Archieven: Plaatsen

  • Intercarpet

    Intercarpet

    Overzicht

    Intercarpet in Aalten maakte tapijten en leverde die wereldwijd vanuit de productielocaties in Aalten en Blokzijl. In deze plaats in Overijssel werd gewerkt onder de naam Hartex. Ook werd er kunstgras geproduceerd. Het was een familiebedrijf dat tientallen jaren heeft bestaan en waar in 2023 de derde generatie aan het roer stond.

    Intercarpet werd opgericht in 1960, blijkens het volgende bericht dat De Volkskrant op 10 februari 1960 publiceerde:

    Vroegere directie Veneta sticht zelf tapijtfabriek

    AALTEN, 9 febr. — Twee vorig jaar afgetreden directie-leden van de Verenigde Nederlandse Tapijtfabrieken (Veneta) in Hilversum hebben, tezamen met de heer W. A. Hallen in Dinxperlo, een eigen tapijt-onderneming opgericht, de NV Inter-Carpet. Deze bouwt op het ogenblik in Aalten in de Achterhoek een nieuwe tapijtfabriek, die men in mei hoopt te openen. De twee ex-bestuurders van Veneta zijn de directeur W. H. J. Brouwer uit Hilversum, die bijna 40 jaar bij Veneta in dienst is geweest en de adjunct-directeur H. ter Burg uit Soest.

    Tezamen met de president-commissaris ir J. S. Schonegevel van Nijmegen en de directie-secretaris drs H. B. Pirik, namen zij vorig jaar hun ontslag, wegens ingrijpende meningsverschillen over het bedrijfsbeleid. Hoewel Veneta een open NV is, waarvan de aandelen op de beurs worden genoteerd, wordt het bedrijf beheerst door vier Gooise families. Deze bezitten de prioriteits-aandelen, aan welke het recht is voorbehouden om bestuursleden ter benoeming voor te dragen. Op de Kon. Ver. Tapijtfabrieken (KVT) en de „Verto” (Verenigde Touwfabrieken) na, is vrijwel de gehele Nederlandse tapijt-industrie in handen van familie-vennootschappen.

    Bij de Veneta was de ondergrond van het bestuursconflict, dat het bedrijf naar de mening der uitgetreden bestuurders niet voldoende met zijn tijd meeging. Evenals elders in de woninginrichting is ook de vloerbedekking na de oorlog steeds meer aan mode onderhevig geraakt.

    Er is een grote verschuiving in de vraag opgetreden van het afgepaste tapijt naar het tapijt, dat in banen de gehele kamer bedekt. De omschakeling brengt de nodige investeringen mee, maar voor de „achterblijvers” wordt de concurrentie steeds moeilijker.

    Modern bedrijf

    De Inter-Carpet in Aalten wordt een moderne tapijtfabriek met voor Nederland zeer nieuwe machines, waar vooral tapijten van grote breedtes zonder tussennaad zullen worden vervaardigd. Er zullen voorlopig 25 mensen werk vinden, maar de bedoeling is de produktie en het aantal werknemers later te vergroten. Inter-Carpet heeft een geplaatst aandelenkapitaal van 240 duizend gulden, dat door de drie oprichters uit eigen middelen bijeen is gebracht. Directeur is de heer Ter Burg; beide andere heren zijn commissaris.

    Veel inwoners van Aalten werken elders, wegens gebrek aan industrie in hun eigen woonplaats. Er zijn onder meer een koperdraad-industrie en drie katoen-weverijen. Eén daarvan, de Textiel-mij Gebr. Driessen, gaat sinds kort volledig samen met Wisselink’s Textielfabrieken in Enschede, die de verkoop van de produktie van beide weverijen in handen krijgt. De weverij in Aalten zal binnenkort worden gemoderniseerd en uitgebreid.

    Einde oefening

    Eind juli 2023 werd bekend dat de tapijtfabriek faillissement had aangevraagd. Men voerde daar verschillende redenen voor aan: het verlies van een grote klant, fors gestegen energiekosten en een aangepaste productiewijze met een nieuwe machine die niet helemaal van de grond kwam. Het bedrijf telde op dat moment 67 medewerkers, van wie er ongeveer 40 in Aalten werkten en de rest in Blokzijl.

    Wel doorstart Hartex Blokzijl

    Hartex, de productielocatie in Blokzijl, is overgenomen door de Condor Group, voorheen de grootste klant en een grote speler in de tapijt- en kunstgraswereld. Condor Group nam ook de machines uit Aalten over.

    Als reden waarom Blokzijl wel is overgenomen en Aalten niet, werd gemeld dat in Blokzijl meer toekomst zit. Daar zijn nieuwere en modernere productieprocessen, die ook duurzaam zijn.

    Directeur Hans Dobbe vertelt hoe het maken van kunstgras in z’n werk gaat (2011).
  • Oorlogsmonument

    Oorlogsmonument

    Overzicht

    Het oorlogsmonument op de Wheme is opgericht ter nagedachtenis aan alle medeburgers die tijdens de bezettingsjaren door oorlogshandelingen zijn omgekomen. Met het gedenkteken wordt tevens de bevrijding in herinnering gebracht.

    De oprichting van het gedenkteken was een initiatief van het comité Stichting Monument 1940-1945. Onder de Aaltense bevolking heerste er direct na de bevrijding de behoefte om met een monument de oorlogsslachtoffers te eren.

    Het monument bestaat uit een beeld van een mannenfiguur met vrouw en kind. Het beeld van Franse kalksteen is geplaatst op een terras. Het voetstuk bestaat uit metselwerk, beton en natuursteen. Het gedenkteken is 1 meter 31 hoog, 1 meter 43 breed en 90 centimeter diep.

    Het monument is onthuld op 16 juni 1956 door Hendrik Jan (Ome Jan) Wikkerink, leider van de voormalige verzetsbeweging in Aalten.

    De tekst op het voetstuk luidt:

    OM TE DOEN
    GEDENKEN
    1940 1945

  • Luchtwachttoren

    Luchtwachttoren

    Overzicht

    De Luchtwachttoren in Aalten was een betonnen uitkijktoren die deel uitmaakte van het landelijke netwerk van luchtwachttorens dat in Nederland werd opgericht tijdens de Koude Oorlog. De toren stond aan de Koningsweg, aan de rand van het dorp, en had als doel om vijandelijke vliegtuigen te detecteren die lager vlogen dan de radarsystemen konden waarnemen.

    De Aaltense luchtwachttoren was een zogeheten ‘raatbouwtoren’, herkenbaar aan zijn kenmerkende honingraatstructuur, een constructie die zowel stabiliteit als sterkte bood. De toren, gebouwd van gewapend beton, was veertien meter hoog en de kop van de toren was een open observatiecabine met een schuilhoek ter bescherming tegen granaatsplinters. Buurgemeenten als Varsseveld en Winterswijk hadden ook hoge uitkijkposten, maar niet zo karakteristiek als die in Aalten.

    Speuren naar de vijand

    De luchtwachttoren in Aalten, met de codenaam ‘Izak 1’, werd in 1953 in gebruik genomen, in een tijd waarin de spanning van de Koude Oorlog leidde tot verhoogde paraatheid. De toren maakte deel uit van een netwerk van 276 uitkijkposten verspreid over heel Nederland en viel onder het Korps Luchtwachtdienst (KLD), een onderdeel van de Koninklijke Luchtmacht dat onder het commando Luchtverdediging stond. De Aaltense toren viel onder het commandocentrum KLD Deventer.

    Het doel van de torens was het visueel detecteren van vijandelijke, met name Russische, vliegtuigen die onder de 200 meter vlogen en daardoor buiten het bereik van radarapparatuur bleven.

    Bemanning en apparatuur

    De bemanning van de toren bestond uit twee mannen die, ongeacht de weersomstandigheden, het luchtruim observeerden. Vrouwen waren destijds uitgesloten van deze taken. De bemanningsleden droegen een uniform en waren uitgerust met een koptelefoon en een mondmicrofoon. Het observeren gebeurde met behulp van een statief voorzien van een vizierkijker en een aanwijsnaald. De rangen in de Aaltense luchtwacht bestonden uit soldaat, soldaat eerste klas, korporaal en sergeant. De heer H.J. Prinzen uit Aalten was een tijd plaatselijk commandant.

