De Inname van Bredevoort in 1572 was de verovering van vestingstad Bredevoort, door een Geuzenleger onder leiding van Willem van den Bergh, gedurende de Tachtigjarige Oorlog. Het beleg duurde van 9 juni tot en met 20 juni en resulteerde in de succesvolle inname van de stad door de belegerende troepen. Het beleg maakte deel uit van de tweede invasie van Willem van Oranje, die gericht was tegen het ‘Spaanse’ Leger van Vlaanderen.
Het was in de Tachtigjarige Oorlog en Bredevoort was onder Spaans gezag. Vanaf het najaar van 1570 waren er in de Achterhoek echter geruchten over een aanval van opstandelingen, ook wel Geuzen genoemd. Tot 1572 bleef het bij een dreiging. Na de inname van Den Briel op 1 april 1572 verzamelde Graaf Willem van den Bergh, de zwager van Willem van Oranje, in Wesel een leger van ongeveer 5000 manschappen. De bedoeling was om een veldtocht door de Achterhoek en langs de IJssel te ondernemen. Deze veldtocht ging gepaard met plunderingen van onder andere kerken en kloosters.
De vesting Bredevoort, gravure door Willem Baudartius (1606)
Beleg
Op 9 juni verscheen een trompetter voor de stadspoort die de stad wilde opeisen voor Willem van Oranje. De keuze bestond uit de eed afleggen voor de prins, of strijd. Er werd harde taal aan de eis toegevoegd, want als er strijd kwam zou de stad een bestorming te wachten staan waarbij niets en niemand gespaard zou blijven. Drost Jasper van Broeckhuijsen liet weten dat zij eerst de mening van pandheer Dirk van Bronkhorst-Batenburg wilden afwachten.
Intussen had Willem van den Bergh de volgende dag de stad Zutphen ingenomen en had deze de nog niet veroverde steden brieven gestuurd met daarin de uitnodiging om naar Zutphen te komen om daar de eed af te leggen aan de prins. De drost van Bredevoort adviseerde burgers te gaan, maar dit advies werd niet opgevolgd.
Van Broeckhuijsen wist de pandheer in Anholt er uiteindelijk wel van te overtuigen dat Bredevoort niet in staat was zich te verdedigen tegen de overmacht. Van Broeckhuijsen toog naar Zutphen om te onderhandelen. Op 19 juni werd een verdrag gesloten waarin huis, stad en heerlijkheid aan de prins werden overgeleverd, maar de pandheer in zijn rechten zou blijven.
Kasteel Breevoort, door Jacobus Craandijk
Inname
Op 20 juni werd Bredevoort dan ingenomen en door Gisbert van Heerde bezet met zijn regiment Franse troepen. Jasper van Broeckhuijsen en alle ambtenaren van de heerlijkheid werden ontslagen en Jacob van der Capellen werd daarna als nieuwe drost geïnstalleerd. De rest van het leger trok verder naar het westen voor de inname van Doetinchem. Van rust was echter niet lang sprake.
Intussen was Don Frederik met een groot leger in aantocht voor een strafcampagne en in november was Bredevoort opnieuw onderdeel van de strijd. Jacob van Bronkhorst, zoon van de heer van Anholt, nam op 20 november het stadje in voor de Spaansgezinde troepen van de hertog van Alva en zijn zoon Don Frederik. Een maand later plunderden de geuzen het kasteel Bredevoort, het klooster Schaer, de Sint-Joriskerk en in Winterswijk de Jacobskerk.
Van den Bergh vluchtte na het Bloedbad van Zutphen naar Duitsland en ook de Geuzen die in Bredevoort waren vluchtten mee. Ze namen vijf kanonnen en munitie mee uit de stad. Pandheer Dirk van Bronkhorst-Batenburg kwam nu openlijk uit voor zijn Spaansgezindheid. Bredevoort zou onder Spaanse vlag blijven tot het beleg van 1597 door Maurits van Nassau, de latere prins van Oranje.
De Calvarieberg bevond zich naar verluidt op het hoogste deel van de Aaltense es, bij de huidige begraafplaats Berkenhove en de watertoren. Historici vermoeden dat deze plek in de late middeleeuwen het eindpunt vormde van een kruisweg met dertien stenen staties, die de lijdensweg van Christus uitbeeldden.
Een Calvarieberg, ook wel kruisberg genoemd, is een kunstmatige heuvel waarop de kruisiging van Christus wordt uitgebeeld. De naam verwijst naar Golgotha (Calvaria = schedel), de heuvel buiten Jeruzalem waar Jezus volgens de evangeliën werd gekruisigd. Calvariebergen kwamen in grote delen van katholiek Europa voor.
Kruisweg
Hoewel de oorspronkelijke locatie van de Aaltense kruiswegstaties onbekend is, denken historici dat de kruisweg in de late middeleeuwen vanaf de Oude Helenakerk omhoog over de es liep naar de Calvarieberg. Een theorie stelt dat de eerste statie bij de Oude Helenakerk stond en dat de overige staties langs de glooiende weg over de Aaltense es waren geplaatst. Door vanaf de Helenakerk langs de staties naar de Calvarieberg te lopen, konden Aaltense gelovigen symbolisch de lijdensweg van Jezus volgen.
De laatste statie zou zich hebben bevonden bij de huidige watertoren, op een van de hoogste punten van Aalten, tevens gelegen aan de oude volkerenweg tussen Bocholt en Zutphen.
De 13 Aaltense kruiswegstaties in het Museum Catharijne Convent te Utrecht
“den Berch van Calvarien”
In het Gelders Archief in Arnhem is een dossier uit 1580–1581 bewaard gebleven: een inventarisatie van de bezittingen van het klooster Nazareth (Schaer) bij Bredevoort. Prior Johan van Vueren kreeg van de Gelderse overheid de opdracht de kloosterlanderijen te inventariseren. De bezittingen van Nazareth waren tijdens de overgang van Gelre naar de Reformatie geconfisqueerd. De opbrengsten kwamen voortaan ten goede aan de opleiding van rechtzinnige predikanten en schoolmeesters. Op de Aaltense Es, ten noorden van het dorp lag een perceel en van Vueren noteerde daarover:
“Meester Sander ter Woert met sijn swager hebben (…) een stucken landes gelegen in den Aeltensche Esche bij den Berch van Calvarien groot 11j schepel geseij.”
Processiepark
In 2023 verschenen plannen om aan het begin van de Barloseweg een processiepark aan te leggen, met replica’s van de Aaltense kruiswegstaties en bijbelgerelateerde vegetatie. Voor het onderhoud van dit park legde men alvast een watertappunt aan, inmiddels ‘Calvariebron’ genoemd.
