Op de avond van zondag 3 juli 1910 vond er in Lintelo/Dale* een ernstige burenruzie plaats, waarbij zelfs bloed vloeide. De families B. en Helmink waren buren, maar leefden voortdurend op gespannen voet met elkaar. Op de bewuste avond ontstond een woordenwisseling, die zo hoog opliep dat de hele buurt er aan te pas kwam.
‘Boer met plaggenhak’, door Ferdinand Hart Nibbrig (afbeelding ter illustratie).
De 21-jarige B.H.W. Helmink stond die avond aan de deur van zijn woning te Lintelo*. Hij zag zijn zuster aankomen, en toevallig kwamen ook drie ongeveer 21-jarige arbeiders aan, namelijk J.A.B., H.W.H. en J.t.B. Er ontstond ruzie over het meisje en er werd naar voorwerpen gegrepen om de woorden kracht bij te zetten.
J.A.B. stak zijn buurman Helmink met een mes in de arm, hoewel B. dit later ontkende. H.A.B., die de partij van B. koos, sloeg de zoon van de buurman met een plaggenhak op het hoofd. Gelukkig raakte deze het hoofd slechts aan de zijkant, resulterend in een bloedende wond; anders zou het slachtoffer er ernstiger aan toe zijn geweest. J.t.B. zou met een stok geslagen hebben, maar hij beweerde achteraf slechts een stuk te hebben gebruikt van een stok, die ze op hem kapot hadden geslagen. De broer van de mishandelde kwam te hulp, maar kreeg slaag van H.W.H., die dit echter ontkende.
Voor de gewond geraakte broers Helmink werd medische hulp ingeroepen. Eén van hen had een ernstige steekwond in de arm, terwijl de andere een bloedende hoofdwond had. De ruzie tussen de broers en hun aanvallers zou zijn voortgekomen uit een langlopende vete, zo werd beweerd.
Gevangenisstraf
De rechtbank in Zutphen veroordeelde J.A.B. en H.W.H. respectievelijk tot twee en één maand gevangenisstraf. In hoger beroep ontkenden de beklaagden voor het Gerechtshof in Arnhem dat ze tijdens de mishandeling een mes en plaggenhakker hadden gebruikt. Ze gaven toe dat ze hadden geslagen, maar beweerden dat dit uit zelfverdediging was, omdat ze zelf werden mishandeld.
De vader van J.A.B. verklaarde dat ze hem met een hekpost hadden willen slaan, wat bij hem de indruk wekte “dat ze me drie meter in de grond sloegen”. De advocaat-generaal eiste bevestiging van het vonnis. De uitspraak zou 14 dagen later plaatsvinden, maar daarover konden we geen verdere informatie vinden.
Toelichting
* Eén krantenbericht vermeldt Dale en een ander Lintelo als ‘plaats delict’. Wij vermoeden vooralsnog dat dit incident in de buurt van de Heuvelweg heeft plaatsgevonden, op de grens van beide buurtschappen. Nader onderzoek is vereist.
Op zondagavond 21 november 1909 werd omstreeks half tien aan het begin van de Dijkstraat een jongeman om het leven gebracht. Vier jongens en twee meisjes stonden daar met elkaar te praten, toen de 23-jarige koperslager Bernadus Rietberg uit Dale zich bij het gezelschap voegde. Hij begon één van de meisjes lastig te vallen en een woordenwisseling volgde. Daarop stak Rietberg één van de jongens, de 20-jarige fabrieksarbeider Johann Heinrich Kalberg uit Liedern (bij Bocholt), met een mes in de borst.
Terwijl de dader volgens de krantenberichten koelbloedig naar huis liep, strompelde het slachtoffer nog een eind de Kerkstraat in, maar zakte toen ineen. Zijn kameraden, waaronder zijn jongere broer, brachten hem bij het café van Bauhuis (Dijkstraat 1) naar binnen. In allerijl werd dokter Van Leuven opgetrommeld om hem te helpen. Kahlberg was echter dusdanig in zijn rechterlong getroffen dat deze niets meer kon betekenen. De zwaargewonde werd nog op een kar naar het ziekenhuis vervoerd. Daar blies hij een half uur later, na het ontvangen van de heilige sacramenten, zijn laatste adem uit. Doodgebloed.
Café Bauhuis, Dijkstraat 5 (rechts)
Rechtszaak
Rietberg werd diezelfde nacht nog door de politie van zijn bed gelicht en naar de gevangenis overgebracht. De volgende dag kwamen gerechtsmedewerkers uit Zutphen naar Aalten voor onderzoek. Eind van de middag keerden zij met de trein van zes uur terug, ditmaal in gezelschap van de geboeide verdachte. Toen de trein vertrok gaf het aanwezige publiek door luid geschreeuw zijn woede te kennen.
De verdachte ontkende aanvankelijk dat hij de dader was en verklaarde ook dat hij het slachtoffer niet kende. Dat laatste werd wel in twijfel getrokken. De Twentsche Courant schreef enkele dagen later namelijk dat Rietberg een oogje zou hebben gehad op een zuster van Kalberg, maar dat laatstgenoemde zich daartegen had verzet. Dat zou een mogelijk motief zijn. Maar of dat feit is of enkel een gerucht, wordt niet duidelijk. Het verslag van de rechtszaak in de Graafschapbode van 15 januari 1910 vermeldt er in ieder geval niets over.
De kranten wisten destijds wel te melden dat Rietberg in Duitsland al met justitie in aanraking was geweest. Ook was hij al eerder veroordeeld voor mishandeling. Het mag dan ook geen wonder heten dat hij in Aalten als ‘zeer ongunstig’ bekend stond. Naar verluid zou hij op de avond van het misdrijf om negen uur uit het café van Bauhuis zijn gezet. Volgens getuigen kwam hij echter niet over als ware hij onder invloed van alcohol.
Rietberg werd op 19 januari 1910 veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf voor het om het leven brengen van Johann Heinrich Kalberg.
Landelijk nieuws
De moord in Aalten was destijds landelijk nieuws. Onderstaande fragmenten geven een vrij compleet beeld van wat er gepubliceerd werd.
De heer P. te Aalten, had in zijn bezit een pracht exemplaar van een papegaai, die de kunst van spreken goed verstond. Het dier vloog voor eenige dagen weg en hield zich in de nabijheid eener boerenwoning op. Het praten van den vogel bracht den boer in den waan, dat een „wondervogel” zijn boerderij bedreigde en daarom maakte hij door middel van zijn geweer maar voorgoed aan het „lekker hé” van den vogel een einde!
De Graafschapbode, 31 augustus 1907
Voor eenige weken maakten we ook melding van een papegaai, die den heer P. uit Aalten ontvlucht was en later door eenen landbouwer, die haar voor eenen wondervogel aanzag, doodgeschoten werd. — Het bericht deed in meerdere couranten de ronde en als gevolg daarvan ontving de heer P. deze week een brief uit Den Haag van eene dame, die in het bezit was van eene „lorre”, waarvan ze gaarne afstand wilde doen. Zij schreef toen op het adres: — „Aan den heer P….. te Aalten, waar voor 3 weken de papegaai van doodgeschoten Is.” — De post, snugger als zij is, bezorgde den brief aan het juiste adres en de dame in kwestie werd van de goede overkomst op de hoogte gesteld.
Ingezonden. Buiten verantwoordelijkheid der Redactie
M. de Redacteur. Er leefden voor een paar jaren geleden in deze gemeente 3 broers met name Vultink, waarvan er thans nog slechts één leeft doch ernstig ziek is. Allen waren „vergunninghouders, allen gevoelden dat hun hooge leeftijd het noodzakelijk maakten om maatregelen te nemen die het verloren gaan der in hunne perceelen gevestigde „vergunning” konden voorkomen en zoo togen dan in April 1904 de belanghebbende kinderen met een op zegel geschreven verzoekschrift naar Burgem. en Weth. om „vergunning” ten hunne name.
Het oude café De Leeuw, begin 20e eeuw gerund door J.B. Kamps, getekend door Piet te Lintum
Gunstig werd hierop beschikt voor zoover het J. Kothuis en J. Vultink betrof, aan J.B. Kamps echter werd te kennen gegeven dat, waar bij Kon. Besluit van 20 April 1901 No. 17, het maximum aantal vergunningen was verlaagd tot 22 er geen termen waren waarom aan Kamps vergunning kon worden verleend.
Dat in deze gemeente gefluisterd wordt dat de „Pompkwestie” oorzaak is van deze ongunstige beschikking ten opzichte van Kamps, is voor ons geen motief, want wij gevoelen dat het College van Burg. en Weth. te hoog moet staan voor wraakzucht.
Daar verschijnt Staatsblad No. 214 van 1905 en daarin lezen wij, dat bij Kon. besluit is vernietigd het besluit van B. en W. van Aalten, waarbij aan J. Kothuis „vergunning” werd verleend.
Nu lezen wij op het gemeentelijk aanplakbord dat door B. Vultink, een der 3 broers, schoonvader van J. Kothuis, voornoemd, vergunning is aangevraagd bij B. en W. van Aalten, voor den verkoop van sterken drank in het klein en dat zij, die tegen het verleenen daarvan bezwaren hebben, die bezwaren kunnen indienen.
