“Vandaag verlaat de heer S. Douma officieel de dienst van gemeentewerken te Aalten met pensioen. Tot nu toe heeft de heer Douma zich nog niet willen laten „strikken” om op de gebruikelijke afscheidsbijeenkomst van de personeelsvereniging te verschijnen. Uit bescheidenheid. Met de heer Douma gaat een der markantste figuren uit het straatbeeld verdwijnen. Vooral bij de agrarische bevolking is men op hem gesteld. Hij is het namelijk geweest, die de gemeente Aalten gediend heeft met het beroep van rattenvanger.
Dit afscheid betekent voor de Aaltense ratten echter niet dat zij nu vrij spel hebben. Integendeel, alles laat de heer Douma in de steek, behalve de ratten. Voorlopig zal hij dit onderdeel van zijn taak op verzoek van de gemeente, blijven behartigen. De jacht zal waarschijnlijk zelfs heel wat intensiever worden. De tijd is er nu immers voor beschikbaar. De „rattenvanger”, die ruim 30 jaar in gemeentedienst is geweest, heeft sedert de rattenjacht is begonnen 1172 bestrijdingsgevallen gehad. Hoeveel ratten hij heeft gedood, valt moeilijk te schatten, maar vast staat dat het er duizenden zijn. De heer Douma hoopt er hier nog veel aan toe te voegen.”
Op donderdag 22 oktober 1964 was Douma, ‘de gepensioneerde rattenvanger uit Aalten’, te gast in het NCRV-radioprogramma ‘Samen uit samen thuis’.
Heeft u meer informatie of foto’s om dit artikel aan te vullen, reageer dan hieronder of stuur ons een bericht.
Over de oorsprong van de naam Aalten doen verschillende theorieën de ronde. Maar waarop zijn deze gebaseerd en hoe geloofwaardig zijn ze? Old Aalten dook in de geschiedenis om hierover meer te ontdekken.
We beginnen met de oudste historische vermeldingen van Aalten, omdat deze mogelijk aanwijzingen bevatten over de oorsprong van de naam. Vervolgens bekijken we wat de toponymie (plaatsnaamkunde) ons hierover kan leren. Daarna behandelen we enkele theorieën over de herkomst en betekenis van de naam Aalten en sluiten we af met onze conclusie.
Akte uit 1234, waarin Aalten tweemaal wordt vermeld als ‘Alethim’
Vroegste vermeldingen
Er zijn verschillende middeleeuwse documenten die een verwijzing naar Aalten bevatten, waarbij de schrijfwijze varieert. De bekendste vermeldingen zijn Aladna en Aladon, waar de Aladnaweg en een school naar zijn vernoemd. Hieronder volgt een overzicht van historische vermeldingen, inclusief een verwijzing naar de oudst bekende bron.
828
Een oorkonde uit 828 beschrijft hoe een zekere Geroward op 7 februari van dat jaar al zijn bezittingen, waaronder die in Aladna, schonk aan de Sint-Martinuskerk in Utrecht. Over de identiteit van Geroward is weinig bekend, maar vermoedelijk was hij een Frankische edelman in dienst van de Karolingische keizer Lodewijk de Vrome, zoon van Karel de Grote.1
1138/ 1139
In 1138 of 1139 sluit Godschalk van Versnevelde (Varsseveld), met instemming van zijn broer graaf Gerhard (II) van Lohn, een ruilovereenkomst met de kanunniken van de Mariakerk in Rees. Hij draagt een landgoed in Megchelen bij Gendringen over, inclusief bijbehorende jachtrechten, twee akkers, een weide en negen horigenvan beide kunne. In ruil ontvangt hij een goed in Alethnin, met alle opbrengsten en zeven horigen.2
1152
In 1152 trof graaf Godschalk (II) van Lohn, zoon van Gerhard II, een regeling met bisschop Frederik II van Münster. Godschalk claimde het bestuur over de kerspelen Lon, Winethereswik, Aladon, Versnevelde, Selehem en Hengelo op basis van zijn grafelijke titel. De bisschop zag dit anders, waarna werd vastgelegd dat Godschalk deze gebieden niet in eigen bezit had, maar als leenman van de bisschop moest beheren.3
1188
In 1188, tijdens de regering van de Roomse keizer Frederik I, stelde priester Everhardus, kapelaan van graaf Hendrik van Dalen en Diepenheim, een inventaris op van Hendriks feodale (leenhorige) en allodiale (vrije) bezittingen. De feodale goederen werden genoteerd onder de parochies waartoe ze behoorden, waaronder Ecberghe, Gronlo, Winterswic, Nehde, Ghesterne, Lochem, Almen, Dotinchem, Zelhem en Althen.4
1234
In 1234 ging graaf Herman (I) van Lohn, heer van Bredevoort, samen met zijn broers Hendrik, proost van Zutphen, en Otto, kanunnik van St. Gereon te Keulen, benevens zijn zwagers Werner van Herden, Sweder van Ringelberg, Herman Werecen, Herman van Munster en hun echtgenoten, en al hun verdere erfgenamen, een ruil aan met het klooster Bethlehem. Daarbij krijgt het klooster van de graaf onder andere: duabus warandiis, una in marchia Alethim et altera in marchia Silvolden (twee jachtgebieden; één in de marke van Aalten en de andere in de marke van Silvolde). Getuigen zijn onder andere de pastoors Johannes uit Bocholte, Conradus uit Alethim, Ernestus uit Winterswic, en Johannes uit Versevelde.5
1254
In 1254 wordt melding gedaan van de “curtis Grevinkhof sita in parochia Alethe“ (het hof Grevinkhof, gelegen in de parochie Aalten): Gotscalco de Reme ontfangt van Otto van Loon in burgleen de curtis Grevinkhof te Aalten, met den molen en wat er verder toebehoort, met uitzondering van het holtgericht. Hierby present Gerardus Canoninicus „frater domini G. de Reme”.6
1313
In een register van de tot het bisdom Münster behorende kerken uit het jaar 1313 worden de volgende, tegenwoordig in Nederland gelegen parochies vermeld: Alten, Dinxperle, Eiberghe, Gheesteren, Grolle, Hengelo, Neede, Seelfwalde, Selehem, Versevelde en Wynterswik.7
1386
Derich Willemssoen van Lyntloe beleend met Varenvelde in kerspel Alten, sabbato na Briccii ep. (17 november) 1386.7
1409
Derk van Linteloe en zijn kinderen Derk en Herman, verklaren verkocht te hebben aan Johan Rensynck het goed ten Nygenhues, gelegen in de buurschap Lynteloe onder Aelten en leenroerig aan de heerlijkheid Borkeloe, 1409 juli 24 (in vigilia beati Jacobi apostoli maioris).8
Toponymie en klankontwikkeling
Toponymie, ofwel plaatsnaamkunde, is een tak van de taalkunde die plaatsnamen bestudeert en hun oorsprong tracht te verklaren.9 Een algemeen aanvaard principe binnen de toponymie is dat de klankontwikkeling van een naam betrouwbaarder is dan de spelling, aangezien schriftelijke vermeldingen in premoderne tijden inconsistent waren en beïnvloed werden door schrijvers, dialecten en tijdgebonden conventies. De klank van een naam blijft daarentegen doorgaans consistenter en biedt daarom een beter inzicht in de oorspronkelijke uitspraak en betekenis.
Nu zijn wij geen plaatsnaamkundigen, maar wanneer we de klankontwikkeling van de vroegste vermeldingen van Aalten chronologisch bekijken, menen wij een patroon te herkennen:
Deze vermeldingen bestaan gedurende een periode van vier eeuwen (9e-13e eeuw) uit drie lettergrepen, beginnend met ‘ala’ of ‘ale’, gevolgd door een d of t, en in de meeste gevallen eindigend op een n. Hoewel de spelling varieert, blijft de klankstructuur grotendeels consistent. Vanaf de 13e/14e eeuw zien we dat de tweede lettergreep langzamerhand verdwijnt en dat de naam verbastert tot Althen/Alten/Aelten/Aalten.
Theorieën over herkomst en betekenis
Hieronder behandelen we de bekendste theorieën over de herkomst en betekenis van de naam Aalten.
Plaats op een heuvel
Een veelgenoemde theorie stelt dat de naam Aalten zou zijn afgeleid van het Latijnse altus, dat ‘hoogte’ betekent. Deze verklaring lijkt voornamelijk gebaseerd op het feit dat Aalten op een heuvel is ontstaan en de klankovereenkomst tussen altus en Aalten. Er is echter geen historisch of taalkundig bewijs voor deze theorie. Bovendien houdt deze verklaring geen rekening met de klankontwikkeling in de oudst bekende vermeldingen van de naam.
Erf bij het altaar
Een andere theorie suggereert dat Aalten rond 150 v. Chr. werd bewoond door Angelen uit het gebied dat nu Berkelland is. Volgens deze verklaring zou de naam zijn afgeleid van het Anglische ael (altaar, offerplaats) en thun (tuin, omheind erf). Dit zou leiden tot Aelthun, oftewel ‘erf bij het altaar.’10 Ook deze verklaring is speculatief en past niet bij het klankpatroon van de middeleeuwse vermeldingen van de naam.
Plant- of boomnaam
In Gelderse plaatsnamen verklaard stelt Gerald van Berkel dat de naam Aalten mogelijk verband houdt met een plant- of boomnaam en verwijst hierbij naar het Oudnoorse alað (voeding, spijs), aldin (eetbare boomvrucht) of alda (vruchtdragende eik).11 Hoewel er geen direct bewijs is voor deze verklaring, past ze wel bij het klankpatroon van de middeleeuwse vermeldingen.
Plaats aan het water
In Prehistorische waternamen suggereert Maurits Gysseling dat de naam Aalten is afgeleid van het Indo-EuropeseAlatanā, met de betekenis “gelegen in een bocht van een beek”.12 In het geval van Aalten zou dat verwijzen naar de Slingebeek. Van Berkel noemt deze theorie in Gelderse plaatsnamen verklaard echter vergezocht.
Plaatsnaamonderzoeker Bas Kloens is het daar niet mee eens. In zijn studie over plaatsnamen en hun oorsprong, Valkuilen in de Plaatsnaamkunde, stelt hij dat het juist “overduidelijk” is dat Aalten, net als veel andere soortgelijke plaatsnamen, haar naam te danken heeft aan de ligging aan een waterloop of beek.13
Conclusie
Geen enkele theorie over de herkomst van de plaatsnaam Aalten is met hard bewijs te staven of volledig uit te sluiten. Het blijft dus voor een groot deel speculeren. Desondanks neigen wij naar de theorieën van Gysseling en Kloens, die stellen dat Aalten haar naam dankt aan de ligging aan een waterloop, oftewel de Slingebeek.
Bovendien lijkt ons, ondanks de scepsis van Van Berkel, een verband met het Indo-Europese Alatanâ, dat toch best veel lijkt op Aladna, plausibel.
Kortom, hoewel niet wetenschappelijk bewezen, gaat onze nominatie voor meest aannemelijke verklaring voor de oorsprong en betekenis van de naam Aalten naar Plaats aan het water / gelegen in een bocht van een beek.
Het dorp Aalten, gelegen op een heuvel aan de Slingebeek (fragment topografische kaart uit 1845)
Archeologische vondsten wijzen erop dat de vroege bewoners van Aalten al rond 800 na Christus hun doden begroeven in een grafveld aan de huidige Damstraat. Tijdens graafwerkzaamheden in de late 19e en vroege 20e eeuw werden daar sporen van een Merovingisch-Frankisch grafveld ontdekt. Opvallende vondsten, zoals speerpunten, stijgbeugels, een schildknop en zilveren gordelschakels, suggereren dat hier mogelijk een krijgsman begraven lag.
Op De Hoven zijn sporen van bewoning uit dezelfde periode gevonden, bestaande uit diverse zogenoemde hutkommen – rechthoekige kuilen die dienden als werk- of opslagruimtes. Aardewerkfragmenten die hier werden gevonden, komen overeen met de vondsten van het grafveld aan de Damstraat.
De kerstening van Aalten
Na de onderwerping van de Saksen door Karel de Grote rond 785 begon de kerstening van Aalten en omgeving. Missionaris Liudger, later bisschop van Münster, speelde een belangrijke rol in de stichting van kerken in de regio, waaronder vermoedelijk de eerste kerk in Aalten.
Deze kerk, oorspronkelijk waarschijnlijk een eenvoudige houten kapel, werd gesticht op een strategische en symbolische plek: de verhoogde locatie waar nu de huidige Oude Helenakerk staat. Deze plek werd het religieuze en sociale centrum van de gemeenschap.
Uit archeologisch onderzoek is gebleken dat de bewoners van De Hoven die plek rond het jaar 1000 hebben verlaten. Mogelijk besloten zij, nadat zij waren bekeerd tot het Christendom, om dichterbij de recent gestichte kerk te gaan wonen, om de bescherming van het geloof te genieten. Ook werden de doden vanaf toen vermoedelijk in en rond de kerk begraven.
Kerkhof
Rond de kerk ontstond een kerkhof dat in de middeleeuwen een belangrijke rol speelde in het leven van de gemeenschap. Het kerkhof in Aalten was oorspronkelijk veel groter dan het huidige perceel rondom de Oude Helenakerk. Het diende niet alleen als begraafplaats, maar ook als plek voor sociale en religieuze bijeenkomsten. Mensen woonden in die tijd zelfs rondom of op het kerkhof, vaak functionarissen zoals kosters of geestelijken die direct betrokken waren bij de kerk.
De afgelopen eeuwen zijn tijdens graafwerkzaamheden regelmatig botresten aangetroffen in de grond rondom de kerk, zoals op de Köstersbulte, het pad langs Elim, maar ook aan de Kerkstraat, waar nu bebouwing staat. De oorspronkelijke begraafplaats rondom de kerk was dus veel groter dan het huidige terrein waarop de kerk staat.
Tot in de 19e eeuw werden doden voornamelijk in en rondom de kerk begraven. Het begraven in de kerk zelf was gereserveerd voor mensen van aanzien, zoals geestelijken, edelen en weldoeners. Men geloofde dat een graf in de kerk een betere positie in het hiernamaals garandeerde. De meeste mensen werden echter op het kerkhof rondom de kerk begraven. Individuele grafstenen waren in de middeleeuwen zeldzaam; veel mensen werden in naamloze graven begraven.
Gezondheidsrisico’s
Het begraven in de kerk bracht echter grote problemen met zich mee. Ruimtegebrek en de ontbinding van lichamen leidden tot gezondheidsrisico’s; kerkhoven raakten overvol, en de situatie werd onhoudbaar.
Regelmatig ontstonden in de kerk verzakkingen in de vloer en bleven de eigenaren van de betreffende graven, wat het herstel betreft, in gebreke. De lijklucht was dan in de banken bij het betreffende gat soms wekenlang ondraaglijk, vooral tijdens de zomermaanden.
Markt Aalten met kerk en ‘beenhalle’, ca. 1740 – getekend door Piet te Lintum
Epidemieën zoals de pest verergerden dit probleem. Er kwam dan ook een regeling tot stand waarbij bepaald werd dat de kerkmeesters, in geval van nalatigheid, de nodige herstelwerkzaamheden mochten aanbesteden waarbij de betreffende plaats aan de kerk verviel.
Ook op de begraafplaats rond de kerk was de toestand vaak slecht. Doordat lange tijd niet op genoegsame diepte begraven was kwamen regelmatig beenderen aan de oppervlakte. Een beenderoplezer verzamelde, voor twee schepel rogge per jaar, deze beenderen van tijd tot tijd en wierp ze in de beenhalle (ook wel knekelhuisje genoemd), een huisje op het kerkhof aan de Markt-zijde. Werd de voorraad te groot dan ruimde men deze op.
