Archieven: Adressen

  • Galgenbulte (Klaeskesbulte)

    Galgenbulte (Klaeskesbulte)

    De Galgenbulte op de Hollenberg, ook wel bekend als Klaeskesbulte, was vroeger de plek waar de galg stond opgesteld. Hier bliezen ter dood veroordeelde misdadigers, heksen en ander gespuis hun laatste adem uit.

    De executieplaats lag strategisch langs de weg van Aalten naar Bredevoort. De heuvel werd in 1939 afgegraven voor de verbreding van de verkeersweg.

    Locatie bij benadering

    Veemgericht

    In de middeleeuwen was op de Hollenberg, vlakbij Havezathe ’t Walfort, een veemgericht gevestigd. Het was een speciale rechtbank, waarvan de zittingen in de open lucht plaatsvonden bij een bosje met de naam ‘Sleehegge‘. Vier maal per jaar sprak men hier recht bij opgaande zon. Een in de nabijheid gelegen boerenplaatsje heet Galgenhutte. Naar verluid werden daar, in een klein gebouwtje, de benodigdheden voor de terechtstellingen bewaard. Volgens overlevering mochten ter dood veroordeelden daar hun galgenmaal nuttigen.

    Havezathe 't Walfort, Jan de Beijer,1743
    Havezathe ’t Walfort, Jan de Beijer,1743

    Berend de Dücker

    In 1430 sprak vrijgraaf Berend de Dücker, destijds burgemeester van Bocholt, hier recht. Hij zat het veemgericht 60 jaar lang voor. Deze Berend was berucht om zijn strenge vonnissen. Hij veroordeelde vaak tot ophanging. De veroordeelde werd aan een strop van wilgentenen opgehangen door drie anonieme veemschepenen.

    Een bekend dreigement van ouders voor hun stoute kinderen was dan ook tot in de 20e eeuw: ‘De Düker zal ow halen‘.

    Uit de ‘Bestuursinrichting Heerlijkheid Bredevoort’ blijkt dat de bewoners van Kempink en Goorhuis in de Heurne de veroordeelde crimineel, nadat hem het vonnis was voorgelezen op ’t Zand te Bredevoort, moesten afvoeren naar de Hollenberg. Zij moesten ook zonder uitzondering galg(en), rad, kruis, en andere instrumenten voor de executie daarheen brengen in opdracht van de officier.

    Aan het eind van de zestiende eeuw is het veemgericht op ’t Walfort verdwenen. Het is de enige plek in Nederland waarvan is bewezen dat er zich een veemgericht bevond.

    Klaas Nijman

    Op 3 oktober 1729 werd na een proces in Bredevoort en vonnis op ‘t Zand, Klaas Nijman, oud 32 jaren en geboren in het ambt Bocholt, op de Hollenberg geëxecuteerd. Hij was een ‘bedelaar en vagebond’ die was beschuldigd van diefstal met geweld, brandstichting en meer vergrijpen. Hij was al in verschillende plaatsen verbannen, maar keerde steeds weer terug. Als afschrikwekkend voorbeeld voor anderen werd hij op de Hollenberg gewurgd en vervolgens in brand gestoken.

    Harmen Brunsink

    Op 12 februari 1770 werd Harmen Brunsink op de Hollenberg geëxecuteerd. Hij woonde op boerderij de Vosheurne in Lintelo en had daar ‘moeje’ Hendersken Tannemaat vermoord. Harmen kon slecht overweg met deze inwonende tante van zijn vrouw. Tegen de gealarmeerde buren had hij verklaard dat de moeje gevallen was, maar door het aantal en de aard van de verwondingen was dat niet geloofwaardig.

    Harmen werd veroordeeld tot de doodstraf. Hij werd door de beul op een houten kruis gebonden; eerst werden zijn benen en daarna zijn armen aan stukken geslagen. Vervolgens werd hij met een bijl onthoofd. Zijn lichaam werd op een rad geplaatst dat op een paal stond en met ketenen vastgemaakt. Zijn hoofd werd erboven op een staak gezet, om anderen af te schrikken.

    Vonnis Herman Brunsink, 06-02-1770
    Vonnis Harmen Brunsink

    Laatste executie

    In 1938 schreef G.H. Rots:

    “Dat er ook later na het Veemgericht doodvonnissen zijn voltrokken, bewijst dat daar in de nabijheid van ’t Walfort het einde van menig ter dood veroordeelde kwam. Rechts van den weg naar Bredevoort, verborgen onder het struikgewas en boomen, is ’n klein heuveltje. Daar werd de galg opgericht. En als er iemand moest worden terechtgesteld werden van overheidswege een aantal mannen opgeroepen, om een kring te sluiten om de plaats der terechtstelling. De strop mocht eens breken of de veroordeelde mocht zich eens losrukken. Dan was er de kring van mannen die hand aan hand stonden om het ontvluchten te beletten.