Natuurlijk wordt dat niet gedaan, omdat wij aan onze neringdoenden geen hinderpaal in den weg willen leggen om hun brood te verdienen. Burg, en Weth. kunnen als zijnde er geen bezwaren tegen ingebracht de verlangde vergunning verleenen.
Wij vragen aan U, M. de Redacteur, of Burg. en Weth. van Aalten die verlangde vergunning mogen verleenen. Waar toch aan Kamps, voornoemd, de vergunning werd geweigerd op grond dat door het verleenen daarvan, in strijd zou worden gehandeld met genoemd Kon. besluit van 20 April 1904 No. 17, mag daar aan B. Vultink thans, nu het wettelijk maximum nog te hoog is, vergunning worden verleend?
Beleefd verzoeken wij U om ons eenige inlichtingen, zoo mogelijk aan de voet van dit schrijven te willen verstrekken, mocht dit onverhoopt door U niet gedaan kunnen worden, plaatst dan dit schrijven in Uw veel gelezen blad, misschien wil dan een der zake kundigen ons dan wel van advies dienen.
Bernardus Hendrikus Bloemers werd op 12 maart 1845 geboren in Bredevoort, huisnummer 7a, in de omgeving van de Misterstraat en Bekendijk. Hij was een zoon van Johannes Arnoldus Hendrikus Bloemers en Theodora Sessink. Het gezin woonde korte tijd aan de Ambthuiswal, maar vertrok in december 1847 naar Terborg.
Bernards leven ging niet over rozen. In 1896 werd hij opgepakt wegens landloperij en als straf opgenomen in de Rijkswerkinrichting Veenhuizen I in Drenthe.
Zwervend bestaan
Uit het bevolkingsregister blijkt dat Bernard bepaald geen honkvast leven leidde. Vanaf zijn zestiende verbleef hij op tal van plekken, in zijn jongere jaren afgewisseld met tijdelijke terugkeer naar het ouderlijk huis in Terborg:
1861–1862: ‘Esheren in Pruissen’ (Esserden bij Rees?)
1862–1864: Vethuizen, gemeente Bergh, als knecht op een boerderij
1867: Tegelen, Limburg
1867–1868: Beek bij Sterkrade in Pruissen (tegenwoordig Duisburg-Beeck)
1869: opnieuw naar Sterkrade
1870: werkzaam als ijzervormer in de buurt van Ulft, daarna vertrok hij naar Isselburg
1872: Luik, België.
Rond 1873 trouwde Bernard, vermoedelijk in Dinslaken, met Johanna Francina Kok, geboren op 21 januari 1848 in Oer bij Ulft. In 1877 werd hij als “Bernardus Hendrikus Blummer” vermeld in het bevolkingsregister van Oosterhout bij Tilburg, waar hij met zijn gezin woonde, met als beroep zandvormer. Enkele jaren later woonden ze in Nijmegen, aan de Steenstraat.
Het echtpaar kreeg voor zover bekend vier zonen:
Johannes Hermanus (Dinslaken, 1874 – 1876)
Johannes Arnoldus (Dinslaken, 1875)
Johannes Hermanus (Oosterhout, 1877 – Rotterdam, 1962)
Bernardus (Nijmegen, 1880 – Rotterdam, 1949).
In december 1883 vertrekt het gezin naar Breda, en slechts een maand later alweer naar ’s-Hertogenbosch. In het bevolkingsregister staat achter Bernards naam een moeilijk leesbare aantekening, mogelijk: “berecht van 9 oktober 1884 van Utrecht”. Later duikt het gezin op in Rotterdam, waar het zich definitief lijkt te vestigen. Johanna overlijdt daar in 1909.
Opvallend is dat Bernard in 1895 opnieuw in Nijmegen opduikt — zonder zijn gezin, afkomstig uit Zwolle. Waarom hij zijn gezin verliet, blijft gissen. Vermoedelijk speelde armoede een belangrijke rol. De frequente verhuizingen wijzen mogelijk op een onzeker bestaan, waarbij men steeds zocht naar betere vooruitzichten — of juist vluchtte voor schulden en problemen.
Hoe dan ook, Bernards leven ging niet over rozen, en dat hij aan lager wal was geraakt wordt snel daarna bevestigd.
Signalementskaart Bernardus Hendrikus Bloemers, Veenhuizen I, 22 juni 1896
Opname in Veenhuizen
Op 22 juni 1896 werd Bernard opgenomen in Rijkswerkinrichting Veenhuizen I wegens landloperij. Bij binnenkomst werd een signalementskaart opgemaakt, voorzien van foto’s, vingerafdrukken en een nauwkeurige beschrijving van zijn uiterlijk.
Ook wordt vermeld dat hij op dat moment geen vaste woon- of verblijfplaats had (als laatste woonplaats stond Nijmegen genoteerd). Zijn beroep was ‘ijzervormer’, hij had geen identiteitspapieren en was ongehuwd (!). Hij was veroordeeld wegens landloperij in ‘s-Hertogenbosch. Hij was toen al tweemaal eerder veroordeeld voor hetzelfde feit.
De signalementskaart bevat een gedetailleerde omschrijving van zijn uiterlijke kenmerken, waaronder zijn lengte (1 meter 51,9). Zijn neus was breed, vooruitstekend, ‘van onder veel bloeddoorschijnend’ en met een litteken op de rechtervleugel.
Wat er daarna met Bernard is gebeurd, blijft onbekend. We weten niet of hij Veenhuizen ooit heeft verlaten, noch waar en wanneer hij is overleden.
Verblijf in de Rijkswerkinrichting in Veenhuizen
Slaapzaal Veenhuizen (foto: Gevangenismuseum)
Rijkswerkinrichting Veenhuizen 1 (het Eerste Gesticht) was een gesloten strafinrichting voor mannen die waren veroordeeld wegens bedelarij of landloperij. In dit grootschalige complex stonden tucht en arbeid centraal.
Het doel van de inrichting was niet alleen vergelding, maar ook het effectief “landlooperij en bedelarij tegengaan” door de samenleving te zuiveren van personen die als overlastgevend werden beschouwd en hen via dwangarbeid discipline bij te brengen.
Het dagelijks leven was strikt en sober onder een militair regime. Overtredingen van de interne regels werden bestraft met een verblijf in de strafcel of een beperking van het rantsoen. De bewoners, aangeduid als verpleegden, droegen verplichte gestichtskleding, sliepen in grote gemeenschappelijke zalen en werden zes dagen per week tewerkgesteld. De arbeid bestond uit zware landontginning op de heide of binnenarbeid in werkplaatsen, zoals het vlechten van matten en het herstellen van postzakken.
Aan de Havenstraat in Rotterdam-Delfshaven staat een huis uit 1886 met boven in de gevel het wapen van Aalten, de Lindeboom (klik hier voor Google Streetview).
Het is ons vooralsnog onbekend wat de relatie is tussen de opdrachtgever, Fred(e)rik van Aalten (Woudenberg, 1820 – Rotterdam, 1904), en de gemeente Aalten. De naam doet uiteraard vermoeden dat er een historische relatie bestaat, al gaat deze wellicht wel heel ver terug. Mogelijk heeft Frederik deze band tot uitdrukking willen brengen, zonder zelf te weten hoe de relatie precies in elkaar stak. Meer informatie is welkom!
Algemeen Handelsblad, 7 augustus 1886Algemeen Handelsblad, 10 augustus 1886Fragment Stadsarchief Rotterdam
Op 27 februari 1880 werd een man, die zijn gevangenisstraf in Bocholt had uitgezeten, door een gendarme naar de Nederlandse grens bij Aalten gebracht. Dankzij de goede samenwerking tussen de Nederlandse en Pruisische grenspolitie werd hij bij de grensovergang netjes ontvangen door rijksveldwachter Schaars Prins uit Aalten, om aan de Nederlandse justitie te worden overgedragen, die ook nog een appeltje met hem te schillen had.
De voormalige gevangenis aan de Prinsenstraat in Aalten
Het vervoer naar Aalten gebeurde per rijtuig. Aldaar aangekomen, werd de man naar het huis van arrest gebracht. Alles verliep rustig en ordelijk, totdat een persoon die, zoals later bleek, het rijtuig op een draf had gevolgd, de gevangenis binnentrad.
Toen hem werd gevraagd wat hij daar kwam doen, ontstond er plotseling een gevecht op leven en dood tussen de gevangene en zijn vriend aan de ene kant, en Schaars Prins, gemeenteveldwachter Heersink en de toevallig aanwezige gemeentebode Gerhard Rots aan de andere kant.
Nadat een paar knuppels op de lichamen van de aanvallende boeven waren stukgeslagen, deelde Rots enkele slagen uit met een soort koekenpan, die daardoor buiten fatsoen geraakte. Bij dit gevecht liepen de veldwachters slechts enkele schrammen en blauwe plekken op, maar de flinke Rots werd zelfs gebeten in zijn neus, hand en in zeker achterdeel van zijn lichaam.
Schaars Prins, die een paar jaar eerder was gedecoreerd door de Duitse keizer, vanwege een ontmoeting met boeven in Aalten, die, uit de gevangenis te Bocholt ontsnapt, door dien snorrebaard gesnapt werden, hield zich nu ook stevig staande, maar zou toch zonder Rots met zijn eigen sabel neergesabeld zijn.