Koninklijk Besluit van 1827
In 1827 bepaalde Koning Willem I bij wet, dat vanaf 1829 de begraafplaatsen buiten de bebouwde kom moesten worden ingericht. Voor veel mensen was dit een grote stap, om te breken met alle tradities en de doden, buiten het dorp “zo maar ergens in de grond” achter te laten.
De praktijk van begraven in en rondom de kerk symboliseerde een tijdperk waarin religie, dood en gemeenschap nauw met elkaar verweven waren. Het verbod daarop was een keerpunt dat niet alleen de volksgezondheid ten goede kwam, maar het markeerde ook een verschuiving in de omgang met de dood: individuele graven kregen meer ruimte, er kwamen meer grafmonumenten, en begraafplaatsen werden landschappelijk ingericht.
Christiaan Caspar Stumph, sinds 1811 burgemeester van Aalten, ergerde zich aan het begraven binnen het dorp. In 1818 liet hij daarom voor zichzelf en zijn familie een ‘buitenbegraafplaats’ aanleggen op zijn landgoed Het Smees. Zijn zoon Abraham Anthony werd hier als eerste begraven, gevolgd door Stumph zelf in 1820. In totaal rusten zeven personen op deze bijzondere grafheuvel, die nog altijd zichtbaar is aan het Nannielaantje in Aalten.
Na het koninklijk besluit van 1827 werd in Aalten een terrein aan de Varsseveldsestraatweg aangewezen als begraafplaats. Door de groei van het dorp raakte deze begraafplaats begin 20e eeuw steeds meer ingesloten. In 1923 werd begraafplaats Berkenhove in gebruik genomen. Hoewel de Oude Begraafplaats inmiddels de functie van stiltepark heeft gekregen, wordt deze nog steeds sporadisch gebruikt voor het bijzetten van overledenen in bestaande graven.
Bij de aanleg van de begraafplaats aan de Varsseveldsestraatweg kreeg de katholieke gemeenschap een eigen vak aan de overzijde van de straat, op de hoek met de Molenstraat. Deze begraafplaats raakte al na dertig jaar vol, waarna in 1868 een nieuwe R.K. begraafplaats aan de Piet Heinstraat in gebruik werd genomen. Het oude begraafplaatsje kreeg later de functie van plantsoen.
Aan de Haartsestraat in Aalten, net buiten het dorp, ligt de Joodse begraafplaats van Aalten. Hoewel het terrein in 1852 officieel eigendom werd van de Joodse gemeenschap, zijn er aanwijzingen dat de begraafplaats al vanaf circa 1820 in gebruik was. Op het terrein staan ongeveer zeventig grafstenen, die variëren in ouderdom en ontwerp. Bij de ingang aan de Haartsestraat staat een metaheerhuis, een ritueel gebouw dat gebruikt wordt voor de reiniging van overledenen volgens Joodse tradities.
Toen de katholieke begraafplaats aan de Varsseveldsestraatweg vol raakte, schonk textielfabrikant Anton Driessen in 1868 een stuk grond aan de huidige Piet Heinstraat om in te richten als begraafplaats. Ook schonk hij een ijzeren Calvariekruis en een ijzeren poort. Het baarhuisje dateert uit 1888.Een eeuw later raakte ook deze begraafplaats vol. Vanaf 1960 werden katholieke overledenen daarom begraven op het nieuwe rooms-katholieke gedeelte van begraafplaats Berkenhove.
Nadat de Oude Begraafplaats aan de Varsseveldsestraatweg vol raakte, werd in 1923 begraafplaats ‘Berkenhove’ aan de Romienendiek in gebruik genomen. Het oorspronkelijke gedeelte ligt ingesloten tussen de Romienendiek, de Barloseweg en de Koningsweg. Door de jaren heen is de begraafplaats regelmatig uitgebreid. In 1960 werd een katholiek gedeelte toegevoegd, omdat de RK-begraafplaats aan de Piet Heinstraat vol was. Bij Berkenhove bevindt zich een modern uitvaartcentrum en crematorium.
De Oude Begraafplaats aan de Prins Mauritsstraat werd rond 1830 aangelegd, gelijktijdig met de naastgelegen Joodse Begraafplaats. Het terrein kwam beschikbaar na de ontmanteling van de vestingwerken aan de oostzijde van het stadje. In 1925 werd een nieuwe toegangspoort geplaatst, en enkele jaren later werd een baarhuis gebouwd.
Bredevoort had ooit twee Joodse begraafplaatsen. De oudste was gelegen op het voormalige kasteelterrein achter Hozenstraat 5. In 1953 werd dit terrein verkocht aan de gemeente Aalten ten behoeve van woningbouw. De stoffelijke resten en grafzerken werden toen overgebracht naar de tweede begraafplaats aan de Prins Mauritsstraat.
De Joodse Begraafplaats aan de Prins Mauritsstraat werd rond 1830 aangelegd, gelijktijdig met de naastgelegen algemene begraafplaats. De laatste Bredevoortse Joden die op deze begraafplaats werden bijgezet zijn broer en zus Levi en Sara Sander. Beiden overleden in 1938, kort na elkaar. De begraafplaats is niet toegankelijk voor het publiek.
De begraafplaats Kloosterhof aan de Kloosterdijk in Bredevoort werd aangelegd in 1862-1863 en diende oorspronkelijk als rooms-katholieke begraafplaats. Het oudste, centraal gelegen deel heeft een symmetrische indeling met een karakteristieke toegangspoort, een baarhuis en een Calvariekruis. In de jaren 80 van de vorige eeuw werd de begraafplaats uitgebreid met een algemeen gedeelte. In 1989 verrees tevens een mortuarium.
In 2011 verscheen Aalten landelijk in het nieuws door een opmerkelijk bericht: een kleine gelovige gemeenschap had zich gevestigd op boerderij Rensink in Lintelo, in afwachting van de Apocalyps. Zij noemden zich de ‘Wachters van de Nacht’.
Op hun boerderij bereidden zij zich voor op overleven in de eindtijd. Volgens hen zou de Apocalyps spoedig met een tsunami aanbreken, waarbij grote delen van Nederland onder water zouden komen te staan. Het hoger gelegen Aalten zou daarbij aan zee komen te liggen.
Grappenmakers plaatsten op Youtube satirische filmpjes waarin Aalten aan Zee als een zonnige badplaats werd voorgesteld en waar de lokale middenstand zich moeiteloos aan de behoefte aan strandvermaak had aangepast. Wie echter de waarschuwingen van de groep in de wind sloeg, zou daar volgens de Wachters zelf de consequenties van moeten dragen. Hem of haar stond de verdrinkingsdood te wachten. Ondertussen legden de Wachters grote voedselvoorraden aan ten behoeve van de vluchtelingen die zij uit de Randstad verwachtten.
Twee buurdorpen: het ene katholiek, het andere protestants. Is er nog steeds rivaliteit? Trouw onderzoekt het. Vandaag deel 2: Aalten en Lichtenvoorde. Aalten geldt als het ‘Jeruzalem van de Achterhoek’ dankzij zijn vele gereformeerde kerken. Buurdorp Lichtenvoorde ligt juist in een rooms-katholieke enclave.
Scherpslijpers zijn de Achterhoekers niet. Behalve dan in Aalten. Die terrasjes op de Markt voor de Oude Helenakerk? “Dat zou vroeger vloeken zijn geweest in Aalten”, zegt Hans de Graaf. Hij werd in 1943 geboren in een rooms-katholiek gezin in het naburige Bredevoort. Hij woont en kerkt al jaren in Aalten. “Als kind voelde je dat je een tweederangs inwoner was”, herinnert hij zich.
In Aalten domineerden in de jaren vijftig en zestig immers de protestanten, onderverdeeld in ‘de fienen’ en ‘de groffen’. De hervormden waren niet zo strikt. Ze leefden Bijbels volgens de grove lijn. De afgescheiden gereformeerden, talrijk in Aalten, volgden echter fijntjes de orthodoxe dogmatiek.
Jeruzalem van de Achterhoek
‘Fienen’. Je spreekt het uit met een lange, slepende ‘ie’. Ook Frits van Lochem doet dat. In 1946 zag hij het levenslicht in een hervormd gezin in het rooms-katholieke Lichtenvoorde, acht kilometer van Aalten. Tussen beide dorpen ligt een glooiend niemandsland. Spreek je in Lichtenvoorde over Aalten, dan gaat het al snel over ‘die fienen’ en ‘het Jeruzalem van de Achterhoek’. “We zijn meer op Groenlo gericht”, zegt Van Lochem.
Een volks geloof overheerst in de Achterhoek. Het maakt in het dagelijks leven niet uit of je voorvaderen rooms-katholiek bleven of toch maar overgingen naar het protestantisme. De Achterhoekse naoberschap overstijgt de dogma’s van Rome en van protestantse synodes. Het gebied is als een schaakbordpatroon verdeeld in dorpjes met iets meer rooms-katholieken en met iets meer protestanten.
Buurenclaves
Twee buurenclaves vormen daarop een grote uitzondering: het gereformeerde Aalten en het rooms-katholieke bolwerk Groenlo en Lichtenvoorde. Hoe is dat zo gekomen en wat is hun relatie? Hans de Graaf en Frits van Lochem kunnen putten uit hun ervaringen als lid van een kerkelijke minderheid. Ze kennen elkaar niet. Toch fietsten ze elkaar ooit dagelijks tegemoet de een op weg naar de protestantse middelbare school in Aalten, de ander naar de rooms-katholieke in Lichtenvoorde.
De Johanneskerk (PKN) van Lichtenvoorde
Van Lochem is graag actief voor de gemeenschap. Hij was ooit wethouder in Lichtenvoorde voordat de gemeente fuseerde met Groenlo tot Oost Gelre. Nu verzorgt hij de administratie van de Johanneskerk. Als hervormde jongen had hij een prettige jeugd, zegt hij. “Natuurlijk had je een protestantse en een rooms-katholieke school”, zegt hij. “Voor het middelbare onderwijs moest je naar Aalten. Je ging nu eenmaal naar een school van je eigen religie.”
Een tijdlang was er een eigen protestantse voetbalclub en gymvereniging. De p.c.-drumband speelde zondags niet bij Lichtenvoordse festiviteiten, herinnert hij. Maar in Lichtenvoorde waar 90 procent van de mensen rooms-katholiek was, ging je normaal met elkaar om. “Mijn vader was woningstoffeerder”, zegt Van Lochem. “Het klooster was een belangrijke klant. Hij zou geen droog brood verdiend hebben aan alleen protestanten.”
Protestanten ‘bepaalden alles’
Zo gemakkelijk als de Lichtenvoorders de verzuilde verschillen overbrugden, zo moeizaam moeten de scheidslijnen in Aalten zijn geweest. ”Er kon weinig”, zegt De Graaf. “Dansen was onmogelijk. Als rooms-katholieken hadden we een eigen instuif. Daaruit kwamen veel huwelijken voort. Die protestanten bepalen hier alles, dacht je in de jaren vijftig. En toen ontstond de zwembadkwestie. Een geweldige rel! Mensen knipten het prikkeldraad open rond het zwembad om op zondag te kunnen zwemmen Tegenwoordig is alles anders. Er waait een wereldse wind door Aalten. Nog steeds.”
Lichtenvoorde en Groenlo stonden voor een rooms-katholieke jongen uit Aalten synoniem voor een prettig leven. “Daar waren de toogdagen en de processies”, herinnert De Graaf zich. Lichtenvoorde is frivool met zijn corso en Groenlo staat bekend om het carnaval. Maar voor hem bleven die plaatsen ver weg. In Aalten was in zijn jeugd zo’n 18 procent van de mensen rooms-katholiek. De gereformeerde identiteit drukte op iedereen. Het rooms-katholicisme van ‘de enclave Groenlo en Lichtenvoorde’ was in 1966 studievoer voor geschiedenisdocent Thielen uit Boxtel. Twee ontwikkelingen verklaren dat een enclave kon ontstaan, blijkt uit zijn boek over ‘de enclave’.
Religieuze strijd
De strijd tussen de bisdommen Utrecht en Münster om de zeggenschap over deze streek duurde tot 1823. De bisschop van Münster liet zich nogal gelden in Oost-Nederland. De Achterhoek was verder rond 1600 het strijdtoneel geweest tussen de Staatse legers van de Oranjes en de Spaanse overheersers. Die strijd had zijn religieuze sporen nagelaten.
In 1597 veroverde het leger van prins Maurits namens de (protestantse) Staten-Generaal uit Den Haag de steden Bredevoort en Groenlo op de Spanjaarden. Maar in 1606 verloren de ‘Staatsen’ de vesting weer. In 1627 heroverde prins Frederik Hendrik Groenlo weliswaar, maar hij won de meeste inwoners niet meer voor het protestantisme. De rooms-katholieke beweging van de contrareformatie had er wortel geschoten. Ook het nabijgelegen Lichtenvoorde, sinds 1496 met eigen kapel, bleef Rome trouw. En Münster.
Monumentaal
Frits van Lochem laat de witgepleisterde Johanneskerk uit 1648 zien. Zij is monumentaal. De kerk staat op de fundamenten van de rooms-katholieke kapel uit 1496. “Het is een van de oudste protestantse kerken van Nederland”, zegt hij. De kapel kwam na 1627 in handen van de Nederduits Gereformeerde (later hervormde) minderheid die hoorde bij het nieuwe Staatse gezag. Ze wilden een minder bouwvallig godshuis. “In het hele land is gecollecteerd voor deze kerk”, zegt Van Lochem. “Ook Frederik Hendrik betaalde. Giften kwamen tot uit Amsterdam en omgeving.”
Oude kaart met de Kruiskapel te Hemden, net over de grens bij Aalten
De rooms-katholieken die in Groenlo en Lichtenvoorde in groten getale achterbleven, maar ook een Aaltense minderheid, raakten aangewezen op de Kreuzkapellen die in grensdorpen als Zwillbrock, Hemden en bij de stad Bocholt verrezen. De paapsen liepen naar de grens van de Republiek met het Münsterland. Maar in grote delen van de Achterhoek, ook Aalten, werd de pastoor ineens dominee en zwoer alle Roomse ‘superstitiën’ plechtig af. Ook zijn kudde werd dan protestants, maar niet meteen van harte.
De aard van de Achterhoeker
De aard van de Achterhoeker is, zo schreef hervormde dominee J.H. Jansen in 1957, op het oog nogal meegaand. De kat wordt uit de boom gekeken, stelde hij in een sociologische studie naar het Achterhoekse geloofsleven. De gemeenschap gaat boven het individu, zag hij. In die observatie kan scriba Flip de Bruijn van de Protestantse Gemeente Lichtenvoorde zich ook anno 2010 vinden. “De gemeenschap is hier zo verweven en er zijn zoveel gemengde huwelijken”, zegt hij. “Er zijn geen scherpe tegenstellingen. Men accepteert elkaar zonder conflicten.”
Wat maakt Aalten dan zo’n uitzondering? In 1845 scheidde in Aalten, in navolging van de Groningse dominee De Cock, een deel van de hervormden zich af. Nadien vond de Doleantie (1886-1892) in de Achterhoek vooral in Aalten weerklank. Aan beide schisma’s hield het dorp de Christelijke Gereformeerde en de Gereformeerde Kerk over. “Oorzaak was dat een geliefd predikant ‘meeging’ en door het classicaal bestuur werd ontzet”, verklaarde Jansen de Doleantie in Aalten. “Die nam veel families mee.”
