Begin 19e eeuw woonde hier Jannes (James) Thomson en zijn gezin. Hij was een telg uit een militair geslacht met Schotse wortels. Veel van hun nakomelingen zouden de militaire traditie van hun familie voortzetten.
Na hun dood bleef één van hun zoons in het huis wonen. Hij werd brievengaarder van beroep en daarmee kreeg de woning tevens de functie van postkantoor.
In 1952 werd het pand verbouwd tot Hervormd Rusthuis „Zandzicht”. In 1970 werd dit rusthuis gesloten en verhuisden alle bewoners naar het nieuwe bejaardencentrum ’t Hoge Veld in Aalten. Tegenwoordig maakt deze locatie deel uit van St. Bernardus.
Rusthuis N.H. Diaconie “Zandzicht” Mej. G.A. Hoitink, directrice
Eigenaren
Overzicht is niet volledig.
Jaar
Perceel
Eigenaar
Omschrijving
1832
B-206
Wed. Jannes Thomson
450 m² huis & erf
Afbeeldingen
Postkantoor Bredevoort, 1918, met Hendrik Christiaan den Hartogh en Antonia Theodora KrosenbrinkZutphensche Courant, 10 oktober 1872Dagblad Tubantia, 17 december 1952Bewoners Rusthuis ‘Zandzicht’, Bredevoort (1967)Dagblad Tubantia, 3 september 1970
De wortels van het katholieke geslacht Lueb liggen in het Duitse Rees. Daar lieten Jacob Lueb en Maria Kaldenhoeven op 9 februari 1785 een zoon dopen, die zij Johannes noemden, roepnaam Jan. Hij werd bakker van beroep. In die hoedanigheid klopte hij regelmatig aan de zware deur van de Wasserburg in Anholt: om in de keuken brood te bakken of om brood te bezorgen. Bij één van die bezoeken leerde hij Françoise Persille (1777-1824) kennen, een in het Franse Nancy geboren gouvernante die naar Anholt was gekomen om daar te werken. Die ontmoeting resulteerde in 1811 in een huwelijk, gesloten in Anholt.
Op enig moment, om redenen die uit de bronnen niet bekend zijn, verhuisde het echtpaar naar Bredevoort. Daar werden vijf kinderen uit dit huwelijk geboren: de eerste levenloos (1812), vervolgens Lodewijk (1813), Maria Magdalena (1817), Grada Aleijda (1819) en Françoise (1824). Françoise Persille overleed op 9 januari 1824 in Bredevoort, 47 jaar oud. Jan Lueb stond daarmee alleen voor de zorg voor zijn vier jonge kinderen. Op 24 augustus 1826 hertrouwde hij in Aalten met de 41-jarige Harmina Johanna Meijerink (1785). Uit dit tweede huwelijk werd nog een dochter geboren, Carolina Berendina (1827).
Jan Lueb was in Bredevoort enkele jaren kerkmeester van de Sint Georgiuskerk. Uit de notulen van de bestuursvergaderingen rijst het beeld van een rustige man, iemand die heikele kwesties niet op de spits dreef en er ook anderen van wist te weerhouden. De parochie had duidelijk veel vertrouwen in hem: hij pachtte van de kerk een koeweide op het Zwanenbroek te Bredevoort, waarvoor hij jaarlijks drie gulden huur betaalde. Daarnaast verstrekte de rooms-katholieke gemeente hem op 21 juli 1842 een onderhandse lening van honderd gulden, waarover hij ieder jaar rente moest voldoen. Borg voor deze obligatie stond een zekere W. Meijrink, destijds een redelijk vermogend familielid van Jan Luebs echtgenote.