    Na een lang tijdperk waarop er geen doodvonnissen meer werden uitgesproken, moet in ’t begin der vorige (=19e, red.) eeuw de laatste galg zijn opgericht. De veroordeelde heette Klaesken, en omstuwd door de kringsluiters, ging het in optocht naar de galg. Het schijnt echter dat men de man een kans heeft willen geven om te vluchten, want toen men aan de Walfortallee kwam, had men tegen hem gezegd: “Dat is de weg naar Pruisen”. De man heeft dien wenk niet begrepen, en op den heuvel heeft hij als laatste der rij veroordeelden zijn leven aan de galg moeten eindigen. Daarom noemt men dat heuveltje nog altijd de Klaeskesbulte.”

    Overige vermeldingen

    Bronnen


  • Latijnse School

    Latijnse School

    Overzicht

    In de achttiende eeuw bevond zich in het vestingstadje Bredevoort een Latijnse School — een onderwijsinstelling waar jongens werden voorbereid op een universitaire of kerkelijke loopbaan.1 Hoewel er geen tastbare resten zijn, bieden enkele archiefvermeldingen een glimp van het bestaan van deze school.

    Een onderwijzer uit Molsberg

    De eerste aanwijzing komt uit de Oprechte Haerlemsche Courant van 1 november 1763, waarin Lotharius Frederik Wurm adverteert dat hij al twee jaar werkzaam is als praeceptor (onderwijzer) in Bredevoort. Zijn aanstelling dateert dus van circa 1761. Hij kondigt aan een kostschool te willen beginnen en biedt lessen aan in Latijn, Hoogduits, Frans, geschiedenis, rede- en dichtkunst en psalmzang.2

    Nog geen maand later verschijnt op 26 november 1763 vrijwel dezelfde advertentie in de Amsterdamsche Courant.3 Een jaar daarna, op 13 september 1764, volgt wederom een soortgelijke advertentie in de Oprechte Haerlemsche Courant.4 Dit toont dat Wurm zich actief en herhaaldelijk presenteerde om leerlingen te werven.

    Op 29 oktober 1765 verschijnt hij opnieuw in de krant, ditmaal als rector der Latijnsche School te Bredevoort, benoemd “van zyner Doorluchtige Hoogheid den Erf-Stadhouder.” In deze functie bood hij onderwijs aan in Latijn, Grieks, geschiedenis, rede- en dichtkunst, met daarnaast privélessen Frans en Hoogduits.5

    Wurm was afkomstig uit Molsberg, in het keurvorstendom Trier (nu Duitsland). Hij trouwde op 9 augustus 1764 met Elisabet Eliveret in Bredevoort.6 Hij overleed vóór september 1774, want toen hertrouwde Elisabet als “weduwe van wijlen Lotharius Fredericus Wurm.” 7

    Een schoolmeester met kerkelijke taken

    Op 26 maart 1773 wordt in het Trouwboek van de Nederduits Gereformeerde Gemeente Bredevoort genoteerd dat Alette Diemont, weduwe van schoolmeester Jan Hendrik Prevenier, het trouwboek overdraagt. De vermelding luidt:

    “Anno den 26 maart 1773 hebbe dit boekjen ontfangen van Juffr. Alette Diemont, wed. v. den Schoolmr dezer stad Jan Hendrik Prevenier.”
    — ondertekend: H. Conradi, senior sijn 8

    Deze notitie bevestigt dat Prevenier schoolmeester was. Dat hij het trouwboek in beheer had, wijst erop dat hij ook verantwoordelijk was voor het bijhouden van kerkelijke administratie — een taak die in kleine steden vaak werd vervuld door de schoolmeester of voorzanger.9

    Daarnaast wordt Prevenier in andere bronnen vermeld als stadsrentmeester, belast met de financiële administratie van Bredevoort.10 Daarmee wordt duidelijk dat hij niet alleen in het onderwijs en de kerk een centrale rol vervulde, maar ook in het stedelijk bestuur. Het is aannemelijk dat hij verbonden was aan de Latijnse School, omdat in kleine steden de functies van schoolmeester en leraar aan de Latijnse School vaak samenkwamen.11 Voor Bredevoort is dit niet expliciet overgeleverd, maar gezien de context ligt een combinatie van functies voor de hand.