Kerkelijke veelkleurigheid
De rooms-katholieke Sint Helenakerk in Aalten
De meeste Achterhoekse protestanten bleven mild hervormd. Aalten kent een orthodoxie die nu beter bij de ChristenUnie dan de SGP past. Gereformeerde Bonders of de Hersteld Hervormden zijn schaars in de Achterhoek en de Gereformeerde Gemeenten al helemaal. Maar de groeiende geloofsverschillen tussen Aalten en die van de streek leidden tot de bijnaam ‘Jeruzalem van de Achterhoek’.
Hans de Graaf kent die bijnaam wel. “Wat bedoelt men ermee”, vraagt hij zich af. Als het de kerkelijke veelkleurigheid van Aalten is, kan hij zich daarbij iets voorstellen. Zelf verdiepte hij zich in de rooms-katholieke kerkhistorie van de streek. Aalten dankt aan de komst van de spinnerij en weverij van de Duitse familie Driessen in de negentiende eeuw het voortbestaan van de rooms-katholieke gemeenschap, is zijn stellige overtuiging. “Onze kerkgemeenschap staat op de schouders van een kleine groep pioniers”, zegt hij.
Verandering
Wie vandaag de dag Aalten binnenrijdt, wordt met zwarte reclameborden op de invalsweg gewezen op het feit dat ‘God liefde is’ en dat ‘Hij ook van jou houdt’. In het dorp vind je een bijzondere kerk: een tweetalige evangelische gemeente voor Duitsers en Nederlanders die als Euregiokerk te boek staat. ‘Two nations, one faith’ meldt de grote geveltekst op de ooit gereformeerde Westerkerk.
Hans de Graaf merkt dat Aalten verandert. “Je kunt nu rustig iets op zondag organiseren”, zegt hij. “Dat is geen beletsel meer.” Gebleven is de non-relatie met Lichtenvoorde. “De Aaltense gemeenschap richt de blik niet op het noorden”, zegt hij. Toch zal dat kerkelijk nu wel moeten. Het bisdom Utrecht heeft onlangs negen parochies omgesmeed tot één, zodat Aalten nu bij Lichtenvoorde en Groenlo hoort. De Ludgerparochie.
“Als rooms-katholieken in Aalten hebben we een sterk zelfbewustzijn”, zegt De Graaf. “Dat komt uit het idee: ‘wij zijn er ook nog!’ De kleine katholieke zuil liet zich duidelijk horen in de samenleving. In Lichtenvoorde is bijna iedereen katholiek. Daar is een andere houding.” Die weerbaarheid mist De Graaf in de grote parochie. Zelf pakt hij nieuwe projecten op. Met katholieken en protestanten ontwikkelt hij een wandelroute van Zutphen tot aan Münster, in het spoor van de negende-eeuwse evangelist Ludger. Die bracht immers het evangelie aan alle Achterhoekers?
Oecumene
Het is een taal die Frits van Lochem en Flip de Bruijn in het rooms-katholieke Lichtenvoorde zouden verstaan. Tot hun grote spijt verdwijnt ter plaatse de ooit levendige oecumenische traditie. Steeds minder gebeurt er gezamenlijk. “De oecumene verwatert”, zegt De Bruijn. “Wij willen wel. Maar Rome geeft aan oecumene geen prioriteit. Nu de parochies zijn samengevoegd, merk je dat daarvoor minder tijd is.”
Het moderne leven van Lichtenvoorde stelt het grotendeels zonder kerkgang. Op zondag kun er je rustig winkelen. Zelfs over de zondagsopenstelling van de supermarkt halen inwoners de schouders op, merkt Van Lochem. Aan Aalten denkt niemand hier. Rivaliteit en tegelijk verwantschap is er met ‘d’n Grolschen’ eerder. De Protestantse Gemeente Lichtenvoorde kijkt nu ook die kant op voor nauwere samenwerking met de hervormden. “Nee, er zijn geen kerkelijke contacten met Aalten”, zegt De Bruijn.
Veel affiniteit met de protestantse orthodoxie leeft er in Lichtenvoorde met. Toch willen juist die gelovigen vanuit Lichtenvoorde de Achterhoek, een ‘kerkelijke witte vlek’, bewerken via hun christelijk boekwinkeltje ‘Licht’. Het is vandaag dicht. “Dat is toch van de gereformeerd-vrijgemaakten”, vragen De Bruijn en Van Lochem elkaar. “Die komen hier niet vandaan. Ze denken dat hier misschien wat valt te evangeliseren.”
‘Keislöppers’ en ‘de fienen’
De zwerfkei met leeuwenbeeld op de Markt van Lichtenvoorde (foto: achterhoek.nl)
Lichtenvoorde is van oudsher rooms-katholiek. In 1496 stichtte de Heer van Bronckhorst er een kapel. Op de fundamenten ervan bouwden de weinige protestanten er in 1648 met ‘Staatse gelden’ een nieuwe kerk. De Gelderse plaats (nu 13.0000 inwoners) ontving in de negentiende eeuw veel Brabantse importarbeiders voor werk in de schoenenindustrie. Ter ere van het 25-jarige ambtsjubileum van Koning Willem III in 1874 sleepten deze rooms-katholieke schoenmakers een 20.000 kilogram zware kei naar het centrum en versierden die met een fiere leeuw. Zij bezorgden de Lichtenvoorders de bijnaam ‘keislöppers”.
Aalten groeide de afgelopen eeuw van klein dorpje tot een centrumplaats met bijna 13.000 inwoners. Sinds de negentiende eeuw onderscheidde Aalten zich door kerkafscheidingen die elders in de Achterhoek vrijwel uitbleven. Velen bleken gevoelig voor een fijnzinniger, gereformeerd geloof, wat Aaltenaren de bijnaam ‘de fienen’ bezorgde. Het dorp kent nog altijd relatief veel protestantse en evangelische kerken. De kerkelijke variëteit op zo’n kleine schaal is bijzonder in deze grensstreek. Dat bezorgde Aalten de naam ‘het Jeruzalem van de Achterhoek’.
N.B. De volgende informatie dateert uit 2007 en is mogelijk niet meer actueel.
In het buitengebied van Aalten bevindt zich het kleinschalige maar bijzondere naaimachinemuseum van Herman van Wezel. Dit museum, gevestigd in een schuur achter zijn woning, wordt niet vermeld in toeristische gidsen of op websites. Het trekt voornamelijk bezoekers met een specifieke interesse in naaimachines en is uitsluitend op afspraak te bezoeken.
Van Wezel, voormalig mede-eigenaar van het gelijknamige confectiebedrijf in Bredevoort, heeft vanuit zijn technische achtergrond en jarenlange ervaring in de textielindustrie een blijvende fascinatie voor naaimachines ontwikkeld. Zijn verzameling omvat naar schatting ongeveer driehonderd exemplaren. Het exacte aantal, evenals gegevens zoals merk, bouwjaar en herkomst, wordt bijgehouden in een computer.
De collectie bestaat vooral uit oudere modellen die met de hand of de voet werden aangedreven, waaronder een van de eerste ‘moderne’ naaimachines uit 1852. Daarnaast bevat de verzameling enkele bijzondere elektrische exemplaren uit de jaren vijftig van de vorige eeuw.
Van Wezel kocht zijn eerste machines op rommelmarkten en breidde zijn collectie later uit via een handelaar die naaimachines uit Engeland importeerde. Hij is ook lid van verenigingen zoals Slingerfænger en Ismacs, waar hij tijdens contactdagen nog wel eens een machine koopt. Daarnaast kijkt hij nog wel eens op eBay om zijn verzameling aan te vullen.
Naast naaimachines bevat het museum diverse gerelateerde objecten, waaronder naalden, kokers, gereedschap, reclamemateriaal, posters en een oude kachel waarop strijkijzers heet werden gehouden. Een bijzonder stuk in de collectie is een cassettebandje met een radio-naailes uit de jaren vijftig.
In 2010 bezocht ‘Der Trödelking’ van de Duitse TV-zender WDR het naaimachinemuseum van Herman van Wezel.
Op 11 april 1996 was Aalten even wereldnieuws. Bij slachthuis Kropveld-Schipstal Aalten (KSA) zouden 64.000 duizend Britse kalveren worden gedood. Dit gebeurde op last van het ministerie van Landbouw vanwege de mogelijke besmetting met de ‘gekke koeienziekte’, oftewel BSE.
Nooit in de Nederlandse geschiedenis waren kalveren met zoveel vertoon naar het abattoir vervoerd als de eerste 108 stuks vee, die op deze dag van de Veluwe naar Aalten werden gebracht. De operatie die zes weken zou duren maakte veel los in Nederland en daarbuiten.
Voor KSA was het slachten van de 64.000 kalveren een omvangrijke, en zeker ook financieel aantrekkelijke, klus. Het bedrijf slachtte normaliter wekelijks 2.000 kalveren voor de Japanse markt. Die werkzaamheden werden zes weken stilgelegd voor deze speciale opdracht, waarbij circa 10.000 kalveren per week moesten worden geslacht.
Beeld: KesselsKramer, Amsterdam
Demonstraties
De vrachtwagens waarin de dieren de gang naar de slachtbank maakten, werden begeleid door twee commandowagens van de ME. Aangekomen bij KSA werden ze opgewacht door een menigte van actievoerders en nieuwsgierigen. Leden van organisaties die opkwamen voor het welzijn van dieren, zoals de Vegetariërsbond, Lekker Dier en PETA hadden met spandoeken en sandwichborden post gevat bij het hek van het slachthuis. Aan de metalen poort hing een grafkrans, op straat lagen houten kruisen en de demonstranten droegen zwarte kleding.
Toen de eerste drie vrachtwagencombinaties met kalveren het ijzeren hek van KSA naderden, zwelde het gejoel van de menigte aan. “Moordenaars, moordenaars”, scandeerde een bonte mengeling van dierenbeschermers en autochtone pubers in de richting van de chauffeurs. Een halve minuut later viel het hek weer in het slot. De slacht kon beginnen.
De particuliere bewakingsdienst die door de directie van KSA was ingehuurd nadat er daags tevoren een bommelding bij het bedrijf was binnengekomen, zorgde ervoor dat geen van de demonstranten het terrein van het slachthuis kon betreden. Toen het hek weer dicht was, zeeg een jeugdige PETA-sympathisante ineen en liet haar tranen de vrije loop. Een groepje autochtonen reageerde onverschillig op het stille verdriet. Wijzend op de piercing die het meisje door haar onderlip had laten aanbrengen, lispelde een zwaarlijvige Aaltenaar: “Een stuk touw door die ring en ze valt niet op tussen die kalveren…”
Persconferentie
Op de dag van de aankomst van de eerste Britse kalveren werd een perscentrum ingericht in café De Driesprong. Burgemeester Tijme Bouwers zat de persconferentie voor. De gemeente Aalten zorgde voor logistieke maatregelen om de tientallen vrachtwagens die de duizenden kalveren dagelijks aanvoerden vrij baan te geven. KSA-directeur H. Swinkels benadrukte dat er in verband met de mogelijke risico’s op besmetting stringente veiligheidsmaatregelen waren genomen.
Om zichzelf te kunnen overtuigen van het feit dat het slachten een voor de dieren pijnloze en vanwege de genomen maatregelen voor het personeel risicoloze bezigheid was, mochten journalisten later op de middag een kijkje nemen in de slachterij. In speciale overalls die na gebruik werden vernietigd, voerde de tocht onder meer langs de slachthal en de speciaal gekoelde opslagsilo’s voor het bloed. Deze stroperige massa – in totaal 450.000 liter – werd in tankwagens afgevoerd naar Rotterdam om te worden verbrand. De kadavers gingen dagelijks in verzegelde containers naar bedrijven in Son en het Friese Bergum.
Na een aantal hectische dagen keerde de rust in Aalten weer.
Een zinnig mens gaat met dit weer toch niet wandelen? Die kruipt toch lekker met een boek bij de kachel? Nou vooruit, een klein ommetje dan. En klein is het, Bredevoort. Al timmert het als Boekenstad nog zo aan de weg, het is niet te verhullen dat je er in een uurtje doorheen bent. Exclusief de boekwinkels, uiteraard, want die zijn ad libitum.
Trouw, 9 december 1995
Het is Bredevoorts derde jaar als Boekenstad. Beschermheer Jan Terlouw verrichtte in augustus 1993 de opening. Dit winterseizoen worstelen de handelaren een beetje met malaise. Het eerste nieuwtje is er af, de subsidies drogen op. Maar drie jaar is kort. „Vijf jaar moet je het minimaal geven. We begonnen met zes boekhandels en zitten nu op ruim twintig”, zegt de onvermoeibare Henk Ruessink van de Stichting Bredevoort Boekenstad. „Er is nog niemand gestopt. Sterker nog, er staat geen huis meer leeg hier”.
Het grote voorbeeld is Hay-on-Wye in Wales, waar per jaar zo’n 700.000 bezoekers komen, net zo’n historisch stadje in een rustige grensstreek. Hier in Bredevoort snuffelden het afgelopen jaar 50 à 60.000 mensen rond. De drie stadsgidsen hadden er hun handen vol aan.
Bredevoort is wel wat gewend op geletterd gebied. Uit de archieven is op te maken dat er in het midden van de zeventiende eeuw niet minder dan acht afgestudeerde meesters in de rechten werkzaam waren: de heerlijkheid Bredevoort fungeerde als bestuurscentrum voor een fors stuk Achterhoek; Aalten en Winterswijk bijvoorbeeld behoorden ertoe. En, met zijn ligging op de route tussen Gelre en Munster, was het een vestingstadje van betekenis.
Van de middeleeuwen is, afgezien van het patroon van de smalle straatjes, weinig meer merkbaar. Op het beginpunt van de wandeling lag vroeger het slot Bredevoort. Nu staat er het gebouw Boek op ’t Zand, een voormalig schoolgebouw dat nu onder meer als onderkomen dient voor de Stichting Bredevoort Boekenstad en het streekdocumentatiecentrum. Waar nu ’t Zand is, was een brede gracht. Aan de overkant daarvan lag de voorhof waar de borgmannen hun woningen hadden. Het halve stadje is in 1646 – Bredevoorts rampjaar – bij een ontploffing in het kruithuis van de aardbodem verdwenen, waarna, op de middeleeuwse fundamenten, Bredevoorts tweede leven als garnizoensstad begon.
Op de Markt is een voormalige bakkerij tot antiquariaat omgebouwd. Om de hoek bij het hervormde St. Joriskerkje, in de Boterstraat, heeft de eigenaar van Het Oplettende Lezertje, de eerste antiquaar die de sprong naar Bredevoort waagde, een onderkomen gevonden in de voormalige boterfabriek. En zo gaat het verder: in de Hozenstraat is het aantal aangedane antiquariaten, dezes in het Boekencentrum meegeteld, al opgelopen tot elf. „Je zit met z’n allen op een kluitje, ja. Maar dat heeft ook zo zijn voordelen voor de handel”, meent de een. „En bovendien, antiquaars moeten altijd bij elkaar zitten, anders gaan ze dood, denken ze”, vult een ander aan.
