Tag: Aalten Achteruit

  • De Kerkelijke toestand te Aalten

    De Kerkelijke toestand te Aalten

    De Graafschapbode, 19 maart 1887

    Zoo nu en dan deelen de couranten enkele brokstukken mede over uittreden van Gangel met zijn kerkeraad, van schorsing, afzetting, ’t gesloten houden der kerkdeuren, oproer, soldaten, huzaren enz. enz. en met dat alles blijft de zaak den slakkengang gaan. Wanneer zal hierin verandering komen? De een zegt, ’t blijft zoo, een ander, de kerk kan nog wel 6 weken gesloten blijven, een derde spreekt van transigeeren, maar met dat al: men vordert niet. Wat is hier aan te doen?

    Een duidelijke uiteenzetting der zaken, een krachtig handelen, ja zich in ’t bezit stellen van de kerk. Alles goed en wel, maar wijs ons den weg, om daartoe te geraken. Welnu, wij willen trachten u door dit schrijven daartoe op ’t spoor te leiden, en den weg aanwijzen dien de gemeente heeft in te slaan.

    De heer Gangel, gewezen predikant van de Ned. Herv. Gemeente te Aalten, heeft zich met zijn kerkeraad afgescheiden, m.a.w. het Synodale juk, zooals ZEd. dat gelieft te noemen, afgeschud. Vóóraf heeft een deel der kerkeraad nl. 3 personen, welke tevens als kerkvoogden fungeerden, bedankt als lid van den kerkeraad, doch de betrekking van kerkvoogd aan zich gehouden, totdat het klassikaal bestuur, doende wat des kerkeraads is, genoemde heeren in hun lidmaatschap als leden der Ned. Herv. Kerk te Aalten geschorst, en later afgezet heeft.

    Nu spreekt het van zelf, dat, wanneer iemand afgezet is als lid v. d. kerk, er geen sprake meer kan zijn van het beheer over de kerk enz. te mogen noch te kunnen behouden. Immers kerkvoogden zijn geen eigenaars van de kerk en deszelfs goederen, slechts door de notabelen gekozen als beheerders; zie: Algem. Regl., op het beheer der kerkelijke goederen en fondsen van de Hervormde gemeenten in Nederland en het toezicht daar op: 1 Oct. 1870.

    Deze kerkvoogden verhinderen thans de bediening aan wettige predikanten, die voor de gemeente moeten optreden, onthouden daardoor de gaven aan de armen en verhinderen feitelijk, de gaven te innen ter instandhouding van den Openb. godsdienst.

    Reeds twee Zondagen is de gemeente voor de gesloten kerkdeur gekomen, en tweemaal zijn wettige predikanten verhinderd hun dienstwerk te verrichten. Wij bewonderen in dezen de kalmte der gemeente, doch staan er niet voor in, dat zulks langer zoo zal blijven. De partijen komen met den dag scherper en vijandiger tegen elkander over te staan, ’t verwekt twist tusschen leden van hetzelfde huisgezin, en van verbroedering is geen sprake meer.

    Wie zijn daar van de oorzaak? Niemand anders dan deze kerkvoogden en de doleerende kerkeraad met hun aanvoerder, Gangel.

    Maar heeft de gemeente dan geen rechten? Wel zeker. Bij de leden van de gemeente berust het recht, en wel op de volgende wijze: De wettige stemgerechtigde leden stemmen de notabelen, notabelen stemmen kerkvoogden en deze nemen het beheer op zich. Waar nu de kerkvoogden uit eigen beweging hebben bedankt of ontslagen zijn of uit hun ambt zijn ontzet, moet onverwijld worden overgegaan tot het stemmen van nieuwe kerkvoogden.

    In het geval te Aalten, zal de gemeente de lijst der notabelen eerst moeten aanvullen of geheel vernieuwen en deze nieuwe notabelen benoemen h. h. kerkvoogden. Deze nieuwe kerkvoogden nemen het beheer over van het oude, en de zaken zijn in ’t reine. Bij verzet tegen deze wettige orde kan men zich wenden tot het klassikaal bestuur en verder tot het provinciaal best.

    Baat dit alles niet, zooals ’t te Aalten schijnt het geval te zijn, en houden de afgezette kerkvoogden de deuren van het gemeentegoed gesloten, dan treden eenvoudig de leden als rechthebbenden op, en maken zich meester van de kerk. Wij willen hiermede niet zeggen, de kerk met geweld te veroveren want van verovering is geen sprake, als men rechtmatig eigenaar is, maar men roepe dan de rechterlijke (burgerlijke) macht in. Een kerk mag op de gewone Godsdienstdagen niet voor ’t volk gesloten blijven zoolang er kerkgangers en wettige predikanten zijn om optegaan. Zie verder hierover de kerk Regl. 1870 1 October.

    Bronnen


    • De Graafschapbode, 19 maart 1887 (Delpher)
  • De Aaltense Lindeboom in Delfshaven

    De Aaltense Lindeboom in Delfshaven

    Havenstraat 172, Rotterdam-Delfshaven

    Aan de Havenstraat in Rotterdam-Delfshaven staat een huis uit 1886 met boven in de gevel het wapen van Aalten, de Lindeboom (klik hier voor Google Streetview).

    Het is ons vooralsnog onbekend wat de relatie is tussen de opdrachtgever, Fred(e)rik van Aalten (Woudenberg, 1820 – Rotterdam, 1904), en de gemeente Aalten. De naam doet uiteraard vermoeden dat er een historische relatie bestaat, al gaat deze wellicht wel heel ver terug. Mogelijk heeft Frederik deze band tot uitdrukking willen brengen, zonder zelf te weten hoe de relatie precies in elkaar stak. Meer informatie is welkom!

  • Rechtspraak in Aalten (1810-1877)

    Rechtspraak in Aalten (1810-1877)

    Tijdens de Franse overheersing van ons land (1795-1813) vond er een belangrijke verandering plaats in de bestaande rechtsorde. Nadat Nederland in 1810 door Napoleon Bonaparte bij Frankrijk werd ingelijfd, werd ook hier de Franse wetgeving ingevoerd.

    Vredegerecht

    Bij Keizerlijk Decreet van 9 juli 1810 werd Nederland verdeeld in departementen, arrondissementen, kantons en gemeenten. In elke hoofdplaats van een kanton werd een vredegerecht gevestigd, ook in Aalten. Het kanton Aalten bestond uit de gemeenten Aalten en Dinxperlo.

    De taak van de vrederechter was het vredevol oplossen van een conflict voordat het voor de ‘echte’ rechter werd gebracht om zo een hoop kosten te besparen. Daarnaast had de vrederechter ook de bevoegdheid om kleine, goedkope zaken te behandelen. Andere bevoegdheden van de vrederechter lagen vooral in het personen- en familierecht.

    Kantongerecht

    In 1838 werd de rechtsorde opnieuw gereorganiseerd en werd de vrederechter vervangen door de kantonrechter. De vredegerechten Aalten en Winterswijk werden toen samengevoegd tot het kantongerecht Aalten. Dit gerecht bestreek het vierde kanton van het derde arrondissement (Zutphen) van het Gelderse gerechtshof en was op basis van de Wet van 1 juli 1830 geklasseerd als kantongerecht der vijfde klasse.

    Het Aaltense kantongerecht hield zitting in het gemeentehuis aan de Markt. In 1861 werd in de Prinsenstraat een kantonaal huis van bewaring gebouwd, met zes cellen en een cipierswoning.

    Het kantongerecht Aalten werd in 1877 opgeheven. De gemeenten Aalten en Winterswijk behoorden vanaf dat moment tot het kanton Groenlo. De gemeente Dinxperlo ging over naar het kanton Terborg.

    Archief

    Het archief van het voormalige kantongerecht Aalten is in 1968 samen met het oudste deel van het Groenlose archief naar het Rijksarchief in Gelderland overgebracht. In 1961 heeft de overdracht plaatsgevonden van het archief van het Openbaar Ministerie, dat zich nog in het gemeentehuis van Aalten bevond.

    Rechters en griffiers van het vrede- en kantongerecht te Aalten 1811-1877 (nog incompleet)

    Aanvullingen zijn welkom!

    Ambts-periodeVrederechterBijzonderheden
    ?Jan Izak Huinink (1739-1822)
    ?Abraham Casper Salomon ten Bokkel (1761-1831)advocaat, notaris, landschrijver, vrederechter, tijdelijk burgemeester van Aalten en plaatsvervangend drost
    ??
    Ambts-periodeKantonrechterBijzonderheden
    1838-1855Joseph Gerard van der Schaaff (1798-1877)voorheen vrederechter te Aalten, eervol ontslagen
    1855-1877Frederik Willem Jacob Immink (1822-1893)voorheen griffier van het kantongerecht van Aalten, daarna kantonrechter te Groenlo
    Ambts-periodeGriffierBijzonderheden
    1811Campegius Lambertus Vitringa (1786-1864)voorheen advocaat te Arnhem, daarna griffier te Harderwijk
    Jan Willem te Gussinklo (1787-1829)
    1838-1839Jan Derk Schepers (1800-1848)voorheen griffier van het vredegerecht te Aalten, daarna gemeenteontvanger te Dinxperlo
    1839-1843Jillis van Beuil (1803-1843)voorheen brievengaarder te Aalten, overleden in functie
    1843-1852Bernard Andries Roelvink (1818-1882)voorheen substituut-officier van justitie bij de arrondissementsrechtbank te Zutphen, daarna notaris te Aalten
    1852-1855Frederik Willem Jacob Immink (1822-1893)voorheen advocaat te Borculo, daarna kantonrechter te Aalten
    1855-1877Cornelis Philippus Jacobus Penning (1817-1888)vroegere functie niet bekend, in 1877 op wachtgeld gesteld in verband met opheffing van het kantongerecht te Aalten
  • Kroningsfeest Bredevoort

    Kroningsfeest Bredevoort

    Zutphense Courant, 16 mei 1874

    Bredevoort, 12 Mei. ’t Kroningsfeest heeft hier gisteren volgens programma plaats gehad. Reeds in den vroegen morgen kondigden ’t kanongebulder en ’t luiden van alle klokken aan, dat Bredevoort feest zou vieren. En inderdaad, nog nimmer te voren had ons stadje een zoo feestelijk voorkomen als gisteren. Immers geene straat – ’t zij hoofd – of meer afgelegene, of zij was keurig met groen versierd en telde hare eerebogen, waarvan sommige van zeer gepaste opschriften voorzien waren. Tal van banieren wapperden, zoowel van den torentrans als van de huizen der inwoners. Bekroond door allerschoonst lenteweder, bracht het feest eene ontelbare volksmenigte op de been, onder welke massa echter eene niet gestoorde, vroolijke opgewektheid en zeldzame eenstemmigheid bleven heerschen.

    Bij den wedstrijd in het schieten waren 8 prijzen uitgeloofd. Zij werden behaald: de 1ste prijs door H. Frenken te Bredevoort, de 2de door Wechelaar te Varsseveld, de 3de door Ormel te Haart, de 4de door Schaapveld te Bredevoort, de 5de door Dammers te Bredevoort, de 6de door Voltman te Eibergen, de 7de door Brethouwer te Barlo, en de 8ste door Heijink te Bredevoort.

    De feestrede, gehouden door den heer D.B. Moll, hoofdonderwijzer te Bredevoort, werd beantwoord door den burgemeester mr. L. Roelvink, die op gepaste wijze den Spreker dank zeide voor de vervulling zijner niet gemakkelijke taak. De volksspelen, bestaande in mastklimmen, koekhappen en zakloopen, gaven eene aangename afwisseling. De vroolijke opgewektheid der jeugd deed menigen aanschouwer goed, vooral ook, omdat hunne liederen begeleid werden door hoornmuziek. De verlichting van „’t Zand” was prachtig en ’t vuurwerk voldeed wel. Lang – zeer lang zal dit feest in herinnering blijven bij de ingezetenen van Bredevoort.

    Bronnen


  • Landbouwtentoonstelling ontaardt in hevig tumult

    Landbouwtentoonstelling ontaardt in hevig tumult

    Zutphensche Courant, 12 oktober 1873

    Aalten, 8 Oct. Mocht men reeds genoeg in de gelegenheid geweest zijn om te kunnen weten dat de dag van gisteren een feestdag zou worden, het vroegtijdig wapperen onzer geliefde driekleur meldde het ons nog bovendien. Door de afdeeling Winterswijk der Geldersche maatschappij van Landbouw werd hier namelijk eene tentoonstelling gehouden van paarden, vee, landbouw-producten enz. die ten 11 ure met eene rede van den heer president Veeren uit Winterswijk werd geopend. Aan de regelingscommissie in ’t algemeen en aan den heer Slicher in ’t bijzonder komt alle hulde toe wegens de flinke organisatie, waardoor het program stipt kon worden gevolgd en uitgevoerd.

