Tussen Aalten en Bredevoort ligt landgoed ’t Walfort. Het hoort van oudsher bij Havezathe ’t Walfort en omvat bossen, houtwallen en houtsingels. De grenzen van het landgoed werden gemarkeerd door zogenaamde jachtpalen. Tegenwoordig zijn er nog 13 van deze palen te zien; één daarvan staat op de voormalige oprijlaan naar de havezate en dus niet op de grens van het jachtterrein. Vermoedelijk hebben er oorspronkelijk meer palen rond ’t Walfort gestaan.
Volgens de heringevoerde jachtwet in 1814 moest een jachtterrein afgebakend worden met palen met daarop de tekst “private jagt van” gevolgd door de naam van de eigenaar. De jachtpalen markeerden zijn jachtterrein.
Een beschrijving van het Gelders Genootschap vermeldt dat de jachtpalen rond 1837/1838 geplaatst zijn door toenmalig eigenaar Baron Jan van Pallandt van Walfort (1776-1844). Deze woonde in Arnhem op het landgoed Klarenbeek en kocht in Arnhem ook Angerenstein en Rennenenk. Hij was ook lid van de Gedeputeerde Staten van Gelderland.
De jachtpalen zijn vervaardigd van rode zandsteen, vermoedelijk afkomstig uit groeven in de omgeving van de Weser of de Main. De totale lengte is 2,5 à 3 m. De palen zijn rechthoekig (ca. 25 x 20 cm) met afgeschuinde hoeken. De bovenkant is een vierzijdige piramide. Qua afwerking zijn ze gefrijnd: horizontaal geribbeld. Aan één zijde bevindt zich een rechthoekig glad afgewerkt veld met de tekst: “Havezate Walvoort of Walfort Privative Jacht”. Diverse van de nog aanwezige palen zijn beschadigd danwel ingekort.
Nadat de geallieerde mogendheden in 1815 Napoleon definitief hadden verslagen, werden de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden samengevoegd. Het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden werd geregeerd door Koning Willem I. Al snel ontstonden er problemen tussen het zuiden en het noorden. Politiek, economisch, cultureel en godsdienstig waren er grote verschillen.
Belgische Opstand in Brussel, 1830. Door Gustave Wappers
Oproep Nationale Militie
Het Provinciaal Blad van Gelderland publiceerde op 15 februari 1827 een Besluit waarin 460 Geldersen, waaronder twaalf Aaltenaren, werden opgeroepen om op 27 februari om 08.00 uur in Arnhem bij het ‘Gouvernements-gebouw’ te verschijnen als reservist van de Nationale Militie. Per 1 maart moesten zij zich ‘onder de wapenen bevinden’. Een aantal van hen zou niet levend terugkeren.
Er hebben nog meer Aaltenaren gediend, getuige de naderhand uitgereikte onderscheidingen (zie verderop in dit artikel). Daarvan hebben wij vooralsnog echter geen compleet overzicht. Meer informatie is dus welkom.
Tiendaagse Veldtocht
In augustus 1830 kwamen de Belgen in opstand. Eind september werd er vanuit het Noorden een legermacht gestuurd om de orde te herstellen. Het Belgisch verzet bleek hardnekkiger dan gedacht en na een paar dagen moest het leger zich uit Brussel terugtrekken.
Om deze nederlaag te wreken stuurde koning Willem I op 2 augustus 1831 een grotere hoeveelheid troepen naar België. Frankrijk besloot in te grijpen en stuurde een leger van 40.000 man naar de Zuidelijke Nederlanden. Hierop trok Willem I zijn leger terug. Al met al had de strijd 10 dagen geduurd.
De Tiendaagse Veldtocht vond plaats van 2-12 augustus 1831. De militaire operatie stond onder leiding van prins Willem van Oranje (de latere koning Willem II), die na de overgave van Leuven door de Belgen op 12 augustus 1831 instemde met een wapenstilstand. In de week daarop trokken de Nederlandse troepen terug naar Noord-Brabant. Alleen de Citadel van Antwerpen bleef onder leiding van Chassé (‘generaal bajonet’) bezet tot de capitulatie in december 1832.