Wie eens even iets anders wil dan dat gedrentel, kan een stukje buitenom lopen, langs het bolwerk. Terug binnendoor, langs het theekoepeltje in de tuin van het St. Bernardus verzorgingshuis, destijds het huis van de rentmeester. Naast het St. Bernardus ligt Emergo, met een filiaal van de Amsterdamse vrouwenboekhandel Vrouwenindruk. Verderop, in de Prinsenstraat, heeft de fietsenmaker zijn huis van onder tot boven met boeken volgestouwd. Zo zijn beide categorieën ruim vertegenwoordigd: die van meer marktgerichte tweedehandsboekhandelaars, en die van de gevestigde winkelantiquaars (zoals Bucher Mammut, met een mooie collectie Duitse bijbels) die het vooral moeten hebben van catalogi en meer gerichte zoekers.
Bij het knooppunt van straatjes vlak bij de roomse kerk mondt een van de steegjes uit in een smal paadje dat naar een restant van de begroeide vestingwallen voert. De korenmolen steekt er boven het stadje uit. Ter hoogte van de Koppelstraat heeft u, ruwweg geschat, uw zestiende antiquaar te pakken: Ovidius, gespecialiseerd in onder meer Bigglesboeken. Genoeg voor vandaag. Gauw terug naar de warme kachel – waarbij aangetekend wordt dat ‘gauw terug’ een eufemisme is voor hen die met het openbaar vervoer kwamen. Een treurige toestand; terecht hoog genoteerd op de agenda van Bredevoort Boekenstad.
Bron
Marleen van Swigchem – Dagblad Trouw, 9 december 1995 (Delpher.nl)
In een serie over rivaliteit tussen steden en dorpen schreef Gijs Zandbergen het volgende artikel over Aalten vs. Winterswijk:
Op het terras van café De Zwaan op de Markt van Winterswijk zitten twee mannen. Zij praten over het geharnaste CDA-kamerlid Wim Mateman uit het naburige Aalten. Zegt de een: ‘Wim Mateman, dat is een nette jongen, want die komt uit Aalten.’ ‘Ja, ja, daar kon je wel eens gelijk in hebben’. Op het eerste gehoor een dialoog die voor slechts één uitleg vatbaar is. Maar een goed verstaander van de Winterswijkse variant van het Achterhoeks weet dat het tegenovergestelde wordt bedoeld.
Een Winterswijker zal niet gauw zeggen wat hij ergens van vindt. Het liefst zegt hij niets, want dan hoeft hij ook niemand te kwetsen. Maar als het dan toch moet, dan maar voorzichtig en met omwegen. De kans is dan ook groot dat hij Wim Mateman juist géén nette jongen vindt, hoogstens is het een ‘fijne’ jongen. Maar dat is niet zo bijzonder, want fijn of orthodox zijn ze in het streng gereformeerde Aalten bijna allemaal.
Het op heuvels gebouwde dorp aan de oevers van de Slinge, wordt niet voor niets ‘Jeruzalem van de Achterhoek‘ genoemd. Het CDA had er tot de jongste gemeenteraadsverkiezingen de absolute meerderheid, verloor enkele zetels aan de Christelijke Volkspartij en bezit nu nog acht van de zeventien raadszetels.
Fijn zijn ze tien kilometer noord-oostwaarts allerminst. Winterswijk is een voormalig links bolwerk, waar de PvdA eens de absolute meerderheid had. Die tijd is al wat langer voorbij. maar na de laatste nederlaag op 2 maart vormen de sociaal-democraten nog steeds de grootste fractie. Overigens bedoelt de gesprekspartner op de Markt net zo goed het tegenovergestelde van wat hij lijkt te zeggen. ‘Daar kon je wel eens gelijk in hebben’ betekent in het Winterswijks: ‘Ik denk dat ik het met je oneens ben’.
Winterswijk: stadse neigingen
Het is een gecompliceerde zaak, de verhouding tussen de twee gemeenten achter in de Achterhoek. Dat komt vooral doordat er geen duidelijke reden voor rivaliteit is aan te wijzen. Voor de keurig algemeen beschaafd Nederlands sprekende gemeentevoorlichter van Winterswijk is het ‘volstrekt nieuw’ dat de beide dorpen rivalen zijn. ‘En ik ben toch een autochtone Winterswijker.’ Voor de zegsvrouw in Aalten daarentegen klinkt het zeer bekend. Maar wat er nou precies aan de hand is… ‘Moeilijk hoor, het is meer een gevoel.’
Beide dorpen liggen ver genoeg bij elkaar vandaan om de deur niet plat te lopen, geen van tweeën heeft de ander ooit gedomineerd of dwars gezeten en beide dorpen zijn redelijk welvarend. Tussen jongelui uit Winterswijk en Aalten hebben dan ook nooit vechtpartijen plaatsgevonden. Hoe kan het ook anders: Winterswijkers zijn wat afstandelijk en stijfjes en jeugdige niet-gereformeerde Aaltenaren die in het weekend gaan stappen, doen dat in ‘Las Vegas van de Achterhoek’, Groenlo, waar de discotheken staan.
Het kost dan ook enige moeite te ontdekken wat Winterswijkers tegen Aalten hebben. Het zit zo: Aaltenaren zijn niet slecht, maar een Winterswijker is gewoon beter. En daarom kijken zij als vanzelfsprekend neer op Aalten. Er is daar geen mooie natuur, geen centrum, geen winkels, geen uitgaansmogelijkheden. Biljarter Hans Vultink komt er vandaan. Zeg nou zelf, biljarten in een dorp zonder kroegen doe je toch alleen als er niks te beleven valt?
Ze hebben ooit geprobeerd in Aalten wat textielindustrie op poten te zetten. Maar die is nooit goed van de grond gekomen. De textiel in Aalten heeft dan ook nimmer de schoolwandkaarten gehaald. In tegenstelling tot de industrie van Winterswijk, die in een adem met die van Twente werd genoemd. Winterswijk is dan ook een fabrieksstad. Nou ja, geweest. Of in ieder geval van plan het weer te worden. Toen de textielindustrie nog bloeide, werkten er in de Tricotfabriek dertienhonderd man. Dat de textielindustrie intussen naar de lage-lonenlanden is verhuisd, is een andere zaak.
Winterswijk was en is gewoon de beste. Het heeft het meest typische coulissenlandschap van de Achterhoek. Het streekziekenhuis: in Winterswijk. De muziekschool: in Winterswijk. Het Educatief Centrum voor Natuur en Milieu: in Winterswijk. De dorpen in de omgeving barsten van de jaloezie.
Aaltenaren daarentegen vinden dat Winterswijkers stadse neigingen hebben. Als de provincie Gelderland iets te vergeven heeft, staat Winterswijk parmantig vooraan: ‘Kom maar op met die voorziening.’ Maar waarom staat het streekziekenhuis niet centraler in de Achterhoek? En dat Centrum voor Natuur- en Milieueducatie: er is er toch al een in Doetinchem?
Winterswijkers zijn arrogant. Ze dachten ooit veertigduizend inwoners te zullen krijgen, daarom kregen ze al die voorzieningen. Maar het zijn uiteindelijk maar 28 duizend geworden, krap tienduizend meer dan Aalten er heeft. Winterswijk een stad, laat een Aaltenaar niet lachen. Ze zijn trots op Gerrit Komrij, maar ze vergeten erbij te vertellen dat ie op zijn negentiende al is weggevlucht.
Wat Aaltenaren wel toegeven, is dat je voor je inkopen goed in ‘de metropool van de Achterhoek’ terecht kunt. Maar dan alleen doordeweeks, want elke zaterdag vindt er een invasie van Duitsers plaats. Dan is het net of het hele noordelijke Ruhrgebied over de Markt slentert. Marktkooplui en middenstanders spreken je aan in het Duits en het betaalmiddel is de mark.
Aalten: Jeruzalem van de Achterhoek
Misschien zit daar dan toch wat oud zeer, want Winterswijk heeft een zwart verleden. Bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer in 1935 verwief de NSB er een recordaantal stemmen: 20,4 procent van de Winterswijkse stemgerechtigden koos voor de partij van Anton Mussert. De kleine pachtboeren en de onkerkelijke middenstand zagen in de jaren dertig dat het hun standgenoten aan de overkant van de grens veel beter ging.
Niet dat alle Winterswijkers fout waren, want de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers is er per slot van rekening ook ontstaan, maar fatsoenlijk is toch anders. Na de oorlog werden ruim 750 Winterswijkers gearresteerd omdat ze met de Duitsers hadden geheuld.
Dat is in Aalten nooit gebeurd. Daar wemelde het in de oorlogsjaren van de onderduikers. Op een gegeven moment woonden van de ruim dertienduizend inwoners er 2500 clandestien in het dorp. Dat waren de mensen die zich wilden onttrekken aan de Arbeitseinsatz.
Maar Aaltenaren zijn niet haatdragend. ledere Winterswijker op weg naar het westen, kan op een groot bord bij de gemeentegrens van Aalten lezen: ‘In naam van Christus vragen wij u: Laat u met God verzoenen.‘ Die boodschap geldt trouwens ook voor de inwoners van de nabijgelegen boekenstad Bredevoort (gemeente Aalten), die dezelfde weg naar het westen moeten volgen. Zij hebben het sierkanon in het stadspark op een nacht richting Aalten geplaatst. De reden? Precies dezelfde als waarom Aaltenaren hun neus ophalen voor Winterswijkers: te betweterig.
De 20-jarige F.W. R. uit het Achterhoekse Aalten is gisteren door de Zutphense rechtbank veroordeeld tot zeven maanden met aftrek omdat hij zich schuldig had gemaakt aan het zogenoemde ‘grafpijproken.
De man had er, samen met enkele vrienden, de gewoonte van gemaakt om hasj te roken op het kerkhof. Daarbij groeven ze een gat in de grafgrond waarin de smeulende verdovende middelen werden gelegd. Vervolgens werd er een pvc buis in gestoken dat leidde naar de hasj.
Door vervolgens aan de pijp te lurken, raakten de junkies in hogere sferen. Met name het roken via de graven bezorgde de verslaafden een extra kick. Volgens een woordvoerder van de Aaltense politie hielden de Achterhoekers zich met grote regelmaat bezig met deze door hen bedachte methode.
De Aaltenaar had zich al eerder aan deze vorm van grafschennis schuldig gemaakt, maar kreeg van de rechtbank onlangs de gelegenheid zijn leven te beteren. Hij zou een ontwenningskuur gaan volgen in een kliniek in Staphorst, maar was al na een dag terug in Aalten.
Nadat hij zich binnen de kortste keren weer had vergrepen aan het grafpijproken, besloot de officier van justitie hem opnieuw te dagvaarden, waarna hij gisteren door de meervoudige strafkamer werd veroordeeld.
Het oude huis in de Prinsenstraat, naast het gebouw van de Nederlandse Protestantenbond, is afgebroken. Een zeer oud huis, waarin zich veel lief en leed heeft afgespeeld. Het stond wat scheef ten opzichte van de straat. De ene hoek van de woning stond wel meer dan een halve meter dichter op de straat dan de er tegenover liggende hoek.
Het oude huis werd later van een verdieping voorzien en in 1989 afgebroken. (Foto H. ten Dam).
Nu is er een nieuw pand voor in de plaats gekomen. De straat heeft door deze nieuwbouw ongetwijfeld een aantrekkelijker gezicht gekregen. Het oude huis was in zeer vervallen staat. Dat moest er al zo’n twee eeuwen gestaan hebben en werd vanaf het einde van de achttiende eeuw door de smedenfamilie Manschot bewoond.
Daar in de Achterstraat woonde, toen nummer 193, Jacob Manschot met zijn gezin. Zijn vrouw, Elizabet Arentzen, was een zuster van Roelof Arentzen, de latere assessor van Aalten. Hun zoon Gerrit Willem, geboren in 1802, in het dagelijkse leven aangesproken met de laatste naam, leerde al vroeg het smidsvak van zijn vader en kwam toen bij zijn vader in de smederij. Een oudere zoon uit het gezin, Hendrik Jan, die eveneens grofsmid was, had een smederij elders in het dorp.1 Dan was er nog een dochter, Elisabeth geheten.
Dubbel huwelijksfeest
Op 17 december 1833 wordt er feest gevierd in het huis. Zoon Willem trouwt met Johanna Geertruijt Becking, kortweg Janna geheten. En Elisabeth treedt eveneens op die dag dag in het huwelijk en wel met B.D.G. Muller. Muller was koopman en zijn handel was veelomvattend. Behalve manufacturen en galanterieën betrof dit ook graan, verf, ijzerwaren, godsdienstige boeken, muziekinstrumenten, hooi en stro.
Behalve de familie Manschot, waren ook de Beckings en Mullers verwant aan de meest vooraan-staande ingezetenen, die als assessor, gemeenteontvanger of “mede-regter” veel invloed konden uitoefenen.
De herberg van Schaars
Elisabeth verliet het huis aan de Achterstraat en Janna trouwde bij haar schoonouders in. Het is dan nummer 228. Janna Becking werd geboren op 24 november 1809. Zij was een dochter van Lourens Becking, een uit Varsseveld afkomstige landbouwer en van Willemina Geertruijd Schaars, de dochter van een Aaltense herbergier. Na zijn huwelijk in 1799 was Lourens Becking daar herbergier geworden.
De herberg van Schaars was gelegen aan het begin van de Peperstraat, op de hoek van de Markt, de welke reeds in 1748 door ene Schaars werd gedreven en thans, na bijna tweehonderdvijftig jaar, nog eenzelfde functie heeft. Daar groeide Janna op. Zij zal de dorpsschool naast de kerk hebben bezocht, waar meester Schotman onderwijs gaf.
Organisten in de kerk
Jacob Manschot was, zoals gezegd, grofsmid, maar op zondag bespeelde hij tijdens de diensten in de kerk aan de Markt het orgel. Wanneer in 1829 de Zelhemse gemeente een nieuwe organist moet benoemen wordt Jacob aangesteld om als jury te fungeren. Hij moet het spel van de drie sollicitanten beoordelen. In zijn rapport daarover schrijft hij: “…na dezelven ieder de zelve Psalm en gezang opgegeven te hebben is het mij voorgekomen dat de laatst spelende de meeste geschiktheid bezit. gedaan te Zelhem den 24 July 1829. J. Manschot”.
Maar in 1842 wil hij er mee ophouden, hij is dan ook al 73 jaar. In een adres aan koning Willem II verzoekt hij dat zijn zoon Gerrit Willem hem als organist zal opvolgen. En sindsdien is Willem Manschot organist.
Het gezin
Vreugde en droefheid wisselden elkander af in het leven van Willem en Janna. Het oudste zoontje Jacob komt op tweejarige leeftijd te overlijden. Hun oudste dochter Louiza was in 1836 geboren. Elisabeth (Betje) volgt in 1838. Twee jaren later aanschouwt Willemina Geertruijda (Mina) het levenslicht en in 1842 volgt een zoon die weer de naam Jacob krijgt. In 1844 wordt Hendrika Johanna (Heintje) geboren en in 1847 Hendrik Jan, die met de laatste naam wordt aangesproken. De jongste was Barend Johannis in 1850, oftewel Bernard in het dagelijkse leven. Janna’s vader was reeds in 1830, dus nog voor haar huwelijk, overleden. Haar moeder overleefde haar man twaalf jaren en stierf in 1842.
Als grootvader Jacob 78 jaar wordt, komt zijn tienjarige kleindochter Louiza bij hem met een gedicht: “U te groeten met mijn beden, Op den blijden dag van heden. Dag op welken gij verjaart, Grootvader, mij zoo lief en waard! Dag waarop ik na moet denken, Wat de Hemel mij bleef schenken In ’t bezit van u, die mij Steeds zoo liefderijk staat ter zij.” Zo gaat het vers nog even verder en dan volgt de ondertekening: “Uw liefhebbende Kleindochter Louiza”.