    Toen ten 1 uur de bekrooning in de beste orde was afgeloopen nam de matinée musicale een aanvang, die evenwel wegens een snel opgekomen regen aanbrengende onweersbui niet dat genot kon opleveren ’t welk men zich er van had voorgesteld. Ten 3 uur begaven de leden der maatschappij zich ten huize van den heer Oosthout (Hotel de Roskam, OA), waar een smakelijk diner hen wachtte. De grondtoon was er vroolijk, terwijl menige dronk, aan verschillenden rang en stand werd gewijd.

    De uitvoering van het concert, dat op 7 uur was bepaald, werd helaas! gestoord door een onaangenaam incident. Tegen het programma in, wilden enkelen om spoediger hun danslust te kunnen voldoen, dat het vuurwerk, ’t welk het bal vooraf ging, 2 uur vroeger zou worden afgestoken. Een nog al ernstig conflict was hiervan met een hevig tumult ’t gevolg. Ofschoon dit later, alles weer als vergeten werd beschouwd, bracht zulks toch, vooral in ’t eerst, een zekeren schok in de feestviering te weeg.

    Ten 9 uur werd volgens programma het door den heer Ruijsch van Utrecht geleverd vuurwerk afgestoken, dat, blijkbaar uit de daverende bravo’s ten zeerste voldeed. Men ging vervolgens over tot het uiterst druk bezocht en zeer levendige bal, dat onder de vroolijkste stemming tot laat in den nacht voortduurde. Daarmede was het feest ten einde, dat naar wij hopen en vertrouwen, bij allen eene aangename en blijvende herinnering zal achterlaten.

    Onze buren van Oud Winterswijk hebben een reconstructie gemaakt van het hele gebeuren: lees het hier.

    Bronnen


  • Aaltenaren die vochten in Amerikaanse Burgeroorlog

    Aaltenaren die vochten in Amerikaanse Burgeroorlog

    In de 19e eeuw emigreerden honderden Aaltenaren naar de Verenigde Staten, op zoek naar land, werk en een beter bestaan. Van een aantal van hen is bekend dat zij deelnamen aan de Amerikaanse Burgeroorlog. Voor zover bekend dienden zij allemaal in de legers van de Noordelijke staten (de Unie).

    De Amerikaanse Burgeroorlog (1861–1865) was een gewapend conflict in de Verenigde Staten tussen de Noordelijke staten (de Unie) en de Zuidelijke staten (de Confederatie). In vele staten vonden bloedige veldslagen en veldtochten plaats. De oorlog begon met een aanval van de Confederatie op Fort Sumter in South Carolina, op 12 april 1861. In juni 1865 gaven de laatste Zuidelijke legers zich over en kwam de Unie als overwinnaar uit de strijd.

    Oud-Aaltense strijders

    De volgende lijst is vermoedelijk nog niet compleet:

    • Jan Derk Ansink (Barlo, 30-04-1840 – 02-07-1868)
      ‘John Ansink’ meldde zich op 06-08-1862 aan bij het 108th New York Volunteer Infantry Regiment, company E, in Rochester, Monroe County, NY. Hij raakte wounded in action op 03-07-1863 tijdens de Slag bij Gettysburg. In mei of juni 1864 werd hij overgeplaatst naar company A van het 21st Regiment of the Veteran Reserve Corps. Na de Burgeroorlog werd hij op 07-06-1865 ontslagen in Trenton, NJ.
    • Gerrit Hendrik Duenk (IJzerlo, 19-07-1825 – Milwaukee, WI, 14-08-1883)
      ‘Gerritt H Duenk’ diende van 20-08-1862 tot 10-06-1865 in het 24th Wisconsin Infantry Regiment, company I. Hij zwaaide af op order van de War Department. In 1883 kwam hij in aanmerking voor opname in een National Home for Disabled Volunteer Soldiers. Hij leed aan reuma. Hij woonde destijds met zijn vrouw Clara en drie kinderen onder de 16 jaar in Milwaukee, WI, waar hij als arbeider werkte. Op 31-05-1883 werd hij opgenomen in het tehuis. Op 14-08-1883 werd hij dood aangetroffen; hij was verdronken in de Milwaukee rivier. Een dag later is hij begraven.
    • Gerrit Jan Duenk (IJzerlo, 23-09-1845 – Milwaukee, WI, 19-04-1897)
      ‘Garrett Dunck’ diende van 15-08-1862 tot 10-06-1865 in het 24th Wisconsin Infantry Regiment, company E. Hij raakte gewond op 02-06-1864 in Georgia, in de omgeving van Dallas, New Hope Church en Allatoona Hills. Na de Burgeroorlog werd hij op 10-06-1865 ontslagen.
    • Hendrik Huibert van Eest (Velp, 12-09-1837 – Springfield, IL, 26-03-1865)
      Hij meldde zich op 28-02-1865 in Overisel, MI als soldaat. Hij werd opgenomen in het 24th Michigan Infantry Regiment, company K op 01-03-1865. Overleed op 26-03-1865 in Camp Butler, Springfield, IL.
    • Gradus Heinen (Aalten, 19-10-1827 – Holland, WI, 24-10-1908)
      ‘Grades Heinen’ meldde zich op 21-08-1862 aan bij het 27th Wisconsin Volunteer Infantry Regiment, company F. Dit regiment vertrok op 16-03-1863 vanuit Milwaukee, WI, naar Columbus, KY. Gradus raakte gewond bij Jenkins’ Ferry, AR. Dit gebeurde tijdens één van de bloedigste veldslagen van de Burgeroorlog, uitgevochten op 29/30-04-1864 bij de gezwollen Saline River, na dagen van hevige regenval. Na de Burgeroorlog werd hij op 29-08-1865 ontslagen.
    • Antonij ter Maat (Dale, 07-02-1836 – Columbus, KY, 04-06-1863)
      Hij meldde zich, tegelijk met zijn broer Jan Hendrik, op 21-08-1862 aan bij het 27th Wisconsin Volunteer Infantry Regiment, company F. Hij werd ziek en overleed.
    • Jan Hendrik ter Maat (Dale, 25-03-1841 – Memphis, TN, 03-10-1863)
      Hij meldde zich, tegelijk met zijn broer Antonij, op 21-08-1862 aan bij het 27th Wisconsin Volunteer Infantry Regiment, company F. Hij werd ziek en overleed.
    • Gerrit Jan te Slaa (Lintelo, 20-10-1831 – Missouri, 30-08-1863)
      Hij meldde zich op 21-08-1862 aan bij het 27th Wisconsin Volunteer Infantry Regiment, company F. Hij werd ziek en overleed op een hospital boat die lag afgemeerd in de Mississippi bij Helena, Arkansas.
    • Bernadus Vervelde (Aalten, 16-02-1816 – Sherman, NY, 08-04-1891)
      ‘Benardus Felton’ meldde zich op 22-08-1862 in Westfield, NY als soldaat. Op 24-09-1862 werd hij ingedeeld bij het 154th New York Infantry Regiment, company E. Op 02-05-1863 werd hij in Virginia krijgsgevangen genomen tijdens de Slag om Chancellorsville. Op 14-05-1863 liet men hem voorwaardelijk vrij in City Point, VA. Op 21-05-1864 werd hij wegens invaliditeit ontslagen. Zijn zoon Derk Jan (in de VS ‘Garrett J Felton’ genoemd) vocht ook in de Burgeroorlog.
    • Derk Jan Vervelde (Haart, 16-02-1843 – Ripley, NY, 05-09-1903)
      ‘Garrett J. Felton’ meldde zich op 31-07-1862 in Westfield, NY als soldaat. Op 15-08-1862 werd hij ingedeeld bij het 112th New York Volunteer Infantry Regiment, company E. Op 30-07-1864 raakte hij gewond tijdens het Beleg van Petersburg. Op 06-07-1865 werd hij uit dienst ontslagen in Lovell Hospital, Portsmouth Grove, RI. Zijn vader, ‘Benardus Felton’, vocht ook in de Burgeroorlog.
    • Arnoldus Johannes Zweerink (Aalten, 09-01-1834 – Petersburg, VA, 31-03-1865)
      Hij meldde zich op 21-10-1864 aan bij het 6th Wisconsin Infantry Regiment, compagnie I, als soldaat. Compagnie I bestond uit mannen uit de counties Brown en Vernon in Wisconsin. Het 6e Regiment van Wisconsin maakte tijdens de oorlog deel uit van de beroemde Iron Brigade. “Noldus” Zweerink sneuvelde tijdens de Slag bij White Oak Road.

    Heeft u meer informatie over (bovengenoemde of andere) Aaltense emigranten die in de Amerikaanse Burgeroorlog hebben gevochten? Reageer dan hieronder of stuur ons een bericht!

  • Lugubere aankomst in New York

    Lugubere aankomst in New York

    Tussen 1845 en 1880 vestigden zich honderden emigranten uit Aalten en Winterswijk in Clymer, een plaatsje in het westen van de staat New York. In 1854 vertrokken ook Berend Hendrik Legters en zijn gezin naar de Verenigde Staten, met Clymer als eindbestemming. Over hun reis doet binnen de familie nog steeds een luguber verhaal de ronde…

    Berend Hendrik Legters werd op 18 januari 1827 geboren op Klein Goorhuis in de Aaltense Heurne. Medio jaren 30 verhuisde het gezin naar Nieuw Hoornenborg op de Haart. Na het overlijden van zijn moeder, hertrouwde zijn vader in 1845 en verhuisden ze naar boerderij Koks in Ratum.

    Op 18 juni 1847 trouwde Berend Hendrik, wever van beroep, met Anna Catharina Hellekamp (Miste, 31 augustus 1810). Zij gingen wonen op haar ouderlijk huis, Hellekamp in Miste. In juni 1854 vertrokken zij met hun twee jonge zoons naar Amerika, samen met het echtpaar Oonk-Kortschot, dat ook op Hellekamp woonde.

    De overtocht naar New York duurde lang en was zwaar. Voor Anna Catharina werd het te veel; na 30 dagen op zee overleed zij, slechts enkele dagen voordat ze in New York zouden aankomen. Berend Hendrik had gezien wat er met de lichamen van overleden passagiers gebeurde: die kregen een zeemansgraf. Dat lot wilde hij zijn echtgenote besparen. Dus bedachten hij en zijn reisgenoten een list. Zij deden net of Anna ernstig ziek was en verborgen zo het feit dat ze was overleden. Ondanks ziekte werd er op je gerekend met het eten. Bijkomend voordeel was dus dat ze nu zelf een extra portie hadden!

    Eenmaal aangekomen in New York moesten ze via de loopplank het schip verlaten. Ze hielden de overledene tussen hen in en legden haar armen over hun schouders heen. Voorzichtig schopten ze tegen haar benen aan zodat het leek alsof ze zelf liep. De truc lukte en zo wisten ze haar veilig van boord te krijgen.

    Op de eerste begraafplaats die ze tegenkwamen lieten ze haar begraven, met de bedoeling haar stoffelijk overschot later over te laten brengen naar hun eindbestemming, Clymer. De eerste jaren hadden ze hier echter niet de middelen voor. Toen ze eindelijk genoeg geld hadden gespaard keerden ze terug om haar op te halen. Maar helaas, ze konden het graf niet meer terugvinden…

    Nadat weduwnaar Berend Hendrik zich met zijn twee zoontjes in Clymer had gevestigd, vroeg hij de dominee wat hij moest doen. Op zijn advies hertrouwde hij met Gesina Berendina “Minnie” Schreurs (Barlo, 20 april 1820), weduwe van Gradus Kobus. Zij overleed in 1865 en Berend Hendrik trouwde nog een keer, nu met Geertruida JohannaKate” Schreurs (Winterswijk, 13 december 1840). Berend Hendrik (Henry) Legters overleed op 25 januari 1910 in Clymer.

    Bovenstaande weergave van dit verhaal is gebaseerd op de hieronder genoemde bronnen. Deze bronnen bevatten echter uiteenlopende informatie over de gang van zaken. Wij hebben de (volgens ons) meest aannemelijke informatie gecombineerd tot bovenstaande versie. Aanvullingen/correcties zijn welkom!