In 1937 schreef G.H. Rots in de Aaltensche Courant over de Tiendaagse Veldtocht:
“De vrede kwam, en de bevolking toog weer aan den arbeid. Maar nog zou het niet altijd vrede blijven. De strijd tusschen de Noordelijke en Zuidelijke gewesten ontbrandde, en bekend onder den tiendaagschen veldtocht moest er weer gestreden worden. Weer marcheerden Aaltensche jongemannen af om aan den strijd deel te nemen. Bijzonder bloedig is die strijd niet geweest, en de meesten keerden weer gezond naar hunne haardsteden terug.
Zij, die aan dien tiendaagschen veldtocht hadden deelgenomen, ontvingen een medaille. In onze jeugd waren er te Aalten twee veteranen, die dit onderscheidingsteeken droegen. Als er een nationaal feest was kwamen zij in een landauer te zitten, bespannen met twee paarden, en namen de eereplaats in in den optocht. De namen dezer laatste Aaltensche oud-strijders waren Lorijn en Loohuis. De medaille van laatstgenoemde is nu in ’t bezit van den heer J.S.S. Prins.”
Citadel van Antwerpen
Maarschalk Gérard en de Franse prinsen betuigen generaal Chassé hun respect temidden van de ruïnes van de citadel.
Kort na de opstand in 1830 was een deel van de Nederlandse militairen op Antwerpen teruggetrokken. Generaal Chassé concentreerde hen eind oktober in de citadel. Dit garnizoen werd na augustus 1831 versterkt. Op 24 december 1832, gaf generaal Chassé zich na zware artilleriebombardementen en een beleg van 25 dagen over aan het Franse leger, dat door de Belgen te hulp was geroepen.
De Franse maarschalk Gérard eiste ook de belangrijke Scheldeforten Lillo en Liefkenshoek op. Deze stonden niet meer onder bevel van Chassé zodat daarover niet kon worden onderhandeld. Gérard bood toen de keuze tussen overgave der forten danwel medevoering der militairen als krijgsgevangenen naar Frankrijk. Alleen Willem I kon uitkomst bieden. Hij weigerde.
Krijgsgevangenen
Op 29 en 30 december 1832 vertrokken ruim 4500 Nederlandse militairen als krijgsgevangenen naar Noord-Frankrijk. Maar omdat Frankrijk en Nederland niet met elkaar in oorlog waren, waren zij in feite gijzelaars. De tocht voerde in acht dagmarsen langs Zwijndrecht, Melsele, St.-Niklaas, Lokeren, Deinze, Desselgem, Kortrijk, Menen, Ieper, Vlamertinge, Poperinge, Steenvoorde en Cassel. Op 5 januari werd via Arck Sint Omaars bereikt. Een deel van de Infanterie ging door naar Bethune, een ander deel met de Artillerie en Genie naar Hesdin en de Marine naar Air.
De kazerne La Barre in Sint-Omaars, waar een groot gedeelte der Nederlandse militairen in krijgsgevangenschap verbleef.
Op 21 mei 1833 kwam door de Conventie te Londen een gedeeltelijke opheffing van de oorlogstoestand tot stand. De krijgsgevangenen zouden worden vrijgelaten. Op 8 juni vertrokken van Duinkerken vier Franse fregatten, drie corvetten en één brik onder zeil naar Vlissingen. Een dag later werd in Vlissingen voet aan land gezet en werd nog dezelfde dag naar Middelburg gemarcheerd.
Het zou nog tot 1838 duren voordat de Nederlandse koning Willem I mokkend de handdoek in de ring wierp. Met de ondertekening van het Verdrag van Londen in 1839 werd de afscheiding van België een feit.
Onderscheidingen
Allen die onder de wapenen waren geweest en geacht werden deelgenomen te hebben aan de krijgsverrichtingen tijdens de Tiendaagse Veldtocht werden onderscheiden met het Metalen Kruis. Deze erepenning, ook wel bekend als het ‘Hasselt-kruis’, werd uitgereikt als erkenning voor hun bewezen trouw aan koning en vaderland. De bronzen kruisen zijn geslagen uit het metaal van de kanonnen die buitgemaakt waren op het Belgische Maasleger tijdens de slag bij Hasselt op 8 augustus 1831.
Per Koninklijk Besluit van 31 mei 1833 werd door koning Willem I der Nederlanden de Antwerpsche Medaille 1832 ingesteld. Deze zou worden toegekend als “beloning aan hen, die tijdens het beleg der Citadel van Antwerpen in het tijdvak van 28 november tot en met 24 december 1832, in de citadel en onderhorige forten (Vlaamsche Hoofd, Burcht, Zwijndrecht en Austruweel), alsmede op de flottille op de Schelde voor Antwerpen, hebben gediend”.