Het meisje maakt ook een gedicht ter gelegenheid van haar moeders verjaardag: “O welk een vreugde, lieve Moeder, Daar gij heden jarig zijt. Dankbaar aan den Albehouder, Ben ik op deez’ dag verblijd.” Ook met nieuwjaar weet deze dochter haar wensen in dichtvorm uit te drukken, want dan dicht zij een “Nieuwjaarwensch aan onze hooggeachten Grootvader en dierbare Ouders”. Zij versiert haar wensen met omlijstingen van ranken, bloemen, slingers of ornamenten.
De oude Jacob Manschot overlijdt in 1850 op 82-jarige leeftijd, nadat hij zes jaar weduwnaar was geweest, Willems broer was toen ook reeds overleden.
Ten tijde dat de Manschots in de Achterstraat woonden, had het huis (onder het donkergele vlekje) een spitse kap. (Collectie E.M. Smilda).
De smederij van Willem
Willem Manschot wijdt zich met ijver aan zijn werk in de smidse. Voor Kobus Prins maakt hij “een blat aan de hakke”. Hij smeedt een “haar”, dat is zo’n klein aambeeldje om een zicht of zeis te scherpen, haarspit genoemd. Hij maakt een “grepe”, repareert de “achterassche van een wagen” en legt ijzeren banden om de velgen van wagenwielen. Hij levert een “mes om brood te snijden”, klinkt “een ijzer op een plaat aan den haard” en vervaardigt voor L. Prins “een oven deure”.
En tussen al die smederijwerkzaamheden door heeft Willem tevens de zorg voor zijn bezittingen aan gronden en boerderijen, die hij verhuurd heeft. Daar moeten ook nu en dan reparaties plaats vinden. Hier worden “4 koperen krukken met zijn toebehoor” aangebracht, daar de “sluttinge gerepareerd, aan de vensters een nieuwen plaatgrendel met een nieuwe knip” gemaakt.
Soms wordt hij door klanten betaald met wederdiensten, zoals Kobus Prins die, ten behoeve van Willems vee, een paar voer hooi uit de Ruiterij, het weiland bij De Pol, ophaalde. Anderen vervoerden de geoogste rogge “uit den Esch”. Want Willem had ook zelf een boerderij-bedoening en bezat aan de overzijde van de straat een schuur voor zijn vee. Evenals iedere ingezetene hield hij één of twee koeien, mindervermogenden hadden een geit, ‘de koe der armen’. In de slachtmaand kwam een eigen gemest varken op ‘de leer’ te hangen, dat een dag later in stukken gesneden in de pekelton terecht kwam en nog weer later aan de zoldering in de keuken, de ‘wieme’, kwam te hangen. Voor de dagelijkse daaraan verbonden werkzaamheden zal hij wellicht een knecht of daghuurder hebben gehad. Gezeten burgers hielden tevens een paard en hadden een rijtuig als vervoermiddel, wanneer men op visite ging.
Paarden waren ook Willem niet vreemd. Hoe vele had hij er in zijn smidse al niet van nieuwe hoefijzers voorzien. Maar eens werd hem dat noodlottig, toen hij een trap kreeg van een paard. Het kwam heel hard aan. Zwaar gekwetst werd hij in bewusteloze toestand in zijn bedstede gelegd. Zijn vrouw verpleegde hem twee weken, toen stierf hij. Janna was weduwe geworden, de kinderen halfwees en de kerkeraad moest omzien naar een nieuwe organist.
De grofsmid en kerkorganist G. Willem Manschot, die in 1853, na de klap van een paard, overleed. (Collectie H. ten Dam).
J.G. (Janna) Manschot-Becking (1809-1892) woonde bijna zestig jaar in de Achterstraat. (Collectie H. ten Dam).
Veel bezittingen
Nu stond Janna plotseling alleen met haar zeven, nog jonge kinderen. De oudste dochter Louiza is nog maar zeventien jaar en de kleine Bernard slechts drie jaar. Aanvankelijk werd nog getracht het bedrijf met behulp van een knecht voort te zetten, maar dat bleek niet mogelijk. Janna werd genoodzaakt de smederij op te heffen.
Het is goed dat er heel wat bezittingen zijn. Dat stelt haar in staat uit de opbrengst daarvan in haar levensonderhoud te voorzien en bovendien haar kinderen onderwijs te laten volgen. Niemand van de jongens was in de gelegenheid geweest het smidsvak van hun vader te leren. En sindsdien kwam dit beroep dan ook niet meer in de familie voor.
Sedert het overlijden van haar man heeft Janna de administratie gevoerd van de verhuurde gronden en bouwplaatsen. Die administratie hield ze bij in een “Landhuur”-boek van folio-formaat. Daarin werden de gronden onderscheiden in hofland, bouwland, weiland en onontgonnen percelen.
Hofland voor moestuinen
Met hofland bedoelde Janna de betrekkelijk kleine stukjes, die vlak bij het dorp lagen en als moestuin werden gebruikt. In haar administratie vermeldt zij namen van percelen waarvan sommige nog bekend zijn. Van het hofland waren de meeste stukken in diverse kavels verdeeld en elke kavel had zijn huurder.
Op de “Boskerhof” lagen vier kavels. Mogelijk is dat nabij ’t Boske geweest, aan het eind van de Richterinkstraat en aan de Varsseveldsestraatweg. Het perceel in “den Kraayenboom” bestond eveneens uit vier kavels. Die naam is thans nog bekend voor de grond tegenover de landbouwschool aan de Lijsterbeslaan. Hendrik Jan Meinen was huurder voor ƒ 3,50, evenals Lammert Prange. Willem Kasseler en Lammert Klompenhouwer hadden kennelijk een kleiner stuk, want zij betaalden ƒ 2,-, respectievelijk ƒ 1,50. Later had Janna zelf daar een tuin in gebruik evenals Willem Huls, vrouw Hoftijzer en Abraham ten Dam.
Dan is er sprake van de Knibbelweide, dat op de Kemena zal hebben gelegen. Daar waren zes kavels. De totale opbrengst hiervan was ƒ 14,20 per jaar, wat evenwel na 1883 gestegen was tot ƒ 19,70. Verder lag er nog een kavel in de Paardeweide, die ene Laak had gehuurd. De Paardeweide lag eveneens op de Kemena, waar nu het gebouw van de Christelijke Scholengemeenschap staat.
Tenslotte vermeldt Janna’s boekhouding dertien kavels hofgrond op het Smees. Daar tuinierden onder anderen Berend Prins, Jan Kappers bijgenaamd “Hompele”, Hendrik-Jan Schaapveld. Later waren onder anderen huurder Jan de Wikker, Kris Veldboom, Jan te Hoonte en “de vrouw van de Wildeboer”.
De tuinen op het Smees veranderden vaak van huurder. We komen ook de namen tegen van Willem Walvoort, Jan Neerhof, H.H. ter Beest, later aan Fles verhuurd, D.J. Hoitink, G.J. Rots en Hendrikus te Hennepe.
Tot 1862 bracht de hofgrond ieder jaar een bedrag van ƒ 81,70 aan pacht op. Van 1863 tot 1882 wordt dit door bemiddeling van notaris mr. B.A. Roelvink verhuurd. De opbrengst is dan beduidend hoger, namelijk ƒ 98,05. Wanneer deze notaris in 1882 overlijdt, wordt hij opgevolgd door notaris Maitland, maar Janna gaat voortaan weer zelf de huurafspraken maken. De opbrengst is dan echter wel enkele guldens minder per jaar.
Niet iedereen betaalde de huur op tijd. Overeengekomen was betaling met Sint Maarten, dat is 11 november, maar sommigen kwamen het geld pas in het volgende jaar brengen. Janna moest wel eens tot mei wachten. In een aantal gevallen, als de huurschuld steeds opliep, werd betrokkenen de huur opgezegd. Sommigen hadden drie jaar achterstand.
Het verhuurde bouwland
Maar behalve hofland bezat Janna ook bouwland, dat ze verhuurde. Dat waren veelal percelen van één of meer schepelzaad grootte. Dat bouwland was gelegen “voor op de Esch”, waarmee bedoeld wordt het perceel waar nu de fabriek van Sonoco staat aan de Damstraat. Op het Smees lag 64.50 are, op de Boskeres 55.10 are. In de Giezenbos “een molderszaad”, verder lag daar 50.90 are, het bouwland Draaiom was 28.70 are, dat zij in 1872 verkocht aan de “Hervormde Armen”, het Holland 58 are, de Neerhoffer Delle 42.50 are, Smachtschot 65.10 are, alsmede nog een “molderszaad”. Dan was er sprake van Langevoren, negen schepelzaad groot, oftewel 1.27.70 ha. Achter de Linde had Janna nog bouwland evenals het stuk Peereboom, groot 38.40 are en vier stukken Kempink, vijf schepelzaad op Prinsenkamp en nog een perceel “op den Nes” gelegen.
Verschillende van deze gronden bezat Janna samen met haar beide broers. De meeste percelen waren voor een geldbedrag verhuurd, maar ook waren er enige tegen de derde garf verpacht. Dat wil zeggen dat de huurder het derde deel van de opbrengst als pachtprijs verschuldigd was in natura. Voor de huurder had het dit voordeel dat, als de oogst weinig opleverde, ook de pachtprijs minder was.
De derde garf betrof het gewas rogge, terwijl soms de landheer-/vrouw (verhuurder/ster) recht had op wat vruchten uit de boomgaard. In latere jaren werd de derde garf afgeschaft op het “Smachtschot”, dat onder die voorwaarden gehuurd was door Lievers. Deze heeft toen “de garven gekogt voor 8 gulden”.
Janna maakt ook meermalen van wederdiensten gebruik. In 1880 heeft “Derk Hoftijzer een nieuwe wateremmer meegebragt van Bocholt” en een jaar later zaaide deze voor haar “een schepelzaad spurje … een schepelzaad knolzaad… twee schepelzaad rogge… een Dag en twee kar aarde gevaren”. Voor al dat werk werd ƒ 7,77 van de pachtprijs in mindering gebracht.
Ene Heuzinkveld vervaardigde in 1866 voor Janna 23 el grof linnen laken. Waarschijnlijk had zij het vlas (of garen) bijgeleverd. De dienst was ƒ 2,75 waard, zodat Heuzinkveld de rest van het huurbedrag, zijnde ƒ 1,75, nog moest betalen.
Weilanden
Zoals reeds werd opgemerkt, behoorde een weiland achter de Pol, Ruiterij geheten, tot het bezit van de Manschots. Ook had Janna 1.14.84 ha weiland op het Smees, dat in 1870 (waarschijnlijk) verkocht werd voor ƒ 1390,-. Ook aan de Boterdijk in het Goor lag een weiland ter grootte van 1.82.40 ha, dat eveneens in 1870 werd verkocht. De opbrengst daarvan was belangrijk minder, namelijk ƒ 600,-. Uit de erfenis van haar broer Jan verkreeg Janna een weide “op het Broek”, terwijl ze ook nog wei- en bosgrond bezat in de Giezenbos.
Plaggen-en schaddengrond
De bos- en veengronden werden niet verpacht. Wel kon de opbrengst daarvan onderhands of openbaar aanbesteed worden, zoals bomen die op stam verkocht werden. Dat gebeurde ook met veengronden. Het veld werd dan eerst afgemaaid en de bovenste zode met rietstoppels en wortels afgestoken. Dat waren schadden, die gedroogd werden en als brandstof gebruikt. Ook van de met heide begroeide percelen werden plaggen gestoken die veelal in de potstal of paardestal terecht kwamen en vermengd met de uitwerpselen van de dieren als mest op de akkers werd gebruikt.
Janna bezat bosgrond in het Goor, hetwelk voor de helft eigendom was van haar schoonzuster Elisabeth, die met Muller was getrouwd. Later, na het overlijden van deze ouders, ging het halve eigendom naar de vijf kinderen, de Erven Muller.
Dan is er nog sprake van twee stukken bosgrond in de Schaarsheide, van bosgrond op de Kieftsheide, op de Hollenberg, bij de Smeesweide (dennenbos, hakhout en heide), en “bosjes in den Barloschen Esch”, veengrond in Varsseveld en schaddengrond in ’t Goor alsook in “Stapelkamps Bosch” dat ze van haar overleden broer Jan had geerfd en delen moest met haar broer H.J. Becking.
In het jaar 1880 verkocht Janna voor ƒ 17,90 aan plaggen en schadden. Kort tevoren had zij “aan de Prange uit Lintelo verkogt voor 260 Gulden hout” van één van haar bouwplaatsen.
De bouwplaatsen
Tot het bezit van Janna c.s. behoorde ook een aantal bouwplaatsen. Als eerste wordt genoemd het Neerhof in Dale, waarvan D.J. Neerhof de pachter was. De pacht werd in 1866 beëindigd, toen de boerderij verkocht werd.
Dan is er de bouwplaats Lubbers in Barlo (Meinenweg), die aanvankelijk aan J.H. Lubbers was verhuurd, maar vanaf 1867 aan G.J. Mierdink voor “zestig gulden en 96 Eijeren”. In 1877 wordt de boerderij aan de huurder verkocht voor ƒ 13.370,-.
Vervolgens de bouwplaats Pennings (Hofstedeweg). Gerrit Jan Pennings is de pachter, die daarvoor jaarlijks moet opbrengen “de som van 48 gulden, 8 pacht hoenders, 96 eijeren en 4 ponden vlas”. In 1872 is Pennings “na Amerika vertrokken” en wordt de boerderij verpacht an Roelof Somsen voor “56 gulden en 96 eijeren”. Zo nu en dan verleent Somsen wederdiensten door voor Johanna schadden op te halen, waarmee hij ƒ 7,65 verdient hetwelk op de pachtprijs in mindering wordt gebracht.
Het Slaa in de Heurne behoorde ook, samen met haar broers, tot Janna’s bezit. Tot 1868 was G.J. Huitink de pachter, vervolgens Jan de Breukelaar “Welke jaarlijksch moet betalen 40 Gulden en 60 eijeren”. Vanaf 1880 werd het Slaa verpacht aan Wensink, die daarvoor ƒ 48, moest neertellen en zestig eieren. In die jaren noteert Janna ook: “aan Wensink een Kalf verkogt voor ƒ 5,50”.
Dan is er nog de Slaa Schoppe, dat van 1852 tot 1867 door J. Weggelaar was gepacht, daarna door Evert Jan Beernink. De pachtprijs was ƒ 20,-. In 1874 heeft Beernink voor Janna vlas gebraakt hetwelk hem 75 cent opleverde.
Wanneer haar broer Jan kinderloos overlijdt, laat deze aan Janna aandelen in drie bouwplaatsen na, namelijk “Brijzak” door bouwman Smees gepacht, “De Scheper” op de Haart, dat aan Hendrik Jan Rensink was verhuurd voor ƒ 65,-. Deze boerderij werd echter in 1890 verkocht. De derde bouwplaats is Bekker op de Haart, die voor ƒ 40,- verhuurd was. Ook deze boerderij werd verkocht en bracht, samen met De Scheper, ƒ 12.600,- ор. Tenslotte wordt genoemd het Grevengoed in Barlo, hetwelk voornamelijk uit bouwland bestond. Het moet een groot goed geweest zijn, gelegen “naast Zwietink” en “bij Wolterink“, dus aan de Markerinkdijk.