In de late middeleeuwen werd in Aalten een reeks van dertien kruiswegstaties opgericht die de lijdensweg van Christus uitbeeldden. Vermoedelijk werden de staties rond 1530 vervaardigd door de Westfaalse beeldhouwer Heinrich Brabender. Tijdens de Reformatie, eind 16e eeuw, verdwenen ze, maar in 1859 werden ze herontdekt. De Aaltense kruiswegstaties zijn uniek in hun soort in de Nederlanden. Vandaag de dag zijn ze te bewonderen in het Museum Catharijne Convent in Utrecht.
Ontstaan van de Kruiswegverering
Aan het einde van de middeleeuwen ontstond de kruiswegverering als een middel voor gelovigen om stil te staan bij het lijden van Christus. Kruiswegstaties beeldden de verschillende gebeurtenissen uit die plaatsvonden tijdens de tocht van Christus naar de berg Golgotha, waar hij werd gekruisigd. De eerste kruiswegstaties werden opgericht door pelgrims die het Heilige Land – het huidige Israël – hadden bezocht. De staties waren vermoedelijk bedoeld om de reis te herbeleven en als statussymbool voor de stichter. Door bij elke statie de bijbehorende gebeden op te zeggen, konden gelovigen, net als bij een echte pelgrimstocht, aflaten verdienen.
De Aaltense Kruiswegstaties
In de late middeleeuwen werden in Aalten dertien stenen kruiswegstaties geplaatst. Deze vierkante, gebeeldhouwde reliëfs zijn vervaardigd uit Baumberger zandsteen, meten ongeveer 60 bij 60 cm en zijn ongeveer 10 cm dik.
De oprichting van de Aaltense kruiswegstaties moet worden geplaatst in de context van de kruisverering in deze regio, vooral in Westfalen, waar kruiswegstaties in de middeleeuwen veel voorkwamen. De reliëfs werden waarschijnlijk omstreeks 1530 gemaakt in Münster, destijds een belangrijk centrum voor Westfaalse beeldhouwkunst. De stijl van de staties vertoont sterke overeenkomsten met het werk van Johan Brabender, die in 1538 de werkplaats van zijn vader Heinrich overnam. Vergelijkbare staties werden in 1934 ontdekt in de huiskapel van slot Havixbeck, nabij Münster.
Mogelijk had de familie Van Lintelo bemoeienis met de stichting van de Aaltense kruisweg. Vader en zoon Evert van Lintelo waren in de eerste helft van de 16de eeuw drosten van de heerlijkheid Bredevoort, waaronder Aalten viel. Bernhard van Lintelo (overleden in 1511), een oomzegger van Evert senior en neef van Evert junior, was domheer te Münster en pelgrimsganger naar het Heilige Land. Gezien het overlijdensjaar van Evert senior, in 1529, is het een aantrekkelijke veronderstelling dat hij geld naliet voor de vervaardiging van de Aaltense kruiswegstaties.
Calvarieberg
De oorspronkelijke locatie van de kruiswegstaties is onbekend. Volgens één theorie waren de staties ingemetseld in de kerkhofmuur of langs een toegangsweg naar de kerk. Een andere theorie suggereert dat de eerste statie bij de Oude Helenakerk stond, terwijl de overige staties langs de glooiende weg door de Aaltense Es waren geplaatst. De laatste statie zou zich hebben bevonden bij de huidige watertoren, op een van de hoogste punten van Aalten, een plek die naar verluidt destijds de Calvariebergwerd genoemd.
In de Volontaire Protocollen van Bredevoort, vinden we op 5 februari 1638 een vermelding van de Kruisweg op de Aaltense Es:
“(…) een stuck bowlandes (…) opten Aelter Esch anden Kruijsswech gelegen, mitt eener sijdt an Bruijninck Landt, mit eenen ende oock an Bruininck Landt, mitten anderen anden Heelwech (…)”
Verdwijning en herontdekking
Tot het einde van de 16e eeuw viel de parochie Aalten onder het bisdom Münster, maar met de verovering van Bredevoort – het bestuurscentrum van de gelijknamige heerlijkheid waartoe Aalten behoorde – door Prins Maurits op 8 oktober 1597, begon ook in deze streek de Reformatie. Dit leidde tot het verdwijnen van katholieke symbolen, waaronder de Aaltense kruiswegstaties.
De staties bleven echter bewaard, zij het op een onverwachte plek. In 1800 werd het huis Kerkstraat 15 in Aalten aangekocht door de rooms-katholieken, die het pand verbouwden tot pastorie en kerk. In 1859 werd het pand verkocht aan de fabrikant Eduard Driessen, die het liet afbreken en tot woning verbouwde. Bij deze gelegenheid werden de reliëfs ontdekt. Ze bleken op hun kop gelegd en gebruikt als keukenvloer.
Op 28 augustus 1870 schonk Driessen de reliëfs aan het Aartsbisschoppelijk Museum in Utrecht.
Religieus erfgoed
Vandaag de dag maken de Aaltense kruiswegstaties deel uit van de vaste tentoonstelling van het Museum Catharijne Convent in Utrecht. De reliëfs worden beschouwd als het meest complete en vroegst bekende voorbeeld van kruiswegstaties in de Nederlanden. Als religieus cultureel erfgoed zijn ze van nationale betekenis en vormen ze een belangrijk onderdeel van het religieuze erfgoed van Aalten.
Hieronder ziet u de dertien Aaltense Kruiswegstaties. De afbeeldingen komen van de website van het Museum Catharijneconvent in Utrecht, foto’s: Ruben de Heer (klik om te vergroten).
01 | Ecce Homo: Pilatus toont Christus aan het volk
02 | Christus wordt door Pilatus veroordeeld
03 | Christus krijgt het kruis opgelegd
04 | Christus valt van de trap van het huis van Pilatus
05 | Christus ontmoet zijn moeder Maria
06 | Simon van Cyrene helpt Christus het kruis dragen
07 | Christus ontmoet Veronica
08 | Christus valt buiten de stadspoort van Jeruzalem
09 | Christus valt aan de voet van de Calvarieberg
10 | Longinus doorsteekt de zijde van de gestorven Christus
11 | Christus aan het kruis tussen Maria en Johannes
De vestingstad Bredevoort kent een geschiedenis die teruggaat tot (tenminste) het jaar 945. In die tijd was Bredevoort niets meer dan een begaanbare doorgang te midden van een vrij ondoordringbaar moeras. Wel een zeer belangrijke doorgang, Bredevoort lag op de belangrijke handelsroute van Bocholt naar Zutphen.
In de 13e en 14e eeuw ontwikkelde Bredevoort zich verder tot een belangrijke vestingstad. In 1350 kreeg Bredevoort muntrecht en in 1388 zelfs officieel stadsrechten en is er voor het eerst sprake van de stad Bredevoort: ‘onse borch, huys ende stat tot Bredervoert‘.
Tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) raakt Bredevoort betrokken bij de gevechten tussen de Staatse en Spaanse troepen en wordt het meerdere malen belegerd en veroverd. Na het beleg van Maurits van Nassau (de latere Prins van Oranje) in 1597 wordt een sterk Staats garnizoen in het stadje gelegerd. De band met het Nederlandse Koningshuis is door de loop der tijd onverminderd sterk gebleven. Koning Willem Alexander draagt nog steeds de officiele titel ‘Heer van Bredevoort’.
Bastions Bredevoort, kaart: hisgis.nl
Garnizoenstad Bredevoort werd onderdeel van de oostelijke verdedigingslinie en zodoende werden plannen gemaakt om de stad te versterken. De vesting werd versterkt en vergroot; een brede gracht werd aangelegd rondom de zes bolwerken Vreesniet, Treurniet, Onversaegt, Stoltenborg, Welgemoed en Ossenkop.
De restanten van de vestingwerken aan de noord-westzijde van Bredevoort zijn in 1967 aangemerkt als Rijksmonument (nummers 6874 en 6875).
Historische beschrijving
In 1938 schreef G.H. Rots een serie artikelen in de Aaltensche Courant over de geschiedenis van de gemeente Aalten. Zo schreef hij over de vesting Bredevoort:
“De geschiedschrijver Sloet vermeldt dat ’n 945 al sprake was van ‘Breitenfurt’. In oude stukken leest men ook van ‘Breitenfurt’, ‘Breyden-Oort’, ‘Bredevoorde’ of ‘Breevoort’. In den dagelijkschen omgang heet het thans ook nog wel ‘Brevoort’. Het woord zegt het al dat er sprake was van een verbinding van hooger gelegen gronden over lage gronden, water, moerassen, enz. Want om Bredevoort was alles laag land, vol met riet en biezen, dat bij heele droge zomers te begaan was en dan nog altijd op de hoogst gelegen gedeelten. En nu tusschen die moerassen was een verhoogde terp en daarop is vroeger de sterke vesting ‘Breevoort’ gebouwd. In doorsnede was het pl.m. 300 Meter, of ongeveer 10000 M2. Maar op dat plekje heeft zich in den loop der eeuwen heel wat afgespeeld.
In het jaar dat we zooeven noemden, in 945, moest het stadje jaarlijks acht onzen zilver betalen aan het klooster te Fuldo. Doordat de vesting omgeven was door moerassen, was het al mee een der sterkste bolwerken en bijna niet te veroveren. Er waren twee toegangswegen, de ‘Aalterpoort‘ aan de Noord-West-zijde, ongeveer ter plaatse waar nu de R.K. School staat. De weg door de Koppele is pas in de vorige eeuw aangelegd. Voordien moest men altijd den omweg maken om de Koppele heen. In het Oosten was de ‘Misterpoort‘. Sommige schrijvers noemen haar ook wel ‘Münsterpoort’.
Tot de Heerlijkheid Bredevoort behoorden de ambten Aalten, Winterswijk en Dinxperlo en was oorspronkelijk de bezitting van de bisschoppen van Utrecht. Een der bisschoppen, genaamd Godefroy van Rhenen stichtte het kasteel te Bredevoort, dat ter plaatse heeft gestaan waar nu ’t Zand is. Tot dit kasteel of Hof behoorden eenige hofhoorige goederen, waartoe ook de Ahave de Pol, bij Aalten. Over die hofhoorigheid en alles wat daarmee in verband staat zijn enkele bijdragen verschenen o.a. in het boek van Mr. J. A. Nijhof “Bijdrage tot de Vaderlandsche Geschiedenis”, en ook in het bekende boek van B. Stegeman “Het kerspel Winterswijk” wordt er in den breede over uitgewijd. Wie daar dus meer van weten wil vrage in de bibliotheek van firma Gebr. de Boer naar dat boek.
In 1238 kwamen de graven van Loon in het bezit der Heerlijkheid. Een dier graven, Herman van Loon, droeg de bezitting in 1246 in leen over aan Otto van Nassau, graaf van Gelder en Zutphen. In den slag bij Tekelenburg in 1276 was Herman van Loon overwinnaar en nam hij zijn tegenstander graaf Engelbert van der Mark gevangen en voerde hem naar het kasteel te Bredevoort.
Die graaf van der Mark heeft daar al gauw den dood gevonden Hij stierf van verveling en heimwee. Diens zoon echter, Everhard van der Mark, nam wraak en veroverde Bredevoort in 1278 en verwoestte het kasteel en vervoerde daarop het lijk van zijn vader naar Kappenberg. Door tusschenkomst van den Munsterschen bisschop Everhard, kwam er nu weldra tusschen graaf Everhard van der Mark en Herman van Loon een vredesverdrag tot stand, waarbij de graaf van Loon zich verkond om niet tot het opbouwen van het kasteel over te gaan alvorens gedurende twee jaren een tocht naar het Heilige Land te hebben gemaakt (dagen der kruistochten).
Korten tijd daarna schijnt er weer een transactie plaats gegrepen te hebben, want in 1284 is eigenaar Baldewinn van Steinfurt, die de helft der bezitting, nl. het Noordelijk gedeelte van het slot met toebehoorende gronden in Aalten, verkocht aan den bisschop Everhard van Munster. Het geslacht der graven van Loon is echter in het begin der 14de eeuw uitgestorven en toen de laatste telg grafwaarts was gedragen, kwam er tweedracht over de nalatenschap. De toenmalige bisschop van Münster Lodewijk en Reinald van Gelder maakten beiden aanspraak op de nalatenschap van de graven van Loon. Er werd zelfs om gevochten en beide genoemde potentaatjes brachten hunne legers in slagorde en men bekampte elkaar op leven en dood.
Reinald van Gelder had het op Bredevoort voorzien en in 1326 trok hij zegevierend de vesting binnen. De vrede werd geteekend te Coesfeld en bij dat vredesverdrag kwam Bredevoort in eigendom aan Reinald van Gelder. In 1388 werd de Heerlijkheid in pandschap overgedragen aan Hendrik van Gemen die daarvoor moest betalen de som van 3000 Fransche schilden, wat in Hollandsche munt ongeveer f 6300 was.
Later is met bewilliging van de Staten van Gelderland het pandschap overgedragen aan Jacob van Bronkhorst, heer van Anholt. Eindelijk in 1580 werd aan Prins Willem I de Heerlijkheid in pandschap overgedragen. Zijne opvolgers zetten dit bezit op dezelfde wijze voort. Eindelijk in 1732 bij de verdeeling der nalatenschap van Willem III, tusschen den Koning van Pruisen en Willem Karel Friso, werd de heerlijkheid Bredevoort aan laatstgenoemde toegekend. Zij maakte toen een deel uit der domeinen van het Huis van Oranje-Nassau onder beheer van een rentmeester, die jaarlijks aan raden en rekenmeesters van den Prins verantwoording aflegde.