    De bemanning was getraind om in geval van nood de omliggende torens te waarschuwen en via een hotline ook het commandocentrum. De staf bevond zich in een ondergrondse, atoomvrije bunker in Deventer. De toren was niet continu bemand; alleen tijdens oefeningen. Elke twee weken was er een theorieavond vliegtuigherkenning op een locatie in Aalten of Winterswijk.

    Werving van vrijwilligers

    Op 20 mei 1953 werd er in de Sociëteit aan de Hofstraat in Aalten een wervingsbijeenkomst gehouden door de Luchtwachtdienst. Commandant Ruseler uit Deventer verzorgde de voorlichting aan de mannen die hiervoor waren opgeroepen. Als stimulans om zich aan te melden, werd vrijstelling van militaire dienst of deelname aan de Bescherming Bevolking aangeboden. Een aantal mannen meldde zich aan als vrijwilliger en trad toe tot de KLD.

    Opheffing en sloop

    Met de komst van modernere controlesystemen en verbeterde radarapparatuur werd de noodzaak van visuele waarneming in de jaren zestig steeds kleiner. Dit leidde uiteindelijk tot de opheffing van de Luchtwachtdienst. De Aaltense luchtwachttoren werd in 1970 gesloopt, een spektakel dat veel belangstelling trok van de plaatselijke bevolking. Het zware betonnen fundament van de toren ligt nog steeds verborgen onder de grond en vormt een stille herinnering aan dit hoofdstuk in de geschiedenis.

    Afbeeldingen

  • Onderduikersmonument

    Onderduikersmonument

    Overzicht

    Het onderduikersmonument aan de Stationsstraat is een dankbetuiging van oud-onderduikers aan de Aaltense bevolking voor hun gastvrijheid en aan de verzetsmensen die de stuwende kracht waren bij het onderbrengen van de onderduikers.

    Het monument bestaat uit een bakstenen gedenkmuur met fontein. In de gedenkmuur zijn een bronzen plaquette en twee gebeeldhouwde fragmenten van natuursteen aangebracht.

    Het monument is onthuld op 4 oktober 1947 door mevrouw D.G. Wikkerink-Eppink, de echtgenote van verzetsleider Hendrik Jan (Ome Jan) Wikkerink.

    De tekst op de plaquette luidt:

    AANGEBODEN AAN DE GEMEENTE AALTEN DOOR ONDERDUIKERS
    WELKE IN DE BEZETTINGSJAREN 1940-1945
    HIER EEN VEILIG TOEVLUCHTSOORD GEVONDEN HEBBEN.

    Op de gebeeldhouwde fragmenten staat als tekst psalm 91:5 en 6.

    De tekst van het linker fragment luidt:

    GIJ ZULT NIET VREZEN VOOR DE SCHRIK DES NACHTS,
    VOOR DE PIJL DIE DES DAAGS VLIEGT;
    VOOR DE PESTILENTIE DIE IN DE DONKERHEID WANDELT,
    VOOR HET VERDERF DAT OP DE MIDDAG VERWOEST.

    De tekst van het rechter fragment luidt:

    WANT HIJ ZAL U DEKKEN MET ZIJN VLERKEN EN
    ONDER ZIJN VLEUGELEN ZULT GIJ BEROUWEN.

  • Fallschirm-Armee Waffenschule

    Fallschirm-Armee Waffenschule

    Overzicht

    Tijdens de bezettingsjaren was er korte tijd (oktober 1944 tot februari 1945) een ‘Fallschirm-Armee Waffenschule’ gevestigd in de Openbare Lagere School aan de Herenstraat in Aalten.

    Na de landingen in Normandië wilde Hitler zo snel mogelijk een grootschalige tegenaanval aan het westfront ontplooien. Hiermee wilde hij de geallieerden tot stilstand brengen. Dit zou Duitsland tijd moeten geven voor de voltooiing van hun ‘geheime project’, namelijk de ontwikkeling van massavernietigingswapens.

    School voor parachutisten

    De zogenoemde ‘Fallschirm-Armee Waffenschule’ (oktober 1944 – februari 1945) werd gevestigd in de openbare school aan de Herenstraat. Het gros van de Duitsers werd hier ook ingekwartierd. Onderofficieren en officieren werden ingekwartierd bij Aaltense burgers.

    De school moest aspirant officieren van de Duitse parachutisten in de praktijk opleiden en klaarstomen voor het werk aan het front. Daarnaast gaven ervaren instructeurs er cursussen hoe pantservoertuigen van de vijand uit te schakelen met de middelen en wapens die de Duitsers destijds hadden. En als laatst werd er een speciale Kampfgruppe (gevechtseenheid) gevormd. Deze zou een speciale opdracht gaan krijgen, namelijk een inzetsprong middels parachute achter geallieerde linies gedurende het Ardennen Offensief. Op het hoogtepunt waren in Aalten circa 1200 Duitse parachutisten verzameld. Zij vormden de zogenaamde ‘Kampfgruppe Von der Heydte’.

    Duitse parachutisten werden overal ingekwartierd in Aalten en omliggende dorpen. Niet alleen in grote schoolgebouwen maar ook particulier bij mensen in huis. De militairen moesten daarvoor naar het districtkantoor dat in het gemeentehuis was gevestigd. Hier kregen zij een bewijs van inkwartiering mee, zoals zij dat destijds noemden en vervolgden hun weg naar het adres waar ze mochten logeren. Daarnaast zijn vrijwel alle café’s in Aalten in gebruik geweest bij de Duitse troepen en omgebouwd tot zogenaamde kasino’s. Niet om hier films te bekijken, maar om de militairen in hun vrije tijd te vermaken met gezelligheid en snuisterijen.

    Strak regime

    Er heerste een strak regime onder de Duitse troepen. Kostbare tijd werd efficiënt ingevuld om zo spoedig als mogelijk van dit gemêleerde gezelschap een echte Kampfgruppe te maken. Iedere ochtend werd van de troepen verwacht een mars van ongeveer 10 km te volbrengen op een nuchtere maag. Verder hield men schietoefeningen op enkele oefenterreinen rondom Aalten en de gevechtsgroepen werden opgeleid in het vechten in bosachtige gebieden.

    Een ooggetuige heeft Duitse parachutisten in sporttenue gezien, op weg naar zwembad ’t Walfort. Hier sprongen de parachutisten van een verhoging in het mulle zand. Bij het in contact komen met het zand maakten zij een zogenaamde para-rol om de val te breken. Ze moesten deze manoeuvre beheersen voordat ze een parachutesprong gingen maken om zo blessures te voorkomen.

    Na het verlaten van de zogenoemde Kampfgruppe door Von der Heydte nam Hauptmann Von Hütz het commando van de Waffenschule in Aalten over. Gedurende de resterende periode ontplooide deze nieuwe gevechtsgroep enkele operaties. Deze werden door zowel de geallieerden als de Duitsers zelf als zeer hard beschreven.

  • Monument voor Leslie Pulfrey

    Monument voor Leslie Pulfrey

    Overzicht

    Aan de Gandvoortweg in de Aaltense buurtschap Barlo staat een bescheiden gedenkteken, opgericht ter nagedachtenis aan de Britse Flying Officer Leslie Pulfrey van de Royal Air Force (RAF). Het monument markeert het weiland waar Pulfrey in de vroege ochtend van 17 juni 1944 dood werd aangetroffen, na een mislukte sprong uit zijn brandende Lancaster-bommenwerper.

    De missie

    Op de avond van 16 juni 1944 steeg de viermotorige Avro Lancaster bommenwerper ME840, met Pulfrey als bemanningslid, op van het vliegveld North Killingholme in Lincolnshire, Engeland. De missie was een aanval op fabrieken in Sterkrade, Duitsland, waar onder andere synthetische olie werd geproduceerd voor de Duitse oorlogsindustrie.