    Locatie onbekend

    Waar de Latijnse School van Bredevoort precies heeft gestaan, is niet bekend. Mogelijk was het niet meer dan een vertrek in of bij de kerk, of de woning van de onderwijzer — zoals elders in kleine Gelderse steden gebruikelijk was.12 De aanwezigheid van een dergelijke voorziening in een kleine stad als Bredevoort wijst in elk geval op een relatief hoog niveau van onderwijs en cultuur in de 18e eeuw.13

  • Kasteel Bredevoort

    Kasteel Bredevoort

    Kasteel Bredevoort, 3D impressie door Paul van Druten

    Kasteel Bredevoort was een burcht in het hart van het gelijknamige stadje en voormalige heerlijkheid Bredevoort in het Graafschap Zutphen van het Hertogdom Gelre. Het behoorde tot de belangrijkste kastelen van Gelderland. In de 13e en 14e eeuw speelde kasteel Bredevoort een belangrijke rol in de strijd tussen Gelre en Munsterland.

    Het kasteel werd in 1188 voor het eerst genoemd op een lijst van goederen van het bisdom Keulen als “Castrum Breidervort“. Het kasteel is in die tijd een omstreden plek. Het heeft dan ook meerdere eigenaren, waardoor een eeuwenlange strijd volgt om het kasteel. In 1238 komt het kasteel als gemeenschappelijke erfenis in handen van Ludolf van Steinfurt en Herman van Lohn. Het kasteel zal versterkt worden waarbij ze gezamenlijk de kosten dragen. In 1278 wordt de burcht tijdens een wraakactie verwoest door Graaf Everhard I van der Mark. Daarna bleef het kasteel 23 jaar als ruïne bestaan. In een verkoopacte uit 1284 wordt gesproken van “area castri Bredevort”.

    Na een jarenlange strijd om Bredevoort tussen Münster en Gelre komt het kasteel uiteindelijk in 1301 opnieuw in handen van graaf Herman van Loon II. In dat jaar verplichten de bisschoppen van Münster en Keulen zich om Herman van Lohn te helpen bij het herstel van de burcht. In de roerige tijden daarna gaat de burcht regelmatig over in Münsterse of Gelderse handen via strijd of door verkoop. De bisschoppen van Münster en Keulen moesten gezamenlijk de wederopbouw van kasteel Bredevoort betalen.

    Na eeuwen van strijd om het kasteel gaf de bisschop van Münster de strijd op, en wilde vredesonderhandelingen. Na jarenlang onderhandelen werd uiteindelijk op 28 juni 1326 de vrede getekend met het Verdrag van Wesel. Dit belangrijke verdrag werd ook ondertekend door de steden Zutphen, Groenlo, Emmerik en Arnhem. Hierdoor kwam Reinoud II van Gelre in pandbezit van de gerechten in Winterswijk, Aalten en Dinxperlo en het graafschap Bredevoort. Hierdoor komt het gebied definitief bij Gelderland.

    Plattegrond

    In 1562 liet de pandheer van Bredevoort, Diederik van Bronckhorst-Batenburg, heer van Anholt, een plattegrond maken van het kasteel te Bredevoort. Op deze plattegrond werden ook de functies en bouwkundige staat van de verschillende onderdelen beschreven. De maten werden genoteerd in Rijnlandse voeten. Een Rijnlandse voet is ruim 31 cm lang. Het kasteel was een rechthoek die 42 m lang en 36 m breed was. De muren waren ongeveer 65 cm dik. Om het kasteel liep een wal van zand. Op de hoeken waren rondelen. De wal was ongeveer 2 m breed.

    Verklaringen van de beschrijvingen op de plattegrond (vertaald uit oud schrift):