De Prins stelde een drossaart aan, alsmede een richter met hunne plaatsvervangers. Ook werd benoemd een stadhouder, landschrijver en advokaat-fiscaal. Alle veertien dagen werd in de heerlijkheid over burgerlijke zaken rechtsdag in de 4 ambten hierboven genoemd, gehouden. De rechtbanken bestonden uit den drossaard of zijn plaatsvervanger, den landschrijver of secretaris en twee adressoren of keurnooten. De regeering der stad Bredevoort berustte bovendien bij twee burgemeesters.
Zooals wij reeds memoreerden was Bredevoort om zijn natuurlijke ligging een sterke vesting. Behalve het slot waren er zeer goede bolwerken. (In het depôt der Rijksarchieven te Arnhem berust nog een schanskorvenboek van de voormalige vesting. Wie er dus nog meer bijzonderheden van weten wil ga daar eens in snuffelen).
Bredevoort was wel een sterke vesting om haar natuurlijke ligging, maar het was geen ommuurde vesting tot 1545. En de bekende en befaamde veldheer Maarten van Rossum zorgde er voor dat de vesting nog meer versterkt werd. Hij liet omstreeks genoemd jaar de gracht graven en een wal aanbrengen. Het gedeelte gracht wat er nu nog is, is dus bijna 400 jaar geleden gegraven. Het zal er dus een geweldige drukte geweest zijn rondom de vesting. Voor eenige jaren is ter bestrijding der werkloosheid, een groot gedeelte der gracht gedempt met grond der opgeworpen wallen. Een klein stukje wal is als historisch plekje nog blijven zitten.
Binnen de poorten was de situatie ook anders dan tegenwoordig. Men had er nauwe straatjes en gangetjes. In de kelders van vele huizen had men vlucht- of schuiltunnels. Bij het afbreken van een oude kelder eenige jaren geleden werd er nog zoon schuiltunnel getoond. Men beweert ook dat er een onderaardsche gang zou zijn van ’t kasteel ’t Walfort naar Bredevoort. Bij vroegere graafwerken op ’t Zand moet men wel zoon gang hebben ontdekt. Maar men durfde er niet ver in, wegens de bedorven of giftige lucht daarin aanwezig. Het zou de moeite waard zijn om bij het graven der rioleeringen hier eens op te letten. Dat er onderaardsche schuilplaatsen zijn geweest, dat is wel zeker, maar een verbindingsweg zooals hierboven genoemd, betwijfelen wij.
Illustratie door Jan de Beijer uit 1743, met op de voorgrond bastion Ossenkop en links daarvan de Aalterpoort
Het krijgs- en militair rumoer heeft binnen de vesting eeuwen lang geklonken. Tot zelfs in de 18e eeuw lagen in Bredevoort in garnizoen drie compagniën infanterie, onder bevel van een kommandeur, die een grootmajoor onder zich had. Vooral ten tijde van den tachtigjarigen oorlog heeft het er heet toegegaan in en om Bredevoort. In het laatst der zestiende eeuw hadden de Spanjaarden de vesting in bezit. Den eersten October 1597 kwam Prins Maurits met zijn leger voor Bredevoort. Hij sommeerde de bezetting, die slechts uit 2 vaandels voetvolk bestond, zich over te geven. Maar deze antwoordden dat men de wapenen tot zijn uitersten adem voor God en den Koning zoude bewaren. De Spanjaarden vertrouwden op de natuurlijke sterkte der vesting. Toen sloeg Prins Maurits het beleg voor Bredevoort.
Er waren zooals gezegd twee toegangsdijken naar Bredevoort, maar Prins Maurits liet er een derde toegangsweg bijmaken door de Koppele. Die weg door het moeras werd gemaakt met zand en rijshout. Het zand werd in zakken door de soldaten aangevoerd. Net in 8 dagen was die weg ter lengte van 500 treden ingemaakt. Men kon toen over de gracht een hoogte innemen, geschikt tot plaatsing van 20 stukken geschut. Toen werd een moorddadig vuur op de vesting geopend. Maar de belegerden verweerden zich dapper, en vele aanvallers sneuvelden.
De vestingmuren hadden door het vuur der kanonnen heel wat te verduren, en ettelijke scheuren en breuken waren reeds ontstaan, maar nog gaf zich het garnizoen niet over. De gracht was een belemmering om troepen tot vóór de wallen en muren te brengen. Maar Prins Maurits was vindingrijk, en hij liet door zijn mannen een drijvende brug bouwen, een soort kurk- of biesbrug. Deze werd in de gracht gelegd, en zoo kreeg men toegang tot den wal, waardoor men twee punten van aanval kreeg. De graaf van Solms leidde dien aanval aan de oostzijde, dus van den kant van het Broek. Maar nog was de tegenstand niet gebroken. De belegerden beantwoordden het vijandelijk vuur met kanon en musketten. Ook werden de belegeraars met steenen bekogeld, en vele bestormers moesten in het zand bijten. Maar het kon zoo niet lang meer duren, de aanvallen werden steeds heviger, totdat eindelijk een tambour uit de stad op den muur verscheen en een teeken gaf dat men wenschte te onderhandelen. Maar een vijandelijke kogel trof hem, en de tamboer, die met vredesbedoelingen kwam, werd door een kogel gedood.
De inwoners der vesting hernieuwden de poging om tot onderhandeling te komen. Ze staken stokken met hoeden in de hoogte, maar men attendeerde van de zijde der belegeraars hier niet op. Toen gingen de vrouwen op de wallen, om te getuigen van den wil tot overgave. Onbegrijpelijk is het, dat de belegeraars nu nog geen aandacht hieraan schonken. Vreesden zij een valstrik, of was het de wreedheid van dien tijd, dat men bloed wilde zien? In elk geval, de matrozen van Maurits bestormden het steenen bolwerk, drongen de vesting binnen en brachten dadeiijk 70 menschen om het leven. De overgeblevenen vluchtten naar het kasteel, dat den 9en October dadelijk bij verdrag op genade of ongenade werd overgegeven. Prins Maurits schonk hierbij het leven aan allen, maar bedong een som geld voor zijn krijgsvolk, hetwelk later echter werd kwijtgescholden.
Behalve het kasteel en 20 huizen waren alle huizen alsmede de kerk afgebrand. Den Spaanschen bevelhebber Domiaan Gardot werd genade geschonken, alhoewel hij eerst gefusilleerd zou worden. Tijdens de bezetting door de Spaanschen had deze Gardot zich gehaat gemaakt bij de burgerij.