    Het vliegtuig, met zeven bemanningsleden aan boord, voltooide zijn bombardement en keerde terug naar Engeland. Op de terugweg werd het echter onderschept en aangevallen door de Duitse nachtjagerpiloot Joseph Nabrich. Een van de brandstoftanks in de vleugel vloog vrijwel onmiddellijk in brand, waardoor het toestel reddeloos verloren was.

    De fatale sprong

    Op bevel van de piloot kreeg de bemanning opdracht het vliegtuig te verlaten. Leslie Pulfrey was de eerste die sprong, in het luchtruim boven Barlo. Maar er ging iets vreselijk mis. Hoewel de exacte oorzaak onduidelijk blijft, werd hij in de vroege ochtend van 17 juni 1944 dood aangetroffen in een weiland door landbouwer Johan van Eerden van de nabijgelegen boerderij Nieuw Kolstee (Smol).

    Mogelijk kwam Leslie tijdens zijn sprong in aanraking met het vliegtuig of opende zijn parachute niet goed. Vanuit de verte was de plek waar hij was neergekomen goed te zien; zijn lichaam was nog verbonden met zijn parachute, die bol stond door de wind. Er zat een grote scheur in de parachute en zijn hoofd was verward geraakt in de koorden. Leslie miste ook één van zijn vliegerlaarzen, die hij blijkbaar na zijn sprong had verloren. Op zijn identificatieplaatje stond zijn naam vermeld.

    De crash

    De brandende Lancaster stortte uiteindelijk neer in een weiland achter boerderij ‘Oude Lieftinck’ aan de Heelweg (tegenwoordig Twenteroute 5). Alle bemanningsleden, op één na, kwamen om het leven. Boordwerktuigkundige Roy Kay werd vlak voor de crash door een explosie uit het vliegtuig geslingerd. Wonder boven wonder bereikte hij als enige overlevende heelhuids de grond. Hij ontkwam aan arrestatie en wist uiteindelijk, met hulp van pilotenhelpers, op 22 september 1944 terug te keren naar Engeland.

    Leslie Pulfrey en zijn omgekomen collega’s werden overgebracht naar Varsseveld, waar ze werden begraven.

    Eerbetoon

    In juni 2014 werd Leslie Pulfrey geëerd met een ceremonie, waarbij een zogenoemde Fly-past plaatsvond. Vier F-16’s vlogen over de omgeving van de Gandvoortweg, en een van de toestellen steeg ter plaatse recht omhoog als eerbetoon. Thea Onnink heeft haar herinneringen aan dit moment vastgelegd in dit verhaal, voorgelezen door Herman Onnink.

    Afbeeldingen

  • Freya-radarstation

    Freya-radarstation

    Overzicht

    Tijdens de Tweede Wereldoorlog bouwden de Duitsers een radarstation aan de rand van het dorp Aalten van het type Freya. De locatie bevond zich ten noorden van de Ringweg, ongeveer halverwege het Tolhuis en de watertoren. Deze radarstelling was onderdeel van een uitgebreid luchtverdedigingssysteem van de Luftwaffe.

    Het radarsysteem, vernoemd naar de Germaanse godin Freya, was aan het eind van de jaren dertig door de Duitsers ontwikkeld. Het kon vijandelijke vliegtuigen tot op een afstand van ongeveer 150 kilometer signaleren.

    De radarinstallatie bevond zich op een terrein met een omtrek van ongeveer 800 meter, omgeven door een stelsel van loopgraven en een prikkeldraadafrastering. Bovendien was er een luchtdoelgeschut aanwezig.

    Er stond een grote radar, bestaande uit een voet van rode baksteen, ongeveer zeven bij zeven meter en drie meter hoog. Daarbovenop stond de antenne, een metalen raamwerk van zes bij zes meter. Het grote vierkante antennescherm kon handmatig in de gewenste richting worden gedraaid.

    Ook stond er een radar van kleinere afmetingen, zonder stenen voet. Daarnaast stonden er op het terrein nog ongeveer tien houten barakken van vier bij zes meter, groen beschilderd, voor de manschappen.

    De directe omgeving van de radarstelling was tot Sperrgebiet verklaard. De Ringweg was van het Tolhuis tot de watertoren verboden voor voetgangers. Op die plaatsen stonden borden met “Militäre Werke“. Auto’s en fietsers mochten wel doorrijden, maar stoppen of afstappen was verboden.

    Afbeeldingen

  • Oudheidkamer

    Oudheidkamer

    Overzicht

    In 1930 opende G.J.J. Degenaar naast zijn drogisterij aan de Landstraat tevens een lunchroom, ingericht als “Oud-Hollandsche taveerne”. Op de verdieping erboven werd het museum van de Oudheidkamer ondergebracht. Op initiatief van Aaltens Belang werd voor de Oudheidkamer in 1935 een eigen museumgebouwtje opgericht aan de Dijkstraat, op een perceel bouwgrond dat bestuurslid Jos Driessen hiervoor beschikbaar stelde, naast diens villa. In 1956 werd de grond verkocht en moest het gebouw worden afgebroken. Het museum verhuisde uiteindelijk naar het Frerikshuus aan de Markt, met de achtergelegen Freriksschure.

    Opening nieuwe Oudheidkamer aan de Dijkstraat

    Aaltensche Courant, 19 april 1935

    Zaterdagmiddag werd het nieuwe gebouw der Oudheidkamer dat aan de Dijkstraat verrees, officieel geopend. Het keurige gebouwtje, met zijn uitgesproken middeleeuwsch geveltje herbergt in zijn bescheiden ruimte een keur van historische en folkloristische voorwerpen, grootendeels uit de naaste omgeving bijeengebracht en geschonken danwel in bruikleen afgestaan.

    In het voorste deel, geheel ingericht en aangekleed als een oude boerenkeuken, hadden zich Zaterdagmiddag verschillende genoodigden verzameld. Hier nam de voorzitter der vereen. „Oudheidkamer Aalten”, de heer Jos. Driessen het woord en heette de aanwezigen hartelijk welkom. Op héél eenvoudige wijze, zegt spr. zonder enige feestelijkheden, wenscht het bestuur der vereeniging Oudheidkamer Aalten haar nieuw Museumgebouwtje vandaag in gebruik te nemen.

    Toen we op 9 Aug. 1930 de in ons bezit zijnde en in bruikleen afgestane voorwerpen, die in de bovenwoning van den Joh. Degenaar aan de Landstraat waren ondergebracht, mochten tentoonstellen, was bij afwezigheid van den Edelachtbaren heer Burgemeester, wethouder Somsen zoo welwillend deze tentoonstelling te openen.

    Ik heet nu alle aanwezigen hartelijk Welkom in het bijzonder heeren burgemeester en wethouders, alsmede de secretaris van onze gemeente. Uit uw aanwezigheid blijkt ook nu weer, dat u met onze vereeniging sympathiseert, waarover we ons ten zeerste verheugen.

    Aan het verlangen onzer leden en obligatiehouders, die blijk gaven met ons streven mede te leven om tot oprichting van een eigen gebouw te geraken is nu voldaan. Het eigen huis is tot stand gekomen, waarin de diverse voorwerpen op een meer overzichtelijke wijze dan tot dusverre kon geschieden, worden tentoongesteld. Het zal u blijken dat we op zeer bescheiden voet onze plannen hebben kunnen verwezenlijken, een grooter gebouw te stichten lieten onze weinige geldmiddelen niet toe, we moesten roeien met de riemen die ons ter beschikking stonden.

    Dames en Heeren, we hebben het oorspronkelijke plan, om het gebouw als één groote zaal tot museum in te richten moeten laten varen, we beschikten over tal van voorwerpen die voorheen in een Geldersche boerenkeuken thuis hoorden, het idee tot inrichting hiervan vond meer en meer ingang en is verwezenlijkt geworden; als u even rondom u ziet zult u bemerken dat we ons in een echte ouderwetsche boerenkeuken bevinden; u vindt hier terug tal van voorwerpen, die eertijds in geen enkele boerenkeuken ontbraken. U ziet hier de ouderwetsche bedstee, het spek en de worst in „De Wieme”, de ouderwetsche klaptafel, en vele andere voorwerpen.