  • Aalten ‘vereenigingspunt van wegen’

    Aalten ‘vereenigingspunt van wegen’

    De Grondwet, 24 januari 1854

    De Grondwet, 24-01-1854 - Aalten knooppunt van wegen

    Aalten, 21 Jan. Het bestuur dezer gemeente heeft een besluit uit ’s Gravenhage ontvangen, waarin bepaald wordt, dat ons Gouvernement en dat van Pruissen overeengekomen zijn, om een kunstweg te leggen van Aalten naar de stad Bocholt in Pruissen.

    Dankbaar voor de onvermoeide pogingen van den Burgemeester en eenige leden van het Bestuur zal nu nog in den loop van dit jaar dit aanzienlijk dorp, hetwelk ruim 7000 zielen telt als het ware een vereenigingspunt van kunstwegen worden zooals van het Pruissische stadje Ödink over Winterswijk, Aalten en verder naar Arnhem, welke weg bereids af en reeds geopend is.

    Verder van Overijssel en Zutphen over Groenlo, Lichtenvoorde en Aalten naar de Pruissische steden Bocholt en Wezel, waarmede men thans reeds druk aan het werk is en dan nog tevens van Aalten met een zijtak over Dinxperlo en Anholt naar de Stations, die vermoedelijk niet verre van de laatste stad zullen komen, om van daar naar de beide koningrijken per spoortrein te kunnen reizen.

    Inderdaad zeer belangrijk voor de ingezeten dezer Gemeente, die de twee kunstwegen tot het Winterswijksche en Varssveldsche gebied voor eigene rekening hebben daargesteld niet alleen, maar nog daarenboven vrijwillig van de Provinciale subsidie ad ƒ 4000 ten behoeve van de gemeente Wisch hebben afgestaan, dat zij nu voor hunne belangrijke opofferingen ook eindelijk zijn geraakt en nu nog meerder zullen geraken, in een genot waarvan zij tot dusverre verstoken zijn geweest.

    Aalten is in den volsten zin om hare ligging gezond, en aangenaam in de conversatie en daar nu door de gemakkelijke communicatie te plaatsen, als het ware digter bij elkander komen, zoo zal het voor nieuwe inwoners, welke al van lieverlede komen, veel genoegen opleveren.

    Bron


  • Kiesdistrict Aalten

    Kiesdistrict Aalten

    Van 1852 tot 1919 was het kiesdistrict Aalten één van de zestien Gelderse kiesdistricten voor de Provinciale Staten. Het district omvatte de gemeenten Aalten, Winterswijk en Dinxperlo en telde drie zetels.

    Na de grondwetsherziening van 1848, die onder censuskiesrecht (stemrecht voor mannen die aan een bepaalde inkomenseis voldeden), voor het eerst rechtstreekse verkiezingen van Provinciale Staten mogelijk maakte1 – en de Provinciewet van 1850 werd Gelderland in 1852 in zestien districten verdeeld, waaronder Aalten.2

    Met de invoering van algemeen mannenkiesrecht in 1917 en de Kieswet van 1919 koos men bij de verkiezingen van 10 april 1919 voor het eerst via evenredige vertegenwoordiging in één provinciebrede kieskring, waarna het kiesdistrict Aalten ophield te bestaan.3

    Oorsprong en achtergrond

    Tijdens het bewind van koning Willem I (1772–1843) waren provinciebesturen benoemde organen, waarin adel en lokale notabelen zonder verkiezing zetelden. Pas met de grondwetsherziening van 1848 konden de leden van de Provinciale Staten rechtstreeks worden gekozen, zij het nog op basis van censuskiesrecht.1

    Instelling van het kiesdistrict Aalten

    In 1850 trad de Provinciewet in werking, waarin onder meer werd bepaald hoe de leden van de Provinciale Staten werden gekozen. Twee jaar later legde de Wet houdende regeling van de verdeling der provincies in kiesdistricten van 5 november 1852 (Staatsblad nr. 197) de definitieve indeling vast: Gelderland werd opgesplitst in zestien kiesdistricten, waaronder Aalten.2

    Opheffing en overgang naar evenredige vertegenwoordiging

    De grondwetsherziening van 1917 introduceerde algemeen mannenkiesrecht en luidde de afschaffing van het districtenstelsel in. De Kieswet van 1919 maakte een einde aan de kleine kiesdistricten en voerde in alle provincies één provincie-brede kieskring in met evenredige vertegenwoordiging. Bij de Gelderse verkiezingen van 10 april 1919 werd dit systeem voor het eerst toegepast, waarbij het kiesdistrict Aalten ophield te bestaan.3

    Afgevaardigden

    Enkele bekende Statenleden namens het kiesdistrict Aalten: 1

    1853–1860: Mr. Rudolph Willem graaf van Lynden (1808–1876)

    1853–1877: Bernhard Jan Boland (1804–1888)

    18531882: Mr. Bernard Andries Roelvink (1818–1882)

    1853–1892: Mr. Wilhelm Arnold Roelvink (1822–1917)

    1860–1885: Jan van der Zande (1819–1885)

    1877–1885: John Bernard William Maitland (1826–1894)

    1886–1892: Jacobus Wilhelmus van Hopbergen (1817–1913)

    1892–1898: Georg Ludwig Carl Heinrich Baud (1858–1921)

  • De ramp met de Phoenix (1847)

    De ramp met de Phoenix (1847)

    In 1847 vertrok een grote groep Achterhoekers naar Amerika, in de hoop op een beter leven. Onder hen bevonden zich ook tientallen Aaltenaren. Vlak voordat zij hun eindbestemming bereikten vloog hun schip ‘Phoenix’ in brand op Lake Michigan. Naar schatting 250 tot 300 personen vonden daarbij de dood.

    Pas twee jaar oud was de prachtige houten boot genaamd ‘Phoenix’, die op 20 november 1847 met zo’n 175 Nederlanders, 23 bemanningsleden en een onbekend aantal andere opvarenden, opstoomde naar de westkust van het Michiganmeer. De landverhuizers aan boord kwamen uit Winterswijk, Aalten, Varsseveld, Apeldoorn, Holten en diverse andere plaatsen. Een dag later zouden ze in Sheboygan hun Beloofde Land bereiken na een afmattende bootreis. Kinderen werden voor het laatst in de hutten te slapen gelegd.

    Op 11 november was de Phoenix vertrokken uit Buffalo om via Lake Erie en Lake Huron naar Lake Michigan te varen. Slechts dertig mijl van hun bestemming verwijderd, voer de Phoenix de haven van Manitowoc binnen. Er werd wat lading aan land gezet, maar toen de kapitein merkte dat de weersomstandigheden te stormachtig waren, hield hij zijn schip in de haven tot het meer zou kalmeren. De bemanning ging aan land. Sommigen beweerden dat ze bij terugkomst dronken waren.

    Om één uur ’s nachts, het meer kalm, de nacht overspoeld met sterren, vertrok de Phoenix voor het laatste deel van de reis naar Sheboygan. Door de zware last raakten de stoomketels oververhit, maar de bemanning deed er luchthartig over. Tegen vier uur ’s nachts kwam er echter een dikke rook en stank van smeulend hout uit de machinekamer en werd alarm gegeven.

    Verbranden of verdrinken

    Vergeefs werd aan boord van de Phoenix nog getracht met emmertjes water de brand te doven. Maar het houten vaartuig brandde al gauw als een fakkel. Twee reddingsbootjes werden te water gelaten, waarmee 43 opvarenden de vijf mijl naar de kust wisten te overbruggen, de een met een klomp als roeispaan, vijfentwintig van hen waren Nederlanders.

    De overige passagiers hadden twee opties: verbranden of verdrinken. Ze sprongen in het water, maar maakten daar geen schijn van kans. Het water was ijskoud en ze raakten binnen minuten onderkoeld. Als men al kon zwemmen, dan nog was iedere poging om de kust te bereiken zinloos.

    Naar schatting tweehonderdvijftig tot driehonderd personen vonden de dood, inclusief bijna 100 kinderen. Het is verbazingwekkend hoe het handjevol overlevende landverhuizers er toch nog in geslaagd is een nieuw leven te beginnen. Ze moesten wel.

    Oud-Aaltenaren op de Phoenix

    Midden vorige eeuw trokken veel Achterhoekers om geloofsredenen weg. Het waren veelal afgescheidenen van de Ned. Hervormde gemeente, die zich hier vanwege hun vrijzinnig denken niet meer thuisvoelden. Zo ook de Achterhoekse opvarenden van de Phoenix, onder wie de Aaltenaren Brusse, Navis en Krajenbrink uit de buurtschap Lintelo.

    Uit overlevering zijn de namen van veertien personen uit Aalten bekend, die slachtoffer van de ramp werden. Over anderen tast men in het duister. Ze vertrokken op 16 augustus 1847 uit Aalten, samen met 78 anderen. Maar naar voorzichtige schatting zijn wel vijftig tot vijfenzeventig Aaltenaren omgekomen.

    Een lijst met (mogelijke) passagiers van de Phoenix en welke de ramp waarschijnlijk wel en niet hebben overleefd staat op de website dutchgenealogy.nl van Yvette Hoitink.

    Podcasts en documentaire

    Eind 2020 stuitte de Winterswijkse podcastmaker Joske Meerdink van Omroep Gelderland bij toeval op het verhaal over de ramp met de Phoenix. Het verbaasde haar dat ze het verhaal niet kende en merkte dat de ramp met de Phoenix bij haar dorpsgenoten ook vrij onbekend was. Daarop besloot zij in het verhaal te duiken.

    Tijdens haar zoektocht bracht Joske samen met documentairemaker Diny van Hoften een bezoek aan Sheboygan, waar ze spraken met nabestaanden van overlevenden van de ramp. Ook stapten ze aan boord bij een shipwreck hunter om te zoeken naar overblijfselen van de Phoenix (en vonden die ook!).

    Haar zoektocht resulteerde in een serie podcasts en een tweedelige documentaire. Deze zijn te beluisteren en bekijken bij Omroep Gelderland.

    Hier is ook de documentaire te zien die Omroep Gelderland begin 1998 uitzond over de Phoenixramp. In de documentaire, gemaakt door Sacha Barraud, wordt een groep Achterhoekers, waaronder Aaltenaar Evert Smilda, gevolgd die eind 1997 naar Sheboygan, afreist om de 150-jarige herdenking van de Phoenixramp bij te wonen.

    Emigratie naar Noord-Amerika

    In de loop van de 19e eeuw verlieten duizenden mensen de Achterhoek om een nieuw bestaan op te bouwen in de Verenigde Staten. Ook vanuit Aalten vertrokken veel inwoners, op zoek naar vrijheid, land en nieuwe kansen.

    Rotterdam emigratie 19e eeuw
  • Jachtpalen landgoed ’t Walfort

    Jachtpalen landgoed ’t Walfort

    Tussen Aalten en Bredevoort ligt landgoed ’t Walfort. Het hoort van oudsher bij Havezathe ’t Walfort en omvat bossen, houtwallen en houtsingels. De grenzen van het landgoed werden gemarkeerd door zogenaamde jachtpalen. Tegenwoordig zijn er nog 13 van deze palen te zien; één daarvan staat op de voormalige oprijlaan naar de havezate en dus niet op de grens van het jachtterrein. Vermoedelijk hebben er oorspronkelijk meer palen rond ’t Walfort gestaan.

    Volgens de heringevoerde jachtwet in 1814 moest een jachtterrein afgebakend worden met palen met daarop de tekst “private jagt van” gevolgd door de naam van de eigenaar. De jachtpalen markeerden zijn jachtterrein.

    Een beschrijving van het Gelders Genootschap vermeldt dat de jachtpalen rond 1837/1838 geplaatst zijn door toenmalig eigenaar Baron Jan van Pallandt van Walfort (1776-1844). Deze woonde in Arnhem op het landgoed Klarenbeek en kocht in Arnhem ook Angerenstein en Rennenenk. Hij was ook lid van de Gedeputeerde Staten van Gelderland.

    De jachtpalen zijn vervaardigd van rode zandsteen, vermoedelijk afkomstig uit groeven in de omgeving van de Weser of de Main. De totale lengte is 2,5 à 3 m. De palen zijn rechthoekig (ca. 25 x 20 cm) met afgeschuinde hoeken. De bovenkant is een vierzijdige piramide. Qua afwerking zijn ze gefrijnd: horizontaal geribbeld. Aan één zijde bevindt zich een rechthoekig glad afgewerkt veld met de tekst: “Havezate Walvoort of Walfort Privative Jacht”. Diverse van de nog aanwezige palen zijn beschadigd danwel ingekort.