Prins Maurits, die zegevierend de poorten van Bredevoort was binnengetrokken, bleef slechts enkele dagen te Bredevoort. Hij trok verder noordwaarts. Eenige maanden tevoren had hij Groenlo ingenomen, en thans ging hij via Groenlo naar het Overijselsche gebied, om daar veroveringen te maken. Bredevoort hield een kleine bezetting, en de bevolking ging met man en macht aan het werk om de verbrande huizen weer op te bouwen. Maar nauwelijks aan ’t bouwen begonnen brak er weer brand uit, en van de ongeveer 20 huizen die bij het beleg gespaard waren gebleven, brandden er toen 14 af, zoodat er nog 6 huizen overbleven.
Bitter is er toen geleden. De kerk moest worden opgebouwd, maar de middelen ontbraken, en men richtte bedelbrieven aan zustergemeenten om steun. Men liet echter den moed niet zinken. Men ging aan ’t herbouwen met de kerk en de afgebrande huizen, en van lieverlede kreeg het stadje weer bewoonbare huizen. Maar het was en bleef oorlogstijd, en de gevaren dreigden van alle kanten.
In 1606 kwamen de Spanjaarden weer voor de stad. ’t Was vastenavond, en men wilde in de stad vastenavond vieren. Vooral de soldaten zetten de bloemetjes buiten. Er was feest en jolijt, en er werd door de soldaten geducht gedronken. En terwijl men aan ’t pretmaken was, kwam de vijand aansluipen. De Spaansche bevelhebber Du Terrail kwam in stilte met 1200 man van Oldenzaal, en kwamen ’s avonds voor de poorten der stad. De wacht was wel betrokken, en aan de wacht werd medegedeeld, dat zij soldaten van prins Maurits waren en door de Spanjaarden werden achtervolgd. Zij logen de wacht dus wat voor en deelden zelfs mede, dat zij een Spaansche luitenant gevangen hadden genomen. Zij verzochten om zich onder de vesting te mogen ophouden. De wacht zond een boodschap naar het hoofdkwartier, en terwijl men daar aan ’t beraadslagen was werd men gewaar dat men bedrogen was. De bevolking vluchtte al reeds naar ’t kasteel, en de Spanjaarden bestormden reeds de poorten, lieten die springen, en vóórdat men goed besefte wat er gebeurde, trok het vijandelijk leger reeds het stadje binnen.
Wreed werd de vastenavondvreugd verstoord. De Spaansche soldaten doodden alles wat hun tegenkwam, waaronder vele vrouwen. Ook de echtgenoote van den predikant viel als slachtoffer der moordenaars. Het kasteel bood echter een veilige schuilplaats voor de daarin gevluchte burgers en soldaten. De brug over de gracht die om het kasteel lag werd vernield, en zoo was het voorloopig veilig binnen de dikke muren. Men beschoot vanuit het kasteel de Spanjaarden er daagde ook hulp van buiten. Graaf Hendrik van Nassau kwam met een leger uit Zutphen en andere vestingen opdagen, en den 22sten Maart moesten zich de Spanjaarden overgeven. De Spaansche bevelhebber Du Terrail bedong vrijen aftocht, die hem werd toegestaan, mits hij de buit en gevangenen, die reeds naar Oldenzaal vervoerd waren, teruggaf. De Spanjaarden hebben zich niet weer laten zien, en het zwaarste leed was geleden.
Het jaar 1646 was wederom een rampjaar voor Bredevoort. Het was den 12en Juli en een benauwende hitte hing boven stad. Donkere wolken pakten zich samen, en alles wees er op dat er een zwaar onweer op til was. En jawel, de bliksem kliefde weldra het luchtruim, gevolgd door zware donderslagen. En plotseling een ontzettende slag, gevolgd door een vreeselijk geluid. De bliksem was in de kruittoren geslagen waardoor het aanwezige kruit (320 ton) tot ontploffing kwam. De geheele toren werd uit elkander geslagen, alsmede het in de nabijheid gelegen Ambthuis, van bijna alle huizen werden de pannen afgerukt, en de ruiten door den luchtdruk ingedrukt. Het aantal dooden bij dien ramp bedroeg 19 alleen op ’t kasteel en ’t Ambthuis. In overige huizen in de stad waren ook talrijke dooden.
Men schreef het jaar 1672. De oorlog was ontbrand met de bisschop van Münster en Keulen, Engeland en Frankrijk. De generaal-wachtmeester van den bisschop van Münster trok met 2000 man over de grenzen en sloeg het beleg voor Bredevoort. Het garnizoen bestond uit 500 man, op de wallen stonden 20 stukken geschut. In het magazijn was ’n voorraad van 20 last rogge en 1800 vaatjes kruit. De bevelhebber van het garnizoen, Adriaan van Keppel, had aan de Gedeputeerden van het graafschap Zutphen herhaaldelijk om versterking der voorraden gevraagd, maar tevergeefs. Van 13 tot 18 Juni werd de vesting gebombardeerd. Het garnizoen begon te muiten. De vrouwen in de stad begonnen ook te morren. Het gerucht ging dat de Prins van Oranje verslagen was met zijn leger. De angst maakte zich meester van de bezetting en den 18 Juni gaf zich de stad over ofschoon volgens deskundigen dit niet noodig was geweest. De bezetting marcheerde af en er werd gelukkig niet geplunderd.”
In 2026 is het precies zeven eeuwen geleden dat de politieke landkaart van de oostelijke Achterhoek werd getekend. Op 28 juni 1326 maakten het Verdrag van Wesel en een onbetaalbare pandsom een einde aan de ‘Bredevoorter Fehde’ (de Strijd om Bredevoort). De Heerlijkheid Bredevoort – inclusief de gerichten van Aalten, Winterswijk en Dinxperlo – kwam hiermee in Gelderse handen. Een reconstructie van een bittere, vier jaar durende uitputtingsoorlog die de regio voorgoed zou veranderen.
Wie vandaag de dag de landgrenzen rondom Aalten bekijkt, ziet een historisch relict dat rechtstreeks terugvoert naar de middeleeuwen. Dat deze regio Gelders is, en niet Duits, danken we aan de geopolitieke verwikkelingen in de vroege veertiende eeuw. Tot 1316 werd het grensgebied bestuurd door de graven van Lohn. Toen graaf Herman II van Lohn in dat jaar kinderloos stierf, verdween het graafschap en ontstond er een machtsvacuüm rondom de strategische burcht van Bredevoort.
De burcht van Bredevoort was destijds al een brandhaard. De helft ervan was sinds 1284 in handen van het bisdom Münster; de andere helft werd in 1316 geërfd door Otto van Ahaus. Troepen van de bisschop van Münster, Lodewijk II, bezetten direct het gehele kasteel. Hoewel de Gelderse graaf Reinoud I ook aanspraak maakte op het gebied, greep hij niet meteen militair in. Hij sloot een driejarige wapenstilstand. Pas onder zijn opvolger, Reinald II, escaleerde het conflict tot een ware statusoorlog, waarbij Gelre actieve steun kreeg van graaf Willem III van Holland.