Onderscheiden Aaltenaren
Van een aantal Aaltenaren is bekend dat zij zijn onderscheiden met het Metalen Kruis (MK) voor hun deelname aan de Tiendaagse Veldtocht en/of de Citadel-Medaille (CM) voor de verdediging van de Antwerpse citadel. Hieronder staan de namen en onderscheidingen die tot nu toe bij ons bekend zijn.
MK: Jan Anthonij Bekink (1812-1898), woonde in de Peperstraat.
MK: Joan Henricus (Jan Hendrik) Bennink (1807-1832), woonde aan de Prinsenstraat. Hij was flankeur bij het 2e Bataillon der 14e Afdeling Infanterie toen hij overleed in een hospitaal te ‘s-Hertogenbosch.
MK: Dirk Jan Hoornenborg (1807-1876), geboren op Nieuw Hoornenborg op de Haart, woonde sinds ca. 1845 in Gorssel en overleed in Kring van Dorth.
MK: Johannes Christianus Kötcher (1807-1876), woonde in Bredevoort.
MK: Hendrik Jan Loohuis (1812-1905), woonde de laatste jaren van zijn leven in Rusthuis Avondvrede.
MK: Petrus Bernardus Smit (1807-1876), woonde aan de Hogestraat.
MK+CM: Tonij Stapelkamp (1807-1889), woonde aan de Hogestraat.
CM: Paulus Lorijn (1811-1899), kwam in 1844 uit Wageningen naar Aalten en woonde achtereenvolgens op de Piepert, Heurne en het RK gasthuis aan de Hogestraat.
CM: Roelof Somsen (1808-1891), woonde op boerderij Pennings in Dale.
De onderscheidingen van Tonij Stapelkamp: de Citadelmedaille en de later uitgereikte (grote) medaille-op-naam vanwege de Commissie van Erkentenis, rechts het Bronzen Kruis van de Tiendaagse Veldtocht (foto ingezonden door A. Stapelkamp)Zutphensche Courant, 30 november 1882Aaltensche Courant, 1 april 1899Zutphensche Courant, 8 oktober 1890Nieuws van den Dag, 9 augustus 1898Rotterdamsch Nieuwsblad, 9 juni 1905
Bijna twee eeuwen lang voerde de gemeente Aalten een lindeboom in haar officiële wapen. In 2005 ging Aalten samen met Dinxperlo, waardoor er ook een nieuw gemeentewapen moest komen. Toch blijft de lindeboom een centraal symbool in de lokale identiteit.
Het wapen voor de gemeente Aalten werd op 3 oktober 1815 aangevraagd door toenmalig burgemeester Christiaan Casper Stumph en moet volgens zijn bijschrift op zeer oude gerechtelijke afgiften zijn voorgekomen. Voor die tijd had de burgemeester zich moeten bedienen met zijn eigen familiewapen. De “zeer oude gerechtelijke afgiften” bleek een stempel te zijn die Aalten als municipaliteit tussen 1795 en 1798 in gebruik had totdat zij werd ondergebracht in het Ambt Bredevoort dat gebruik maakte van een zegel met daarop de letters “AB”.
Na de oprichting van het Koninkrijk der Nederlanden stelde de Hoge Raad van Adel in 1816 richtlijnen op voor de registratie van gemeentewapens. Op 7 oktober 1818 werd bij Koninklijk Besluit het eerste officiële wapen aan de gemeente Aalten verleend.
De omschrijving van het eerste wapen van Aalten luidt:
“Van zilver beladen met een groenen boom, staande op een grond van hetzelfde.”
Oorsprong en betekenis
Onduidelijk is de oorsprong van het boomwapen, hoewel er een verband lijkt te bestaan met omliggende plaatsen. Bredevoort en Groenlo voerden in oude tijden ook een boom in hun wapen, evenals het nabijgelegen Duitse Bocholt die nog altijd een boomwapen in gebruik heeft.
De exacte reden waarom het Aaltense bestuur begin 19e eeuw voor een linde koos, is niet gedocumenteerd. Het zou een vrijheidsboom kunnen zijn, of ontleend aan een vrijstaande Lindeboom op de Aaltense Es nabij begraafplaats Berkenhove, die daar al in de 18e eeuw stond en in de eerste helft van de 19e eeuw en na de Tweede Wereldoorlog opnieuw aangeplant werd.