Rond 1853 raakte Jan Lueb in ernstige financiële moeilijkheden. Zijn vier kinderen uit het eerste huwelijk eisten namelijk hun kindsdeel op. Het kerkbestuur wendde zich daarom op 7 juli 1853 in een brief tot monseigneur Johannes Zwijsen, bisschop van Utrecht. In die brief schetste men de situatie als volgt:
“Volgens een onderhandsche obligatie in de kerkenkist alhier aanwezig waarvan duidelijkheidshalve ingesloten de Copie Sub. No. 1 wordt overgezonden, is de kerkmeester J. Lueb een kapitaal van f. 100,— schuldig aan deze Gemeente. Omdat het alhier algemeen bekend is dat de voornoemde kerkmeester door zijn meerderjarige voorkinderen, die hun erfdeel eischen, en door verschillende andere Crediteuren tot den verkoop van alle Zijne goederen wordt genoodzaakt, en het volgens het algemeen gevoelen en zelfs volgens de mondelinge verklaring van een zijner schoonzonen meer dan waarschijnlijk is dat er een te kort kan plaats hebben, zoo wenschte het kerkbestuur gaarne te weten, hoe het hierin moet handelen, daar de borg onvermogend is.”
Zwijsen adviseerde het kerkbestuur om nog eens zorgvuldig na te gaan of het reëel was dat de honderd gulden, met de daarover verschuldigde rente, alsnog kon worden terugbetaald. Tijdens de vergadering van 26 november 1854, die mede over deze kwestie ging, besloot het kerkbestuur om tot 1 januari 1855 geen verdere stappen tegen Jan Lueb te ondernemen. Men wilde eerst afwachten of Lueb het opgezegde kapitaal van honderd gulden, met de verschuldigde rente, alsnog zou voldoen.
Door de problemen rond Lueb en eerder geharrewar binnen de parochie over het gebruik van kerkelijke onroerende goederen door andere parochianen liet het kerkbestuur op 12 juli 1855 een inventarisatie opmaken. Op die lijst stonden alle personen die op dat moment een weiland van de kerk pachtten of een obligatie ten gunste van de kerk had. Bij Jan Lueb noteerde men:
“Een obligatie ten laste van J. Lueb, gewezen kerkmeester, groot f. 100,00 met ene borg. Er is beslooten omdat er geen rente is betaald en de debiteur waarschijnlijk een frauduleus bankroet heeft gemaakt of nog zal maken en de borg reeds vele jaren bankroet is, deze obligatie in handen van bovengenoemden notaris te stellen, ten einde te handelen volgens de wet.”
Naar aanleiding van die brief voelde het kerkbestuur zich genoodzaakt opnieuw naar de bisschop van Utrecht te schrijven. In deze brief, gedateerd 29 juni 1856 en opgebouwd uit vijf verschillende punten (A t/m E), behandelde het bestuur de zaak-Lueb onder punt B.:
“Het kapitaal van J. Lueb, gewezen kerkmeester, is volgens het gevoelen van het kerkbestuur bijna zeker verloren. Het kerkbestuur heeft alle mogelijke zachte middelen gebruikt, om er nog iets van terug te krijgen, doch alle moeite is vruchteloos geweest. Den weg van regten durft het kerkbestuur niet in te slaan, omdat dit wellicht evenmin zou baten. Het kerkbestuur is derhalve van meening om deze zaak ook maar stil te laten berusten.”
Op 4 juli 1856 schreef monseigneur Zwijsen, onder de brief die hij van het kerkbestuur uit Bredevoort had ontvangen, slechts één regel over deze kwestie: “De authorisatie in A. B. en C. bovenstaande wordt bij deze gegeven.” Vervolgens stuurde hij de brief terug naar Bredevoort.
Op 20 april 1867 vertrok Jan Lueb naar Winterswijk. Eind 1872 keerde hij terug naar Bredevoort. Daar overleed hij op 2 februari 1874.
Gerrit Jan Wubbels (Aalten, 02-01-1852), fabriekarbeider / wever bij H. van Eijck & Zn. (1) Jantje Berentschot (Groenlo, 09-11-1846) (2) Johanna Hendriksen (Ruurlo, 15-10-1851)
Joannes Albertus Thebing (Borken, 04-11-1784), wever Elisabeth Rodde (Bocholt, 20-10-1782)
Volgende bewoners:
Jannes Thebing (Bredevoort, 04-10-1812), wever (1) Johanna Gesina Elisabeth Elting Reuke (Rhede, 19-02-1815) (2) Catharina Elisabeth Schwartkes (Borken, 12-12-1813)