    Ik wil u nog even wijzen op de ouderwetsche vloer, gemaakt van gewone keisteentjes, zooals die in alle oude keukens bestonden en die men hier en daar, al zij het sporadisch ook nu nog aantreft. Deze keisteentjes zijn gevonden in de grintlagen in en om Aalten. De heer Joh. Benning alhier, heeft op een bijzonder artistieke wijze hiervan een mooi geheel gemaakt met de Lindeboom, het wapen van Aalten in het midden.

    Haardplaat

    Haardplaat, Oudheidkamer Aalten
    De haardplaat © Nationaal Onderduikmuseum

    Ook het open vuur, de boezem, de ouderwetsche tegeltjes en zelfs de haardplaat ontbreken niet. De haardplaat is nog van bijzondere, historische beteekenis. Deze bevond zich in Aalten in het oude huis, eertijds branderij der familie Ten Bokkel thans bewoond door den Veldhuis in de Hoekstraat, eigendom der familie Nijenhuis te Siepe in Winterswijk.

    Door ijverige pogingen van den heer Joh. Degenaar, alhier, werd ons deze haardplaat door de onlangs overleden mej. Nijenhuis vermaakt, door medewerking van de familie te Siepe te Winterswijk, kwam deze werkelijk magnifieke plaat tijdens den bouw van ons museum toen reeds in ons bezit, om in deze keuken te worden geplaatst. Links op de plaat staat de naam van Georg Friedrich Graaf von Waldeck die in 1682 door den (Duitschen keizer Leopold I tot Rijksvorst werd verheven. Hij is geboren 31 Jan. 1620 en overleed in 1692. Rechts op de plaat staat de naam van Elisabeth Charlotte, geboren Gravin van Nassau–Siegen, zijn echtgenoote. Deze personen waren verwant met ons Koninklijk huis. De Graaf von Waldeck was een beroemd veldheer en staatsman.

    Ongetwijfeld komt bij U de vraag naar voren: Hoe Is nu deze haardplaat hier in den Achterhoek en wel in Aalten terecht gekomen? Wij hebben wel eens hooren zeggen dat deze Graaf in Delft heeft gewoond. De haardplaat zal op een of andere wijze in Bredevoort zijn verzeild geraakt, hij was in een oud huis aldaar aanwezig; voornoemde ten Bokkel heeft de plaat in Bredevoort gekocht en naar zijn woning laten overbrengen. Wij zullen dit nog eens nader laten onderzoeken en als wij meerdere gegevens zullen hebben, hopen wij hierover u nog eens iets meer te vertellen.

    In de zaal hiernaast vinden wij nog meerdere voorwerpen van historische waarde, o.a. is daar aanwezig de doek, waarmede Freule van Dorth werd geblinddoekt, toen zij wegens hare aanhankelijkheid aan den Prins van Oranje, te Winterswijk werd terechtgesteld. Verder zijn er nog aanwezig 2 prachtige hellebaarden, die bij feestelijke gelegenheden werden gebruikt bij de Poolsch Edelgarde van August de Sterke, Keurvorst van Saksen, Koning van Polen, geboren 1670 te Dresden.

    Ik heb U eenige voorwerpen genoemd opdat U een idee zult krijgen van den vooruitgang van ons museum, sedert de oprichting in 1930. Ik mag niet onvermeld laten, dat nog tal van voorwerpen in ons bezit zijn, die wij wegens gebrek aan ruimte niet hebben kunnen plaatsen, o.a. hadden wij nog gaarne een weefkamer ingericht, zooals men die vroeger ook hier in onze streek veelvuldig aantrof, maar zooals u zult zien is er in ons zaaltje geen plekje meer vrij om nog voorwerpen onder te brengen, er is er zeer zeker gebrek aan ruimte voor een weefkamer, maar zooals reeds aan het begin opgemerkt, de bescheiden middelen lieten het bouwen van een grooter gebouw niet toe, maar wij denken aan het gezegde „Wat klein begonnen is, zal in den loop der jaren kunnen groeien”, hiervoor hebben wij echter veel steun noodig.

    Het heeft ons bestuur aangenaam getroffen, dat bij de huldiging van onzen Burgemeester, wethouder Somsen ook memoreerde de totstandkoming van dit gebouw tijdens diens ambtsperiode, dit vestigt bij ons de hoop en het vaste vertrouwen, dat van de zijde van het geacht bestuur onzer gemeente bij gelegenheid wel eens een steentje zal worden bijgedragen. Ik doe ook een beroep op onze ingezetenen die sympathiseeren met onze vereeniging en hoop dat zij ons verder meer en meer zullen steunen en blijven steunen, opdat ons gebouw spoedig vergroot zal kunnen worden, waaraan inderdaad wel behoefte bestaat. Moge het aantal leden groeien, en ik hoop dat de ingezetenen bij bezoek van vreemdelingen hun opmerkzaam zullen maken op ons museum.

    De entreeprijs is zeer laag gesteld, zoodat dit geen beletsel behoeft te zijn voor een bezoek. Ik ben er van overtuigd, dat zij over het tentoongestelde uitermate tevreden zullen zijn; ontegenzeggelijk is Aalten door dit museum ’n aantrekkelijkheid rijker geworden Tenslotte doe ik nog een beroep op die ingezetenen, die nog in het bezit zijn van een of ander oud voorwerp, ik hoop dat zij dit aan ons willen schenken, of in bruikleen willen afstaan. Een woord van dank moge ik niet onthouden aan mijne medebestuursleden die hunne beste krachten gegeven hebben voor de aankleeding van het gebouw en het rangschikken der voorwerpen en hiermede Dames en Heeren verklaar ik dit Museum voor geopend en noodig ik U beleefd uit tot de bezichtiging.

    Hierna neemt de Burgemeester het woord. Dat is de derde maal zegt spr. dat het gemeentebestuur door deze vereeniging werd uitgenoodigd. Het spijt spr. dat hij de vorige malen niet in de gelegenheid was aan de uitnoodigingen gevolg te geven. Thans is weth. Somsen verhinderd hier te zijn, terwijl ook weth. Brethouwer niet kon komen. Wij, als gemeentebestuur verheugen ons in de totstandkoming van dit gebouw. Het bestuur heeft deze oudheidkundige voorwerpen keurig bijeen gebracht. Voor dergelijke vereenigingen is een krachtig bestuur gewenscht, zal dat zoo zijn dan moet een goed kapitein aan het hoofd staan. Zoo’n kapitein bezit Uw bestuur in haren voorzitter. Hulde voor hetgeen tot stand is gebracht, ook namens ’t gemeentebestuur. Critiek zal niet uitblijven, dat zit in onze landaard. Kunst is echter moeilijk, critiek daarentegen makkelijk. Spr. heeft reeds bij geruchte gehoord, dat alles in orde is. Dit is een eer voor ons nageslacht dat navolging verdient. We hopen, dat het Uw bestuur gegeven mag zijn, nog vele voorwerpen, voor uw vereeniging te verwerven. Mocht onze berooide gemeentekas eens bij machte zijn, zoo zullen we gaarne helpen.

    Het gemeentebestuur heeft gedacht als aandenken aan deze ingebruikneming een klein souvenir te moeten aanbieden. Moge het een plaatsje in uw museum vinden. Spr. biedt een oude, gekleurde plaat in lijst aan, met verschillende oude kleederdrachten uit deze streken. Hierna heeft het gezelschap gelegenheid het gebouw nader te bezichtigen.

    Keitjesvloer

    Zooals we reeds opmerkten betreden we, als de voordeur met zijn ijzeren klopper opengaat, de keuken, geheel in ouden stijl aangekleed. De vloer is gelegd van kleine keisteentjes in verschillende kleuren, een prachtig stukje werk. Achter de groote schouw bevindt zich de bijzonder mooie haardplaat, waarvan de voorz. in zijn openingsrede gewaagde, veel koperwerk en jaren oud aardewerk staat of hangt op de richels; in de bedstede is het bedje gespreid, de kinderstoel, staat naast het open haardvuur met zijn schitterende „haak” waaraan een groote koperen ketel is opgehangen. De oude klok met zijn regelmatig getik—tak— draagt niet weinig bij, tot het scheppen van een recht gezellige huiselijke stemming.