In de zomer van 1322 wist Reinald II via een verrassingsaanval kasteel Bredevoort in te nemen. Om de gemaakte kosten te compenseren, trok hij met 700 ridders en infanterie plunderend door het Münsterse land. Dit luidde een vier jaar durende, meedogenloze guerrillaoorlog in.
Slapende ridders en een gevangen bisschop
De strijd kenmerkte zich door flitsende overvallen en zware verliezen. Een van de meest opmerkelijke confrontaties vond plaats in maart 1323 bij de stad Dülmen. Een legereenheid uit Borken, die de bisschop van Münster steunde, verraste het Gelderse leger terwijl de ridders sliepen. De Borkenaren doodden doelbewust de paarden van de ridders. Gehuld in hun loodzware harnassen waren de Gelderse strijders zonder rijdier nagenoeg weerloos; 86 ridders en schildknapen sneuvelden, en honderd ridders werden gevangengenomen voor losgeld.
De rollen draaiden echter snel om. In mei 1323 werd bisschop Lodewijk II van Münster zelf gevangengenomen door Engelbert II van der Mark, een bondgenoot van Gelre. Pas in november van dat jaar kwam de bisschop vrij, na betaling van een astronomische losprijs van 5000 zilveren marken.
Kasteel Bredevoort in 1597
De vrede die daarop volgde was kortstondig. Zodra de bisschop vrij was, heroverde hij Bredevoort. In 1324 stonden de legers opnieuw tegenover elkaar bij Coesfeld. Het was een rasecht Europees conflict geworden: Reinald II had een leger van 7000 ruiters verzameld, gesteund door de koning van Bohemen, de graven van Vlaanderen, Holland, Artois, Van der Mark, Gulik, Van den Bergh en de bisschoppen van Luik en Utrecht. Münster werd bijgestaan door troepen uit Osnabrück, de heren van Lippe, de graven van Waldeck en Sayn, een schare Friezen, Hessen, Thüringers en Franken.
Toen de legers bij Coesfeld oog in oog stonden, dreigde een gigantische veldslag. Koning Jan van Bohemen en graaf Willem III van Holland wisten de kemphanen echter tot een compromis te bewegen, waarna op 1 september 1324 een verdrag werd getekend. De bisschop van Utrecht deed vervolgens in Deventer een bindende, maar gedifferentieerde uitspraak over de claims. Münster eiste dat Gelre zijn rechten op Bredevoort, het gericht Honborn en het hof Reken zou opgeven. De Utrechtse bisschop oordeelde dat beide partijen zich wat betreft Bredevoort moesten schikken naar de leenheer. Over de overige gebieden kon hij door oude vetes geen uitspraak doen, al kreeg Münster wel 500 mark schadevergoeding toegewezen.
Omdat deze uitspraak de dieperliggende spanningen niet wegnam, laaide de oorlog begin 1325 onverminderd weer op. Dit leidde op 3 januari 1325 tot de brute verwoesting van het Münsterse deel van de stad Vreden door Gelderse troepen.
Het Verdrag van Wesel (1326)
In 1326 waren beide partijen financieel en militair volledig uitgeput. Onder bemiddeling van graaf Diederik van Kleef en zijn broer Johan kwamen de partijen tot een definitief akkoord in de hanzestad Wesel.
De vredesvoorwaarden stelden dat het kasteel Bredevoort definitief aan Reinald II van Gelre werd toegekend. Daarnaast moest de Gelderse graaf de bezette heerlijkheid Bermentfelde (het huidige Barnsfeld bij Südlohn) teruggeven aan Münster, in ruil voor een schadevergoeding van 3500 mark.
Hier trad de beslissende financiële constructie in werking: het bisdom Münster, dat door de eerdere losprijzen en oorlogsjaren bankroet was, kon deze 3500 mark niet betalen. Als onderpand (pandschap) voor dit bedrag verpandde de bisschop de gerichten van Winterswijk, Aalten en Dinxperlo, evenals het bijbehorende vrijgraafschap, aan Gelre. Op 28 juni 1326 werd dit officiële vredesverdrag ondertekend, mede bezegeld door de Gelderse steden Zutphen, Groenlo, Arnhem en Emmerich.
De erfenis van een openstaande schuld
In het verdrag was vastgelegd dat Münster het pand — en dus het beheer over de drie kerspels — op elk gewenst moment mocht terugkopen door de pandsom af te lossen bij de schepenen van Wesel. Münster slaagde er in de eeuwen daarna echter nooit in om het geld bijeen te krijgen.
Wat begon als een tijdelijke hypotheek, werd zo een permanente situatie. De Heerlijkheid Bredevoort bleef definitief Gelders grondgebied en vormde later het Ambt Bredevoort. De grenzen van de middeleeuwse gerichten zijn vandaag de dag nog altijd zichtbaar in de gemeentegrenzen van de oostelijke Achterhoek. Een onafgeloste schuld uit 1326 bepaalde zo dat de bewoners van Aalten, Winterswijk en Dinxperlo vandaag de dag Gelderlanders zijn, en geen Westfalen.
Uit historische bronnen weten we dat Aalten in 1152 genoemd werd als kerspel Aladon1. Dit wijst erop dat er toen een kerk is geweest, die vermoedelijk op dezelfde plaats stond als de huidige Oude Helenakerk. Een vermelding uit 828 (Aladna)2 is niet onomstreden, al is een dergelijke vroege datering voor Aalten vanuit archeologisch perspectief zeker mogelijk. Zowel op De Hoven als aan de Damstraat zijn namelijk sporen van menselijke bewoning gevonden uit die periode.
Grafveld
Eind 19e eeuw en begin 20e eeuw zijn bij graafwerkzaamheden aan de Damstraat straat een groot aantal voorwerpen verzameld. Onder de vondsten bevinden zich 15 potten van zeer uiteenlopende vormen en ten dele fraai versierd.
Onder leiding van Professor A.E. van Giffen werd in 1932 te Aalten een grafveld blootgelegd achter de fabriek van Manschot, tegenwoordig het Manschotplein. Er werden speerpunten, stijgbeugels, een schildknop, een aantal potjes en tien zilveren schakels van een gordel gevonden.3 Het is niet onwaarschijnlijk dat deze vondsten afkomstig zijn uit het graf van één krijgsman.
Waarschijnlijk was een deel van de Damstraat rond het jaar 800 een Merovingisch-Frankisch grafveld. De Merovingen waren een dynastie van Frankische koningen. Door huizenbouw is het geheel hevig verstoord.