Uiteindelijk liep alles goed af – de brutale bevrijdingspoging mislukte en de vrienden werden achter slot en grendel gezet. Ze werden naar Zutphen vervoerd om daar hun zaak te laten behandelen en ongetwijfeld hun verdiende loon te ontvangen.
Aalten, 30 Junij 1854 – Onlangs werden hier door vier gewapende Pruissische boeren aan de politie overgeleverd, twee personen van een zeer ongunstig voorkomen, die zich in Pruissen en ook op ons grondgebied en wel in de Buurtschap de Haart, schuldig hadden gemaakt aan bedelarij, terwijl zij dit gepaard deden gaan met dringende eischen.
Onze kantonregter vermeende geene termen te zien, om hen naar Zutphen te zenden, maar leverde hen over aan den commissaris van policie te Winterswijk, die hen dadelijk over de grenzen liet brengen, daar zij zeiden van Vreeden (Pruissen) herkomstig te zijn, zoodat hen dadelijk de gelegenheid weder open stond, op een ander punt van ons grondgebied te komen.
Te bejammeren is het, dat er somtijds door HH. regters met zooveel toegevendheid wordt gehandeld; want dit blijkt uit dit geval ook al weer: naar men verneemt, moeten deze personen toch uitgebroken dieven van Pruissen zijn, staande zij ook al gesignaleerd in het Politieblad. De Heer Officier van de Regtbank te Zutphen moet onderzoek naar deze zaak doende, zijn leedwezen te kennen gegeven hebben, dat deze personen niet aan hem zijn opgezonden.
De zachtmoedigheid van meerderen heeft natuurlijk invloed op minderen; want onze agenten van policie, die niet tot de moedigsten en ijverigsten behooren, zijn in de laatste jaren niet in staat geweest de schuldigen aan kleinere of grootere misdrijven te betrappen, en onlangs gaven zij nog blijken dat hun ijver spoedig verflaauwd, daar zij, uitgezonden met den Pruissischen politiebeambte, om den ontsnapten koedief uit Bocholt op te sporen, met overhaasting en schijnbaren ijver de woning des kantonregters verlieten terwijl men hen eenige oogenblikken later terugvond in eene herberg, hebbende zij den dief zijn weg laten vervolgen, zoodat hij ook niet gevat is.
Onze opziener van de jagt, J.S. Schaars Prins, buitengewoon veldwachter, heeft, tijdens zijne kortstondige aanstelling reeds vele schuldige opgespoord en betrapt. Eere komt dezen ijverigen man dan ook toe, en wij hopen dat zijn ijver goeden invloed moge uitoefenen op de andere agenten van policie en navolging bij hen moge vinden!
Buitengewoon veldwachter Jan Steven Schaars Prins (1817-1893)
In de 19e eeuw waren bodediensten onmisbaar voor handel en communicatie tussen dorpen en steden. In 1849 begon Jan Hendrik Heijink (1816-1888) een bodedienst tussen Aalten en Zutphen. Heijink was eigenaar van een boerderij die nog altijd dezelfde naam draagt en gelegen is aan de daarnaar vernoemde Heijinkdijk. Van deze dienst is een kasboek bewaard gebleven. Wie de inhoud met aandacht bestudeert, voelt het verleden bijna tot leven komen.
Gouden en zilveren voorwerpen vervoerde men vaak in een gesloten trommel. De geadresseerde bezat ook een sleutel, die de voorwerpen in dezelfde trommel terugzond, nadat deze de gevraagde behandeling hadden ondergaan.
Achter het kleine, vergeelde handschrift doemen mensen op en krijg je een indruk van het leven halverwege de 19e eeuw. Je ziet de bode met zijn wagen over de toen nog grotendeels onverharde Achterhoekse wegen trekken. In de zomer, als de zon uitbundig scheen, leek het soms een plezierreisje. Maar ’s winters was hij vaak blootgesteld aan regen en hagel, en voerde de tocht soms over modderige wegen, waar de wielen diep wegzakten in de wagensporen.
Centrum van handel
Voor je zag je mensen die goederen aanvoerden voor transport: kleine ondernemers die hun producten naar de ‘hoofdstad’ van de Achterhoek lieten vervoeren, en grotere handelaren die maandelijks balen, pakken, kisten en vaten aanleverden om die via Zutphen verder te laten transporteren. Winkeliers ontvingen balen koffie, zakken zout, kisten thee en vaten stokvis, terwijl notabelen op deze manier wijn en boeken lieten bezorgen.
Halverwege de 19e eeuw was Zutphen de belangrijkste stad van de Achterhoek en een centrum van handel en transport. Vanuit Zutphen werden Achterhoekse producten verder vervoerd richting het westen van het land. Tegelijkertijd kwamen via de rivieren goederen uit het westen naar Zutphen.
Kasboek
Heijink noteerde doorgaans eens per week een rit “Na Zutphen”. De afstand tussen Aalten en Zutphen bedroeg zo’n acht uur gaans. Aan het eind van het jaar maakte hij een overzicht van de kosten die met deze dienst gemoeid waren. Onder de noemer “Betaald voor het vaaren in 1849” vermeldde hij regelmatig de kosten van “verteering” onderweg:
“10 Januarij Door mij op reis 3.80; 17 Januarij Door mij op reis 5.75; Den 7 Februarij Door mij op Rijs 7.00; Den 12 Februarij Door Mij op Rijs 10.21.”
Deze bedragen zijn opvallend hoog in verhouding tot de tarieven die Heijink zijn klanten in rekening bracht. Zo rekende hij voor het vervoer van vijf kisten thee f 1,60, voor “100 kan olij” f 1,00 en voor een vat siroop van 360 pond f 1,40. Op basis hiervan is het aannemelijk dat hij in Zutphen overnachtte en pas de volgende dag met een nieuwe lading terugkeerde naar Aalten.
Ook de paarden hadden voer nodig, en soms ging de reis met twee wagens. Dan moest “Jentink voorspannen”. Een andere keer was het Hiddink of Drenthel. Heijink noteerde bijvoorbeeld:
“Den 7 Februarij Jentink voorspannen Na Groenlo 1.20; Den 19 Februarij Hiddink voorspannen 1.00; Twee wagens verteering Haver op Rijs 14.00; Den 27 Februarij Door mij verteerd en haver tezaamen 12.00.”
Daarnaast maakte hij uiteraard nog andere kosten:
“Den 5 Januarij Bussink twee paarden ijzers verlegt 1.35; Den 16 Januarij Bussink een paar nieuw ijzers en een paar verlegt 0.85; Den 20 Januarij Voor Bussink een paar nieuwe hoepels op de Voor raden en aan de kleine Leeren en de Raden aan de Stortkarren te zaamen bet. 21.10; Den 25 Januarij Gebr. Hoopman een paar nieuwe hoepels op de Achterraden Kronen Banden en voor de Achterbanden te zamen betaald 25.50; Den 5 Maart Voor een nieuw Kleed op den wagen betaald 0.50; Voor het maken 0.50.”
De middenstand
De klanten van Heijink bestonden grotendeels uit lokale neringdoenden, wat ons een interessant beeld geeft van de Aaltense middenstand in het midden van de negentiende eeuw. Levensmiddelen en gebruiksvoorwerpen vormden het merendeel van de aangevoerde artikelen. Koffie en suiker werden toen nog niet geleverd in pakken van 250 of 500 gram, zoals tegenwoordig. Deze en ook andere producten werden in balen aan de winkeliers geleverd, die zelf de gewenste hoeveelheden afwogen voor hun klanten.
Hieronder volgt een opsomming van goederen die Willem te Gussinklo, winkelier aan de Markt, via bode Heijink liet aanvoeren:
“7 Maart 5 Leidsche kazen; 12 Maart 2 vaten visch, 1 kistjen Vaarzen (bedoeld zal zijn: vazen), 2 manden Aardewerk; 16 Maart 2 baalen rijst, 3 baalen Koffij, 1 vaatje Rozijnen, 2 mandjes Vijgen; 18 April pakje manufacturen; 19 april 3 zak Lijnzaad; 25 april 1 vat zuiker, 2 mandjes Candij, 1 vat krinten, 2 baalen Koffij, drie pakken papier.”
Zout werd in zakken geleverd, terwijl stroop, olie, soda, blauwsel, cichorei en zeep in vaten werden aangevoerd. Tabak kwam zowel in vaten als in balen, pakken of manden. Opvallend is de vermelding “3 stroo Bocking”. Mogelijk waren de bokkingen, in een bepaald aantal of gewicht, verpakt in stro.
Vlasteelt en raapolie
Het belang van de vlasteelt in deze streek blijkt duidelijk uit de grote hoeveelheden lijnzaad die winkeliers in het voorjaar van 1849 in voorraad namen: in maart en april ging het om 27 zakken en 3 vaten. Bij één van de afnemers is het gewicht van drie zakken vermeld: vijfhonderd pond. Daarnaast zullen boeren ook zaaizaad hebben gewonnen uit hun eigen vlasoogst. Men zaaide het vlas in het voorjaar en oogste in de zomer. Na de nodige bewerkingen werd het gesponnen en vervolgens geweven. Van de beste kwaliteit maakte men lakens en hemden. Wanneer het werd gebruikt voor bovenkleding, zoals een jak of kiel, werd het eerst geverfd bij de zwart- of blauwverver.