Tot besluit
Tenslotte nog iets over de kinderen van Janna. Mina trouwde met J.G.H. Martens in Eibergen. Zij werd al vroeg weduwe en trok later met haar kinderen, voorzover deze nog thuis waren, in bij haar moeder in de Achterstraat, nadat zij een zenuwinzinking, als gevolg van de dood van haar man en daarop van haar twee jongste kinderen, na zes jaren was te boven gekomen.
Na het overlijden van haar moeder verhuisde ze naar een pand aan de Markt, thans nummer 12. Louiza trouwde met Hendrik Beukenhorst, goud- en zilversmid in Winterswijk. Gelijktijdig treedt ook Betje in het huwelijk en wel met Abraham ten Dam, de latere kammenfabrikant. Haar zoon Jacob kreeg, vermoedelijk als gevolg van een onbeantwoorde liefde, een zeer diepe depressie, waarvoor hij jarenlang in Zutphen opgenomen moest worden. Hij stierf ongehuwd in 1873. Zijn broer Jan werd arts in Winterswijk en trouwde met A.G. Tenkink van “Meenk” in Miste. Dochter Heintje werd de echtgenote van haar achterneef B.H. Becking, die een hammenrokerij had en in zout grossierde. Hij stond zodoende bekend als “Salt-Becking”.
De jongste zoon Bernard voerde met zijn zwager de directie van de kammenfabriek Ten Dam & Manschot. Hij liet aan de Bredevoortsestraat een huis bouwen, thans nummer 51. De Ten Dams woonden aan de overkant, op nummer 40.
Janna bleef tot haar dood in de Achterstraat wonen en overleed op 22 januari 1892. Zij werd 82 jaar.
Het bovenstaande is een samenvattende bewerking van een familiekroniek, voor een belangrijk deel ontleend aan het “Landhuurboek”, samengesteld door Henk ten Dam te Zwolle, getiteld “Johanna Geertruyt Manschot-Beckings Landhuurboek vertelt (1799-1892)”, deel I en II, 1985, te raadplegen in het archief van de gemeente Aalten.
Voetnoot
Wij denken dat dit niet klopt. Gerrit Willems oudere broer Hendrik Jan (*1799) werd inderdaad ook grofsmid, maar overleed in 1839 als vrijgezel in het huis aan de Prinsenstraat, destijds nummer 228 (bronnen: ecal.nu en wiewaswie.nl). Er was wel een andere grofsmid die Hendrik Jan Manschot heette en die woonde aan de Kerkstraat, maar dat was een broer van Jacob en dus een oom van Gerrit Willem. ↩︎
Kolossale pilaren ondersteunen in Aalten het gewelf van de NH St. Helenakerk, die met zijn gigantische omvang het centrum van het dorp moeiteloos beheerst. Koster A.J. Heusinkveld gaat mij voor naar het koorgedeelte en wijst naar de plafondschilderingen hoog boven hem. Ik zie Maria met het Kind, het hoofd van Christus, engelen, koningen en een voorstelling van de Heilige Geest. Ze sluiten niet op elkaar aan.
Grote stukken wit onderbreken de rond 1900 ontdekte en toen blootgelegde schilderingen die er, meent Heusinkveld, in 1471 werden aangebracht. Hij wijst opnieuw naar boven: „Kijk daar staat weliswaar 1411, maar laat je daardoor niet van de wijs brengen. De man die dat schilderde was op dat moment waarschijnlijk dronken en maakte toen in plaats van een ’7’ een ’1’. Dat zei mijn voorganger tenminste altijd.”
Oude Sint-Helenakerk, Aalten
Laatste Oordeel
Eind november van het vorig jaar werden ook de eeuwenoude schilderingen op de wand van de Consistorie blootgelegd en gerestaureerd. Ze beelden het Laatste Oordeel uit en dat liegt er niet om: engelen leiden de goede mensen naar Jeruzalem, terwijl de slechteriken onder ons naar het vagevuur worden gebracht. Daar zitten sommigen al te zweten in enorme ijzeren kookpotten.
De kerk, met mooie kroonluchters, staat barstens vol banken. „Die zijn zondags — wanneer we 3 diensten hebben — vaak alle bezet”, aldus de koster. „Er is plaats voor 1000 man. Jawel, in Aalten met 3 gereformeerde kerken, 1 roomskatholieke kerk, onze Nederlands Hervormde kerk en een synagoge wonen veel gelovigen. Ons dorp wordt ook wel het Jeruzalem van de Achterhoek genoemd.”„Het is hier soms voller dan vol”, beaamt Evert Smilda, voorzitter van de Vereniging Oudheidkamer Aalten, die mij rondleidt. „Ik was eens een keer aan de late kant en vroeg de man bij het gangpad om wat op te schuiven. Hij deed het wel, maar met tegenzin. “Wie bunt zuunig in schoeven”, zei hij.”
Koster bellen
Het in 1100 gestichte en in gotische stijl veranderde gebouw is te bezichtigen. Wie de koster belt — 05437-72896 — of bij hem aanklopt op Kerkstraat 2, wordt geholpen. „Als de mensen mij maar niet tijdens het eten bellen.” Aalten (11000 inwoners) is best een aardig dorp, met een door auto’s vergeven Markt die als eerste in Gelderland tot beschermd dorpsgezicht werd verklaard. Dat dankt het plein vooral aan de St. Helenakerk en aan twee oude panden, die nu het gemeentehuis vormen, met een weinig opwindend stuk nieuwbouw ernaast.
Oud in jaren is het restaurant Stegers aan de overkant. In het terrasmuurtje aan het trottoir is een eeuwenoude steen gemetseld die oorspronkelijk in de gevel zat. Er valt, vaag, een hert op te zien op zijn achterpoten. Een woord van 26 letters staat erbij. Niemand weet wat het betekent. „We staan hier voor het raadsel van Aalten”, zegt Smilda. „We weten overigens wel dat zo’n opstaand hert een symbool voor de rechtspraak was. Welnu, hier in de herberg is vroeger wellicht recht gesproken.” We lopen verder door het dorp (een echt streekcentrum) met enkele oude panden zoals Huize Ahof en het mooie 19e eeuwse herenhuis (nu pension) Beekhuize.
De 18e eeuwse Freriksschure achter het museum Frerikshuus is een van de weinige bewaard gebleven boerenwoonhuizen in het centrum van Aalten. Wie er langs loopt, bevindt zich even later op de door auto’s geplaagde Markt, met die zo indrukwekkende NH. St. Helenakerk. (Foto Peter Drent bv)
Frerikshuus
We belanden tenslotte in het boeiende museum Frerikshuus aan de Markt, dat vol staat met gebruiksvoorwerpen: kostuums, zilverwerk, porselein en wat al niet. Eén kamer is geheel gewijd aan de hoornindustrie die hier een eeuw lang, tot in de jaren 70, een unieke plaats innam. Prachtige pijpen, kammen en wat maar van buffelhoorns te maken viel, zijn er te zien.
In de grote schuur achter het prachtige huis worden o.m. ambachten uitgebeeld, zoals de radmakerij. Het museum is in deze tijd open op maandagen, woensdagen en vrijdagen van 14-17 uur. Van 31 maart tot en met 12 mei is er een speciale expositie over de bezettingstijd en de bevrijding. Vele onderduikers hielden zich hier in Aalten tijdens de Tweede Wereldoorlog met succes schuil.
Het dorp ligt in de eeuwige charme van de Gelderse Achterhoek met veel bos, bosschages, besloten akkers en weilanden, stille weggetjes.
Bredevoort
Twee kilometer van Aalten droomt het duizendmaal mooiere stadje Bredevoort met zijn mij al van verre toewinkende walkorenmolen, zijn aloude St. Joriskerk, zijn stille straatjes, zijn bejaarde aandoenlijke pandjes, zijn weemoed. Ik hernieuw op de valreep de kennismaking met bakker Ben Helmink, de voorzitter van de VVV, die vertelt dat er nog steeds wordt gerestaureerd. „Huize St. Bernardus”, zegt hij, „dat grote gebouw uit 1764 aan ons plein ’t Zand, is net klaar. Je gelooft je ogen niet. Het is nu werkelijk prachtig. En zo waardig! Bredevoort wordt elk jaar mooier. Dat is het.”
BREDEVOORT – Als je hem niet kent, komt het geen moment bij je op, dat deze man wel eens bankdirecteur van beroep kan zijn. Bankdirecteuren worden geacht voortdurend met gulden-tekentjes in de ogen rond te lopen, maar Jan Elferink past zeker niet in dit schema. Hij is gevat en altijd in voor een grap. Een rappe prater en nooit voor één gat gevangen. Maar de Bredevoorters die zakelijk met Jan Elferink te maken hebben, weten dat onder deze goedlachse vriendelijkheid ook een goed zakenman schuil gaat. Een man die weet waar hij over praat als het om geldzaken gaat.
Jan Elferink: “Je bent hier financieel en sociaal bezig”
Dat heeft hij ook wel geleerd in zijn 42-jarige bankloopbaan. Dit jaar stapt Jan er uit. Per 1 september, nadat hij zijn opvolger G.W. te Brinke heeft ingewerkt, gaat hij met vut. „Ik ben nu 60 jaar en de jaren boven de zestig zijn kostbaar. Daarom stap ik er maar uit. Ik heb nog genoeg om handen. Ik heb al tegen mijn vrouw gezegd: als ik overdag het werk doe wat ik nu ’s avonds doe, dan heb ik tenminste een paar avonden per week vrij,” verklaart Elferink zijn vertrek.
Het is 42 jaar geleden dat hij, op 18-jarige leeftijd, begon op de Raiffeisenbank in Lichtenvoorde. „Dat wilde ik altijd al graag. Maar toen ik in 1943 van de ulo kwam, zei mijn vader dat ik maar moest helpen in zijn schildersbedrijf. Mijn beide broers waren tewerkgesteld in Duitsland, dus ik moest wel”.
Maar de oorlog was nog maar net voorbij, of Jan zag zijn kans schoon. De geldsanering na de oorlog zorgde er voor dat de banken extra personeel moesten aantrekken. Per 1 oktober 1945 werd hij aangenomen en precies een jaar later stapte hij over naar de bank in Bredevoort. „Toen ik hier kwam dacht ik: een paar jaar ervaring opdoen en dan overstappen naar een andere plaats. Maar daar is het nooit van gekomen. We voelen ons hier in Bredevoort goed thuis. Gelukkig helemaal opgenomen”.
Twaalf jaar lang fietste Jan elke dag op en neer tussen Lichtenvoorde en Bredevoort. Tot hij in 1958 trouwde en een echte Bredevoorter werd. Want dat laatste mag je toch wel zeggen wanneer je ziet hoe hij in de Bredevoortse gemeenschap geïntegreerd is.
Keiharde zaak
In 1963 werd Jan benoemd tot directeur van de bank in Bredevoort. „Dat bankwezen is een keiharde geldzaak. Daar ben je echt mee bezig. Het is misschien daarom dat ik als tegenhanger al die plezierige en gezellige aktiviteiten buiten mijn werk heb aangetrokken”.
Als Jan begint met het opnoemen van aktiviteiten waarbij hij betrokken is of is geweest, dan is hij wel even bezig. Volksfeest, gondelvaart, ijsbaan, bestuurslid schoolvereniging, bestuurslid St. Bernardus, ga zo maar door. En dat buiten al die „losse dingen” waar hij mee bezig is. Het houden van veilingen voor een goed doel, het organiseren van carnavalsbijeenkomsten voor de Zonnebloem, conferencier bij de boerenkapel in Lichtenvoorde, het optreden als buutreedner tijdens het carnaval.
„Daar wilde ik mee ophouden toen mijn maat, Bonekamp uit Lichtenvoorde, er mee stopte. Maar er kwamen van alle kanten zoveel verzoeken dat ik toch elk jaar weer een buut maak. „Dat alles houdt je op de been. Van jongs af aan hou ik van schoppen. Dat was op school al zo, maar ook later bij de toneelvereniging. Op mijn veertiende was ik daar al lid van”. Dat hij graag lol maakt is ook bij zijn collega-bankdirecteuren bekend. Die kennen hem als „Enerink uit Smallevoort”.
Elferink verheelt niet dat het werk van een bankdirecteur in een kleine gemeenschap als Bredevoort iets anders is als in een grote stad. „Je bent hier niet alleen financieel bezig, maar ook sociaal”. Elferink heeft het bankwezen in ruim veertig jaar sterk zien veranderen. Van een klein kamertje met een kast en een brandkast waar spaarbankboekjes werden bijgeschreven naar een uitermate modern, geautomatiseerd kantoorgebouw waarin de hele geldhandel plaats heeft maar waar ook reizen, verzekeringen en effecten worden verkocht.
G. te Brinke nu directeur
BREDEVOORT – Per 1 juli zal G.W. te Brinke uit Lochem als directeur in dienst treden van de Rabobank in Bredevoort. Te Brinke is geboren en getogen in Zelhem en is 41 jaar. Hij begon zijn bancaire loopbaan in 1966 in Doetinchem en is sedert 1977 werkzaam in Lochem.
Een nieuwe zwervende redacteur stuit op rudimenten van het Achterhoekse nationalisme.
Villa ‘Beekhuize’, Aalten
Door HENRI BEUNDERS — „Bij Arnhem eindigde de wereld! Nog lang nadat wij hier kwamen wonen, in 1969, vroegen vrienden die belden dat ze ons wilden opzoeken: „Kunnen we nog wat voor jullie meenemen?” Mevrouw Pruim zegt het met een spottend lachje, maar er klinkt een nog altijd niet verflauwde verontwaardiging doorheen.
Sinds twee maanden drijft ze samen met haar man, eens Haags advocaat en sinds jaar en dag kantonrechter te Terborg, een pension in hun, uit 1826 stammende kapitale pand „Beekhuize” in Aalten. Terug naar het westen willen ze nooit. „De Achterhoeker is erg tolerant, hartelijk en gastvrij. Hier eindigen veel zaken in een schikking”, zegt Pruim tijdens het serveren van het ontbijt.
De IJssel een grotere barrière dan de landsgrens waar ze zo dichtbij wonen? Wie in Dinxperlo een tijdje door de Heelweg — linkerstoep Nederland, rechterstoep Duitsland — loopt, zou het wel haast denken. Men wandelt, fietst en winkelt over de grens alsof die niet bestaat. Mevrouw Pruim haalt haar kleine ontbijtbolletjes in Bocholt. De douaniers komen voor alle passanten hun hokje nauwelijks meer uit.
Met grensproblemen heeft de kantonrechter dan ook nooit te maken. „Nou ja, nooit, laatst moest er een kofferbak open. Lag er een vrouw in. „Ik lig altijd in de kofferbak als ik met mijn man uit rijden ga”, had ze gezegd. Ze bezat simpelweg geen pas. Die kreeg wel een proces-verbaal aan de broek”.
Achterlijk
Veel op heeft men in Aalten echter niet met de Duitsers. De informatie over en weer stelt niet veel voor. In Aalten valt een reclameblaadje uit Bocholt in de bus, in het hoekje „Grenspost” bericht De Graafschapbode dat de Anholter windmolen weer wieken heeft. Of dit komt omdat Aalten protestants-gereformeerd is en Munsterland katholiek? Men weet het niet. Misschien is het, zo menen sommige Aaltenaren, wel de mentaliteit zoals die bijvoorbeeld afstraalde van het plakkaat dat de Duitsers als vóór de finale voetballen in Mexico bij de grensovergang Heurne-Aalten hadden opgehangen: „Jetzt betreten Sie das Land des Weltmeisters”. Een Nederlandse douanebeambte vertelt glunderend dat zij er als de kippen bij waren om na afloop er het woordje „vice” tussen te krabbelen. „Iedereen vond het prachtig dat ze hadden verloren”.