    Natuurlijk is de „glazen kaste”, den „berkenbessem” en de „bloasepipe” niet vergeten, terwijl de „klaptoafele” en de „gedreide stöle” nooden tot een knus gezellig „preutje” waarbij dan zeker de „koffiesmodde” wel te pas zal komen. Openen we de deur tusschen de beide bedsteden, waardoor we verwachtten op de deel terecht te komen, dan bemerken we dat deze veronderstelling verkeerd is. Hier toch is de grootste ruimte geheel gevuld met oudheidkundige voorwerpen waarop de vereeniging in den loop der jaren beslag wist te leggen. Van alles te gewagen zou ons te ver voeren. Volstaan we met de mededeeling dat alles hier een doeltreffende en goede overzichtelijke plaats heeft gekregen, alles voorzien, voor zoover noodig van duidelijke aanwijzingen en beschrijvingen.

    De vereeniging heeft met het openen van dit gebouw een stap verder gedaan in haar ontwikkelingsgang. Een stap, welke naar we hopen en wenschen te zijner tijd door meerdere schreden zal worden gevolgd. Dit zal voor het volijverige bestuur een voldoening zijn en onze plaats aan aantrekkelijkheid doen winnen.

    Oudheidkamer aan de Dijkstraat wordt afgebroken

    Dagblad Tubantia, 29 december 1955

    De in 1934 aan de Dijkstraat gebouwde Oudheidkamer, die een schat van gebruiksvoorwerpen, zwerfstenen, manuscripten en foto’s bevat, en zich in de afgelopen jaren mag verheugen in een voortdurend stijgende belangstelling, zal binnenkort worden afgebroken.

    Het bestuur van de Vereniging Oudheidkamer Aalten, die dit museum beheert, is er nog niet in geslaagd een oplossing te vinden voor de vestiging van de oudheidkamer in de toekomst. Het is uitermate moeilijk in Aalten aan bouwterrein te komen, terwijl bovendien de financiën een belangrijke rol spelen. De vereniging bezat in 1934 geen bouwterrein doch wijlen het bestuurslid de heer Jos Driessen vond een oplossing door een naast zijn villa aan de Dijkstraat gelegen perceel bouwgrond beschikbaar te stellen. Het bestuur accepteerde dit aanbod met graagte.

    Vrij spoedig werd dan ook met de bouw begonnen. Men maakte zich geen zorgen over de gang van zaken ten aanzien van het gebouw in de toekomst. Officiële verkoop van de grond door de heer Jos. Driessen aan de Vereniging Oudheidkamer vond dan ook niet plaats, terwijl evenmin een schenking werd beschreven. Het gebouw kwam hierdoor te staan op grond die aan de fam. Driessen in eigendom toebehoorde.

    Onlangs heeft de heer H. Driessen, die eigenaar van de villa in de Dijkstraat en de daarnaast gelegen grond is geworden, het perceel waarop de Oudheidkamer staat, verkocht aan een eierhandelaar, die daar naast zijn bedrijf heeft en de grond nodig heeft voor uitbreiding. De nieuwe eigenaar heeft nu aan het bestuur van de Vereniging Oudheidkamer doen weten, dat het gebouw zal moeten verdwijnen.

    In de afgelopen weken is de inventaris uit het museum gehaald en voorlopig opgeslagen in de textielfabriek van de N.V. H. Driessen en Zn. aan de Hofstraat. Van de zijde van het bestuur kon men niet meedelen, welke plannen men voor de toekomst heeft. Zonder een belangrijke subsidie zal men niet tot het gebouw van de Oudheidkamer kunnen overgaan.

    Oudheidkamer in impasse

    Dagblad Tubantia, 28 februari 1956

    In de gisteravond in café Schiller gehouden ledenvergadering van de verenging „Oudheidkamer” te Aalten, heeft de voorzitter, de heer C. Driessen, de trieste mededeling gedaan, dat de aan deze vereniging in bruikleen afgestane grond, waarop de oudheidkamer aan de Dijkstraat is gebouwd, is verkocht. Het gebouw moet derhalve worden afgebroken. Het bestuur ziet geen kans op korte termijn een oplossing te vinden voor de huisvesting van de verzamelingen, aangezien slechts f. 3000 in kas is. Uit de discussie bleek, dat er een zeer verwarde toestand is ontstaan.

    Aankoop Luutenshuus?

    Dagblad Tubantia, 1 maart 1956

    De Vereniging Oudheidkamer te Aalten heeft aan het gemeentebestuur van Aalten verzocht de oude woning op de hoek van de Polstraat en de Haartsestraat aan te kopen en te verhuren aan de vereniging voor het onderbrengen van de inventaris van de Oudheidkamer. Het bedoelde pand is een der oudste in de gemeente Aalten. De oude gevel en de houten gebindten verraden dat het huis minstens een paar eeuwen oud is. Slechts enkele van deze panden zijn in het dorp Aalten bewaard gebleven.

    In de bovenbalk van de grote deur aan de straatzijde staat de inscriptie: „God laet ons beërven een eerlick leven en een saligh sterven. Anno 1680 den 11 Juni”. Besluit de gemeenteraad tot aankoop van dit pand, dan zal waarschijnlijk Monumentenzorg een bijdrage verlenen in de kosten van restauratie van het pand. dat uitstekend kan dienen voor huisvesting van de Oudheidkamer.

  • NH Gasthuis (Armenhuis)

    NH Gasthuis (Armenhuis)

    Overzicht

    Het Gasthuis of Armenhuis was een instelling van de hervormde diaconie aan de toenmalige Gasthuisstraat, tegenwoordig Haartsestraat, in Aalten.

    De kadasterkaart uit 1832 toont we de exacte locatie, tegenwoordig ongeveer op de plek van Haartsestraat 14 t/m 18.

    De foto rechtsboven toont de Gasthuisstraat rond 1900. Rechts, voorbij de burgemeesterswoning – het latere postkantoor – zien we nog net een gedeelte van het Gasthuis. Helemaal achteraan zien we ook nog net het Luutenshuus.

    Het Gasthuis telde aan de straatzijde en aan de tuinzijde elk tien vertrekken, elk met een oppervlakte van 17 tot 22 m². Elk vertrek telde twee bedsteden. Men had met een aantal vertrekken samen een privaat (toilet). In de tuin had menigeen dan nog een ‘sikkestal’.

    De bewoners behoorden niet alleen tot de meest arme bevolking, maar ook doorgaans tot de minst ontwikkelden. Om en in het Gasthuis hoorde men dan ook nog al eens scheldpartijen, onderlinge ruzietjes en dergelijke. De bewoners waren vaak mikpunt van pesterijen door de Aaltense jeugd.

    Eén van de bewoners bezorgde voor een cent huis aan huis een kruiwagen fijn wit zand om de stenen vloeren mee te bestrooien. Had hij een paar centen, dan werd er gauw een borrel voor gehaald om vervolgens weer te gaan ‘sparen’ voor de volgende.

    In 1904 werd het Gasthuis afgebroken. De oudjes er op dat moment nog woonden verhuisden naar het Rusthuis aan de Hogestraat.

    Katholiek Gasthuis

    Aalten had vroeger ook nog een katholiek gasthuis. Het Armenpad tussen de Hogestraat en de Stationsstraat, één van de typisch Aaltense Gängeskes, herinnert hier nog aan.

    Huisnummering

    In het bevolkingsregister wordt iedere kamer / huishouden op een aparte gezinskaart vermeld. Onderstaand overzicht bevat voor iedere periode een link naar de eerste gezinskaart in het bevolkingsregister waarvan wij denken dat het bij het armenhuis aan de Haartsestraat hoort. Van daaruit kun je verder bladeren om alle bewoners in de betreffende periode te vinden.