Andere producten, die het hele jaar door werden aangevoerd, waren raapolie en patentolie, dat vooral gebruikt werd voor verlichting. Raapolie diende daarnaast als bakvet, onder meer voor vingerdikke boekweitpannenkoeken.
Klanten
Fabrikant Heinrich Driessen maakte wekelijks gebruik van de bodedienst voor de aanvoer van balen katoen, garen, potas, machinerieën en nu en dan een anker wijn. De geweven stoffen werden naar Zutphen gebracht om vandaar verder te worden vervoerd.
Onder de klanten van Heijink bevond zich ook de Aaltense heel- en vroedmeester Servaas van Leuven, die goederen als “een kistjen, een mandjen, een vaatjen en een pond kurken” liet vervoeren.
In het huis rechts op de voorgrond woonde Lodewijk Vaags, bakker van roggebrood, stoeten en keiharde moppen. Bode Heijink voerde regelmatig het meel aan vanuit Zutphen
Het is niet altijd eenvoudig om de geleverde artikelen bij de juiste klanten onder te brengen. Zo wordt naast Bernardus Hendrikus Becking ook Hendrik Jan Becking genoemd, evenals Gebr. Becking en J. Becking. Het kasboek vermeldt geregeld alleen de achternaam.
Datzelfde geldt voor de naam Vaags. Naast Gerrit Willem Vaags komen ook ‘Draaijer’ Vaags en Lodewijk Vaags voor, maar vaak ook enkel ‘Vaags’. Lodewijk Vaags was bakker en woonde aan het begin van de Gasthuisstraat, de huidige Haartsestraat. Hij ontving uitsluitend meel, soms gruttemeel. Een andere bakker was Degenaar, aan wie eveneens alleen meel werd geleverd. ‘Draaijer’ Vaags was stoelendraaier – hij ontving geregeld bossen biezen om stoelen van nieuwe matten te voorzien.
Gerrit Willem Vaags: ‘Gerrit van Alles’
Gerrit Willem Vaags woonde aan het begin van de Dijkstraat. Volgens de familiestamboom stond hij bekend als graanhandelaar, maar ook als ‘Gerrit van Alles’ – een bijnaam die verwijst naar de veelzijdigheid van zijn assortiment. Een blik in het kasboek bevestigt dit beeld: daaruit blijkt dat hij onder meer Leidsche kazen, kistjes kaarsen, balen koffie, pakken papier, vaatjes blauwsel, een vat siroop, 400 raapkoeken, een mand spijkers en een mandje kandij liet aanvoeren. Ook pijpen, potas, kruiden, azijn, tabak, zinkdraad, almanakken, kurken en cichorei maakten deel uit van zijn assortiment. Met recht ‘van alles’, dus.
In de nacht van 28 oktober 1799 werd het levenloze lichaam van de 47-jarige Gesina te Winkel gevonden op de heide, bij de grens tussen de Aaltense buurtschap Haart en het Duitse Barlo. Ze lag op slechts enkele minuten van haar huis en had meerdere steekwonden. Wat was er met haar gebeurd?
Gesina te Winkel werd op 30 april 1752 in Aalten gedoopt als dochter van Barent te Winkel en Enneken Dierkink.1 Op 20 april 1777 trouwde ze met Adolphus (Alof) Lensing2, die later ook te Winkel werd genoemd. Het echtpaar woonde op Gesina’s ouderlijk huis, boerderij ’t Winkel op de Haart, slechts 800 meter verwijderd van de grens met het toenmalige bisdom Münster, dat tegenwoordig deel uitmaakt van de Duitse deelstaat Nordrhein-Westfalen.
Boerderij ’t Winkel op de Haart, foto: H. Schutte, 2024
De verdwijning
Op zondag 27 oktober 1799, rond vier uur in de middag, vertrok Gesina alleen van huis met een boterham in de hand. Ze was op weg naar de familie Möllers om enige kledingstukken op te halen. De Möllers woonden net over de grens in het Münsterland, op ongeveer een kwartier lopen van ‘t Winkel.
Toen het donker begon te worden en Gesina nog niet was teruggekeerd, begonnen haar man Alof en hun kinderen zich zorgen te maken. Waar bleef ze toch? Alof besloot naar het huis van de familie Möllers te gaan. Hij trof er drie vrouwen aan bij het vuur, die hem vertelden dat ze Gesina die dag niet hadden gezien.
Terugkerend naar huis vroeg Alof zich af of zijn vrouw onderweg iemand was tegengekomen of wellicht een buur had bezocht. Bij thuiskomst bleek ze nog steeds niet terug te zijn. Hierop ging hij opnieuw op zoek, ditmaal op de heide. Toen hij haar daar niet kon vinden ging hij nogmaals naar Möllers huis. De bewoners waren al naar bed en toen Alof aanklopte en opnieuw naar zijn vrouw vroeg, riepen de man en vrouw hem uit ’t bed toe dat zij van Gesina niets vernomen hadden en dat zij daar die dag niet was geweest.
Alof betrok zijn naaste buurman Hendrik te Kolste en de knecht van zijn broer aan Drenthel Schoppe, Harmen Swietink, bij de zoektocht. Samen gingen zij nogmaals de heide op om Gesina te zoeken.
De vondst
Het was inmiddels pikkedonker op de heide en ze konden bar weinig zien. Rond middernacht ontdekte een van hen plotseling iets wits. Het bleek Gesina’s muts te zijn, met ernaast haar levenloze lichaam. Ze lag op haar zij, haar voeten waren nog warm, maar de rest van haar lichaam was koud. Ze werd gevonden op slechts vijf à tien minuten van haar huis. Alof liet een kar halen en bracht haar lichaam daarop naar huis. Hij dacht dat ze onderweg waarschijnlijk onwel was geworden en daaraan was overleden.
Het gerechtelijk onderzoek
De volgende ochtend, maandag 28 oktober, meldde Garrit Rensink, wonende op boerderij Beestmans Huisje op de Haart, bij het gerecht van de Heerlijkheid Bredevoort dat de vrouw van zijn buurman Alof te Winkel in de voorgaande nacht dood was gevonden op de heide.
Hierop begaf het gerecht zich, vergezeld door chirurgijn Steven Schaars, naar ’t Winkel. Bij onderzoek op ’t lichaam werd vastgesteld dat de vrouw meerdere steekwonden had – drie aan haar linkerzijde en twee aan haar rechterzijde, vermoedelijk toegebracht met een bajonet of een driekantig voorwerp.
Blijkbaar was men nog niet geheel overtuigd van de doodsoorzaak, want twee dagen later toog het gerecht nogmaals met Schaars naar ’t Winkel voor nader onderzoek. Daarbij werd de overledene, die al gekist was, weer uit de kist genomen en onderzocht, waarbij Schaars vaststelde dat de onderste ribben aan de rechterzijde gebroken waren en dat de haar toegebrachte wonden haar dood hadden veroorzaakt.
Tijdens verhoor verklaarden Alof, Hendrik en Harmen dat zij aanvankelijk dachten dat zij Gesina’s lichaam op Nederlands grondgebied hadden gevonden, maar ook dat zij dat door de duisternis niet goed hadden kunnen bepalen. Bij nadere herinnering was men echter vrijwel zeker dat het op Münsters grondgebied moest zijn geweest.
Hendrik en Harmen verklaarden verder dat, zover zij wisten, Alof te Winkel en zijn vrouw een goede relatie hadden en dat er geen sprake was van onenigheid of ruzie. Ook verklaarden zij dat Gesina nooit met iemand ruzie had, en dat zij “schoon op haare jaaren er zeer wel uitzag”.
Arnoldus Obrink, kuiper in de Hoekstraat te Aalten, verklaarde dat hij Gesina die bewuste zondagmiddag rond vier uur nog had gezien. Hij liep op de weg van Hunink naar Aalten en Gesina ging de weg naar ’t Münsterland op, omtrent 300 trad van haar huis. Hij had zelfs nog kort met haar gesproken, terwijl zij een boterham at. Verder had hij niemand in de buurt gezien.
Een onbevestigd gerucht
Al snel ging het gerucht rond dat Gesina die zondag wel degelijk bij ’t huis van Möllers was geweest. Volgens de verhalen had een 13-jarige zoon uit het gezin onvoorzichtig met een geladen geweer gespeeld, waarna het per ongeluk afging en Gesina had geraakt. Er werd zelfs beweerd dat sporen van het schot nog in de schoorsteen of bij de haard te zien waren. Bewijs voor dit gerucht was er echter niet.
Dossier naar Bocholt
Omdat het sterke vermoeden bestond dat de gewelddadige dood van Gesina op Münsters grondgebied had plaatsgevonden, stuurde de drost van Bredevoort, Willem Paschen, een kopie van het dossier naar het gerecht van Bocholt, zodat zij deze zaak verder konden onderzoeken.4 Helaas is ons niet bekend hoe deze zaak is afgelopen. De tragische moord op Gesina te Winkel blijft een mysterie.
Begrafenis
In het Begraafboek van de Nederduitsche Gereformeerde Gemeente te Aalten staat vermeld onder oktober 1799: “den 28 overleden – Alof te Winkel zijn vrouw – begraven den 31” 5
Op de vroege ochtend van 12 januari 1770 werden de naobers van boerderij de Vosheurne in Lintelo opgeschrikt door een verontrustend bericht. “De moeje is dood, zy is zeer bebloed, zy mag het hoofd wel capot geslagen hebben,” riep bewoner Harmen Brunsink. Uitgebreid forensisch onderzoek door het Gerecht te Bredevoort onthulde een verhaal van een familieconflict dat ontaardde in moord en zou eindigen met een gruwelijke executie.