Behalve voor de westerlingen blijkt de IJssel echter ook voor vele Achterhoekers nog altijd een grens naar een andere wereld. De waardering voor die andere wereld is de laatste tijd wel sterk veranderd. „Vroeger was alles wat uit het westen kwam mooi. Zonder drie flats was je als dorp achterlijk. Er is daardoor veel moois vernield”, vindt mevrouw Pruim. Die tijd lijkt voorbij. Het nostalgie-golfje dat na de stormvloed van de moderniseringsdrift over de IJsseloever sloeg, heeft nog net op tijd wat oude fraaiigheden kunnen redden. Als je hier wat rondrijdt, zie je hoe men overal bezig is weer kronkelige en bollende straatjes met kasseien aan te leggen in de dorpskernen, en hoe de culturele regionale renaissance in volle gang is.
„Wie zet puntdroad biej ’n Iessel. De leu uut ’t west’n komt der niet meer in!” van de Achterhoekse „Nationalisten” die enige jaren terug deze dreigende taal uitsloegen — het was de voedingsbodem van het succes van de popgroep Normaal — wordt weinig meer vernomen. Op het oogstfeest in De Heurne, een gehuchtje tussen Aalten en Dinxperlo, loopt een enkeling niettemin met een door de Road voor Achterhooks Belang uitgegeven „paspoart” op zak. Maar bij de meesten lijkt dit verkapte minderwaardigheidsgevoel allang plaats te hebben gemaakt voor een stevig verankerde trots op het eigene.
In het maïslandschap is op het akkertje voor de demonstraties maaien met de zeis, schovenzetten, vlegeldorsen, ploegen en eggen nog een halve hectare rogge verbouwd. Men lacht en maakt grappen als ook sommige bejaarde boeren deze oude technieken al bijna verleerd blijken te hebben. Alleen de handen van de manden- en mutsenmaker gaan nog snel en routineus, zij hebben hun vak nooit opgegeven. De talloze telelenzen, video- en super-8-camera’s waarmee de ruim 1500 autochtonen en toeristen elkaar staan te filmen doen vermoeden dat het oogstfeest in De Heurne zich reeds in de dubieuze overgangsfase bevindt van oprecht volksplezier naar toeristische attractie.
Klootschieten
„Men moet beter uitkijken als er wordt gegooid, want een kloot kan hard aankomen”. (Foto NRC Handelsblad/Vincent Mentzel)
Op zoek naar een nog niet door de massa ontdekte uiting van opgeleefde folklore verwijst een van de talloze kleurige boombiljetten (kermis, motorcross, bonte avond, men kan het zo gek niet verzinnen of het hangt wel aan een beuk of eik aangekondigd) naar de grens ten zuiden van Winterswijk. Daar is bijna het hele ‘buurtschap’, meer dan 80 mannen, vrouwen en kinderen uitgelopen om mee te doen aan de wedstrijden klootschieten.
Telkens twee teams van 5 of 6 leden proberen het vier kilometer lange parcours door het prachtige ‘„’coullissenlandschap’ tussen Woold, Kotten en Achterwoold in zo weinig mogelijk schoten af te leggen. Het is niet moeilijk te zien waarom ”t aole spel’ zo snel aan populariteit kan herwinnen.
Wie kan gooien, kan ook klootschieten. Er wordt een hark over de weg gelegd, men neemt tot daar een aanloopje en gooit de houten, met lood verzwaarde ’tennisbal’ van om en nabij de halve kilo zo ver mogelijk over de straat. De anderen hollen er roepen achteraan „Astubleef”, juicht er een over zijn worp van wel 80 meter. „Ie gooit er met de pette naor”, roept een ander die de kloot van zijn voorganger uit de maïs aan de overkant van de sloot moet zoeken.
Op het erve Esselinkhaar staan de thermosflessen gereed op een keukentafeltje. Men is halverwege, tijd voor een pauze. Organisator Massop van de Winterswijkse Klootschieters Vereniging spreekt de enthousiaste maar onervaren nieuwelingen nog eens vermanend toe. „Dit parcours is wel verzekerd, maar men moet beter uitkijken als er wordt gegooid, want een kloot kan hard aankomen”. Als bewijs laat hij zijn scheenbeen zien waar een half jaar terug een kloot, al stuiterend over ditzelfde stukje klinkerweg, tegenaan knalde. Hij tobt er nog mee. Vandaar dat er alleen koffie wordt geschonken. „Vroeger was het „zoepen en nog eens zoepen”, daar kwamen steevast brokken van”. Dat was trouwens, zo legt hij uit, ook de reden dat vroeger dit goedkope vertier van het ‘klootjesvolk’ vaak verboden was.
Dat het woord sindsdien vooral de lachlust opwekt — „er is geen zak an” had de kantonrechter verzekerd — deert Massop al lang niet meer. „Het is een serieuze sport. Onze bond heeft dan ook geweigerd toe te geven aan de Nederlandse Sportfederatie die wilde dat we het „kogelwerpen” gingen noemen”. En hij drukt een folder en een sticker in de hand. ‘Klootschieters doen het op de weg’. Volgend jaar worden de nationale kampioenschappen, in bakermat Twente, voor het eerst gehouden in de Achterhoek. Voor de Kottense grensbewoners is het vooral een zondags spelletje. „Het is mooi weer, je ziet mekaar weer eens, het is gezellig”, zo zegt een van de koffieschenksters. „Volgende week hebben we hier paardenspannen”.
Tiroleravond
De geringe hoeveelheid alcohol wordt ’s avonds ruimschoots goedgemaakt op de door de Winterswijkse afdeling van „Jong Gelre” georganiseerde Tiroleravond op camping Nieuw Beusink. Een dikke 40 vaten Grolsch, 200 glazen het vat, heeft men aangesleept voor de verwachte 800 bezoekers. Men zit aan lange tafels, men danst, men drinkt, het rumoer zwelt allengs aan, maar het blijft gemoedelijk. De Grensland Muzikanten spelen de hier zo populaire Egelander-muziek van Ernst Mosch. Jong en oud danst erop. De Achterhoekse formatie Free Sense speelt de tweede helft van de avond wat moderners en luidruchtigers. Iets na twaalven zet de groep „Steer it up” van Bob Marley in. „’t Bier is op! Oh wat baal ik, ’t bier is op” zingt de zanger. En normaal zomers weekeinde langs de Achterhoekse grens is voorbij.
„Men moet beter uitkijken als er wordt gegooid, want een kloot kan hard aankomen”. (Foto NRC Handelsblad/Vincent Mentzel)
Dankzij de speuractiviteiten van de Aaltense historicus E.M. Smilda zijn veel historische gegevens over de postbestelling in de gemeente Aalten boven water gekomen. Een terugblik in de geschiedenis van het postwezen leert dat koeriers en bodes begin 19e eeuw verantwoordelijk waren voor de bezorging van brieven en berichten van zowel de overheid als particulieren.
Precies op de plek waar in 1986 het toenmalige nieuwe postkantoor aan de Peperstraat opende, begonnen Hendrik Jan te Gantvoort en Garret Jan Hoopman in 1812 een “postwagendienst” naar Zutphen.
Karvoerder
Het ‘oude’ postkantoor aan de Haartsestraat
Bekend is dat in 1742 ene Hendrik Hoopman “karvoerder” was en tweemaal per week naar Zutphen reed. Hoopman woonde destijds ook in de Peperstraat, een locatie die door de eeuwen heen een belangrijke rol heeft gespeeld in het plaatselijk postwezen. In 1784 is er sprake van een “postwagen” die tweemaal per week via Zutphen naar Aalten, Bocholt en Borken reed. Op twee andere dagen legde men de route omgekeerd af. Brieven werden voor een stuiver meegenomen en afgeleverd bij “Roelof Arentzen in De Klok”.
De eerder genoemde Te Gantvoort reed met zijn postwagen via Zelhem en Hengelo naar Zutphen. In 1827 was Jilles van Buul de eerste door de gemeenteraad aangestelde “distributeur der brievenpost”. In 1832 benoemde de raad Jan Berend Lohuis als eerste bode. Hij verzorgde de post naar Groenlo. Gerrit Schotman was in 1843 zijn opvolger. Gerrit Jan te Tuunte werd belast met de brievenloop naar Winterswijk.
Met de invoering van de postwet in 1850 verviel de bemoeienis van de gemeente met het postwezen. Schotman verloor zijn baan en Te Gantvoort emigreerde in 1854, op 60-jarige leeftijd, met zijn gezin naar Amerika.
Vaak verhuisd
Het ‘nieuwe’ postkantoor aan de Peperstraat
De Aaltense post zou nog tal van keren verhuizen. Zo opereerde men vanuit een schuur in de Dijkstraat, vanuit de Landstraat (later schoenhandel Ebbers), hoek Kerkstraat-Peperstraat (later modehuis De Postiljon) en vanaf 1922 in de voormalige burgemeesterswoning, het zogenoemde Tackshuis, aan de Haartsestraat. Op 26 juni 1986 verruilden de posterijen die locatie voor nieuwbouw aan de Peperstraat.
Ongeveer 20 jaar later werd het postkantoor in Aalten opgeheven. Sindsdien kan de Aaltense bevolking voor haar postzaken terecht bij de Primera aan de Bredevoortsestraatweg.
Begin jaren 80 van de vorige eeuw verkeerde Polen in een zware economische crisis. Er was grote schaarste en veel eerste levensbehoeften waren op de bon. Onder het motto ‘Help de Polen de winter door’ werden in heel Nederland hulpacties op touw gezet. Een daarvan was de solidariteitscampagne ‘Pak van je hart’, waarbij vrachtwagenchauffeurs samenwerkten met kerken om de Poolse bevolking te voorzien van voedsel- en kledingpakketten. Aalten bleef daarbij niet achter en organiseerde meerdere hulptransporten naar het stadje Koronowo.
De Aaltense ploeg die naar Polen ging, gefotografeerd ergens aan kant van een weg in het sneeuwrijke landschap. Van links naar rechts: mevr. De Bruijne, T. Westerveld, H. Neerhof, J. Epema, D. Kuiperij; P. van Meggelen en ds. C. Gros. De foto werd gemaakt door de heer W. Hofs.
In december 1981 verscheen het volgende artikel in een krant:
Tonny Westerveld, Bevrijding 49, was een van de mensen die als reserve-chauffeur het transport naar Polen heeft meegemaakt. De chauffeurs van de twee eerste vrachtauto’s waren Dick Kuiperij en Henk Neerhof. Voor Tonny Westerveld, die overigens een tienjarige ervaring heeft als chauffeur op internationale transporten, was het de eerste keer dat hij naar Polen reed.
Zaterdag 18 december vertrok het convooi ’s nachts om drie uur, en zeven uur later stond het bij Helmstedt voor de grens tussen de Bondsrepubliek Duitsland en de DDR. De formaliteiten namen daar nogal wat tijd in beslag want het duurde tot ongeveer twee uur ’s middags aleer zij konden vertrekken.
Ongeveer drie uur later stonden zij voor de Poolse grens. Daar was men veel sneller klaar. De ambtenaren waren verplicht pakketten open te maken wat zij dan ook met enkele deden, maar zij hadden het overigens heel snel bekeken, wellicht mede door de vele officiële stukken met stempels van de gemeente die getoond konden worden, zoals Westerveld veronderstelde.
De reis door Polen werd de laatste paar honderd kilometer gehinderd door veel sneeuwval. Een 50 kilometer over de grens in Łagów werd overnacht maar niet op de plaats waar tevoren een afspraak was gemaakt, want toen men zich bij de politie meldde werd hun meegedeeld dat zij in een andere gelegenheid de nacht konden doorbrengen.
Zondagsmiddags omstreeks half vijf kwam het convooi in Bydgoszcz aan, waar men een vrouwelijke gids, Mirca, kon meenemen. Met haar hadden de comitéleden enkele weken eerder al contact gehad en zij was van alles op de hoogte.
In Koronowo
Het was zondagavond omstreeks acht uur toen men in Koronowo arriveerde. De pastoor, waar men zich meldde, was stomverbaasd toen hij de twee grote vrachtauto’s zag , hij kon zijn ogen nauwelijks geloven en dacht dat er niemand het land kon binnenkomen.
Wij willen morgenochtend graag hulp hebben, was de vraag van de Aaltenaren. “Je vraagt je dan wel af, hoeveel tijd de lossing dan in beslag zal nemen”, zegt Westerveld. Er was namelijk in beide auto’s 34 ton ingeladen. 12 ton aan kleding en 22 ton aan levensmiddelen. Hiervan zou in Koronowo 28 á 29 ton gelost worden. Het overige moest in Bydgoszcz worden uitgeladen. Maar de andere morgen stonden er 12 Polen om te helpen en om een uur of tien waren dat er al zo’n dertig.
Inwoners van Koronowo helpen met het lossen van de vrachtwagens. De goederen werden in een gebouw van de kerk opgeslagen en de pastoor zou er persoonlijk op toezien hoe de goederen verdeeld werden.
“De mensen daar waren bezig met iets dat ze niet begrepen”, zoals Westerveld het uitdrukte. Ze waren stomverwonderd. Om twaalf uur waren de voor Koronowo bestemde goederen gelost en kon de terugreis worden ondernomen via Bydgoszcz. Daar kwam men bij de predikant van de Evangelische gemeente, die met niet minder verbazing dan de pastoor uit Koronowo de Aaltenaren bekeek. Hij had nu nog geen hulpgoederen verwacht en met steeds verwonderder blikken keek hij naar wat uit de auto’s werd gehaald en voor zijn verbaasde ogen opgestapeld. Tenslotte werd in het Warminsky-hospitaal in Bydgozcz de meegebrachte medicamenten en injectiespuiten afgegeven.
De terugreis
Voor de chauffers was het nu de vraag: hoe komen we zo snel mogelijk de stad uit? Maar medewerkers van het ziekenhuis stonden al klaar met een auto om de Aaltenaren langs de kortste route tot buiten de stad te begeleiden in de richting Poznań. Ergens op een parkeerplaats overnachtten zij in hun auto. Het was erg koud, zo’n 23 á 24 graden onder nul.
Dinsdagmorgen werd de tocht vervolgd, na eerst te hebben ontbeten. Men had zelf allerlei levensmiddelen meegenomen voor onderweg. Als men bij inwoners van Polen in huis was werden de meegebrachte maaltijden opgewarmd, maar ook kon men onderweg zelf een eitje bakken of koffie zetten als dit nodig was.
Een tachtig kilometer voor de grens ontdekte men een Engelse automobilist die pech had met zijn auto. Maar de Aaltenaren konden hem niet helpen. Tot hun grote verwondering zagen ze echter een auto van de Nederlandse wegenwacht passeren. Aan de inzittenden werd de situatie uiteengezet en toen kon het euvel worden verholpen. De wegenwachters behoorden bij het grote convooi dat al eerder in Nederland was teruggekomen, maar zij waren al een dag of negen in Polen omdat sommigen hun pas waren kwijt geraakt en daarom naar Warschau waren geweest om een regeling te treffen.
Op onze vraag: Hoe is de sfeer in Polen? kwam als antwoord: Angstig. De mensen zijn onvoorstelbaar bang. Maar meteen werd er aan toegevoegd: Zij zijn ook bijzonder gastvrij. Woensdag 23 december ’s middags om één uur waren de beide vrachtauto’s met hun inzittenden weer in Aalten terug.