    We willen later nog een meer uitgebreide tabel maken waarin alle bewoners worden vermeld, zodat het – voor bijvoorbeeld genealogen – nog eenvoudiger is om te zien wie er hebben gewoond. Fouten voorbehouden!

    18231838185018601870188018901900
    235263263263290333329395

    Eigenaren

    Overzicht is niet volledig.

    JaarPerceelEigenaarOmschrijving
    1832I-1116
    t/m
    I-1135
    de Hervormde Armen van Aalten20x 17–36 m² huis & erf
    (1905: verkoop & sloop)
    1906I-5192
    I-5191
    I-5190
    Fredrik Driessen e.c., postbode
    Lourens Leuven e.c., schilder
    Gerrit Jan Semmelink, koopman/winkelier
    401 m² tuin
    416 m² tuin
    361 m² tuin
    1923

    1911

    1918
    I-5192

    I-5191

    I-5190
    Wolter Vaags e.c., bakker

    Gerrit Johan Houwers, meubelmaker

    Hendrik Jan Wentink, winkelier
    401 m² huis & erf
    (Haartsestr. 14)
    402 m² huis & erf
    (Haartsestr. 16)
    361 m² tuin
    (naast Haartsestr. 20)

    Afbeeldingen

  • RK Gasthuis (Armenhuis)

    RK Gasthuis (Armenhuis)

    Overzicht

    Het Armenpad, dat de Hogestraat en de Stationsstraat met elkaar verbindt, is één van de typisch Aaltense Gängeskes. De naam herinnert aan het rooms-katholieke gasthuis (armenhuis) dat hier ooit stond.

    Dit armenhuis bestond uit acht kamers van elk 4 bij 4 meter en stond op grond van Dr. Hartman. De bewoners ontvingen steun van de Rooms-Katholieke Kerk, die hen voorzag van kleding en voedsel. Daarnaast hadden ze een klein tuintje, waarin ze bijvoorbeeld een geit konden houden. In 1937 kwam er een einde aan het gasthuis, toen de familie Hartman besloot de bewoners niet langer op hun grond te laten wonen.

    Rond 1912 werden de acht woningen opnieuw ingedeeld tot vier woningen.

    Behalve het katholieke gasthuis had Aalten vroeger ook een hervormd gasthuis aan de huidige Haartsestraat.


    Krantenberichten

    Bewoners

    Onderstaand overzicht bevat van 1860 t/m 1910 per periode en kamer/huishouden een link naar de bijbehorende gezinskaart in het bevolkingsregister. Wat ons opviel: het lijkt erop dat bewoners wel eens van kamer wisselden; de bewoners waren meestal alleenstaande vrouwen (weduwen); en veel hebben als geboorteplaats Bocholt. Ons onderzoek is nog gaande, fouten voorbehouden!

    1860Bewoner(s)1870Bewoner(s)1880Bewoner(s)1890Bewoner(s)1900Bewoner(s)1910Bewoner(s)1934Bewoner(s)
    88M. Kalb,
    A. Huls
    87/1A. Huls97/1A. Bekink,
    J.A.H. Bloemers
    90/1J.A.H. Bloemer,
    J.G. Stritholt,
    B.J.M. Berendsen
    & 5 kinderen
    112/1J.A.H. BloemerA142/1A143a
    87/2A.H. Huitink97/2A.H. Huitink90/2J.A.H. Bloemer112/2E. GeuringA142/2A.J. HubersA143bA.J. Hubers
    88H. Buiel,
    G. Veenhuis
    87/3G. Veenhuis,
    J.A.H. Bloemers
    97/3W. Jansen90/3J. Stöckert,
    J.C. Antink
    112/3J.G. StritholtA142/3M.M. BoekwinkelA143cWed. A.H. Sauer
    89H. Unland87/4H. Unland97/4H. Unland90/4P. Lorijn,
    J.G. Stritholt
    112/4T. HulsA142/4A143dWed. J.G. Albers
    89L. ten Haken87/5L. ten Haken,
    A. Bekink
    97/5Harmina Bennink90/5H. Bennink,
    T. Huls
    112/5Geen vermelding
    (gevonden).
    A142/5
    89J.E. Benning87/6J.E. Benning,
    J.E. Bokkers
    97/6J.A.H. Bloemer90/6C. Bartholomeus,
    E. Geuring
    112/6A.E. Doinck,
    A.J. Hubers
    & W.G. Hubers
    A142/6
    97/7J.E. Bokkers90/7Geen vermelding
    (gevonden).
    112/7Harm Bakker
    87/6A.H.E. Gintherr97/8A.H.E. Gintherr90/8A.E. Doinck112/8Geen vermelding
    (gevonden).

    Eigenaren

    Overzicht is niet volledig.

    JaarPerceelEigenaarOmschrijving
    1860I-2540-2547de Roomsch Cath.
    armen van Aalten
    14 m² huis-erf (8x)
    1883I-2540 (87)
    I-2541 (87a)
    I-2542 (87b)
    I-2543 (87c)
    I-2544 (87d)
    I-2545 (87e)
    I-2546 (87f)
    I-2547 (87g)
    de Roomsch Cath.
    armen van Aalten
    14 m² huis & erf (8x)
    inclusief huisnummers,
    tussen haakjes achter
    perceelnr.)
    1894I-4581de Roomsch Cath.
    armen van Aalten
    1.600 m² armenhuis, schuur & erf
    1913I-4581de Roomsch Cath.
    armen van Aalten
    1.700 m² huis, armenhuis, schuur en erf
    1914I-5615
    I-5616
    de Roomsch Cath.
    armen van Aalten
    40 m² armhuis
    1.660 m² huis, schuur en bouwland

    Afbeeldingen

  • Galgenbulte (Klaeskesbulte)

    Galgenbulte (Klaeskesbulte)

    Overzicht

    De Galgenbulte op de Hollenberg, ook wel bekend als Klaeskesbulte, was vroeger de plek waar de galg stond opgesteld. Hier bliezen ter dood veroordeelde misdadigers, heksen en ander gespuis hun laatste adem uit.

    De executieplaats lag strategisch langs de weg van Aalten naar Bredevoort. De heuvel werd in 1939 afgegraven voor de verbreding van de verkeersweg.

    Veemgericht

    In de middeleeuwen was op de Hollenberg, vlakbij Havezathe ’t Walfort, een veemgericht gevestigd. Het was een speciale rechtbank, waarvan de zittingen in de open lucht plaatsvonden bij een bosje met de naam ‘Sleehegge‘. Vier maal per jaar sprak men hier recht bij opgaande zon. Een in de nabijheid gelegen boerenplaatsje heet Galgenhutte. Naar verluid werden daar, in een klein gebouwtje, de benodigdheden voor de terechtstellingen bewaard. Volgens overlevering mochten ter dood veroordeelden daar hun galgenmaal nuttigen.

    Havezathe 't Walfort, Jan de Beijer,1743
    Havezathe ’t Walfort, Jan de Beijer,1743

    Berend de Dücker

    In 1430 sprak vrijgraaf Berend de Dücker, destijds burgemeester van Bocholt, hier recht. Hij zat het veemgericht 60 jaar lang voor. Deze Berend was berucht om zijn strenge vonnissen. Hij veroordeelde vaak tot ophanging. De veroordeelde werd aan een strop van wilgentenen opgehangen door drie anonieme veemschepenen.

    Een bekend dreigement van ouders voor hun stoute kinderen was dan ook tot in de 20e eeuw: ‘De Düker zal ow halen‘.

    Uit de ‘Bestuursinrichting Heerlijkheid Bredevoort’ blijkt dat de bewoners van Kempink en Goorhuis in de Heurne de veroordeelde crimineel, nadat hem het vonnis was voorgelezen op ’t Zand te Bredevoort, moesten afvoeren naar de Hollenberg. Zij moesten ook zonder uitzondering galg(en), rad, kruis, en andere instrumenten voor de executie daarheen brengen in opdracht van de officier.

    Aan het eind van de zestiende eeuw is het veemgericht op ’t Walfort verdwenen. Het is de enige plek in Nederland waarvan is bewezen dat er zich een veemgericht bevond.