Spanningen in huis
Hendersken Tannemaat, geboren in 1705, had haar hele leven op de Vosheurne gewoond. Haar nichtje, Gijsberta Deemshof, geboren in 1739 in Doesburg als dochter van Henderskens zuster Johanna, werd vanaf haar derde levensjaar door haar ‘moeje’ (tante) Hendersken opgevoed. In 1761 trad Gijsberta in het huwelijk met Harmen Brunsink, geboren in 1729 op boerderij Bekink in IJzerlo. Na hun huwelijk trok Harmen bij Gijsberta en haar ongehuwde moeje in op de Vosheurne.
Aanvankelijk woonde Hendersken tegen kostgeld bij het jonge echtpaar. In juni 1768 droeg zij echter al haar bezittingen over aan Harmen en Gijsberta, in ruil voor kost en inwoning en alle nodige zorg voor de rest van haar leven. Dit was destijds een gebruikelijke afspraak tussen oudere mensen en hun kinderen—in dit geval haar nicht en echtgenoot. Harmen en Gijsberta beloofden plechtig aan deze verplichting te voldoen.
De verstandhouding tussen Harmen en de moeje verslechterde echter met de jaren, en er ontstonden spanningen in huis. De tante zou enkele keren tegen Harmen hebben gezegd dat zij de gemaakte afspraak ongedaan wilde maken “omdat gij mij zo slecht behandelt!”
Een mysterieuze dood
Een bedstee (foto ter illustratie)
Op die noodlottige ochtend van 12 januari 1770 riep Harmen in paniek de naobers bijeen omdat de moeje dood was. Het was in deze regio gebruikelijk dat de naobers bij sterfgevallen werden ingeschakeld om praktische zaken te regelen, zoals de begrafenis en het ‘verhennekleden’ — het ontkleden van de overledene en het hullen in het lijkgewaad. Toen de buurvrouwen de slaapkamer betraden, vonden ze Hendersken dood in haar bedstee, haar handen gevouwen over de borst. Haar neus en armen waren blauw, en toen haar muts afviel, ontdekten ze meel in haar haar en bloed dat langs haar hals sijpelde.
Gijsberta verklaarde dat ze het meel had gebruikt om het bloeden te stelpen. Harmen voegde eraan toe dat de blauwe plekken waarschijnlijk kwamen omdat de moeje aan scheurbuik leed, en dat Hendersken waarschijnlijk haar hoofd had gestoten aan de scherpe randen van de bedplank. Maar het verhaal rammelde. De naobers vertrouwden het niet en brachten de zaak onder de aandacht van het Gerecht te Bredevoort.
Het onderzoek
Twee dagen na de dood van Hendersken arriveerden gerechtsdienaren met twee chirurgijnen op de Vosheurne. Bij aankomst bleek het lichaam al gekist. In aanwezigheid van Harmen en Gijsberta onderzochten de chirurgijnen het lichaam. Zij ontdekten meerdere zware verwondingen en kneuzingen aan het hoofd. De letsels maakten duidelijk dat een ongeluk uitgesloten was. De verdenking viel direct op Harmen en Gijsberta, die samen met Hendersken op de Vosheurne woonden en geen overtuigend verhaal konden geven over wat er was gebeurd.
Beide verdachten ontkenden elke betrokkenheid en beweerden dat ze Hendersken die ochtend dood op de grond voor haar bedstee hadden aangetroffen. Ze zouden haar op bed hebben gelegd, meel op haar hoofd hebben gestrooid om het bloeden te stelpen en haar muts hebben opgezet. Hun verklaringen spraken elkaar echter tegen. Harmen had tegen de buren gezegd dat hij Hendersken dood in bed had gevonden, niet op de grond.
Vrijwillig en zonder tegenstribbelen gingen ze mee naar Aalten, waar ze in hechtenis werden genomen voor nader verhoor. Toen daarbij de talrijke hoofdwonden ter sprake kwamen, verklaarde Harmen dat deze mogelijk het gevolg waren van een aanval van vallende ziekte. Hendersken zou daarbij met haar hoofd tegen de bedplank, de hekelstoel, de kistjes, een koffer of de bierstelling zijn gestoten. Hij suggereerde ook dat iemand van buiten het huis kon zijn binnengedrongen, aangezien het huis in slechte staat verkeerde.
Nader onderzoek
Op 16 januari ging het Gerecht, bijgestaan door een dokter, een chirurgijn en aanklager, opnieuw met de verdachten naar de Vosheurne. De slaapkamer van Hendersken werd minutieus onderzocht.
De bedstee vertoonde aan het hoofdeinde een grote bloedvlek op de bedplank, alsof het bloed tegen de plank was gespat. Maar deze had geen scherpe randen, zoals Harmen had beweerd. Door langdurig gebruik was de plank juist afgerond en waren er ook binnen in de bedstee geen scherpe randen te vinden. Andere meubels in de kamer—kistjes, een koffer en een hekelstoel—vertoonden geen sporen van bloed. Ook onder de bedstee vond men niets.
De dokter en de chirurgijn onderzochten het lijk daarop nog nauwkeuriger. Zij verklaarden voornamelijk dat er een lichte kneuzing aan de neus was, evenals zware kneuzingen aan beide ellebogen, armen en handen, waaronder zich gestold, uitgetreden bloed bevond. Deze kneuzingen konden niet anders dan door een uitwendige oorzaak zijn veroorzaakt.
Niet alleen aan de rechterzijde van het hoofd, ter hoogte van de slaap, waren de uitwendige bekledingen en vleesachtige delen tot op het bot gekneusd, gewond en vernield, maar aan de linkerzijde waren vergelijkbare kneuzingen en wonden te zien, zij het in mindere mate. Men ontdekte aan de linkerzijde van de schedel twee en aan de rechterzijde één wond of opening, elk ter grootte van ongeveer een schelling. Bij het losmaken van de uitwendige delen bleek dat aan de rechterzijde de schedel een fractuur had en dat aan de linkerzijde het uiteinde van het schedelbot sterk naar beneden was gebogen en deels gebroken.
Na het doorzagen en verwijderen van de schedelpan vond men verschillende scheuringen. Door deze fracturen en naar buiten gedrukt bot waren de hersenen, met name aan de linkerzijde, ernstig beschadigd. Aan beide zijden van het hoofd, vooral links, bevond zich uitgetreden bloed op en onder het harde hersenvlies en ook in de hersenen zelf. Bovendien waren alle bloedvaten geheel met bloed gevuld. Deze combinatie van verwondingen hadden onvermijdelijk haar dood veroorzaakt.
Hoewel de verdachten bleven volhouden onschuldig te zijn, werden de tegen hen gerezen vermoedens door deze bevindingen alleen maar versterkt. Uit de situatie ter plaatse en de toestand van het lijk viel niet meer te betwijfelen dat er een moord was begaan. Zoiets kon niet ongemerkt gebeuren in een klein huisje als dat van de verdachten, terwijl zij beweerden van niets te weten. De verdachten werden daarop overgebracht naar de gevangenis in het Ambtshuis te Bredevoort.
Tijdens de volgende verhoren hielden Harmen en Gijsberta aanvankelijk vast aan hun verhaal: Hendersken was door een ongeluk gestorven. Maar het bewijs tegen hen stapelde zich op. Op 19 januari, een week na de moord, brak Harmen onder de druk en bekende wat er werkelijk was gebeurd: Hij verklaarde dat hij alleen heeft gehandeld, zonder hulp van zijn vrouw. Hij had vooraf in bed tegen zijn vrouw gezegd: “Daar ligt zoo een klein keseltjen, daar zal ik haar een maal vyf ses mede aan het hoofd slan, dan is zy weg, dan is de rusie uit het huis, dan kunnen wy in vreede en eenigheid leven.”
Omstreeks vier uur voor zonsopgang was hij opgestaan, had de lamp aangestoken, was naar Henderskens kamer gegaan en hing de lamp aan een spijker boven de bedstee. Bij het betreden van de kamer werd de tante wakker door het licht. Daarop was Harmen bij haar in bed gesprongen, zette zich schrijlings over haar, hield met zijn linkerhand haar hoofd vast en sloeg met zijn rechterhand vijf of zes keer met de kiezelsteen op haar hoofd, totdat zij onder zijn handen dood bleef.
Gijsberta zou geprobeerd hebben hem te stoppen, maar zonder succes. Toen de moeje dood was en hevig bloedde, gaf hij zijn vrouw opdracht meel op haar hoofd te strooien en het bloed eraf te wassen. Daarna had hij de buren geroepen. De steen waarmee hij haar had geslagen, wierp hij in de greppel achter de oven, bij de plek waar zij water haalden.
Verklaring van Gijsberta
Gijsberta legde op 20 en 22 januari haar bekentenis af. Ze verklaarde daarbij over haar ongelukkige huwelijk: “Och wat ben ik ongelukkig! Ik ben met myn Man getrouwt tegen de zin van myne geheele familie, en hy heeft ook van den beginne af, dat ik met hem getrouwt ben, slegt met my geleeft.”