Riembeslag, gevonden in de Damstraat
Middeleeuwse kelder
Vanzelfsprekend hoort bij een grafveld ook een nederzetting. U zult begrijpen dat we erg benieuwd waren waar deze nederzetting gelegen heeft. De afgelopen decennia heeft een werkgroep van de oudheidkundige werkgemeenschap A.D.W. graaf- en bouwactiviteiten in en rond het huidige centrum van Aalten nauwkeurig in de gaten gehouden. In 1981 resulteerde dit in de ontdekking van een kelder uit de 12e eeuw. De vondst werd gedaan in het verbouwde pand van destijds de firma Welkamp (Bredevoortsestraatweg 5). Van de boerderij waarvan de kelder deel uitmaakte, werd niets teruggevonden. De kelder zelf leverde echter al een schat aan gegevens op.
Doordat de kelder door brand verwoest was, werden alle voorwerpen die op het moment van de brand aanwezig waren in de kelder teruggevonden. Er werden in totaal zes potten aangetroffen die gezien hun grootte gebruikt moeten zijn geweest als voorraadpotten. Jammer genoeg waren vijf van de zes potten gebroken. Ook werd een handvat, in de vorm van een dierenkop, van een steelpan gevonden. IJzerslakken en een stukje kalk duiden op een smederij in de nabijheid. Mogelijk dat een tweetal scharnieren die werden aantroffen in deze smederij zijn gemaakt.
Botresten toonden aan dat men paarden, schapen of geiten, runderen en varkens hield. In een grondmonster werden verkoolde graanresten van haver, tarwe en rogge aangetroffen. Met deze vondst werd de vermelding uit 1152, archeologisch gezien, bevestigd. Enkele importscherven uit Duitsland wijzen op een datering in het tweede kwart van de 12de eeuw.4
Nederzetting
Hoewel deze vondst op zich belangrijk was, had men echter nog geen sporen gevonden van de oudere nederzetting die bij het grafveld hoorde. Bij de herinrichting van De Hoven in december 1982 werden echter sporen ontdekt van een Frankisch-Merovingische nederzetting. De overblijfselen van een hutkom uit de 9e eeuw5 zijn een aanwijzing dat Aalten destijds, zij het onder een andere naam, al bestond.
Bij een hutkom moet men zich een rechthoekige kuil voorstellen waarop een zadeldak rustte. Meestal hadden deze hutkommen een ambachtelijke functie (bijv. weefhut) of een opslagfunctie. Alleen de grotere werden mogelijk ook gebruikt om in te wonen.
Zo zou de Aaltense hutkom eruit kunnen hebben gezien (schets gemaakt door Willem Doodeheefver)
Nadat de hutkom verlaten was, heeft men de kuil als afvalkuil gebruikt. Hierin werden een groot aantal botten gevonden van hetzelfde vee als bij de vondst van de kelder. De vondst van de beenderresten van een hert wijst op een kleine rol in de jacht. Tevens werden verkoolde granen en zaden zoals gerst, rogge, emmertarwe (een prehistorische graansoort), haver, linze (mogelijk erwt of wikke), bleekgele hennepnetel, ganzevoet en schapezuring gevonden.
Uit het feit dat aardewerktypen die in de hutkom zijn aangetroffen ook in het grafveld voorkomen, mogen we concluderen dat beiden gelijktijdig zijn. Het is daarom niet te ver gezocht om te veronderstellen dat de mensen die op De Hoven woonden hun doden begroeven aan de huidige Damstraat.
Tweede vondst
In december 1992 werden tijdens werkzaamheden op De Hoven, niet ver van de vorige vindplaats, opnieuw overblijfselen gevonden van een hutkom, ditmaal waarschijnlijk daterend uit de 8e eeuw. Deze hutkom werd gevonden op het terrein van De Hoven waar wegenbouwer Jaartsveld graafwerkzaamheden uitvoerde voor de aanleg van een nieuw parkeerterrein.6
Deze hutkom was vrij klein en bijna zeker de werkplaats geweest van een wever. Een gleuf aan de zijkant van het gevonden patroon wees op de plaats waar het weefgetouw heeft gestaan. Ook zijn zogeheten spinsteentjes en lemen ballen die dienst hebben gedaan als gewicht aan het weefgetouw gevonden. De hutkom was kleiner dan die in 1982 is ontdekt. Mogelijk ging het daarbij om een hut waarin een gezin heeft gewoond.
Archeologisch onderzoek op De Hoven, 1992. Foto: Peter Rhebergen
Willem Doodeheefver, een van de amateur-archeologen die met het onderzoek bezig was, vertelde aan een verslaggever:
“Je weet dat het een gebied is in de omgeving waarvan al eerder iets is gevonden. Je kon het bij het afgraven heel duidelijk zien. Ineens werden in het rode zand de zwarte afdrukken zichtbaar waar vroeger palen hebben gestaan. Dat is altijd weer een enorme verrassing.”
De Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) onderkende het belang van de vondsten en vroeg de Werkgroep Bodemonderzoek van de Oudheidkundige Werkgemeenschap A.D.W. om het onderzoek voort te zetten. Een medewerker van Jaartsveld kwam speciaal van vakantie terug om met behulp van een laadschop het terrein verder af te graven. Daarbij is nog een aantal nieuwe vondsten gedaan. Veel van bovengenoemde vondsten zijn te bezichtigen in het museum aan de Markt.
Oorsprong plaatsnaam
Over de oorsprong van de naam Aalten doen verschillende theorieën de ronde. Maar waarop zijn deze gebaseerd en hoe geloofwaardig zijn ze? Old Aalten dook in de geschiedenis om hierover meer te ontdekken.
Uit historische bronnen weten we dat Aalten in 1152 werd genoemd als kerspel Aladon.1 Maar er zijn aanwijzingen dat het dorp mogelijk al veel eerder werd vermeld, namelijk als Aladna in een oorkonde uit 828.2 Of deze vermelding echt naar het huidige Aalten verwijst, is nog steeds onderwerp van discussie. Toch achten archeologen zo’n vroege datering zeker mogelijk. Zowel op De Hoven als aan de Damstraat zijn namelijk sporen van menselijke bewoning uit die tijd gevonden.3 In dit artikel duiken we in deze oude vermelding en bekijken we twee verschillende theorieën.
De schenkingsakte van Geroward
De oorkonde uit 828 beschrijft hoe op 7 februari van dat jaar een zekere Geroward al zijn bezittingen, waaronder die in Aladna, schonk aan de Sint-Martinuskerk in ‘Traiectum Veteri’ (Utrecht). Over de identiteit van Geroward is weinig bekend, maar hij moet een man van aanzien zijn geweest. Vermoedelijk was hij een Frankische edelman in dienst van de Karolingische keizer Lodewijk de Vrome, zoon van Karel de Grote.
De originele oorkonde is niet bewaard gebleven. Wat we erover weten, komt uit latere kopieën en transcripties. De belangrijkste bron is het ‘Cartularium van Radboud’, opgesteld in de abdij van Egmond in de 12e of 13e eeuw. Dit register bevat afschriften van oorkonden die te maken hebben met het bisdom Utrecht. Later werd deze verzameling opgenomen in het ‘Oorkondenboek van het Sticht Utrecht tot 1301’, samengesteld door S. Muller Fz. en H.T. Obreen.