    Klaas Nijman

    Op 3 oktober 1729 werd na een proces in Bredevoort en vonnis op ’t Zand, Klaas Nijman, oud 32 jaren en geboren in het ambt Bocholt, op de Hollenberg geëxecuteerd. Hij was een ‘bedelaar en vagebond’ die was beschuldigd van diefstal met geweld, brandstichting en meer vergrijpen. Hij was al in verschillende plaatsen verbannen, maar keerde steeds weer terug. Als afschrikwekkend voorbeeld voor anderen werd hij op de Hollenberg gewurgd en vervolgens in brand gestoken.

    Harmen Brunsink

    Op 12 februari 1770 werd Harmen Brunsink op de Hollenberg geëxecuteerd. Hij woonde op boerderij de Vosheurne in Lintelo en had daar ‘moeje’ Hendersken Tannemaat vermoord. Harmen kon slecht overweg met deze inwonende tante van zijn vrouw. Tegen de gealarmeerde buren had hij verklaard dat de moeje gevallen was, maar door het aantal en de aard van de verwondingen was dat niet geloofwaardig.

    Harmen werd veroordeeld tot de doodstraf. Hij werd door de beul op een houten kruis gebonden; eerst werden zijn benen en daarna zijn armen aan stukken geslagen. Vervolgens werd hij met een bijl onthoofd. Zijn lichaam werd op een rad geplaatst dat op een paal stond en met ketenen vastgemaakt. Zijn hoofd werd erboven op een staak gezet, om anderen af te schrikken.

    Vonnis Herman Brunsink, 06-02-1770
    Vonnis Harmen Brunsink

    Laatste executie

    In 1938 schreef G.H. Rots:

    “Dat er ook later na het Veemgericht doodvonnissen zijn voltrokken, bewijst dat daar in de nabijheid van ’t Walfort het einde van menig ter dood veroordeelde kwam. Rechts van den weg naar Bredevoort, verborgen onder het struikgewas en boomen, is ’n klein heuveltje. Daar werd de galg opgericht. En als er iemand moest worden terechtgesteld werden van overheidswege een aantal mannen opgeroepen, om een kring te sluiten om de plaats der terechtstelling. De strop mocht eens breken of de veroordeelde mocht zich eens losrukken. Dan was er de kring van mannen die hand aan hand stonden om het ontvluchten te beletten.

    Na een lang tijdperk waarop er geen doodvonnissen meer werden uitgesproken, moet in ’t begin der vorige (=19e, red.) eeuw de laatste galg zijn opgericht. De veroordeelde heette Klaesken, en omstuwd door de kringsluiters, ging het in optocht naar de galg. Het schijnt echter dat men de man een kans heeft willen geven om te vluchten, want toen men aan de Walfortallee kwam, had men tegen hem gezegd: “Dat is de weg naar Pruisen”. De man heeft dien wenk niet begrepen, en op den heuvel heeft hij als laatste der rij veroordeelden zijn leven aan de galg moeten eindigen. Daarom noemt men dat heuveltje nog altijd de Klaeskesbulte.”

    Krantenberichten

  • Latijnse School

    Latijnse School

    Overzicht

    In de achttiende eeuw bevond zich in het vestingstadje Bredevoort een Latijnse School — een onderwijsinstelling waar jongens werden voorbereid op een universitaire of kerkelijke loopbaan.1 Hoewel er geen tastbare resten zijn, bieden enkele archiefvermeldingen een glimp van het bestaan van deze school.

    Een onderwijzer uit Molsberg

    De eerste aanwijzing komt uit de Oprechte Haerlemsche Courant van 1 november 1763, waarin Lotharius Frederik Wurm adverteert dat hij al twee jaar werkzaam is als praeceptor (onderwijzer) in Bredevoort. Zijn aanstelling dateert dus van circa 1761. Hij kondigt aan een kostschool te willen beginnen en biedt lessen aan in Latijn, Hoogduits, Frans, geschiedenis, rede- en dichtkunst en psalmzang.2

    Nog geen maand later verschijnt op 26 november 1763 vrijwel dezelfde advertentie in de Amsterdamsche Courant.3 Een jaar daarna, op 13 september 1764, volgt wederom een soortgelijke advertentie in de Oprechte Haerlemsche Courant.4 Dit toont dat Wurm zich actief en herhaaldelijk presenteerde om leerlingen te werven.

    Op 29 oktober 1765 verschijnt hij opnieuw in de krant, ditmaal als rector der Latijnsche School te Bredevoort, benoemd “van zyner Doorluchtige Hoogheid den Erf-Stadhouder.” In deze functie bood hij onderwijs aan in Latijn, Grieks, geschiedenis, rede- en dichtkunst, met daarnaast privélessen Frans en Hoogduits.5

    Wurm was afkomstig uit Molsberg, in het keurvorstendom Trier (nu Duitsland). Hij trouwde op 9 augustus 1764 met Elisabet Eliveret in Bredevoort.6 Hij overleed vóór september 1774, want toen hertrouwde Elisabet als “weduwe van wijlen Lotharius Fredericus Wurm.” 7

    Een schoolmeester met kerkelijke taken

    Op 26 maart 1773 wordt in het Trouwboek van de Nederduits Gereformeerde Gemeente Bredevoort genoteerd dat Alette Diemont, weduwe van schoolmeester Jan Hendrik Prevenier, het trouwboek overdraagt. De vermelding luidt:

    “Anno den 26 maart 1773 hebbe dit boekjen ontfangen van Juffr. Alette Diemont, wed. v. den Schoolmr dezer stad Jan Hendrik Prevenier.”
    — ondertekend: H. Conradi, senior sijn 8

    Deze notitie bevestigt dat Prevenier schoolmeester was. Dat hij het trouwboek in beheer had, wijst erop dat hij ook verantwoordelijk was voor het bijhouden van kerkelijke administratie — een taak die in kleine steden vaak werd vervuld door de schoolmeester of voorzanger.9

    Daarnaast wordt Prevenier in andere bronnen vermeld als stadsrentmeester, belast met de financiële administratie van Bredevoort.10 Daarmee wordt duidelijk dat hij niet alleen in het onderwijs en de kerk een centrale rol vervulde, maar ook in het stedelijk bestuur. Het is aannemelijk dat hij verbonden was aan de Latijnse School, omdat in kleine steden de functies van schoolmeester en leraar aan de Latijnse School vaak samenkwamen.11 Voor Bredevoort is dit niet expliciet overgeleverd, maar gezien de context ligt een combinatie van functies voor de hand.

    Locatie onbekend

    Waar de Latijnse School van Bredevoort precies heeft gestaan, is niet bekend. Mogelijk was het niet meer dan een vertrek in of bij de kerk, of de woning van de onderwijzer — zoals elders in kleine Gelderse steden gebruikelijk was.12 De aanwezigheid van een dergelijke voorziening in een kleine stad als Bredevoort wijst in elk geval op een relatief hoog niveau van onderwijs en cultuur in de 18e eeuw.13

  • Kasteel Bredevoort

    Kasteel Bredevoort

    Overzicht

    Kasteel Bredevoort, 3D impressie door Paul van Druten

    Kasteel Bredevoort was een burcht in het hart van het gelijknamige stadje en voormalige heerlijkheid Bredevoort in het Graafschap Zutphen van het Hertogdom Gelre. Het behoorde tot de belangrijkste kastelen van Gelderland. In de 13e en 14e eeuw speelde kasteel Bredevoort een belangrijke rol in de strijd tussen Gelre en Munsterland.

    Het kasteel werd in 1188 voor het eerst genoemd op een lijst van goederen van het bisdom Keulen als “Castrum Breidervort“. Het kasteel is in die tijd een omstreden plek. Het heeft dan ook meerdere eigenaren, waardoor een eeuwenlange strijd volgt om het kasteel. In 1238 komt het kasteel als gemeenschappelijke erfenis in handen van Ludolf van Steinfurt en Herman van Lohn. Het kasteel zal versterkt worden waarbij ze gezamenlijk de kosten dragen. In 1278 wordt de burcht tijdens een wraakactie verwoest door Graaf Everhard I van der Mark. Daarna bleef het kasteel 23 jaar als ruïne bestaan. In een verkoopacte uit 1284 wordt gesproken van “area castri Bredevort”.

