorderen.

    Voor personeel, voor schoolbouw en voor onderwijzerswoningen bleek voldoende te worden gedaan. Toch werd wel gevoeld, dat er iets is, dat hapert. Wat is dit? Mag de commissie haar meening zij het dan ook oppervlakkig en voorloopig hierover uitspreken? Treedt zij hier niet buiten haar terrein van bevoegdheid? Een gemeente is een organisme, waarin alles samenhangt, elk verschijnsel oorzaak en gevolg heeft en weer andere verschijnselen verklaart.

    Conclusie

    Het scheen de commissie toe, dat ’t niet ligt aan den goeden wil, noch van burgers, noch van boeren, niet aan den gemeenteraad als zoodanig, maar dat een weinig meer vertrouwen, een weinig meer waardeering van elkander ook in Aalten wonderen zou doen. Is er vertrouwen en eendracht, dan hindert het niet, al heeft men met nog zooveel boeren te doen. Ontbreken deze grondslagen, dan zullen alle plannen tot verbetering met lamheid geslagen zijn.

    En hiermede zijn de voornaamste punten aangeroerd. Er zou nog veel te zeggen zijn. Een klacht over de tegenwerking der boeren tegen het voorstel betreffende de Middenstandscredietbank kan stilzwijgend worden voorbijgegaan. En toch eigenlijk niet. Want ook nu weer bleek, dat de boeren toch eigenlijk niet de schuldigen zijn. Twee op den voorgrond tredende burgers hadden tegen geageerd en vóór stemden 1 boer en 1 dorper. De overigen stemden tegen.

    Dan zou nog kunnen worden opgemerkt, dat de gemeentehuishouding in Aalten nog zoo gemakkelijk niet is met een progressieven hoofdel. omslag van 2—4 pCt. Maar verschillende vragenlijsten zijn nu binnen, ook van Aalten en we hopen, in verband daarmede, nog wel eens op dit onderwerp terug te komen.

    Aalten vooruit

    De redactie van „Stad en Ambt” voegt hier het volgende aan toe: We kunnen bovenstaand rapport nog aanvullen met de mededeeling, dat we in de gelegenheid geweest zijn, om de notulen na te lezen van de gemeente Aalten, gedurende de jaren 1907 tot en met 1915. Ons is daarbij gebleken, dat Aalten vooruitgaat, en dat deze vooruitgang niet bemoeilijkt wordt door tegenwerking van de buurtschappen.

    Behoudens een enkel feit, dat op de stemming in den Raad echter geen invloed gehad heeft, is in al die jaren van tegenwerking nauwelijks sprake geweest. Toen waren drie van de 12 raadsleden tegen subsidie voor een vuilniskar, wat terzelfder vergadering beantwoord is, doordat 7 van de 12 leden stemden tegen subsidie voor een landbouwtentoonstelling.

    Ook wat onderwijs betreft wordt Aalten goed verzorgd zonder dat te een of andere zij overdreven wordt. Onder omstandigheden werd het aanstellen van leerkrachten boven ’t wettelijk getal bevorderd, en als in een ontstane vacature niet werd voorzien, dan geschiedde dat, omdat het aantal leerlingen beneden het wettelijk peil was gedaald. Voor leermiddelen wordt vergelijkenderwijs in Aalten een hoog bedrag uitgegeven. De verlaging van dat bedrag tot een meer gebruikelijk peil, geschiedde niet door de boeren, maar door den Raad, en niet op voorstel van B. en W., maar op voorstel van de Financieele Commissie.

    Bronnen


  • De Markt te Aalten

    De Markt te Aalten

    De Graafschapbode, 23 december 1913

    Bij het marktgezicht van Aalten uit de eerste helft der 18de eeuw, dat we onzen lezeressen en lezers aanbieden, wenschen we een enkel begeleidend woord te voegen.

    Over de afkomst van den naam „Aalten” zijn de geleerden het niet eens. Met het oog op den heuvel, waartegen het dorp gebouwd is, meenden sommigen den oorsprong te moeten zoeken in het Latijnsche woord altus (hoogte), dat er dan door de Romeinen aan gegeven zou zijn. Onmogelijk is dat zeker niet, „Aalten” zou dan stamverwant zijn met „Elten”. Men moet met die afleidingen evenwel zeer voorzichtig wezen; er is een tijd geweest, dat de woordverklaarders de namen die gevonden werden, eerst verlatijnschten, en dan den aldus gemaakten vorm voor den oorspronkelijken uitgaven.