In de vroege ochtend van 12 januari had haar man, nog voor hij opstond, tegen haar gezegd: “Ik wil de rusie niet langer in huis hebben, ik wil ‘er eens doortasten, ik zal een keseltjen krygen, en geven de Moeje daar mede maar eenen slag aan het hoofd, dan is zy weg, en dan is de rusie uit het huis.” Zij was daarover zeer ontsteld, maar hij probeerde haar gerust te stellen, kuste haar en zei: “Wees tog niet verslagen, laat ik ‘er eens doortasten, het is een oud mensch, dan kunnen wy een gerust leven hebben.”
Hij kwam zelfs met jenever naar haar bed en zei: “Gy moet braaf Genever drinken, en gy moet half dronken wezen, anders zoud gy te verslagen worden, wy moeten nu door een suren appel byten; maar gy moet my nooit beklappen, zelfs niet als ik eens kome te sterven, en gy krygt een ander man, dan moet gy daar nooit tegen zeggen, dat ik uw eigen bloed vermoord hebbe.”
Zij zei daarop tegen hem: “Zoud gy daar toe kunnen komen, om myn eigen vleeschelyke bloed om den hals te brengen; als het er op aan komt, dan moet ik het zeggen.” waarop hij had geantwoord: “Ik wil er evenwel doortasten, ik wil de rusie uit het huis hebben.”
Toen haar man al in de kamer van de moeje was en haar begon te slaan, riep hij Gijsberta om erbij te komen. Zij ging toen naar de kamer, greep naar zijn linnen kiel om hem van de moeje af te trekken en zei: “Foei, foei, wat doet gy toch!” Zij voegde eraan toe dat haar man haar had gedwongen om erbij te zijn, zeggende: “anders zoud gy my naderhand kunnen gaan aanbrengen.”
Gijsberta verklaarde tevens dat zij al lange tijd bang was met hem in bed te liggen, vrezend dat hij haar met een mes zou aanvallen. Ook deze nacht lag er een mes in zijn broek voor het bed. Zij zei daarom ook tegen hem: ”Ik ben bang, dat gy my kwaad zult doen.” Waarop hij haar verzekerde: “Och neen, ik zal u nooit kwaad doen.”
Ze bekende ook dat haar man het niet kon verdragen als zij vriendelijk was tegen de moeje, en dat zij sinds zij bij hen inwoonde voortdurend verdriet met haar man heeft gehad.
Gijsberta heeft van meet af aan verklaard deze gruwelijke daad niet te hebben geholpen uitvoeren. Zij weet ook niet waarmee haar man de moeje heeft doodgeslagen, alleen dat zij ’s morgens, bij het water halen in de greppel voor het huis bij de wilgen, een grijze kiezelsteen in het water heeft zien liggen die er voorheen niet lag.
Beide verdachten hebben tenslotte bekend dat de tante nooit aan vallende ziekte heeft geleden. De buren en vrienden hebben daarvan ook nooit iets gehoord, behalve pas na haar overlijden.
Het vonnis
Het Gerecht van de Heerlijkheid Bredevoort oordeelde dat alles erop wees dat Harmen Brunsink, in de nacht van 11 op 12 januari 1770, Hendersken Tannemaat, een weerloos mens van naar schatting bijna zeventig jaar oud, liggend op haar bed in zijn huis, op een gruwelijke manier, weloverwogen en met voorbedachten rade heeft vermoord. Gijsberta werd ten laste gelegd dat zij heeft nagelaten haar man, waar mogelijk, van dit afschuwelijke voornemen af te brengen.
Harmen werd veroordeeld tot de doodstraf: “om te worden gebragt ter plaatse, alwaar men gewoon is criminele Executie te doen, en aldaar door den Scherprigter gebonden op een houten kruis, van onderen op levendig beenen en armen aan stukken geslagen, en daar na desselfs hoofd met een byle afgehouwen te worden. Dat, dit geschied zynde, vervolgens zyn lichaam op een rad, staande op een paal, zal worden geleid, en met ketenen daar aan gehegt, en zyn hoofd daar boven op een penne worden gezet, anderen ten afschuwelyken exempel.” Deze straf wordt radbraken genoemd.
Op 10 februari werden de ingezetenen van Dinxperlo op de Hollenberg ontboden om de paal en het rad voor de executie op te richten en de strop te maken. De meesten weigerden of kwamen niet opdagen en kregen daarvoor een boete van 30 daalders per persoon. 18 personen hebben toegestemd en de paal en het rad opgericht.
Het vonnis werd op 12 februari 1770 op de Hollenberg voltrokken.
Gijsberta ontliep de doodstraf, maar werd verplicht de executie van haar man te aanschouwen. Vervolgens werd zij voor de rest van haar leven verbannen uit de stad en Heerlijkheid Bredevoort. Zij hertrouwde in 1776 in Silvolde met Jacob Kok en overleed naar verluid in 1813.
Bronnen
Nieuwe Nederlandsche jaerboeken, of Vervolg der merkwaerdigste geschiedenissen, die voorgevallen zyn in de Vereenigde Provincien […]. Vyfde deel. MDCCLXX, uitgegeven door de erven F. Houttuyn te Amsterdam, P. van der Eyk en D. Vygh te Leiden, 1770 (link)
Klaas Nijman werd op 16 januari 1698 in Dinxperlo gedoopt als zoon van Fredrik Nijman en Berentjen Eppink. Op vijftienjarige leeftijd verliet hij het ouderlijk huis en begon een zwervend bestaan als ‘bedelaar en vagebond’. In 1722 werd hij in Rhenen wegens geweldpleging en diefstal veroordeeld tot een verblijf in het tuchthuis. Na zijn vrijlating volgde een verbanning uit de provincie Utrecht.
Daarop keerde Nijman terug naar de Achterhoek, waar hij vooral in de omgeving van Dinxperlo en Aalten angst zaaide onder de bevolking. Hij bedelde en stal, bedreigde mensen en schroomde niet om grof geweld te gebruiken. In 1729 stak hij meerdere huizen in brand en werd hij gearresteerd.
Op 3 oktober 1729 werd Klaas Nijman na een proces in Bredevoort op ‘t Zand ter dood veroordeeld. Hij werd naar de Hollenberg gebracht, waar hij werd gewurgd en daarna in brand gestoken. Deze gruwelijke straf diende als een afschrikwekkend voorbeeld voor anderen. Nijman was toen 32 jaar oud.
Vonnis
De volgende 18e eeuwse tekst beschrijft zijn misdaden en vonnis:
Gepronuntieerd in Bredevoort op ’t Sant, en geëxecuteert buiten op den Hollenberg, op Maandag den 3. October 1729.
Vonnis Klaas Nijman
In zaaken Crimineel, voor den Hoog Edelen Geregte der Heerlykheid Bredevoort, tusschen den Advocaat Fiscaal der voorschr. Hooge Heerlykheid, klager ter eenre, en de KLAAS NYMAN, anders KLAAS FREDERIKSEN genoemt, oud omtrent 32 jaaren, en geboortig in den ampten van Boekholt, aan den Heelweg, by Dinxperlo, beklaegde en geinhafteerde ter anderen zyden, gezien en geëxamineert de inquisitoire procedure‚ met allen bygevoegden informatiën, confrontatien, en bewys van A. tot H. incluis, voorts des beklaegdens, buiten de actuele torture, gedaane verklaaringe en confessiën, en waarby denzelven successive, en tot verscheiden maalen heeft gepersisteert, als waaruit gebleeken:
Dat hy KLAAS NYMAN, zedert zyn vyftiende jaar van zyn Ouders en Geboorteplaats is weggegaan, en als een bedelaar en vagebond het land heeft doorgeloopen. Dat hy ook in den jaare 1722 over verscheidene geweldenaryen, dieveryen, en verdere insolentiën tot Rhenen is gegeesselt, gebrandmerkt, en voor den tyd van zes jaaren in het Tugt- of publicque Werkhuis tot Utregt verwezen, en na expiratie uit de Provintie en Landen van Utregt gebannen, voor den tyd zyns levens, en om nooit daar in weder te komen, by pœne van met de dood te zullen worden gestraft.
Dat hy met omtrent drie vierendeeljaars uit het voorn. Tugt-of Werkhuis los gelaaten zynde, dog blyvende de straffen van bannissement in zyn vigeur, hy zig daar op, of eenigen tyd daarna wederom heeft begeven na Dinxperlo, en in zyne stoute bedelaryen en geweldenaryen is voortgevaren. Dat hy aldaar eenen DIRK WENSINK, om een bagatelle op de publicque weg by Dinxperlo, met een mes de bek heeft opgesneden.
Dat hy almede na zyne relaxatie voorsz. wederom verscheidene dieveryen, als van yzerwerk en een byle, en van linnen gepleegt, als een sloop of laken aan geene zyde Doesborg aan de Steege; en nog een hembt van den thuyn aan HENDRIK te Loo of Kistershuis, tusschen Dinxper en het Bredenbroek, en wyders als by de Reformatiën. Dat hy KLAAS NYMAN, ook van jaaren herwaarts by veele ingezetenen onder Dinxperlo en Aalten is berugt en verdagt gehouden geweest, als dat hy niet en dogte, en veel quaats bedreef.