Hieronder volgen de Latijnse tekst en de Nederlandse vertaling van de betreffende oorkonde.
Brontekst
Dum unusquisque presens seculum inhabitat, necessitate nimia cogitur, ut finem suum Dei solo judicio previdere et preoccupare bonis operibus studeat, ne eum inopinata et improvisa mors inveniat.
Idcirco ego Gerouuardus, filius Landuuardi, trado ad ecclesiam sancti Martini, in Traiecto Veteri constituta[m], quicquid mihi hereditatis jure accessit in villa Langhara et in Ellenuuih et in Aladna et in Uuazefelde et in Humelle et in Theodon et in Hesim et in Asnon, cum omnibus adjacentiis, pratis, pascuis, silvis, aquis aquarumve decursibus, necnon et mancipia, quorum hec existunt vocabula: Feginuuard et uxor ejus Liutburn, Meginrauan et uxor ejus Vuerinhild, Albuuard et mater ejus Sigiuuih, Uulfbald et Hadagrim, Grimbald et uxor ejus Adaluuih, Garoberd et uxor ejus Folcuuihc, Arnolf et uxor ejus Adalgard, Saxani et uxor ejus Harduuih Vuerinbald et mater ejus Gerild, Heiegbrath et uxor ejus Meginfrid, Vuarbald et uxor ejus Geruuih, Adalgod et Marcuui, Saxini et Radini, Vulfini et uxor ejus Liuduuar, Odilgard et filius ejus Heriman, Aldric et filius ejus Landric, Gelo et Marcrad, Hungrim et uxor ejus Liuduuih, Aluuih et Seolo, Egbald et Tadhild.
Acta est autem publice in villa Embrici, anno XV imperii domni Hludouuici imperatoris, incarnationis vero Dominice anno DCCCXXVIII, die VII Idus Februarii, coram testibus, qui hanc traditionem presentialiter confirmatam viderunt similiter et vestituram, quorum nomina subter notantur.
Ego Geraccarus jubente domno meo Friderico episcopo scripsi et subscripsi.
Vertaling
Terwijl ieder mens in dit aardse leven verblijft, wordt hij door een grote noodzaak gedreven om zijn einde alleen door Gods oordeel te voorzien en zich daarop voor te bereiden door goede werken, opdat de dood hem niet onverwacht en onvoorbereid overvalt.
Daarom draag ik, Geroward, zoon van Landward, over aan de kerk van Sint-Maarten, gevestigd in Oud-Traiectum, alles wat mij door erfelijk recht is toegekomen in de dorpen Langhara, Ellenwih, Aladna, Wazefelde, Humelle, Theodon, Hesim en Asnon, met alle bijbehorende landerijen, weiden, graslanden, bossen, wateren en waterlopen.
Eveneens draag ik over de lijfeigenen, wier namen als volgt zijn: Feginward en zijn vrouw Liutburn, Meginravan en zijn vrouw Werinhild, Albward en zijn moeder Sigiwih, Wulfbald en Hadagrim, Grimbald en zijn vrouw Adalwih, Garoberd en zijn vrouw Folcwih, Arnolf en zijn vrouw Adalgard, Saxani en zijn vrouw Hardwih, Werinbald en zijn moeder Gerild, Heiegbrath en zijn vrouw Meginfrid, Warbald en zijn vrouw Gerwih, Adalgod en Marcwi, Saxini en Radini, Wulfini en zijn vrouw Liudwar, Odilgard en haar zoon Heriman, Aldric en zijn zoon Landric, Gelo en Marcrad, Hungrim en zijn vrouw Liudwih, Alwih en Seolo, Egbald en Tadhild.
Deze overdracht vond openbaar plaats in de nederzetting Embrici, in het vijftiende regeringsjaar van keizer Lodewijk(Hludowicus), en in het jaar 828 na de menswording van onze Heer, op zeven februari, in aanwezigheid van getuigen die deze overdracht en de bijbehorende vestiging hebben bevestigd. Hun namen worden hieronder vermeld.
Het teken van Geroward, die deze overdracht uitvoert.
Ik, Geraccarus, heb dit op bevel van mijn heer, bisschop Frederik, geschreven en ondertekend.
Waar lag ‘Aladna’?
Over de exacte locatie van de in de oorkonde genoemde plaatsen bestaan twee theorieën:
De Hamaland-theorie: Volgens deze opvatting lagen Gerowards bezittingen in het gebied dat later bekend zou worden als het Karolingische graafschap Hamaland. De plaatsnamen die in de akte worden genoemd, worden door historici verbonden aan hedendaagse plaatsen in de Liemers en de Achterhoek. Binnen deze theorie wordt ‘Aladna’ geïdentificeerd als het huidige Aalten.
De Noord-Franse theorie: Een andere interpretatie stelt dat de genoemde plaatsen niet in Nederland lagen, maar in Noord-Frankrijk. In dit scenario zou Aladna verwijzen naar het huidige Alette, een plaats in het departement Pas-de-Calais. Ook de andere plaatsnamen uit de oorkonde zouden in dit gebied liggen.4
Interpretaties van de plaatsnamen in beide theorieën:
In Oost-Nederlandse contreien gaat men er evenwel van uit dat de Hamaland-theorie het meest waarschijnlijk is. Niet voor niets heeft de gemeente Aalten een weg vernoemd naar aanleiding van deze vermelding: de Aladnaweg. En in de gemeente Montferland is een straat vernoemd naar Geroward: de Gerwardstraat in Klein-Azewijn. De theorie is al eeuwen oud: rond 1730 maakte Johann Friedrich Falken een historische kaart van ‘Nederland in de laat-Romeinse tijd’, waarop hij het graafschap Hamaland, inclusief Aladna, heeft ingetekend.
Kaart van het voormalige graafschap Hameland in de laat-Romeinse tijd, gemaakt door Johann Friedrich Falken, ca. 1730 5
Conclusie
De vermelding van Aladna in 828 blijft een interessant onderwerp van discussie. Veel mensen beschouwen de Hamaland-theorie als de meest waarschijnlijke verklaring (of is dat misschien vooral wensdenken?), maar de Noord-Franse interpretatie valt niet helemaal uit te sluiten. Hopelijk kunnen toekomstige archeologische en historische onderzoeken meer duidelijkheid bieden over deze vroege vermelding.
Oorsprong plaatsnaam
Over de oorsprong van de naam Aalten doen verschillende theorieën de ronde. Maar waarop zijn deze gebaseerd en hoe geloofwaardig zijn ze? Old Aalten dook in de geschiedenis om hierover meer te ontdekken.