Bouwt Aalten üt van Noord naor Züd Naor allen kant töt veer in ’t land …!
Maakt van de rosse, rowwe heide, Ne vlakke vette wiete weide Maakt van de grootste wöesterni’je Ne regelrechte kweekeri’je! I’j bouwt en graaft, i’j denkt en doot Den ievren mens geet ’t altied good Maor och, laot, as ’t efkes kan, An ons „’t Lohüs Geurken” dan!
De dennen soest er zacht en wee, As ’t rüschen van ne veere zee, Ze vetelt mi’j van de olde tiën To’k daor as kind kweem schaatsen zien! Zacht rispelden ’t in de tekskes Van ne olden berken stam, He vetellen mi’j van vrogger, To vader mooder nam.
I’j houwt en bouwt, i’j hakt en liekt Ow arbeidsvrucht, pas later bliekt, I’j doot, wa’j doot, maor as ’t efkes kan Och, laot ons ’t Lohüs Geurken dan.
Joh. Beernink Aalten, 14-2-1928
Bovenstaand gedicht publiceerde Joh. Beernink in de tijd toen men overal in de Achterhoek de schop in de grond zette om woeste gronden te ontginnen. Wie deze dichter was, weet ik niet, maar ongetwijfeld een Aaltenaar en u kunt het gedicht vinden in „archief” 1929 van de Oudheidkundige Vereniging „de Graafschap”.
In die tijd dreigde ook in Aalten een prachtig natuurterrein verloren te gaan. Het betrof een complex van 21 ha, gelegen aan de Haartsestraat in Aalten, bestaande uit bos en bouwland met in het bos een uniek vennetje, het „Darde Geurken ’t Lohuus”. Het werd in de zomer druk bezocht door wandelaars en hele generaties van Aaltense ingezetenen hebben de eerste beginselen van de schaatssport op het vennetje geleerd.
Dat dreigde nu alles verloren te gaan. Maar het deemoedig verzoek van Beernink „och, laot ons ’t Lohüs Geurken, as ’t efkes kan”, vond weerklank in Aalten. „Aaltens Belang” zag al direct de noodzaak in om dit natuurgebied voor Aalten te behouden en in 1929 werd dan ook het complex gekocht. Naar bestuursleden mij later vertelden in een soort van impulsieve bui, want… ze hadden er eigenlijk geen geld voor. Wel werden door verschillende Aaltense ingezetenen bedragen toegezegd, maar het zou toch een zwaar blok aan het been worden.
Men nam contact op met de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland en mr. G.J. ten Houten uit Winterswijk kwam eens kijken. Deze Winterswijkse advocaat was ook de grote stimulator voor het behoud van het Korenburgerveen en het in bezit brengen daarvan van Natuurmonumenten. Ook mr. ten Houten zag direct de grote waarde van dit natuurterrein en door zijn bemiddeling kon Aaltens Belang het zorgenkind aan Natuurmonumenten overdragen, waarbij ze zelf ook nog een behoorlijk bedrag kon schenken. En zo kan „’t Loohuis” dit jaar z’n gouden jubileum herdenken als natuurterrein. Een feit waaraan de heer J. te Lindert uit Aalten me een dezer dagen herinnerde.
In het begin van dit jaar is ’t vennetje in ’t Loohuishos in de gemeenteraad van Aalten nog eens ter sprake geweest. Er werd namelijk meegedeeld dat het ven zou worden uitgebaggerd, zodat er weer geregeld water in zou staan en de kleinere kinderen hier weer zouden kunnen schaatsen.
De Bredevoortse grachten vond men te gevaarlijk voor deze beginnelingen. Daar een ven z’n betekenis ontleent aan de specifieke vegetatie die soms vrij zeldzaam is, stelde de heer te Lindert zich eens met Natuurmonumenten in verbinding, teneinde te weten te komen wat men met ’t Darde Geurken van plan was. Het antwoord was echter zeer geruststellend. Het was werkelijk de bedoeling om middels uitbaggeren weer wat water in het ven te krijgen.
’t Darde Geurken is in de loop der jaren dichtgewaaid met blad en zo en ook dichtgegroeid door allerhande vochtminnende planten. Het is dus de bedoeling de oude toestand weer te herstellen. Niet om er een schaatsvijver van te maken, al deelde Natuurmonumenten mee, dat er geen bezwaar bestond om op bescheiden schaal aan de beginners gelegenheid te geven het schaatsen te leren. Maar dit mag niet gaan ten koste van de natuurwaarden van het gehele Loohuis en van ’t Darde Geurken in het bijzonder.
Zo is dan een kleine deining rond het Loohuis, veroorzaakt door het verslag van die raadsvergadering, weer gladgestreken. Dat Natuurmonumenten iets aan het ven moet doen, is begrijpelijk. Door de natuurlijke verlanding groeit de zaak dicht, waardoor de vegetatie verandert. Zeldzame planten nemen de benen en de zaak verandert meestal in een berkenbos. Enkele jaren geleden had ik al gezien dat bijvoorbeeld het eenjarige wollegras aardig op z’n retour was. Deze gang van zaken kunnen we ook zien in het Vragender- en Korenburgerveen.
De Aaltense bevolking kan dus gerust zijn. Hetnatuurmonument ’t Lohuis, met z’n Darde Geurken (het eerste en tweede Geurken zijn volkomenuitgedroogd) blijft volkomen bewaard. Wat Aaltens Belang vijftig jaar geleden voor de gemeenschap wist te behouden, blijft ook behouden.
Aalten is de enige plaats in Nederland waar een hoornindustrie was gevestigd. Men maakte hier producten van buffelhoorn, zoals pijpen, kammen, knopen, seinfluitjes, naaldenkokers en messenheften.Buffels werden niet gedood of speciaal gefokt voor het hoorn.Vrijwel al het materiaal werd gebruikt en wat overbleef ging over de akkers. Met de intrede van kunststof en massaproductie na de Tweede Wereldoorlog verdween deze industrie.
Hoorndraaiers
Familiebanden hebben een sterke invloed gehad op het ontstaan van de hoornindustrie. Vijf hoorndraaiers begonnen vanaf 1855 in Aalten: Bernard Vaags, Gerrit Peters, Abraham ten Dam, Willem te Gussinklo en Wessel Becking.
Bernard Vaags ging op Wanderschaft naar Duitsland en kwam in Ruhla (Thüringen) in de leer bij een hoorndraaier. Toen hij in Aalten was teruggekeerd kocht hij een eenvoudige voetdraaibank en begon de allereerste hoorndraaierij. In een opkamertje in de schoenmakerij van zijn ouders ‘in den Dijk aan de beek te Aalten’ (Dijkstraat 9) maakte hij onderdelen voor Duitse pijpen van buffelhoorn. In 1860 trouwde Vaags met Dora Willemina Prins. Zij werd ook hoorndraaier en werd Piepen Deurken genoemd. Zij gingen wonen naast Bernards oudershuis (Dijkstraat 7).
Pijpendraaien was hand-, voet- en vakwerk. Hier een voorbeeld van een Aaltense trapdraaibank uit 1880.
Duitse pijpen
Gerrit Peters, zoon van een leerlooier, ging na Bernard Vaags ook in de leer in Thüringen. Hij werkte vanaf 1863 aan de Hogestraat. In 1866 trouwde Gerrit met de welgestelde Josina Aleida te Gussinklo en trok bij haar in. Het pand besloeg de hele lengte van de Köstersbulte, van het woongedeelte aan de Markt tot aan de Landstraat, waar hij zijn hoornwerkplaats vestigde. Hij maakte lange pijpenstelen en onderdelen voor de Duitse pijp. In Duitsland werden porseleinen pijpenkoppen aan de stelen bevestigd en de pijpen verhandeld.
Kammen
Kammenfabriek Ten Dam & Manschot
Na het overlijden van Vaags in 1868, pakte zijn opvolger Abraham ten Dam de zaken grondig aan. Het huisindustrietje werd een echte fabriek, aan de Stegge. In 1871 stichtte hij samen met zijn zwager Bernard Manschot kammenfabriek Ten Dam & Manschot aan de Damstraat.
Het was de eerste en enige fabriek in Nederland die kammen maakte: witte, zwarte, naturel gekleurde sierkammen, Mexicaanse kammen, luizenkammen en snorrenkammen. Deze kammen werden gemaakt van buffelhoorn. Men voerde deze in uit onder andere Brazilië, India en het toen nog Siam geheten Thailand. De fabricage gaf nog meer stof en stank dan bij de pijpen.
Een revolutionaire ontwikkeling in het productieproces was de overgang op stoom. Ze verving de traditionele hand- en voetkracht. In de volksmond kreeg ze de benaming ‘d’n Kamstoom’. In 1920 werkten er bij de kammenfabriek ongeveer 200 mensen, onder wie ook vrouwen en kinderen.
Handvatten en messenheften
Duitse pijpen, W. te Gussinklo
Willem te Gussinklo en Wessel Becking leerden de kneepjes van het vak bij Gerrit Peters. Zij werkten korte tijd samen, maar gingen in 1884 apart verder. Na de mislukte samenwerking ging Wessel Becking in 1880 verder met Bernardus Gerhardus Vaags, neef en naamgenoot van Bernard Vaags. Becking & Vaags maakte pijpenstelen en later ook messenheften. Toen de verkoop van de Duitse pijpen terugliep, produceerde de fabriek korte bruyèrepijpen. De pijpenfabriek in de Hoekstraat staat er nog steeds!
Johannes Peters verliet de werkplaats van zijn vader aan de Köstersbult en sloot in 1896 een vennootschap met Marcus Gans, een Joodse koopman. Gans financierde de firma genaamd PEGA (Peters & Gans). De pijpenfabriek stond naast Peters’ woning aan de toenmalige Gasthuisstraat (nu Haartsestraat). Naast Duitse pijpen voor Duitse reservisten werden wandelstokken met hoornen handvaten vervaardigd. Nadat de fabriek in 1917 totaal uitbrandde, vestigde Johannes Peters zijn pijpenfabriek aan de Admiraal de Ruyterstraat. In plaats van Duitse pijpen werden er vooral bruyèrepijpen gemaakt.
Knopen
Dutch Button Works, Bredevoort
Na de mislukte samenwerking met Wessel Becking maakte Willem te Gussinklo Duitse pijpen en handvatten voor wandelstokken en paraplu’s. In Duitsland en Engeland waren rond 1900 bedrijven ontstaan die uit hoorn knopen produceerden. Met dat voorbeeld voor ogen begon Willem in het jaar 1905 met het maken van hoornen knopen, een primeur voor Nederland. Al snel kwam zoon Willem te Gussinklo jr. (Piepkes Willem) in de firma, die zich ontwikkelde als innovatief ondernemer.
De eerste fabriek van Te Gussinklo stond aan ‘t Dal in Aalten, de tegenwoordige Willemstraat. Vanwege de toenemende vraag naar knopen verhuisde het bedrijf in 1924 naar de oude weverij van Van Eijck in Bredevoort. Daar ging de productie van knopen van start. Het internationale bedrijf N.V. Dutch Button Works (DBW) exporteerde naar Engeland, Ierland en Amerika en was ook de grootste (hoorn)onderneming in Aalten.
Na de Tweede Wereldoorlog liep de productie van knopen uit hoorn terug. In 1976 werd deze laatste tak van hoornverwerking genoodzaakt de pijp aan Maarten te geven. Daarmee kwam er definitief een einde aan 120 jaar hoornindustrie in Aalten.
Video
Bron: Euregionetwerk Industriecultuur
Het regende pijpenstelen
Paulien Andriessen, een achterkleindochter van Gerrit Peters, raakte nieuwsgierig naar het ambacht van haar overgrootvader. Hij was de tweede hoorndraaier in Aalten. Waar had hij het vak geleerd en aan wie verkocht hij die pijpenstelen? Hoe verging het de Aaltense hoorndraaiers en hun opvolgers?
“Toen ik slaagde voor mijn eindexamen kreeg ik van mijn oom een pijp cadeau. Mijn moeder en mijn zusjes rookten pijp, dus ik vond het helemaal niet raar. Het was een damespijpje met een slanke steel en een kleine kop van wit porselein en een hoornen mondstuk. Ik moest hem een paar keer roken, legde mijn oom uit, dan zou er een mooi plaatje op de pijpenkop verschijnen. Zo ben ik stevig aan het roken geslagen, want ik was nieuwsgierig naar dat plaatje. Het duurde een paar pijpjes, maar tot mijn vreugde werd mijn rookgedrag beloond. Er kwam het een plaatje tevoorschijn. Het was een vogeltje, een duif.”
In 2011 verscheen een boekje van haar hand, getiteld ‘Het regende pijpenstelen, Honderd jaar hoornindustrie in Aalten’ bij uitgeverij Fagus (ISBN: 9789078202806).
Eind 1973 was Nederland in de greep van de oliecrisis. De crisis werd veroorzaakt doordat een aantal Arabische olieproducerende landen de olieprijs met 70% verhoogden en de olieproductie verminderden, zodat de prijs per vat explosief steeg. De oliecrisis had wereldwijd grote invloed op de economie. In Nederland werd van november 1973 tot en met januari 1974 een aantal autoloze zondagen afgekondigd. De benzine werd bovendien gerantsoeneerd. Autobezitters kregen benzinebonnen die ze bij het tanken zouden moeten inleveren. (Bron: Wikipedia)
“In de olie”
De oliecrisis inspireerde enkele bewoners van de Keizersweg in Aalten om begin 1974, verkleed als oliesheiks, hun dorpsgenoten een gelukkig nieuwjaar te wensen. Uiteindelijk toog het gezelschap behoorlijk “in de olie”, vrolijk huiswaarts:
Het nachtelijk transport van een tweetal vulstoftanks, die uit Doetinchem moesten worden vervoerd naar het industrieterrein in Aalten, is niet zo gemakkelijk verlopen als was gedacht. In de Landstraat in Aalten raakte het transport met de eerste tank al in moeilijkheden, maar na enig gemanoeuvreer lukte het de nauwe straat te passeren. De tweede tank bracht het er minder goed af. Het transport liep in de straat vast en heeft daar een paar uur klem gezeten.
Om ongeveer 10 uur vanmorgen lukte het de auto met het gevaarte vrij te krijgen, maar pas nadat er flinke beschadigingen aan gevels en goten waren aangericht. Zo werd de gevel van de panden van Buesink en Bongers beschadigd. Er moesten goten worden weggebroken om de weg voor het transport vrij te maken.
De tanks, die werden vervoerd door het transportbedrijf Van Wezel uit Hengelo, zijn gemaakt bij een bedrijf in Uden en gemonteerd in Lemmer. Over het water zijn zij naar Doetinchem gebracht en vandaag over de weg naar Aalten. Zij zijn bestemd voor de vulstofgoederenbedrijf J. van der Most uit Venlo, dat in Aalten om de asfaltfabrieken in Nederland van Duitse grondstoffen te kunnen voorzien een bedrijf gaat vestigen. Men had erop gerekend vanochtend om half 6 op het industrieterrein te zullen aankomen. Om 10 uur berichtte de Aaltense politie dat men de nauwe straat uit was en bij de overweg was aangekomen, „aardig op weg” naar de plaats van bestemming.
Deze website gebruikt cookies voor een optimale ervaring en analyse van bezoekgegevens. Ga je hiermee akkoord? Zonder toestemming werken sommige onderdelen van de site mogelijk minder goed.
Functioneel
Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistieken
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door je Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een site of over verschillende sites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.