Dat hy ook agtervolgens den . . . . van de sententie tot Rhenen aldaar suspect is gehouden geworden, van zeer grove misbedryven te hebben gecommitteert. Dat hy beklaagden door zyn . . . . en quaadaardig gedrag en bedenkelyke taale, die hy hier en daar quam te voeren, den goeden huisman, en de ingezetenen op het platte Land, en inzonderheid omtrent Dinxperlo en Aalten, en daar in het ronde, in een geduurigen angst en vreeze heeft gehouden. Dat als hy quam bedelen met het geene ordinaris aan een bedelaar gegeven word, niet tevreden is geweest, ofschoon hem ook dikmaals al meerder wierde gegeven, en met in zigzelfs te brommen, uit de huizen weg ging.
Dat die angst en vreze by de ingezetenen is verdubbelt geworden, en op het hoogste gekomen, zedert dat in deezen jaaren 1729 in het Kerspel van Aalten brand was ontstaan, en dat daar op al wyder en nog al meerder afbrandingen van huizen daar digt by volgden. Zodanig, dat verscheidene ingezetenen aan haar volk ordonneerden, dat zy, als KLAAS NYMAN aan haare huizen quam, hem maar zouden geven wat hy wilde hebben, om zyne vriendschap te trekken, en hem niet te vertoornen, en dat ook verscheidene menschen, uit vreze voor brandstigteryen‚ des nagts by haare huizen de nagtwaken hebben moeten houden, en waardoor zelfs eenige boerschappen als genoegzaam in alarm zyn worden gesteld.
Dat hy beklaagde KLAAS NYMAN, ook die geene is, die tot zulke overbooze misbedryven gekomen is, dat hy in den naastverwekenen Zomer in de Kerspelen van Aalten en Dinxperlo, deezes zelfden jaars 1729 zedert den 13. Juny tot den 29. Augustus, en alzo binnen den tyd van een vierendeeljaars drie‚ en geenzints van de minste huizen, het eene na het andere heeft in den brand gestoken, en welke huizen ook totaliter zyn afgebrand, en waarvan de corpora delictorum bekend zyn.
Als namentlyk op den 13. Juny het huis op Lensink, onder Aalten op den Esch te Yserlo, alwaar hy een stuk witten of voozen turf‚ door middel van een tonteldoos, vuurslag en tabakspyp aan het branden gemaakt, en met dien brandende turf agter aan die zyde van het huis; daar des tyds de wint tegens dit huis opwoei, den brand verwekt heeft. Dat hy agt dagen van te vooren hetzelve huis Lensink ook aangestoken heeft, en dat het al aan het branden is geweest, dog dat het doenmaals door de bewoonders nog geblust is geworden.
Ten tweeden, het huis op Welink, almede onder Aalten op den Esch te Yserlo, op den 20. Juny, alwaar hy den brand op dezelfde wyze als aan te Lensink met een in brand gemaakte voozen turf heeft in het werk gesteld, en daar mede het huis van agteren aangestoken. Dat hy van beide zyne brandstigteryen, aan Lensink en Welink, voor reden van zig geeft, dat hy zulx gedaan hadde om angst en schrik in de buurde, of onder de menschen te maken.
Ten derden, het huis aan Grevink, op ’t Rexwinkel in de boerschap Heurne, onder Dinxperlo, op den 29. Augustus, des avonds omtrent 10 uuren, als wanneer hy den brand aldaar met een aangestoken lonte van linnen todden gemaakt, in het stroo dat agter op het hoekschot van het huis lag, heeft verwekt. Dat in dit voorn. huis Grevink, als hetzelve in den brand ging, een jonge kraamvrouw, en die nog geen twee dagen kraams was, op het bedde heeft gelegen, en dewelke by groot geluk de kragten nog hebbende om van het bedde te geraken, den brand nog ontkomen is. Dat hy KLAAS, deeze zyne brandstigtinge aan Grevink, voor reden van zig geeft, dat hy zulks gedaan hadde, om dat dezelfde voorsz. kraamvrouw een tyd lang geleden, en die des tyds nog ongetrouwt waar geweest, hem een stuk pannekoek gegeven hadde, dat hem te klyn ware geweest.
Dat aan Welink en aan het laatstgenoemde Grevink, verscheiden stuks levendig Vee, ingeoogste Koorengewassen, en verders meede verbrand en verteert zyn. Dat hy Beklaagden hier en boven door vier beëdigde geloofwaardige kondschappen is geconvinceert, alhoewel zelve telle quelle heeft willen negeren, dat hy op den 31. Augustus laatstleeden ten huise van ARENT OOSTENDORP, in die boerschap Hoerne, onder Dinxperlo gesproken heeft die naare woorden, als dat dien of deezen hoek in het kort een armen hoek zoude weezen.
Dat hy almede daarenboven gedreigt heeft, het huis van den tamboers jongen binnen Dinxperlo in den brand te willen steeken, en daartoe gestendigt, en daarby gepersisteert, als dat hy, byaldien niet gevangen was geworden, het ook wel zoude gedaan hebben, en diergelyke verschrikkelyke dreigementen, en dangereuse uittingen van den Beklaagde, als de informatiën en confessiën in deezen meerder komen uittedragen.
Het hooggemelde Gerigte God, en de Justitie voor oogen houdende, doende regt met advys van onpartydige Regtsgeleerden, verklaart den Beklaagde KLAAS NYMAN, in de pœne der Regten vervallen te zyn, denzelven over zulx in overweginge van deeze drie gruwelyke brandstigteryen‚ mits deezen condemnerende, dat hy ter gewoonlyker plaatse van Justitie gebragt, aan een paal gehegt en eenigermaalen geworgt, en voorts verbrand zal worden, anderen ten afschrikkelyken exempel.
Aldus by ons ondergeschrevene geadviseert binnen Bredevoort, den 29. September 1729.
(En was getekent.)
H.J. TEN HAGEN en H.C. STUMPH
Bron
Regtsgeleerde Verhandelingen over Lyfstraffelyke Misdaaden door een voornaam Regtsgeleerde (Jan Jacob van Hasselt), uitgegeven te Amsterdam bij Hendrik Gartman, 1781 (link)
Gedurende de 17e en 18e eeuw monsterden ruim tweehonderd mannen uit Aalten en Bredevoort aan op schepen van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC). Sommigen waren nog minderjarig, velen keerden nooit terug. Wat bracht hen ertoe de landelijke Achterhoek te verruilen voor een gevaarlijke zeereis naar de Oost, duizenden kilometers van huis?
De VOC en haar administratie
De VOC (1602–1795) was ’s werelds eerste multinational en groeide uit tot een machtige koloniale onderneming met handelsmonopolies en een eigen krijgsmacht. In bijna tweehonderd jaar tijd vertrokken ruim 4.700 schepen naar Azië. Alleen al in de 18e eeuw bevonden zich ongeveer 655.000 mensen aan boord van VOC-schepen.1 Slechts een klein deel kwam uit de Achterhoek. Uit de administratie kennen we ruim 200 namen van mannen uit Aalten en Bredevoort die in dienst traden bij de VOC.
Dat we dit weten, danken we aan de nauwgezette personeelsadministratie. In de zogenoemde scheepssoldijboeken werden persoonsgegevens, functies, schepen, bestemmingen en de reden van uitdiensttreding vastgelegd. Deze bronnen zijn grotendeels bewaard gebleven en kunnen online worden geraadpleegd via de website van het Nationaal Archief. De tabel onderaan dit artikel is samengesteld op basis van deze administratie.2
Aalten en de VOC: vanaf het begin betrokken
De bemoeienis van Aaltenaren met de VOC begon overigens niet pas toen mannen als soldaat of matroos aanmonsterden. Al bij de oprichting in 1602 speelde een Aaltenaar een opvallende rol. Wessel Schenk, geboren in Aalten en later koopman in Amsterdam, investeerde toen 30.000 gulden in de nieuwe compagnie. Daarmee behoorde hij tot de grootste aandeelhouders van de VOC.3
De dienst was riskant: meer dan de helft overleed onderweg of in Azië, terwijl slechts een derde aantoonbaar levend terugkeerde. Aanmonsteringen vonden verspreid over de 17e en 18e eeuw plaats, met lichte pieken in de jaren 1720 en 1760–70.
Waarom kozen deze mannen voor een onzeker bestaan op zee? Voor velen was het een kwestie van armoede of gebrek aan perspectief: een vast inkomen bij de VOC bood zekerheid. Voor anderen speelde de drang naar avontuur en zelfstandigheid, een kans om de wereld te zien en te ontsnappen aan de beperkingen van het plattelandsleven.4
Militaire functies
Bijna de helft van de Aaltenaren en Bredevoorters vervulde een militaire functie. Tot 1755 was er een garnizoen in Bredevoort5, wat hierbij een rol kan hebben gespeeld. Voor militairen bood de VOC vermoedelijk de mogelijkheid hun ervaring met wapens en discipline te benutten, vaak tegen beter loon en met meer loopbaanperspectief. Tegelijk kan het evengoed zijn dat ook mannen met ervaring in de schutterij voor dergelijke functies werden ingezet. Het vertrek van het garnizoen uit Bredevoort lijkt geen aantoonbare invloed te hebben gehad op het aantal aanmonsteringen.