    Na een jarenlange strijd om Bredevoort tussen Münster en Gelre komt het kasteel uiteindelijk in 1301 opnieuw in handen van graaf Herman van Loon II. In dat jaar verplichten de bisschoppen van Münster en Keulen zich om Herman van Lohn te helpen bij het herstel van de burcht. In de roerige tijden daarna gaat de burcht regelmatig over in Münsterse of Gelderse handen via strijd of door verkoop. De bisschoppen van Münster en Keulen moesten gezamenlijk de wederopbouw van kasteel Bredevoort betalen.

    Na eeuwen van strijd om het kasteel gaf de bisschop van Münster de strijd op, en wilde vredesonderhandelingen. Na jarenlang onderhandelen werd uiteindelijk op 28 juni 1326 de vrede getekend met het Verdrag van Wesel. Dit belangrijke verdrag werd ook ondertekend door de steden Zutphen, Groenlo, Emmerik en Arnhem. Hierdoor kwam Reinoud II van Gelre in pandbezit van de gerechten in Winterswijk, Aalten en Dinxperlo en het graafschap Bredevoort. Hierdoor komt het gebied definitief bij Gelderland.

    Uiterlijk aanzien

    Er is niet veel bekend over hoe kasteel Bredevoort er precies heeft uitgezien. Er bestaan wel tekeningen van het kasteel, maar deze zijn deels gebaseerd op aannames en fantasie.

    Het kasteel was gebouwd op een zandrug van ca. 42 x 26 meter groot en daarmee één van de grotere kastelen van Nederland. Op oude kaarten blijkt de hoofdburcht een typische concentrische burcht te zijn, voorzien van dubbele grachten met daarin een dikke ringmuur. Een voorburcht met zware hoektorens, een rechthoekig burchtmuur voorzien met vier hoektorens waarvan drie torens verlaagd werden tot rondelen.

    Kasteel en stad waren gescheiden door een dubbele gracht. Via een brug had men vanuit de stad toegang tot het kasteel. Met moest daarvoor twee poorten passeren, waarvan de tweede poort voorzien was van een barbacane, ten slotte nog een poortgebouw in de ringmuur voordat men op de binnenhof was. Binnen de burcht stonden verschillende gebouwen rondom een ruime binnenhof. Deze afbeeldingen wijzigden in de loop der tijden, en het uiterlijk en aanzien zal door de eeuwen heen vaak gewijzigd zijn geweest door strijd, oorlog, een stadsbrand, en andere oorzaken.

    Verwoest

    Het kasteel raakte zwaar beschadigd door de Kruittorenramp in 1646. Daarna domineerde het kasteel als ruïne ruim 150 jaar het stadsbeeld tot omstreeks het einde van de 18e eeuw. Uit 1791 is de laatst bekende melding van een zichtbare ruïne, overgeleverd in Bredevoortse kerkeraadsnotulen toen Willem V de restanten bezichtigde tijdens zijn bezoek aan Bredevoort. Het hoofdgebouw (zonder voorburcht, rondelen en ringmuur) had een omvang van ongeveer 42 x 36 meter. Daarmee was het één van de grotere kastelen van Nederland.

    Plattegrond

    In 1562 liet de pandheer van Bredevoort, Diederik van Bronckhorst-Batenburg, heer van Anholt, een plattegrond maken van het kasteel te Bredevoort. Op deze plattegrond werden ook de functies en bouwkundige staat van de verschillende onderdelen beschreven. De maten werden genoteerd in Rijnlandse voeten. Een Rijnlandse voet is ruim 31 cm lang. Het kasteel was een rechthoek die 42 m lang en 36 m breed was. De muren waren ongeveer 65 cm dik. Om het kasteel liep een wal van zand. Op de hoeken waren rondelen. De wal was ongeveer 2 m breed.

    Verklaringen van de beschrijvingen op de plattegrond (vertaald uit oud schrift):

    1. Dit gewelf zal instorten, als het niet snel gerepareerd wordt.
    2. Hier is de trap om naar de ridderzaal te gaan.
    3. Deze muur is bouwvallig. De staande balken zijn onderaan verrot. Dit is een grote zaal: 47 voet lang en 23 voet breed, van binnen gemeten. Eronder is een kelder. De vloer bestaat uit balken en planken en is met estrikken (vloertegels) dichtgelegd. Boven de zaal is maar één zolder.
    4. Dit is een trap om in de grote zaal te komen.
    5. Dit is de keuken, 21 voet lang en 23 voet breed. Eronder is een kelder die net zo groot is als de kelder onder de grote zaal.
    6. Deze schuur is door drost Isendoorn gemaakt. De muren zijn tussen balken gemetseld.
    7. Dit is de wal die rondom het kasteel loopt.
    8. Dit is een erg vervallen schuurtje, net een varkenshok.
    9. De gevangentoren. Hij is 38 voet in het vierkant (van buiten gemeten). De muren zijn 8½ voet dik. [Deze toren is later waarschijnlijk als kruittoren in gebruik geweest, red.]
    10. Hier zijn twee rondelen.
    11. De kamer van de drost (Maarschalcksekamer) boven de poort. [De naam ‘Maarschalckse kamer’ stamt uit de periode 1534-1555 toen maarschalk Maarten van Rossum drost van Bredevoort was, red.]
    12. Dit is de kapel.
    13. Van hieruit stookt men de haard van de ridderzaal.
    14. Dit is de ridderzaal. Het vertrek is 36 voet lang en 19 voet breed. Hieronder bevinden zich de kamers van de burggraaf (slotvoogd) en van de rentmeester. Ook de ingang van de poort ligt hieronder.
    15. Deze muur is goed, voorzover hij boven de wal te zien is.
    16. Deze muur is gemetseld tussen houten balken en heeft een dikte van een halve steen. [De gebruikte stenen waren kloostermoppen van ca. 14 cm breedte, red.]
    17. Een vervallen wenteltrap.
    18. Nog een kamer. Hieronder is een wasruimte. Omdat de wal tegen de wasruimte ligt, is de muur verrot. De stenen zitten los.
    19. Deze muur is grotendeels tussen houten balken opgemetseld en is erg bouwwalling.
    20. Hierin staan de graanmolen en de bakovens. Boven is de kamer van de knecht, met twee zolders en een schoorsteen.
    21. Hier slaapt de drost. Het vertrek is 28 voet lang en 23 voet breed. Daaronder is een vleeskelder.
    22. Deze kamer is in tweeën gedeeld. De vloer is van hout. Ook hieronder ligt de vleeskelder.
    23. Deze kamer boven wordt de salon (pronkkamer, wapenkamer) genoemd. Eronder is de harnaskamer.
    24. Hier raakt de wal de muur, zodat de muur vocht doorlaat en gebreken vertoont. De muur is heel dik en als men het water zou kunnen tegenhouden, zal dat wel enige verbetering geven.
    25. Deze twee kamers en ook de korenzolder liggen boven het bakhuis en brouwhuis.
    26. Deze tekening is in Arnhem gemaakt, nadat alles zo goed mogelijk gemeten is. De tekening klopt aardig. Maar soms is het in het echt iets groter dan hier getekend staat, bijvoorbeeld de kapel, de wenteltrap op de binnenplaats en de gevangentoren.

    Restanten

    Tegenwoordig liggen de restanten van het kasteel in de vorm van fundamenten, gewelven, tunnels en puin van dit kasteel onder en rondom plein ’t Zand en de Hozenstraat in het hart van de stad. In het voorjaar van 2009 werd tijdens archeologisch onderzoek rondom de voormalige school op ’t Zand een deel van de fundamenten blootgelegd. Er zijn muurresten aangetroffen van 2,5 tot 4 meter dik. Op plein ’t Zand zijn fundamenten gevonden van de barbacane. De contouren van dit poortgebouw zijn met messing gekleurde banden in de bestrating zichtbaar gemaakt.

    Afbeeldingen