    De jachtpalen zijn door de gemeente Aalten als gemeentelijk
    monument benoemd.2

    Alle jachtpalen op een rij

    De nummers van de foto’s corresponderen met de nummers op bovenstaande kaart.

    1
    1
    2
    2
    3
    3
    4
    4
    5
    5
    6
    6
    7
    7
    8
    8
    9
    9
    10
    10
    11
    11
    12
    12
    13
    13
  • De Belgische Opstand (1830-1832)

    De Belgische Opstand (1830-1832)

    Nadat de geallieerde mogendheden in 1815 Napoleon definitief hadden verslagen, werden de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden samengevoegd. Het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden werd geregeerd door Koning Willem I. Al snel ontstonden er problemen tussen het zuiden en het noorden. Politiek, economisch, cultureel en godsdienstig waren er grote verschillen.

    Oproep Nationale Militie

    Het Provinciaal Blad van Gelderland publiceerde op 15 februari 1827 een Besluit waarin 460 Geldersen, waaronder twaalf Aaltenaren, werden opgeroepen om op 27 februari om 08.00 uur in Arnhem bij het ‘Gouvernements-gebouw’ te verschijnen als reservist van de Nationale Militie. Per 1 maart moesten zij zich ‘onder de wapenen bevinden’. Een aantal van hen zou niet levend terugkeren.

    De opgeroepen Aaltenaren waren:

    7e Afdeling Infanterie

    13e Afdeling Infanterie

    Er hebben nog meer Aaltenaren gediend, getuige de naderhand uitgereikte onderscheidingen (zie verderop in dit artikel). Daarvan hebben wij vooralsnog echter geen compleet overzicht. Meer informatie is dus welkom.

    Tiendaagse Veldtocht

    In augustus 1830 kwamen de Belgen in opstand. Eind september werd er vanuit het Noorden een legermacht gestuurd om de orde te herstellen. Het Belgisch verzet bleek hardnekkiger dan gedacht en na een paar dagen moest het leger zich uit Brussel terugtrekken.

    Om deze nederlaag te wreken stuurde koning Willem I op 2 augustus 1831 een grotere hoeveelheid troepen naar België. Frankrijk besloot in te grijpen en stuurde een leger van 40.000 man naar de Zuidelijke Nederlanden. Hierop trok Willem I zijn leger terug. Al met al had de strijd 10 dagen geduurd.

    De Tiendaagse Veldtocht vond plaats van 2-12 augustus 1831. De militaire operatie stond onder leiding van prins Willem van Oranje (de latere koning Willem II), die na de overgave van Leuven door de Belgen op 12 augustus 1831 instemde met een wapenstilstand. In de week daarop trokken de Nederlandse troepen terug naar Noord-Brabant. Alleen de Citadel van Antwerpen bleef onder leiding van Chassé (‘generaal bajonet’) bezet tot de capitulatie in december 1832.

    In 1937 schreef G.H. Rots in de Aaltensche Courant over de Tiendaagse Veldtocht:

    “De vrede kwam, en de bevolking toog weer aan den arbeid. Maar nog zou het niet altijd vrede blijven. De strijd tusschen de Noordelijke en Zuidelijke gewesten ontbrandde, en bekend onder den tiendaagschen veldtocht moest er weer gestreden worden. Weer marcheerden Aaltensche jongemannen af om aan den strijd deel te nemen. Bijzonder bloedig is die strijd niet geweest, en de meesten keerden weer gezond naar hunne haardsteden terug.

    Zij, die aan dien tiendaagschen veldtocht hadden deelgenomen, ontvingen een medaille. In onze jeugd waren er te Aalten twee veteranen, die dit onderscheidingsteeken droegen. Als er een nationaal feest was kwamen zij in een landauer te zitten, bespannen met twee paarden, en namen de eereplaats in in den optocht. De namen dezer laatste Aaltensche oud-strijders waren Lorijn en Loohuis. De medaille van laatstgenoemde is nu in ’t bezit van den heer J.S.S. Prins.”

    Citadel van Antwerpen

    Kort na de opstand in 1830 was een deel van de Nederlandse militairen op Antwerpen teruggetrokken. Generaal Chassé concentreerde hen eind oktober in de citadel. Dit garnizoen werd na augustus 1831 versterkt. Op 24 december 1832, gaf generaal Chassé zich na zware artilleriebombardementen en een beleg van 25 dagen over aan het Franse leger, dat door de Belgen te hulp was geroepen.

    De Franse maarschalk Gérard eiste ook de belangrijke Scheldeforten Lillo en Liefkenshoek op. Deze stonden niet meer onder bevel van Chassé zodat daarover niet kon worden onderhandeld. Gérard bood toen de keuze tussen overgave der forten danwel medevoering der militairen als krijgsgevangenen naar Frankrijk. Alleen Willem I kon uitkomst bieden. Hij weigerde.

    Krijgsgevangenen

    Op 29 en 30 december 1832 vertrokken ruim 4500 Nederlandse militairen als krijgsgevangenen naar Noord-Frankrijk. Maar omdat Frankrijk en Nederland niet met elkaar in oorlog waren, waren zij in feite gijzelaars. De tocht voerde in acht dagmarsen langs Zwijndrecht, Melsele, St.-Niklaas, Lokeren, Deinze, Desselgem, Kortrijk, Menen, Ieper, Vlamertinge, Poperinge, Steenvoorde en Cassel. Op 5 januari werd via Arck Sint Omaars bereikt. Een deel van de Infanterie ging door naar Bethune, een ander deel met de Artillerie en Genie naar Hesdin en de Marine naar Air.

    Op 21 mei 1833 kwam door de Conventie te Londen een gedeeltelijke opheffing van de oorlogstoestand tot stand. De krijgsgevangenen zouden worden vrijgelaten. Op 8 juni vertrokken van Duinkerken vier Franse fregatten, drie corvetten en één brik onder zeil naar Vlissingen. Een dag later werd in Vlissingen voet aan land gezet en werd nog dezelfde dag naar Middelburg gemarcheerd.

    Het zou nog tot 1838 duren voordat de Nederlandse koning Willem I mokkend de handdoek in de ring wierp. Met de ondertekening van het Verdrag van Londen in 1839 werd de afscheiding van België een feit.

    Onderscheidingen

    Allen die onder de wapenen waren geweest en geacht werden deelgenomen te hebben aan de krijgsverrichtingen tijdens de Tiendaagse Veldtocht werden onderscheiden met het Metalen Kruis. Deze erepenning, ook wel bekend als het ‘Hasselt-kruis’, werd uitgereikt als erkenning voor hun bewezen trouw aan koning en vaderland. De bronzen kruisen zijn geslagen uit het metaal van de kanonnen die buitgemaakt waren op het Belgische Maasleger tijdens de slag bij Hasselt op 8 augustus 1831.

    Per Koninklijk Besluit van 31 mei 1833 werd door koning Willem I der Nederlanden de Antwerpsche Medaille 1832 ingesteld. Deze zou worden toegekend als “beloning aan hen, die tijdens het beleg der Citadel van Antwerpen in het tijdvak van 28 november tot en met 24 december 1832, in de citadel en onderhorige forten (Vlaamsche Hoofd, Burcht, Zwijndrecht en Austruweel), alsmede op de flottille op de Schelde voor Antwerpen, hebben gediend”.

    Onderscheiden Aaltenaren

    Van een aantal Aaltenaren is bekend dat zij zijn onderscheiden met het Metalen Kruis (MK) voor hun deelname aan de Tiendaagse Veldtocht en/of de Citadel-Medaille (CM) voor de verdediging van de Antwerpse citadel. Hieronder staan de namen en onderscheidingen die tot nu toe bij ons bekend zijn.

    • MK: Jan Anthonij Bekink (1812-1898), woonde in de Peperstraat.
    • MK: Joan Henricus (Jan Hendrik) Bennink (1807-1832), woonde aan de Prinsenstraat. Hij was flankeur bij het 2e Bataillon der 14e Afdeling Infanterie toen hij overleed in een hospitaal te ‘s-Hertogenbosch.
    • MK: Dirk Jan Hoornenborg (1807-1876), geboren op Nieuw Hoornenborg op de Haart, woonde sinds ca. 1845 in Gorssel en overleed in Kring van Dorth.
    • MK: Johannes Christianus Kötcher (1807-1876), woonde in Bredevoort.
    • MK: Hendrik Jan Loohuis (1812-1905), woonde de laatste jaren van zijn leven in Rusthuis Avondvrede.
    • MK: Petrus Bernardus Smit (1807-1876), woonde aan de Hogestraat.
    • MK+CM: Tonij Stapelkamp (1807-1889), woonde aan de Hogestraat.
    • CM: Paulus Lorijn (1811-1899), kwam in 1844 uit Wageningen naar Aalten en woonde achtereenvolgens op de Piepert, Heurne en het RK gasthuis aan de Hogestraat.
    • CM: Roelof Somsen (1808-1891), woonde op boerderij Pennings in Dale.
  • De Lindeboom, het wapen van Aalten

    De Lindeboom, het wapen van Aalten

    Bijna twee eeuwen lang voerde de gemeente Aalten een lindeboom in haar officiële wapen. In 2005 ging Aalten samen met Dinxperlo, waardoor er ook een nieuw gemeentewapen moest komen. Toch blijft de lindeboom een centraal symbool in de lokale identiteit.

    Het wapen voor de gemeente Aalten werd op 3 oktober 1815 aangevraagd door toenmalig burgemeester Christiaan Casper Stumph en moet volgens zijn bijschrift op zeer oude gerechtelijke afgiften zijn voorgekomen. Voor die tijd had de burgemeester zich moeten bedienen met zijn eigen familiewapen. De “zeer oude gerechtelijke afgiften” bleek een stempel te zijn die Aalten als municipaliteit tussen 1795 en 1798 in gebruik had totdat zij werd ondergebracht in het Ambt Bredevoort dat gebruik maakte van een zegel met daarop de letters “AB”.

    Na de oprichting van het Koninkrijk der Nederlanden stelde de Hoge Raad van Adel in 1816 richtlijnen op voor de registratie van gemeentewapens. Op 7 oktober 1818 werd bij Koninklijk Besluit het eerste officiële wapen aan de gemeente Aalten verleend.

    De omschrijving van het eerste wapen van Aalten luidt:

    “Van zilver beladen met een groenen boom, staande op een grond van hetzelfde.”

    Oorsprong en betekenis

    Onduidelijk is de oorsprong van het boomwapen, hoewel er een verband lijkt te bestaan met omliggende plaatsen. Bredevoort en Groenlo voerden in oude tijden ook een boom in hun wapen, evenals het nabijgelegen Duitse Bocholt die nog altijd een boomwapen in gebruik heeft.

    De exacte reden waarom het Aaltense bestuur begin 19e eeuw voor een linde koos, is niet gedocumenteerd. Het zou een vrijheidsboom kunnen zijn, of ontleend aan een vrijstaande Lindeboom op de Aaltense Es nabij begraafplaats Berkenhove, die daar al in de 18e eeuw stond en in de eerste helft van de 19e eeuw en na de Tweede Wereldoorlog opnieuw aangeplant werd.

    De keuze voor een linde sluit aan bij een brede West-Europese traditie. Sinds de middeleeuwen deed de linde in veel dorpen dienst als dingboom of gerechtslinde. Onder deze centrale boom kwamen bestuurders en rechters samen om openbaar recht te spreken. Het symbool verwees daarmee direct naar de lokale rechtspraak en het zelfbestuur van de herkomstplaats.

    De Gemeentelijke Herindeling (2005)

    Op 1 januari 2005 fuseerden de gemeenten Aalten en Dinxperlo tot de nieuwe gemeente Aalten. Volgens de richtlijnen van de Hoge Raad van Adel dienden de heraldische elementen van beide voormalige gemeenten te worden samengevoegd in een nieuw ontwerp.

    Op 8 juni 2010 werd bij Koninklijk Besluit het nieuwe, samengestelde wapen officieel vastgesteld. Het schild werd horizontaal doorsneden:

    • Bovenste helft: De oorspronkelijke groene lindeboom van Aalten op een zilveren veld.
    • Onderste helft: De twee gekruiste zwaarden met gouden stroppen uit het oude wapen van Dinxperlo (oorspronkelijk verleend in 1897), geplaatst op een zwart veld.
    • Schildhouder: Het schild is sindsdien gedekt met een gouden gravenkroon (drie bladeren en twee parels).