Namen en gegevens
Onderstaande tabel bevat de gegevens van personen uit Aalten en Bredevoort die in dienst zijn geweest bij de VOC. Sommige personen worden vaker vermeld, omdat ze meerdere reizen hebben gemaakt. Deze tabel is niet foutloos en vermoedelijk ook niet volledig. Van sommige personen is niet zeker dat zij daadwerkelijk uit Aalten of Bredevoort afkomstig waren, omdat de herkomst soms moeilijk leesbaar is en de spelling varieert. Mede daarom ontbreken er ongetwijfeld ook namen, maar mogelijk ook omdat delen van de administratie verloren zijn gegaan.
De 📜 achter iedere naam bevat een link naar de betreffende vermelding in het Nationaal Archief, waar ook de scan van het originele document te bekijken is. Een 🌳 verwijst naar de stamboom van de betreffende persoon op FamilySearch (gratis account vereist), voor zover bekend – werk in uitvoering!
Uit historische bronnen weten we dat Aalten in 1152 werd genoemd als kerspel Aladon.1 Maar er zijn aanwijzingen dat het dorp mogelijk al veel eerder werd vermeld, namelijk als Aladna in een oorkonde uit 828.2 Of deze vermelding echt naar het huidige Aalten verwijst, is nog steeds onderwerp van discussie. Toch achten archeologen zo’n vroege datering zeker mogelijk. Zowel op De Hoven als aan de Damstraat zijn namelijk sporen van menselijke bewoning uit die tijd gevonden.3 In dit artikel duiken we in deze oude vermelding en bekijken we twee verschillende theorieën.
De schenkingsakte van Geroward
De oorkonde uit 828 beschrijft hoe op 7 februari van dat jaar een zekere Geroward al zijn bezittingen, waaronder die in Aladna, schonk aan de Sint-Martinuskerk in ‘Traiectum Veteri’ (Utrecht). Over de identiteit van Geroward is weinig bekend, maar hij moet een man van aanzien zijn geweest. Vermoedelijk was hij een Frankische edelman in dienst van de Karolingische keizer Lodewijk de Vrome, zoon van Karel de Grote.
De originele oorkonde is niet bewaard gebleven. Wat we erover weten, komt uit latere kopieën en transcripties. De belangrijkste bron is het ‘Cartularium van Radboud’, opgesteld in de abdij van Egmond in de 12e of 13e eeuw. Dit register bevat afschriften van oorkonden die te maken hebben met het bisdom Utrecht. Later werd deze verzameling opgenomen in het ‘Oorkondenboek van het Sticht Utrecht tot 1301’, samengesteld door S. Muller Fz. en H.T. Obreen.
Hieronder volgen de Latijnse tekst en de Nederlandse vertaling van de betreffende oorkonde.
Brontekst
Dum unusquisque presens seculum inhabitat, necessitate nimia cogitur, ut finem suum Dei solo judicio previdere et preoccupare bonis operibus studeat, ne eum inopinata et improvisa mors inveniat.
Idcirco ego Gerouuardus, filius Landuuardi, trado ad ecclesiam sancti Martini, in Traiecto Veteri constituta[m], quicquid mihi hereditatis jure accessit in villa Langhara et in Ellenuuih et in Aladna et in Uuazefelde et in Humelle et in Theodon et in Hesim et in Asnon, cum omnibus adjacentiis, pratis, pascuis, silvis, aquis aquarumve decursibus, necnon et mancipia, quorum hec existunt vocabula: Feginuuard et uxor ejus Liutburn, Meginrauan et uxor ejus Vuerinhild, Albuuard et mater ejus Sigiuuih, Uulfbald et Hadagrim, Grimbald et uxor ejus Adaluuih, Garoberd et uxor ejus Folcuuihc, Arnolf et uxor ejus Adalgard, Saxani et uxor ejus Harduuih Vuerinbald et mater ejus Gerild, Heiegbrath et uxor ejus Meginfrid, Vuarbald et uxor ejus Geruuih, Adalgod et Marcuui, Saxini et Radini, Vulfini et uxor ejus Liuduuar, Odilgard et filius ejus Heriman, Aldric et filius ejus Landric, Gelo et Marcrad, Hungrim et uxor ejus Liuduuih, Aluuih et Seolo, Egbald et Tadhild.
Acta est autem publice in villa Embrici, anno XV imperii domni Hludouuici imperatoris, incarnationis vero Dominice anno DCCCXXVIII, die VII Idus Februarii, coram testibus, qui hanc traditionem presentialiter confirmatam viderunt similiter et vestituram, quorum nomina subter notantur.
Ego Geraccarus jubente domno meo Friderico episcopo scripsi et subscripsi.
Vertaling
Terwijl ieder mens in dit aardse leven verblijft, wordt hij door een grote noodzaak gedreven om zijn einde alleen door Gods oordeel te voorzien en zich daarop voor te bereiden door goede werken, opdat de dood hem niet onverwacht en onvoorbereid overvalt.
Daarom draag ik, Geroward, zoon van Landward, over aan de kerk van Sint-Maarten, gevestigd in Oud-Traiectum, alles wat mij door erfelijk recht is toegekomen in de dorpen Langhara, Ellenwih, Aladna, Wazefelde, Humelle, Theodon, Hesim en Asnon, met alle bijbehorende landerijen, weiden, graslanden, bossen, wateren en waterlopen.
Eveneens draag ik over de lijfeigenen, wier namen als volgt zijn: Feginward en zijn vrouw Liutburn, Meginravan en zijn vrouw Werinhild, Albward en zijn moeder Sigiwih, Wulfbald en Hadagrim, Grimbald en zijn vrouw Adalwih, Garoberd en zijn vrouw Folcwih, Arnolf en zijn vrouw Adalgard, Saxani en zijn vrouw Hardwih, Werinbald en zijn moeder Gerild, Heiegbrath en zijn vrouw Meginfrid, Warbald en zijn vrouw Gerwih, Adalgod en Marcwi, Saxini en Radini, Wulfini en zijn vrouw Liudwar, Odilgard en haar zoon Heriman, Aldric en zijn zoon Landric, Gelo en Marcrad, Hungrim en zijn vrouw Liudwih, Alwih en Seolo, Egbald en Tadhild.
Deze overdracht vond openbaar plaats in de nederzetting Embrici, in het vijftiende regeringsjaar van keizer Lodewijk(Hludowicus), en in het jaar 828 na de menswording van onze Heer, op zeven februari, in aanwezigheid van getuigen die deze overdracht en de bijbehorende vestiging hebben bevestigd. Hun namen worden hieronder vermeld.
Het teken van Geroward, die deze overdracht uitvoert.
Ik, Geraccarus, heb dit op bevel van mijn heer, bisschop Frederik, geschreven en ondertekend.
Waar lag ‘Aladna’?
Over de exacte locatie van de in de oorkonde genoemde plaatsen bestaan twee theorieën:
De Hamaland-theorie: Volgens deze opvatting lagen Gerowards bezittingen in het gebied dat later bekend zou worden als het Karolingische graafschap Hamaland. De plaatsnamen die in de akte worden genoemd, worden door historici verbonden aan hedendaagse plaatsen in de Liemers en de Achterhoek. Binnen deze theorie wordt ‘Aladna’ geïdentificeerd als het huidige Aalten.
De Noord-Franse theorie: Een andere interpretatie stelt dat de genoemde plaatsen niet in Nederland lagen, maar in Noord-Frankrijk. In dit scenario zou Aladna verwijzen naar het huidige Alette, een plaats in het departement Pas-de-Calais. Ook de andere plaatsnamen uit de oorkonde zouden in dit gebied liggen.4
Interpretaties van de plaatsnamen in beide theorieën:
In Oost-Nederlandse contreien gaat men er evenwel van uit dat de Hamaland-theorie het meest waarschijnlijk is. Niet voor niets heeft de gemeente Aalten een weg vernoemd naar aanleiding van deze vermelding: de Aladnaweg. En in de gemeente Montferland is een straat vernoemd naar Geroward: de Gerwardstraat in Klein-Azewijn. De theorie is al eeuwen oud: rond 1730 maakte Johann Friedrich Falken een historische kaart van ‘Nederland in de laat-Romeinse tijd’, waarop hij het graafschap Hamaland, inclusief Aladna, heeft ingetekend.
Kaart van het voormalige graafschap Hameland in de laat-Romeinse tijd, gemaakt door Johann Friedrich Falken, ca. 1730 5
Conclusie
De vermelding van Aladna in 828 blijft een interessant onderwerp van discussie. Veel mensen beschouwen de Hamaland-theorie als de meest waarschijnlijke verklaring (of is dat misschien vooral wensdenken?), maar de Noord-Franse interpretatie valt niet helemaal uit te sluiten. Hopelijk kunnen toekomstige archeologische en historische onderzoeken meer duidelijkheid bieden over deze vroege vermelding.
Oorsprong plaatsnaam
Over de oorsprong van de naam Aalten doen verschillende theorieën de ronde. Maar waarop zijn deze gebaseerd en hoe geloofwaardig zijn ze? Old Aalten dook in de geschiedenis om hierover meer te ontdekken.
Deze website gebruikt cookies voor een optimale ervaring en analyse van bezoekgegevens. Ga je hiermee akkoord? Zonder toestemming werken sommige onderdelen van de site mogelijk minder goed.
Functioneel
Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistieken
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door je Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een site of over verschillende sites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.