    1. Dit gewelf zal instorten, als het niet snel gerepareerd wordt.
    2. Hier is de trap om naar de ridderzaal te gaan.
    3. Deze muur is bouwvallig. De staande balken zijn onderaan verrot. Dit is een grote zaal: 47 voet lang en 23 voet breed, van binnen gemeten. Eronder is een kelder. De vloer bestaat uit balken en planken en is met estrikken (vloertegels) dichtgelegd. Boven de zaal is maar één zolder.
    4. Dit is een trap om in de grote zaal te komen.
    5. Dit is de keuken, 21 voet lang en 23 voet breed. Eronder is een kelder die net zo groot is als de kelder onder de grote zaal.
    6. Deze schuur is door drost Isendoorn gemaakt. De muren zijn tussen balken gemetseld.
    7. Dit is de wal die rondom het kasteel loopt.
    8. Dit is een erg vervallen schuurtje, net een varkenshok.
    9. De gevangentoren. Hij is 38 voet in het vierkant (van buiten gemeten). De muren zijn 8½ voet dik. [Deze toren is later waarschijnlijk als kruittoren in gebruik geweest, red.]
    10. Hier zijn twee rondelen.
    11. De kamer van de drost (Maarschalcksekamer) boven de poort. [De naam ‘Maarschalckse kamer’ stamt uit de periode 1534-1555 toen maarschalk Maarten van Rossum drost van Bredevoort was, red.]
    12. Dit is de kapel.
    13. Van hieruit stookt men de haard van de ridderzaal.
    14. Dit is de ridderzaal. Het vertrek is 36 voet lang en 19 voet breed. Hieronder bevinden zich de kamers van de burggraaf (slotvoogd) en van de rentmeester. Ook de ingang van de poort ligt hieronder.
    15. Deze muur is goed, voorzover hij boven de wal te zien is.
    16. Deze muur is gemetseld tussen houten balken en heeft een dikte van een halve steen. [De gebruikte stenen waren kloostermoppen van ca. 14 cm breedte, red.]
    17. Een vervallen wenteltrap.
    18. Nog een kamer. Hieronder is een wasruimte. Omdat de wal tegen de wasruimte ligt, is de muur verrot. De stenen zitten los.
    19. Deze muur is grotendeels tussen houten balken opgemetseld en is erg bouwwalling.
    20. Hierin staan de graanmolen en de bakovens. Boven is de kamer van de knecht, met twee zolders en een schoorsteen.
    21. Hier slaapt de drost. Het vertrek is 28 voet lang en 23 voet breed. Daaronder is een vleeskelder.
    22. Deze kamer is in tweeën gedeeld. De vloer is van hout. Ook hieronder ligt de vleeskelder.
    23. Deze kamer boven wordt de salon (pronkkamer, wapenkamer) genoemd. Eronder is de harnaskamer.
    24. Hier raakt de wal de muur, zodat de muur vocht doorlaat en gebreken vertoont. De muur is heel dik en als men het water zou kunnen tegenhouden, zal dat wel enige verbetering geven.
    25. Deze twee kamers en ook de korenzolder liggen boven het bakhuis en brouwhuis.
    26. Deze tekening is in Arnhem gemaakt, nadat alles zo goed mogelijk gemeten is. De tekening klopt aardig. Maar soms is het in het echt iets groter dan hier getekend staat, bijvoorbeeld de kapel, de wenteltrap op de binnenplaats en de gevangentoren.

    Uiterlijk aanzien

    Er is niet veel bekend over hoe kasteel Bredevoort er precies heeft uitgezien. Er bestaan wel tekeningen van het kasteel, maar deze zijn deels gebaseerd op aannames en fantasie.

    Het kasteel was gebouwd op een zandrug van ca. 42 x 26 meter groot en daarmee één van de grotere kastelen van Nederland. Op oude kaarten blijkt de hoofdburcht een typische concentrische burcht te zijn, voorzien van dubbele grachten met daarin een dikke ringmuur. Een voorburcht met zware hoektorens, een rechthoekig burchtmuur voorzien met vier hoektorens waarvan drie torens verlaagd werden tot rondelen.

    Kasteel en stad waren gescheiden door een dubbele gracht. Via een brug had men vanuit de stad toegang tot het kasteel. Met moest daarvoor twee poorten passeren, waarvan de tweede poort voorzien was van een barbacane, ten slotte nog een poortgebouw in de ringmuur voordat men op de binnenhof was. Binnen de burcht stonden verschillende gebouwen rondom een ruime binnenhof. Deze afbeeldingen wijzigden in de loop der tijden, en het uiterlijk en aanzien zal door de eeuwen heen vaak gewijzigd zijn geweest door strijd, oorlog, een stadsbrand, en andere oorzaken.

    Verwoest

    Het kasteel raakte zwaar beschadigd door de Kruittorenramp in 1646. Daarna domineerde het kasteel als ruïne ruim 150 jaar het stadsbeeld tot omstreeks het einde van de 18e eeuw. Uit 1791 is de laatst bekende melding van een zichtbare ruïne, overgeleverd in Bredevoortse kerkeraadsnotulen toen Willem V de restanten bezichtigde tijdens zijn bezoek aan Bredevoort. Het hoofdgebouw (zonder voorburcht, rondelen en ringmuur) had een omvang van ongeveer 42 x 36 meter. Daarmee was het één van de grotere kastelen van Nederland.

    Restanten

    Tegenwoordig liggen de restanten van het kasteel in de vorm van fundamenten, gewelven, tunnels en puin van dit kasteel onder en rondom plein ’t Zand en de Hozenstraat in het hart van de stad. In het voorjaar van 2009 werd tijdens archeologisch onderzoek rondom de voormalige school op ’t Zand een deel van de fundamenten blootgelegd. Er zijn muurresten aangetroffen van 2,5 tot 4 meter dik. Op plein ’t Zand zijn fundamenten gevonden van de barbacane. De contouren van dit poortgebouw zijn met messing gekleurde banden in de bestrating zichtbaar gemaakt.

    Bronnen