    De Aaltense Lindeboom in Delfshaven

    Een interessant voorbeeld van het wapen van Aalten buiten de Achterhoek bevindt zich in Rotterdam-Delfshaven. Aan de Havenstraat staat een pand uit 1886 waarop een gevelsteen met het oude wapen van Aalten is aangebracht.

    Bronvermeldingen


    • Hoge Raad van Adel (Den Haag): Register van Overheidswapens, registratie d.d. 7 oktober 1818 (Gemeente Aalten) en herziening d.d. 8 juni 2010.
    • Gemeente Aalten: Raadsbesluiten en correspondentie met de Hoge Raad van Adel inzake de wapenwijziging (procedure 2005–2010).
    • Wikipedia
  • De Franse tijd (1795-1813)

    De Franse tijd (1795-1813)

    In 1937 beschreef G.H. Rots in een serie artikelen hoe het er in vroeger tijden in Aalten aan toeging. Zo schreef hij over de Franse bezettingsjaren:

    “In den Franschen tijd heeft Aalten de zegeningen (?) van de Fransche overheersching genoten. De leus “Vrijheid Gelijkheid en Broederschap” deed toen opgeld, te Aalten op de Markt werd de vrijheidsboom geplant. Een nieuw gemeentebestuur werd aangesteld, nieuwe wetten en verordeningen werden gemaakt, in één woord: er waaide een andere geest door de regeeringsgebouwen. De Bataafsche Republiek werd gesticht, en Oranje had afgedaan.

    Fransche soldaten werden ook te Aalten ingekwartierd, met al de onheilen daaraan verbonden. Hoewel in meerderheid Oranjegezind, durfde men niet voor zijn meening uitkomen, en werd het nieuwe bewind aanvaard. Van 1795 tot 1799 duurde die toestand. Heimelijk verfoeide een groot deel der bevolking de Fransche overheersching.

    Valse hoop

    Toen, in 1799, deden de geruchten de ronde, dat een Nederlandsche edelman, A.R. van Heeckeren, ook wel Suideras genoemd, aan het hoofd van een groot leger als bevrijder de Oostergrenzen was overgetrokken en zegevierend de Franschen uit de dorpen verdreef.

    Ook in andere deelen van het land waren invallen van Engelschen en Russen, welke met de Franschen, en dus ook met de Bataafsche republiek in den oorlog waren gewikkeld. De Oranjeklanten kregen weer moed, en toen Suideras op 5 September Winterswijk binnenrukte, de Oranjevlag weer van den toren liet wapperen, maakte zich ook Aalten gereed, den bevrijder te ontvangen.

    Een groote opwinding maakte zich meester van de bevolking. Een zekere Jan Derk Hoopman kwam met een bijl en begon reeds den vrijheidsboom om te hakken. In den namiddag kwam Suideras te Aalten. De klokken werden geluid. Een groote menigte haalde zingend en dansend den bevrijder binnen. Men tooide zich met Oranje, en men meende dat het leed weer geleden was. Het bleek een valsche hoop te zijn geweest, want de Franschen lieten zich maar zoo niet door Suideras onder de voeten loopen.

    Reeds den volgenden dag hoorde men dat er een Fransch leger in aantocht was, en jawel, de Fransche generaal Girod kwam met zijn leger te Aalten. Jan Derk Hoopman nam de vlucht, en waarschijnlijk zullen meerderen de beenen genomen hebben, want huiszoekingen werden gedaan en zware straffen werden uitgedeeld. De vreugde was dus van korten duur geweest. Hooge belasting moest worden opgebracht, en de verdiensten waren weinig.

    De predikanten hielden godsdienstoefeningen in de open lucht. Zoo klom Ds. Westerbeek van Eerten op een boerenkar, en sprak zijn geloofsgenooten moed in, die bij den huize ‘De Pol‘ waren samengekomen.

    Een toestand van verval trad in. De druk der Fransche overheersching werd al zwaarder en zwaarder. De jongelieden moesten loten voor den Franschen dienstplicht, en toen Napoleon soldaten noodig had voor zijn tocht naar Rusland, moest ook Aalten een contingent leveren. Zij zijn gegaan om nooit weer terug te komen. Hun gebeente rust onder den grond der Russische steppen, of zij zijn omgekomen in het koude water der Beresina.

    Bevrijding

    Tot 1813. In den volkerenslag bij Leipzig was Napoleon verslagen. De Pruisen trokken ons land binnen. De Prins van Oranje kwam vanuit Engeland in ons land, en weer was het ‘Oranje boven’. In Aalten was er weer een jubel. Weer werden de klokken geluid, en nu zou de Oranjevlag blijven wapperen.

    Eén der Oranjetelgen, Prins Frederik, was in Berlijn op school. Gehoord van de omwenteling in Nederland, reisde hij per postkoets naar Den Haag. De route werd genomen over den grooten postweg, door ons reeds eerder beschreven. De grensoverschrijding had aan de Heurne plaats, en toen de bevolking hoorde dat Prins Frederik door Aalten zou komen, ging men het rijtuig tegen, spande de paarden er voor heen en trok men onder luid gejuich de koets door Aalten tot aan den Zelhemschen weg, tot de plaats waar de Lindeboom staat. Welnu, die boom is toen geplant als aandenken aan dat feit, en later is de lindeboom als officieel wapen van Aalten vastgesteld.

    Nog eenmaal zouden de Aaltensche jongens tegen de Franschen moeten optrekken. Toen Napoleon ontsnapt was van Elba en een groot leger uitrustte om zijn ouden roem te heroveren, moest Nederland zijn leger met de bondgenooten tegenover hem stellen. Ook Aaltensche jongelieden hebben toen in den slag van Waterloo meegevochten. Wij weten wat het lot van Napoleon toen is geworden. Het was zijn laatste stuiptrekking geweest.”

    Bron


    • ‘Uit Aalten’s verleden’, door G.H. Rots, Aaltensche Courant, 11 maart 1938 (via Delpher)
  • Galgenbulte (Klaeskesbulte)

    Galgenbulte (Klaeskesbulte)

    De Galgenbulte op de Hollenberg, ook wel bekend als Klaeskesbulte, was vroeger de plek waar de galg stond opgesteld. Hier bliezen ter dood veroordeelde misdadigers, heksen en ander gespuis hun laatste adem uit.

    De executieplaats lag strategisch langs de weg van Aalten naar Bredevoort. De heuvel werd in 1939 afgegraven voor de verbreding van de verkeersweg.

    Locatie bij benadering

    Veemgericht

    In de middeleeuwen was op de Hollenberg, vlakbij Havezathe ’t Walfort, een veemgericht gevestigd. Het was een speciale rechtbank, waarvan de zittingen in de open lucht plaatsvonden bij een bosje met de naam ‘Sleehegge‘. Vier maal per jaar sprak men hier recht bij opgaande zon. Een in de nabijheid gelegen boerenplaatsje heet Galgenhutte. Naar verluid werden daar, in een klein gebouwtje, de benodigdheden voor de terechtstellingen bewaard. Volgens overlevering mochten ter dood veroordeelden daar hun galgenmaal nuttigen.

    Havezathe 't Walfort, Jan de Beijer,1743
    Havezathe ’t Walfort, Jan de Beijer,1743

    Berend de Dücker

    In 1430 sprak vrijgraaf Berend de Dücker, destijds burgemeester van Bocholt, hier recht. Hij zat het veemgericht 60 jaar lang voor. Deze Berend was berucht om zijn strenge vonnissen. Hij veroordeelde vaak tot ophanging. De veroordeelde werd aan een strop van wilgentenen opgehangen door drie anonieme veemschepenen.

    Een bekend dreigement van ouders voor hun stoute kinderen was dan ook tot in de 20e eeuw: ‘De Düker zal ow halen‘.

    Uit de ‘Bestuursinrichting Heerlijkheid Bredevoort’ blijkt dat de bewoners van Kempink en Goorhuis in de Heurne de veroordeelde crimineel, nadat hem het vonnis was voorgelezen op ’t Zand te Bredevoort, moesten afvoeren naar de Hollenberg. Zij moesten ook zonder uitzondering galg(en), rad, kruis, en andere instrumenten voor de executie daarheen brengen in opdracht van de officier.

    Aan het eind van de zestiende eeuw is het veemgericht op ’t Walfort verdwenen. Het is de enige plek in Nederland waarvan is bewezen dat er zich een veemgericht bevond.

    Klaas Nijman

    Op 3 oktober 1729 werd na een proces in Bredevoort en vonnis op ‘t Zand, Klaas Nijman, oud 32 jaren en geboren in het ambt Bocholt, op de Hollenberg geëxecuteerd. Hij was een ‘bedelaar en vagebond’ die was beschuldigd van diefstal met geweld, brandstichting en meer vergrijpen. Hij was al in verschillende plaatsen verbannen, maar keerde steeds weer terug. Als afschrikwekkend voorbeeld voor anderen werd hij op de Hollenberg gewurgd en vervolgens in brand gestoken.

    Harmen Brunsink

    Op 12 februari 1770 werd Harmen Brunsink op de Hollenberg geëxecuteerd. Hij woonde op boerderij de Vosheurne in Lintelo en had daar ‘moeje’ Hendersken Tannemaat vermoord. Harmen kon slecht overweg met deze inwonende tante van zijn vrouw. Tegen de gealarmeerde buren had hij verklaard dat de moeje gevallen was, maar door het aantal en de aard van de verwondingen was dat niet geloofwaardig.

    Harmen werd veroordeeld tot de doodstraf. Hij werd door de beul op een houten kruis gebonden; eerst werden zijn benen en daarna zijn armen aan stukken geslagen. Vervolgens werd hij met een bijl onthoofd. Zijn lichaam werd op een rad geplaatst dat op een paal stond en met ketenen vastgemaakt. Zijn hoofd werd erboven op een staak gezet, om anderen af te schrikken.

    Vonnis Herman Brunsink, 06-02-1770
    Vonnis Harmen Brunsink

    Laatste executie

    In 1938 schreef G.H. Rots:

    “Dat er ook later na het Veemgericht doodvonnissen zijn voltrokken, bewijst dat daar in de nabijheid van ’t Walfort het einde van menig ter dood veroordeelde kwam. Rechts van den weg naar Bredevoort, verborgen onder het struikgewas en boomen, is ’n klein heuveltje. Daar werd de galg opgericht. En als er iemand moest worden terechtgesteld werden van overheidswege een aantal mannen opgeroepen, om een kring te sluiten om de plaats der terechtstelling. De strop mocht eens breken of de veroordeelde mocht zich eens losrukken. Dan was er de kring van mannen die hand aan hand stonden om het ontvluchten te beletten.

    Na een lang tijdperk waarop er geen doodvonnissen meer werden uitgesproken, moet in ’t begin der vorige (=19e, red.) eeuw de laatste galg zijn opgericht. De veroordeelde heette Klaesken, en omstuwd door de kringsluiters, ging het in optocht naar de galg. Het schijnt echter dat men de man een kans heeft willen geven om te vluchten, want toen men aan de Walfortallee kwam, had men tegen hem gezegd: “Dat is de weg naar Pruisen”. De man heeft dien wenk niet begrepen, en op den heuvel heeft hij als laatste der rij veroordeelden zijn leven aan de galg moeten eindigen. Daarom noemt men dat heuveltje nog altijd de Klaeskesbulte.”

    Overige vermeldingen

    Bronnen


  • De Armenjager

    De Armenjager

    In een tijd waarin de overheid geen tot weinig armenzorg op zich nam, waren veel mensen overgeleverd aan de bedelarij. Ze zwierven rond en knoopten met veel moeite de eindjes aan elkaar. In de achttiende eeuw nam het aantal landlopers behoorlijk toe. Omdat deze mensen vaak door de overheid als lastig werden beschouwd en de kerken niet alle middelen hadden om deze armen een kans op een goed leven te geven, werd de armenjager in het leven geroepen. Deze ‘ambtenaar’ was in dienst van de lokale overheid, maar leidde vaak zelf ook een armoedig bestaan.