    Anderen meenen den naam Aalten terug te vinden in Alladna, Aladon of Alethe, onder welke namen de plaats in vroeger (9de en 12e) eeuwen vermeld wordt. Eigenaardig van het dorp Aalten is, dat het inwendig den vorm heeft eener Westfaalsche stad, daarin overeenkomende met Winterswijk. Tot die eigenaardigheid behoort een vrij ruime markt, waarvan we een afbeelding van 1740 geven.

    De Markt te Aalten, 1740 - Graafschapbode, 23 december 1913

    Wie met onze afbeelding op de plaats van den teekenaar gaat staan, zal getroffen worden door de verandering, die de huizen uitwendig (en zeer zeker ook inwendig) hebben ondergaan; die planken gevels ziet men niet veel meer; toen we vóór eenigen tijd met een deskundige te Bredevoort waren, vonden we er daar nog eenige schilderachtige. Onze reisgezel genoot! Een bejaard bewoner van Aalten, wien we een teekening vooruit toezonden, betoonde zich daarmee bijzonder ingenomen, en schreef ons tevens, dat slechts eene der tegenwoordige woningen misschien uit de oude weer te kennen was. Mochten andere belangstellende lezers ons nog eenige ophelderingen of aanwijzingen kunnen geven, we houden ons daarvoor beleefdelijk aanbevolen.

    De „groote kerk”, op den heuvel staande, draagt de kenteekenen van hoogen ouderdom; de datum harer stichting schijnt niet te kunnen worden aangegeven, ook niet bij benadering; op een steen aan de Westzijde staat wel het jaargetal 1662 uitgebeiteld, doch dit herinnert ongetwijfeld aan eenige restauratie, die het gebouw toen onderging. Merkwaardig aan die kerk is de lage Romaansche toren, waarin de drie klokken uit de 18de eeuw nog wel zullen hangen, die we om haar „prachtige klanken” hoorden prijzen.

    We zouden over de bloeiende gemeente nog heel wat kunnen meedeelen, doch we schrijven thans geen historisch of geographisch overzicht en moeten ons dus beperken.

    Een historische bijzonderheid willen wij evenwel nog mededeelen, We lazen n.l. In het midden der 18de eeuw heerschte ook te Aalten, kort na de bekende Nijkerksche beroering, onder ds. Kuipers, op godsdienstig gebied mede veel opschudding. Dit blijkt o.a. uit een in 1750 bij Abraham Ferweda te Leeuwarden uitgekomen geschrift, getiteld: „De onfeilbare proefsteen van de nieuwe zeldzame Bekeering, of Grondig Onderzoek van de onregelmatigheid der Wonderlijke Bekeeringe te Aalten, benevens eenige aanmerkingen over het gedrag van den heer predikant Philippus de Roy en de approbatie der Theologische Faculteit te Harderwijk: Ter behoorlijke defensie aan de Eerwaarde Heer de Roy, opgedragen door twee goede vrienden.”

    Men leest in gemeld werkje: „De bekeering van Nieuwkerk werd duidelijk gezegd door de preek van den stokbewaarder ontstaan te zijn, en Ds. Kuypers zegt: „doen bad ik, doen sprak ik, dat ik het zelf niet wist waar ’t mij van daan quam, doen wierd er een groote menigte bewogen en de Heere brak door.”

    „Die van Aalten is niet minder op die wijze ontstaan, haar begin nemende in de Catechisatiën, en volkomen wordende in de kerk onder de Predeking, en van het aanspreken van den heer de Rooi hangt, volgens zijn Eerw. eigen verhaal, de gestadige veranderinge af.”

    „Zekere vrouw te Aalten haar kind willende halen, en in ’t gezelschap komende van pas neergezeten, of ze bezweek en kreeg een krachtige aandoening en wierd zo vliegende bekeerd.” „De geest werkt meest in de vrouwen,” „de kenmerken op welke benaming van bekeering gegrond wordt, zijn: gekerm, geschreeuw, klamme sweet, benautheid, verkroppingen, onmagt, ledenbeven, swoegen, stuipen, vallende siekte, geraakte, worstelen, bezwijken.”

    In het slot van dit boekje staat nog: „Die waarlijk bekeert is heeft liefde omtrent zijn evenmensch, maar deze luiden veragten en verdoemen alle Menschen die buiten haar zijn. Die waarlijk bekeerd zijn, zijn nedrig, maar deze zijn Hovaardig en opgeblazen van wege hare Bekeringe.”

    Professor Cremer te Harderwijk, wiens approbatie hier was ingeroepen, geeft daarbij te kennen, dat hij God heeft gebeden, „dat hij het wettische, ’t geen sig hierin openbaart, met het Evangelische doe gepaard gaan.”

    Bron