    Aanstelling van armenjager Willem Hondarp in 1768

    Onderstaande afbeelding is een fragment uit de akte waarin, na het overlijden van Antoni Freriks op 05-01-1768, de aanstelling van Willem Hondarp tot armenjager is vastgelegd. De akte beschrijft tevens de taken van de armenjager. Daaronder volgt de complete transcriptie:

    Aanstelling Willem Hondarp tot Armenjager in Aalten, 10-03-1768

    “Alzoo door de dood van Toni Frederiks Armenjager van het kerspel Aalten, die Armenjagersplaatsen is komen te vaceren en het tot ruste en vrede en beveiliging der huislieden en borgers van Aalten tegens alle gewelt en overlast van vreemde vagabonden en bedelaars ten hoogsten nodig is, dat die vacante plaats door een ander bekwaam persoon werde vervult, zoo is ’t dat ik op ’t goed getuigenis aan mij gedaan van de onversaagdheid van den persoon van Willem Hondarp, denzelven Will. Hondarp hebben aangestelt, gelijk ik hem aanstelle kragt deeses tot Armejager van het kerspel Aalten, op alsulke emolumenten als van ouds daaraf gegeven zijn en nog gegeven worden, gelastende den bovengenoemden Willem Hondarp om alle vreemde bedelaars, vagabonden en landlopers aanstonds uit ’t kerspel Aalten en selfs uit deese Heerlijkheid te doen vertrekken, en soo er eenige mogten gevonden worden, die eenig gewelt of prolest kwamen te doen, dezelven met geweld te keer te gaan, en zoo mogelijk binnen Bredevoort in ’s Heeren gevangenisse te brengen.

    Landloper door Pieter Quast, 1634. Ets: Rijksmuseum Amsterdam.
    Landloper door Pieter Quast, 1634. Ets: Rijksmuseum Amsterdam.

    Denselven verder gelastende, dat geen collecten het zij van vreemden of ingesetenen sal gedogen, ten zij deselven met een behoorlijk briefje of attestatie van de officier of in absentie van den stadholder deeser Heerlijkheid zijn voorzien, en die daarmede voorsien zijn vrij en onverhindert te laten passeren en repasseren. Dat voorts in geval de voogd of ondervoogd hem Willem Hondarp in het een of ander exploict mogten nodig hebben en hem daartoe kwam te roepen of te laten roepen, dat hij dan aanstonts met hem voogd of ondervoogd zal hebben te gaan en dien te gehoorsamen en te adsisteren, zoo veel hem mogelijk weesen sal. Voorts van tijd tot tijd door de buurten te gaan en wel sorge te dragen, dat de huislieden geen overlast van den een of den anderen werde aangedaan; verder alle vreemde en onberegtegde jagers jagende in deese Heerlijkheid, zoo moogelijk is aan te houden en op te brengen, en zoo hij er eenige mogte kennen die hij niet konde opbrengen, dezelve aan den officier of desselfs stadhouder aan te brengen en verder te doen al wat een getrouw en ordentelijk Armejager verpligt is te doen, en zoo veel moogelijk is zorge te dragen, dat er geen klagten van huislieden komen.

    Dog zoo ’t kwam te gebeuren, dat denzelven Willem Honddarp in ’t een of andere mogte te kort schieten en behoorlijke adsisstentie van de huislieden kwam te versaeken, en hem die assistentie geweigert wierde, zal hij van die verweigeringe aan den officier of aan desselfs stadholder kennisse te geven.

    Ende dit alles tot onzes herroepens toe. Gegeven op den huize Walvaert den 10den Maart 1700 agten zestig en door mij als drossard deeser Heerlijkheid eigenhandig ondertekent en met mijn gewoonlijk cachet bekragtigt.

    Get. Ad. de Pallandt”

    Proces

    Op 20 februari 1804 dient in Bredevoort een rechtszaak tegen Jan Willem Brusse(n), armenjager. Hij heeft op 23 december Willem Beskers, bij het huis van Goormans in Barlo, ‘op moorddadige wijze aangerand’. Brusse heeft hem met de sabel een houw op de elleboog gegeven en daarbij ernstig verwond, zodat hij die arm niet meer kon gebruiken. Brusse bekent, maar verklaart dat toen hij Willem Beskers vroeg of deze een bewijs had dat hij mocht collecteren, deze hem aangevallen heeft. Brusse zou zich alleen hebben verweerd. Boete: 25 guldens.

  • De Aaltense beroeringen in 1750

    De Aaltense beroeringen in 1750

    Begin 1750 werd het rustige Aalten opgeschud door een reeks opvallende religieuze verschijnselen. Tijdens kerkdiensten barstten mensen in tranen uit, zuchtten luid of zakten in elkaar alsof ze het bewustzijn verloren. Sommigen vertelden zelfs over ontmoetingen met engelen of over aanvallen van de duivel. De gebeurtenissen leidden tot landelijke aandacht en zouden de geschiedenis ingaan als de Aaltense beroeringen.

    Wat in Aalten gebeurde stond niet op zichzelf. Een jaar eerder was in Nijkerk een religieuze opleving begonnen die in korte tijd landelijke bekendheid kreeg. De verhalen over deze Nijkerkse beroeringen verspreidden zich snel en vormden ook in Aalten de voedingsbodem voor een eigen, hevige beweging.

    Impressie van de Nijkerkse Beroeringen van Reinier Vinkeles (1788, Atlas Van Stolk)
    Impressie van de Nijkerkse Beroeringen van Reinier Vinkeles (1788, Atlas Van Stolk)

    Volgens predikant Philippus de Roy, die toen de Hervormde Gemeente van Aalten diende, was er vóór deze gebeurtenissen sprake van onwil tot bekering en een ‘burgerlijke godsdienst’, waarbij mensen weliswaar trouw hun kerkelijke plichten vervulden, maar het geloof niet “een zaak van het hart” was.

    Aan het begin van 1750 kwam daarin plotseling verandering. In korte tijd werden honderden mensen in de gemeente diep geraakt door een besef van hun zonden. Dit gebeurde op zo’n indrukwekkende manier dat het zich “van huis tot huis” verspreidde. De Roy schreef hierover:

    “Nu sedert den aanvang van dit jaar heeft God op een uitstekende (…) wyse sig door zynen Geest in het midden van ons geopenbaart: en honderden van zielen aan sig selven ontdekt, door hun een levendige bevattinge te schenken van de rampstaat van nature.”

    Oude Helenakerk, Aalten

    Heftige emoties en fysieke verschijnselen

    De opwekking ging gepaard met extreme emoties en lichamelijke reacties. Mensen kregen zo’n angst voor Gods straf dat ze “van benauwdheid zouden barsten” of het leek alsof hun keel werd dichtgeknepen. Soms rukten ze hun kleren los om adem te krijgen, maar dit hielp niet. Er werden meldingen gemaakt van “onbeschrijfelijk” zuchten en steunen, en mensen trilden en beefden over hun hele lichaam.

    Sommige mensen werden zo overmand dat ze op de grond vielen en luidkeels om vergeving baden. Een vrouw die tijdens een bijeenkomst op de knieën viel, beleed haar zonden en pleitte op Gods beloften. Later legde ze uit dat het “onmogelijk was zich in te houden vanwege de drukkende last van de zonde. Zelfs al zou de hele wereld erbij geweest zijn, dan zou ik mij niet stil hebben kunnen houden.” Het was niet ongewoon dat mensen na een bijeenkomst op karren naar huis moesten worden vervoerd, alsof ze gewond waren.

    Een dorp in beroering

    De toeloop van mensen was enorm. Kerkdiensten en catechisaties, die vaak in huizen werden gehouden, trokken zo veel volk dat de kerk te klein was om alle bezoekers te herbergen. De catechisaties, waar de preek van zondag werd besproken, waren de plekken waar de beroering het hevigst was. Tijdens een samenkomst in de buitenlucht in mei 1750 ontstond er zelfs een “enorme ontroering enkel door het zingen van een psalm”.

    Volgens sommige berichten was het aantal “bewogenen” in Aalten met 1700 zelfs groter dan in het beroemdere Nijkerk, waar er 1000 zouden zijn geweest. Zulke cijfers zijn moeilijk te controleren, maar ze geven wel aan hoe groot de beweging werd ingeschat.

    Reacties en pamflettenstrijd

    De opmerkelijke verschijnselen bleven niet onbesproken. Er ontstond een levendig debat in pamfletten en geschriften. Critici wezen op mogelijke overdrijving en wanorde in de erediensten. De Roy reageerde op die kritiek met een brief, gericht aan een onbekende dame, in druk uit. Dit boekje, Brief geschreven aan de WelEdele Juffer N.N. (Zutphen 1750), werd een sensatie: in drie weken werden 5.000 exemplaren verkocht, en in juli 1750 volgde al een tweede druk.

    Het succes van dit boekje lokte een kritische reactie uit. In een anoniem pamflet, De onfeilbare Proef-steen van De nieuwe en zeldzaame Bekeering (Leeuwarden 1750), werd de beweging fel aangevallen. De tegenstanders beschuldigden de beroeringen van “geestdrijverij” en “dweperij”. De Roy liet dit niet onbeantwoord en schreef een eigen verdediging: De Feilbaarheid van den zo genaamde ONFEILBAREN PROEFSTEEN aangewezen (Zutphen 1750).

    Einde van de beroeringen

    De hevigste verschijnselen in Aalten duurden slechts enkele maanden. Al rond de zomer van 1750 nam de intensiteit af. De bijeenkomsten bleven nog wel doorgaan, maar de massale emotionele uitbarstingen en dramatische taferelen werden steeds zeldzamer. Dit patroon was vergelijkbaar met de beroeringen elders in Nederland, zoals in Nijkerk. Kritiek van predikanten, kerkelijke besturen en anonieme pamfletten speelde hierbij een rol en droeg eraan bij dat de beweging langzaam uitdoofde.

    Bronnen


    • M.J. Oosting, De Aaltense beroeringen in 1750, Aalten 1987
    • Philippus de Roy, Brief geschreven aan de WelEdele Juffer N.N., Zutphen 1750
    • De onfeilbare Proef-steen van De nieuwe en zeldzaame Bekeering, Leeuwarden 1750
    • Philippus de Roy, De Feilbaarheid van den zo genaamde ONFEILBAREN PROEFSTEEN aangewezen, Zutphen 1750
    • Overzicht van pamfletten en context via DBNL
    • Joke Spaans, Onderdrukking van de opwekking? (Universiteit Utrecht, 2003) PDF
  • Oost-Gelderland in 1741

    Oost-Gelderland in 1741

    Reizen, reizen door eigen land, reizen in den vreemde, is een liefhebberij, van alle tijden en alle volkeren. Reizen en reisbeschrijvingen maken gebeurde ook in Overijssel. De Deventerse geleerde mr. G. Dumbar, heeft in de 18de eeuw veel over ons land geschreven. Zo ook over Gelderland. In de Tegenwoordige Staat van alle Volkeren (afd. Gelderland) vertelt hij van steden en dorpen in de Achterhoek, waaraan wij het een en ander ontlenen. Te beginnen bij Borculo gaande tot Lichtenvoorde, zullen wij vertellen hoe Dumbar het oude land in de Graafschap zag.

    Veel is er veranderd; de heide en de venen zijn grotendeels weg. De zeer slechte zandwegen zijn vervangen door prima verharde wegen. De armelijke hutachtige boerenwoningen zijn veranderd in behoorlijke verblijven voor mens en vee. Vele bossen zijn eveneens verdwenen en met deze loop der laatste twee eeuwen tal van adellijke huizen. Steden en dorpen zijn veranderd, maar toch niet zo veel of zij hebben hun voorsprong die zij reeds hadden, tot op de huidige dag behouden.

    Saksische boerderij
    Illustratie door Piet te Lintum uit het artikel ‘Boerenleven

    De Heerlijkheid Bredevoort

    Van Neede stapt hij over op de heerlijkheid Bredevoort waarvan wij lezen dat de Heerlijkheid Bredevoort reeds zeer oud is. In 1245 werd het kasteel van Bredevoort door Herman Graaf van Loon ter leen opgedragen aan Otto van Nassau Graaf van Gelder en Zutfen. Willem hertog van Gulik en Gelder, gaf het leen in het jaar 1388 in pandschap aan Hendrik van Gemen voor drie duizend Franse Schilden. Jacob van Bronckhorst heeft er naderhand met toestemming der Staten van Gelderland het zelfde recht van pandschap op gehad. Doch in het jaar 1580 de zijde van de vijand gekozen hebbende, werd de stad met het kasteel en Heerlijkheid Bredevoort aan Prins Willem I gegeven. Zijn nakomelingen hadden in 1741 de Heerlijkheid nog.

    De Stad Bredevoort

    Wat de stad Bredevoort aangaat, was het er in 1741 beter dan nu. Toen woonden er de drost en de richter en nog twee plaatsvervangende dito’s, een stadhouder, een advocaat-fiscaal, een landschrijver, een Commandeur. Verder nog enkele officieren. Al die hoge heren sleten veel geld in het stadje dat er destijds zeer voornaam moet hebben uitgezien. De gewone man die in de dorpen Winterswijk, nota bene destijds het grootste dorp van geheel Gelderland! Aalten en Dinxperlo leefde, moest dansen naar het pijpen van de drost van Bredevoort en zijn kliek.

    Het steedje Breedevoort, 1743

    Bredevoort zelf heet in 1741 zeer sterk te zijn. De omliggende gronden bestonden alle uit moeras, waarop niemand zich waagde. Bovendien lagen er drie compagnieën infanterie, waar al deze mensen onder dak werden gebracht is mij nog steeds een raadsel.

    De burgers van Bredevoort lieten de buitenmensen van Winterswijk en Aalten voelen dat zij van een betere soort mensen waren. Als het des winters bitter koud was en het vroor hard dan moesten de Aaltenaren en de Winterswijkers komen om ijs voor de ijskelders te hakken. De post moest door de mannen van Winterswijk en Aalten voor niemendal bezorgd worden. Ook moest elk jaar een wagen vol rijsbezems aan Bredevoort geleverd worden. Moest er klopjacht op dieven, rovers, vagebonden en wolven gehouden worden, de Aaltenaren en Winterswijkers mochten kloppen en de geweren dragen en zich door de heren laten uitschelden. Wat zal het volk van Winterswijk en Aalten gejubeld hebben, toen de Fransen in 1795 aan deze toestand een eind maakten.

    Intussen schreven wij nu 1951 en het moet gezegd worden: de beide assepoesters van Winterswijk en Aalten zijn sinds 1741 flinke maagden geworden, en verkeren in blakende welstand. Het is echter wel de ironie der geschiedenis, dat de stiefmoeder Bredevoort nu wel eens wat stiefmoederlijk behandeld wordt. Wanneer men ten minste over haar ongelijke straten van veldkeien wandelt, dan krijgt men medelijden met de uit de kleren geschoten jonkvrouwe van twee eeuwen geleden.

    Aalten overvleugelde Bredevoort

    Markt Aalten, door Jan de Beijer, 1743
    De Markt te Aalten, door Jan de Beijer, 1743

    Toen de moderne textielindustrie opkwam, was Aalten favoriet. De Driessens uit Bocholt, zijn de grondleggers van Aaltens opkomst. Reeds in 1826 vestigden zij zich hier. Zij trokken andere industrieën aan. Wel zijn er in de vorige eeuw nog enkele zwarte bladzijden, doch Aalten keerde de rollen om en is thans de baas in de voormalige Heerlijkheid Bredevoort. Vanzelfsprekend heeft de gemeente thans even grote zorgen als haar zuster gemeenten, dat neemt echter niet weg dat Aalten er zijn mag.

    Het is intussen verbazingwekkend hoeveel moerassige grond, zulke grote heidevelden en woeste bossen er in 1741 waren. Wanneer de historie niet natuurgetrouw was weergegeven en ons ook nog niet meer bronnen ten dienste staan, zou men haast niet kunnen geloven dat de toestand zo was. Thans ziet men er welvarende landen en malse weiden, die een lust voor het oog zijn.

    Hetgeen wij hier hebben beschreven is zo ongeveer alles wat er van de Achterhoek verteld wordt. Het is weinig. Men vergete echter niet dat in 1741 iemand uit Amsterdam de door ons beschreven streek als een soort rimboe beschouwde, waar hij liefst zo ver mogelijk vandaan bleef. Het is dan ook zeer verklaarbaar dat in vroeger eeuwen de bevolking van Oost-Gelre in economisch en geografisch opzicht veel nauwer verwant was met Duitsland dan met het Hollandse Westen. De houding der Duitsers heeft hierin de laatste jaren een grote verandering gebracht.

    Van Coeverden — Goor.

    Bron


    • Tubantia, 6 oktober 1951 (Delpher)
  • Een belastinggeschiedenis uit het jaar 1717

    Een belastinggeschiedenis uit het jaar 1717

    Aaltensche Courant, 28 februari 1941

    Men vestigt onze aandacht op het Hoofdartikel in het „Weekblad der Belastingen”, no. 3562, met het opschrift „Rekenplichtige aansprakelijkheid uit de oude doos”, van de heer A. A. Vreede te Arnhem. Het artikel behandelt een belastinginvordering in de gemeente Aalten in het jaar 1717. Wij ontleenen hieraan een uittreksel met weglating van beschouwingen van theoretisch en technisch karakter, maar daarentegen met aanvulling van ons door den schrijver verstrekte bijzonderheden van plaatselijken aard, welke voor de lezers van het genoemde vakblad van minder belang waren.

    Een notabel ingezetene van Aalten, Peter Huijninck, landbouwer en keurnoot, (bijzitter op den gerechtsdag), werd in het jaar 1700 door den Ontvanger-Generaal van de Graafschap Zutphen, na overleg met de „Geërfden”, aangesteld als beurder, (ontvanger) der Verponding (grondbelasting) van de kerspelen Aalten en Dinxperloo.

    Deze kerspelen behoorden met de stad Bredevoort en het kerspel Winterswijk tot de Heerlijkheid Breedevoort. De ambachtsheeren van Breedevoort (sedert 1612 de Prinsen uit het Huis van Oranje-Nassau), hadden van ouds representatieve bevoegdheden verleend, in elk kerspel afzonderlijk, aan een paar van de voornaamste scholtengeslachten, en bij gebreke daarvan aan andere grondbezitters. Deze door of vanwege den ambachtsheer gemachtigde personen hadden tot omstreeks het begin der 16e eeuw ook bestuurlijke funktiën, daarna nog alleen het toezicht op de heerendiensten en de zorg voor het innen van sommige jaarlijksche opbrengsten, waartoe later ook eenige aansprakelijkheid voor het binnenkomen van de verponding behoorde. Hiermede hield verband, dat de aanstelling van een ontvanger in overleg met deze gemachtigden, hiervóór als „Geërfden” aangeduid, plaats had, en dat het stellen van zekerheid door een benoemde in de toenmalige acten van borgstelling heette ten behoeve van den Ontvanger-Generaal en ten dienste der Geërfden te zijn gevorderd.

    Deze stukken kwamen evenals alle andere vrijwillige acten, als ook de gerechtelijke acten, tot stand door eene verklaring in een gerechtszitting. Het gerecht, bestaande uit den Drossaart (rechter) of den Stadtholder (plaatsvervangende rechter), twee Keurnooten (bijzitters) en een Landsschrijver (griffier), zetelde te Breedevoort, doch hield beurtelings zitting in elk kerspel, waar dat noodig was. Bij de aanstelling van Peter Huijninck als beurder trad zijn broeder Hendrik Huijninck als borg op, en in de acte van borgtocht werden verschillende vaste goederen van beiden als zekerheid voor het beheer verbonden.

    Verscheidene jaren ging het goed, maar langzamerhand werd de beurder nalatig met de invordering en ontstond er een toenemende achterstand in de afdracht van gelden aan het kantoor van de Graafschap te Zutphen. Op herhaald aandringen van den Ontvanger-Generaal kwam er af en toe een tijdelijke verbetering; o.a. verzocht de Keurnoot Peter Huijninck in zijne kwaliteit van beurder op Mercury (Woensdag) den 21 April 1717, op den Gerichtsdag te Aalten beslag te leggen op vastgoed van Jan ten Heetbrink, den Jongen, en van Mechtelt Brethouwer, wed. Derk Nachtegaal, wegens achterstallige verponding, maar duurzame verbetering kwam er niet.

    Het was in Aalten van algemeene bekendheid, dat deze toestand niet kon voortduren en dat een gerechtelijk optreden tegen den nalatigen beurder niet kon uitblijven. Het is dus begrijpelijk dat de erfgenamen van den sedert overleden borg Hendrik Huijninck vreesden, dat ook het door dezen verbonden vastgoed zou worden aangesproken. Als gevolg hiervan verschenen op Venery (Vrijdag), den 18 Juni 1717 de beurder Peter Huijninck en zijne echtgenoote Geesken Locken voor het gerecht, deelden mede, dat de genoemde erfgenamen hen dagelijks lastig vallen door aan te dringen op maatregelen, waardoor zij schadeloos zouden worden gehouden, en verbonden mits deze een vierde aandeel in het erve en goed Westendorp in IJzerlo en twee derde in het Snoejenbos, op de Haart gelegen, voor zoover Arent Snoejenbos dat in pacht heeft, opdat de erven daarop eventueele schade zouden kunnen verhalen.

    Dit gebeurde nog juist bijtijds, want reeds tien dagen later op Luno (Maandag), den 28 Juni 1717 verscheen een gemachtigde van den Ontvanger-Generaal Hendrik van Essen, voor het gerecht om eene executoriale sommatie uit te brengen tegen den beurder Peter Huijninck met uitnoodiging om binnen tien dagen eene som van 17134 guldens, 1 stuiver, 10 deniers ten kantore van de Graafschap aan te zuiveren, als achterstand over de jaren 1713—1716 en met bedreiging van gerechtelijken verkoop van de bij de borgtochtacte verbonden vaste goederen. Een afschrift van de sommatie werd den volgenden dag door den voogd, (gerechtsdienaar of deurwaarder), Jan Keunen aan den beurder beteekend, sprekende met zijne huisvrouw Geesken Locken.

    Nu sloeg de erfgenamen van den borg, die zich door de acte van 17 Juni nog niet veilig achtten, eerst recht de schrik om het hart, want nog denzelfden dag verscheen namens hen de schoolmeester Rutger Muller te Aalten, schoonzoon van den overleden Hendrik Huijninck, voor het gerecht om beslag te leggen op de roerende goederen van Peter Huijninck, alsook op de vruchten en het mestrecht van door dezen gepachte landerijen, eveneens op diens veeneplas en den daarop staanden turf in het Barlosche Veen, verder op Smeenks zichtvrede, (maairecht), en op zijne mans- en vrouwenzitplaatsen in de Aaltensche kerk. Dit optreden van neef Muller werd oom Peter nu toch te bar. Zelf ziekelijk, liet hij door zijn zoon Adriaan op den 2 Juli 1717 verzet doen tegen dit, door hem waardeloos en onwettig genoemde, beslag.

    De beurder was niet in staat aan de sommatie van den Ontvanger-Generaal te voldoen. Op den 5 Augustus 1717 werd door het gerecht bepaald, dat de publieke verkoop van de verbonden vaste goederen zou plaats hebben op den 10 September 1717 binnen Aalten ten huize van de Wed. van wijlen Harmen Evers. (Waarschijnlijk aan de westzijde van de Landstraat het tweede pand ten noorden van de Hoekstraat). Ten overstaan van het Gerecht, bestaande uit den Stadtholder Jacob Becquer (Becker, red.), en de Keurnooten Jan Evers senior en Jan Evers junior deed de Ontvanger-Generaal bijgestaan door twee rechtsgeleerden op den genoemden 10 September den verkoop plaats hebben na voorlezing van de veilconditiën en van eene omschrijving van de goederen. De eerste veiling geschiedde bij opbod, de tweede onmiddellijk daarna bij afmijning en blijkens de biedingslijst waren er vele gegadigden.

    • Perceel 1. Drie vierde part van het goed Westendorp in IJzerloo. Eigenaren waren Peter Huijninck voor 5/8, en de erven Hendrik Huijninck voor 3/8, waarvan elk 3/8 had verbonden; buiten den verkoop bleef dus 1/4. Kooper van het 3/4 deel werd Gijsbert Prins voor f 2950.—.
    • Perceel 2. Het woonhuis van Peter Huijninck aan de Markt te Aalten 1. Kooper Willem Lourens Kampf namens Adam Willem Kampf voor f 1740.
    • Perceel 3. Bouwland op Smeenk-Winkel, anderhalf schepel. Kooper Derk Neerhof voor f 505.—.
    • Perceel 4. Een stuk bouwland op Smeenk-Winkel, grootte niet vermeld, kooper Willem Eppink voor f 480.—.
    • Perceel 5. Zes schepel land, genaamd het Wijntjesstuk, kooper Adam Willem Kampf voor f 465.—.
    • Perceel 6. Vier stukken hofland in Smeenkgoorden, grootte niet vermeld, kooper als voren voor f 205.—.
    • Perceel 7. De Dalshof, grootte niet vermeld, kooper als voren voor f 230.—.
    • Perceel 8. De Horsterkamp in Linteloo, grootte niet vermeld, kooper Jan Evers voor f 600.—.
    • Perceel 9. De Grevincksweide bij Aalten. grootte niet vermeld, kooper Jan te Bokkel voor f 470.—.
    • Perceel 10. Het pachtkoorn van de verbonden losse perceelen, benevens het jaargeld, de diensten en de smalle pachten door den bouwman van het Westendorp verschuldigd, alles over het loopende jaar; kooper Jan Arentsen voor f 95.—.
    • Perceel 11. Het pachtkoorn in garven van drie vierde van het Westendorp in des bouwmans behuizinge geborgen; koopers Wessel Broekhuys voor f 55 en Jan Arentsen voor f 25.-. Eigenaren van de perceelen 2—7 was de beurder Peter Huijninck en van de perceelen 8—9 de erven van den borg Hendrik Huijninck.

    Dadelijk na de tweede veiling volgde de toeslag, althans in naam, want bijna vijf weken later op 14 October liet de Ontvanger-Generaal voor het Gerecht verklaren, dat er voor de perceelen 3 en 4 op Smeenkwinkel een hooger bod was gedaan door de Douairière van Nagell tot Ampsen, geb. Barones van Coeverden, en dat de eerste koopers konden worden bedankt. Dezen, de landbouwers Neerhof en Eppink, lieten zich echter niet onbetuigd en dienden op 18 October bij het Gerecht een protest in benevens de verklaring, dat zij de veilconditiën getrouw opvolgden en rustig zouden voortgaan met het gekochte te bebouwen en bezaaien, ’t Is voor hen te hoopen, dat zij niet zijn teleurgesteld.

    De totale opbrengst bedroeg f 7542, zoodat de aanvankelijke achterstand van ruim f 17134, was verminderd tot ruim f 9592. Het zou voor de hand liggen, dat de Ontvanger-Generaal zou trachten dit restant op de overige goederen van den beurder zooveel mogelijk te verhalen en zoo noodig door middel van een nieuwen beurder van de nalatige belastingschuldigen zou laten invorderen. Hij volgde echter een anderen heel bijzonderen weg. Daar de z.g.n. Geërfden volgens het heerlijk recht van Bredevoort mede aansprakelijk waren, bracht hij dadelijk na afloop van de veiling bij het Gerecht eene sommatie uit aan de Geërfden van Aalten en Dinxperloo, zonder aanduiding van bepaalde personen, welke sommatie aan den Drost als Erfmarken-richter werd beteekend.

    Reinier Jurrien Baron van Coeverden en Walfaerdt 2 was toen ten tijde vertegenwoordiger van den Ambachtsheer met de titels van Hofrigter, Verwalter, Drossaert en Rigter. De Ontvanger-Generaal liet vervolgens nagaan, welke personen volgens het bestaande landsrecht als Geërfden aansprakelijk waren en op Jody (Donderdag) den 7 October 1717 deed hij eene vrijwel gelijkluidende sommatie voor het Gerecht uitbrengen, waarbij de genoemde som van 9592 gld. 1 st. 10 d., behalve de kosten werd gevorderd van de Heeren Scholte Jan Roerdink en Scholte Berent Arentsen ten Ahave, beiden als „Geërfden” van Aalten en aldaar wonende, benevens de Heeren Reynen van de Mebele en Rosier Jegerink, beiden te Dinxperloo, als „Geërfden” van dat kerspel, het bedrag gesplitst volgens staat en behoudens hun recht van wederverhaal.

    Begrijpelijkerwijs waren de „Geërfden” al heel weinig ingenomen met dit optreden van den Fiscus. Zij bestreden de vordering niet, doch haastten zich al evenmin met de voldoening. Die van Dinxperloo, wier aandeel betrekkelijk gering was, lieten zich het eerst overhalen tot storting van hun portie over te gaan en genoten daarbij den steun van het plaatselijk bestuur. Tot verhaal van dit voorschot verscheen op Sabbathy (Zaterdag) den 20 November 1717 voor het Gerecht eene commissie, bestaande uit Dr. Jur. Evers te Aalten. Vooght Grotenhuys en Garrit Jegerink, beiden te Dinxperloo, door de „Gemeinthe Dinxperloe” „geauthoriseert”, om beslag te leggen op de roerende goederen van den inmiddels overleden beurder en te verzoeken deze met spoed te doen inventariseeren en twee dagen later te laten verkoopen wegens gebrek aan voeder voor de paarden en „beesten”.

    Men zal zich herinneren, dat de schoolmeester Rutger Muller namens de erven van den borg op dezelfde goederen in Juni ook al beslag had laten leggen. Beide partijen bleven in eene langdurige procedure elkaars rechten betwisten. Wel begaf het Gerecht zich op Maandag 22 Nov. naar het huis van de Wed. Peter Huijninck, voor de inventarisatie, doch tot verkoop kwam het voorloopig niet, al zal voor het levende vee wel eene voorziening zijn getroffen. Meer dan een half jaar later, den 24 Juni 1718 beveelt het Gerecht op aandrang van meergenoemden Muller den Voogt en den Ondervoogt in Aalten de beslagen goederen op eene onzijdige plaats na inventarisatie op te slaan ten huize van Jan Janknegt, een der gerechtsdienaren. Verder bevat het Protocol over deze zaak geen bijzonderheden meer.

    De Geërfden van Aalten bleven voorloopig lijdelijk afwachten, zoodat de Ontvanger-Generaal het raadzaam achtte hun het vuur nader aan de schenen te leggen. Na drie maanden op Jovis (Donderdag) den 6 Januari 1718 verscheen Hendrik Casper Stumph, „der Regten Doctor” te Aalten, als bedienend advocaat van den Ontvanger-Generaal voor het Gerecht en verzocht vaststelling van een „schonen vasten dag” voor den gerechtelijken verkoop van hunne vaste goederen.

    In de acte worden genoemd:

    • de windmolen (in den Esch), leenroerig aan den Graaf van Bentem;
    • een part van het hofhoorig goed Hunink;
    • een part van het goed Boeink (Winterswijk);
    • een part van het goed Bouwmeester, alsmede van eenige perceelen van het goed Rigterink;
    • een huis en hof te Aalten;
    • de watermolen;
    • den Hof te Ahave (het goed De Pol te Aalten) met onderhoorige goederen;
    • een part aan het goed Rikkert in Haart-Heume;
    • een part aan Bennink; twee parten aan Het Slaa in Haart-Heurne.

    De veiling werd bepaald op den 8 Maart 1718, wederom ten huize van de Wed. Evers, des achtermiddags om twee uur.

    De beide Geërfden zagen nu, dat de zaak ernstig werd en dat zij over de brug zouden moeten komen. Inmiddels was er ook van ambtelijke zijde orde op zaken gesteld. De oude beurder Peter Huijninck was einde October overleden en een andere Aaltensche ingezetene Adam Willem Kampf (ook wel geschreven Campf en Cempf) werd tijdelijk belast met de waarneming van het beurdersambt. Hij betrok het huis aan de Markt van zijn voorganger, dat hij misschien al bij voorbaat op de gerechtelijke veiling gekocht had en den 12 Maart 1718 passeerden hij en zijne echtgenoote Gesina Smits eene acte van borgstelling, waarbij tevens werden verbonden het goed Bulsink in Linteloo en de perceelen op de gerechtelijke verkooping van wijlen Peter Huijninck aangekocht, terwijl als borg optrad Dr. Jan Casper Evers, die den Busscher Kamp, tusschen Aalten en Bredevoort gelegen, voor het beheer van Kampf verbond.

    De achterstallige belasting werd nu zooveel mogelijk met bekwamen spoed ingevorderd en ten slotte schijnen Scholte Roerdink en Scholte Arentsen er zonder al te veel kleerscheuren te zijn afgekomen.

    De tijdelijke beurder kreeg na eenige maanden eene vaste aanstelling met den ambtstitel van „Ontvanger”. Vooraf waren echter over en weer voorwaarden gesteld. De benoemde moest het beheer van zijn voorganger overnemen, zooals het reilde en zeilde en zijne borgstelling tot een bedrag van f 1000 verbinden tot schadeloosstelling van de Geërfden, als deze dat zouden verlangen; den 30 November 1718 werd zijne borgtochtacte in dien zin aangevuld. Daartegenover werd zijn minderjarige zoon Seger Adolph medewerker van zijn vader met het uitzicht later diens opvolger te worden, zoodat op denzelfden 30 November de ontvanger Kampf een ambtseed aflegde voor zichzelf en tevens voor zijn genoemden zoon. De jonge Kampf is later echter elders burgemeester geworden.

    Voetnoten


    1. Het pand aan de oostzijde van het marktplein met uitgang in de Peperstraat, ten noorden grenzende aan het perceel waarop thans het café Keizer, ten zuiden belend door het huis van Gijsbert Grevinck, dat aan de andere zijde grensde aan de brouwerij met voortuin van Lemmert Te Kavestede. Dit laatste perceel werd blijkens opschrift van een gevelsteen in 1799 verbouwd door Lourens Becking en Willemina Geertruid Schaars tot woonhuis, branderij en landbouwschuur. ↩︎
    2. „Walfaerdt” zal eene wijziging zijn van „Walvoort” den naam van de bekende Havezathe, tusschen Aalten en Bredevoort gelegen. De later ook officieel en in familienamen wel gebezigde schrijfwijze „Walfort” zou foutief en de uitspraak „Walvoort” juist zijn. ↩︎

    Bron


  • Marry’s heksenproef

    Marry’s heksenproef

    Een van de laatst bekende heksenprocessen in Bredevoort en misschien zelfs van Nederland, was het proces rondom Marry Hoernemans in 1675. Die overigens de waterproef succesvol doorstond, waarop zij met opgeheven hoofd weer naar huis liep, nadat door de succesvolle proef haar onschuld voor altijd bewezen was.

    In de zeventiende eeuw geloofde men dat heksen vrouwen waren die een verbond met de duivel hadden gesloten. Zij zouden bovennatuurlijke krachten hebben ontvangen in ruil voor het afzweren van God en zijn heiligen. Men geloofde dat heksen bijvoorbeeld boter uit een sloot konden karnen, mensen onvruchtbaar konden maken of oogsten konden laten mislukken.

    Vrouwen die buiten de sociale norm vielen – bijvoorbeeld ongetrouwde vrouwen zonder kinderen – liepen een verhoogd risico om beschuldigd te worden van hekserij. Bij onverklaarbare gebeurtenissen, zoals ziekte of brand, wees men hen vaak aan als schuldige. Het was dan aan de beschuldigde om haar onschuld te bewijzen, vaak door een heksenproef.

    In Bredevoort woonde in 1675 een zekere Marry, de tweede vrouw van Hendrik Hoernemans. Uit zijn eerste huwelijk had Hendrik een zoon, Jan genaamd. Zoals wel vaker gebeurt kon de stiefzoon niet zo goed overweg met z’n stiefmoeder en ze kregen dan ook ruzie. Jan zei voortdurend in het bijzijn van anderen dat zijn stiefmoeder een heks was.

    Marry was woest over deze beschuldiging en stapte naar de rechter. Ze legde het probleem voor, maar voegde er aan toe dat ze niet wilde, dat de rechter haar stiefzoon zou straffen. Wel verzocht ze om een zogenaamde waterproef te mogen ondergaan, om zo te bewijzen dat ze geen heks was. De rechter achtte dat niet nodig: “Iedereen weet toch dat u geen heks bent,” zei hij. “Uw zoon heeft het vast niet zo bedoeld en in zijn drift die opmerkingen gemaakt.” Marry liet zich echter niet van haar stuk brengen. Ze wilde met alle geweld de proef doorstaan.

    Op haar aandringen stemde de rechter toe en op 26 juli 1675 werd de waterproef afgenomen. Zoals gebruikelijk bij heksenproeven werd Marry volledig uitgekleed. Haar handen en voeten werden samengebonden en de beul gooide haar, samen met zijn knecht, tot drie keer toe in het water.

    Marry zonk telkens als een baksteen en als men haar niet steeds naar boven had getrokken zou ze zeker zijn verdronken. Volgens het volksgeloof zou een echte heks blijven drijven, omdat zij door de duivel gedragen werd. Marry zonk – en was dus geen heks. Na afloop kleedde Marry zich aan en ging, zonder verder nog een woord te zeggen, tevreden naar huis. Bewezen was nu, dat ze geen heks was en haar stiefzoon een leugenaar.