De keuze voor een linde sluit aan bij een brede West-Europese traditie. Sinds de middeleeuwen deed de linde in veel dorpen dienst als dingboom of gerechtslinde. Onder deze centrale boom kwamen bestuurders en rechters samen om openbaar recht te spreken. Het symbool verwees daarmee direct naar de lokale rechtspraak en het zelfbestuur van de herkomstplaats.
De Gemeentelijke Herindeling (2005)
Op 1 januari 2005 fuseerden de gemeenten Aalten en Dinxperlo tot de nieuwe gemeente Aalten. Volgens de richtlijnen van de Hoge Raad van Adel dienden de heraldische elementen van beide voormalige gemeenten te worden samengevoegd in een nieuw ontwerp.
Op 8 juni 2010 werd bij Koninklijk Besluit het nieuwe, samengestelde wapen officieel vastgesteld. Het schild werd horizontaal doorsneden:
Bovenste helft: De oorspronkelijke groene lindeboom van Aalten op een zilveren veld.
Onderste helft: De twee gekruiste zwaarden met gouden stroppen uit het oude wapen van Dinxperlo (oorspronkelijk verleend in 1897), geplaatst op een zwart veld.
Schildhouder: Het schild is sindsdien gedekt met een gouden gravenkroon (drie bladeren en twee parels).
Het wapen van de gemeente Aalten (1818–2010)De Lindeboom bij begraafplaats Berkenhove, op de splitsing van de Romienendiek en de BarlosewegTopografische kaart uit 1879-1886, met de LindeboomVoormalige burgemeesterswoning aan de Wehmerstraat in Aalten, met het gemeentewapen in de gevel.Het huidige wapen van de gemeente Aalten (sinds 2010)
De Aaltense Lindeboom in Delfshaven
Een interessant voorbeeld van het wapen van Aalten buiten de Achterhoek bevindt zich in Rotterdam-Delfshaven. Aan de Havenstraat staat een pand uit 1886 waarop een gevelsteen met het oude wapen van Aalten is aangebracht.
Foto: Google Streetview
Bronvermeldingen
Hoge Raad van Adel (Den Haag): Register van Overheidswapens, registratie d.d. 7 oktober 1818 (Gemeente Aalten) en herziening d.d. 8 juni 2010.
Gemeente Aalten: Raadsbesluiten en correspondentie met de Hoge Raad van Adel inzake de wapenwijziging (procedure 2005–2010).
In 1937 beschreef G.H. Rots in een serie artikelen hoe het er in vroeger tijden in Aalten aan toeging. Zo schreef hij over de Franse bezettingsjaren:
“In den Franschen tijd heeft Aalten de zegeningen (?) van de Fransche overheersching genoten. De leus “Vrijheid Gelijkheid en Broederschap” deed toen opgeld, te Aalten op de Markt werd de vrijheidsboom geplant. Een nieuw gemeentebestuur werd aangesteld, nieuwe wetten en verordeningen werden gemaakt, in één woord: er waaide een andere geest door de regeeringsgebouwen. De Bataafsche Republiek werd gesticht, en Oranje had afgedaan.
Fransche soldaten werden ook te Aalten ingekwartierd, met al de onheilen daaraan verbonden. Hoewel in meerderheid Oranjegezind, durfde men niet voor zijn meening uitkomen, en werd het nieuwe bewind aanvaard. Van 1795 tot 1799 duurde die toestand. Heimelijk verfoeide een groot deel der bevolking de Fransche overheersching.
Toen, in 1799, deden de geruchten de ronde, dat een Nederlandsche edelman, A.R. van Heeckeren, ook wel Suideras genoemd, aan het hoofd van een groot leger als bevrijder de Oostergrenzen was overgetrokken en zegevierend de Franschen uit de dorpen verdreef.
Ook in andere deelen van het land waren invallen van Engelschen en Russen, welke met de Franschen, en dus ook met de Bataafsche republiek in den oorlog waren gewikkeld. De Oranjeklanten kregen weer moed, en toen Suideras op 5 September Winterswijk binnenrukte, de Oranjevlag weer van den toren liet wapperen, maakte zich ook Aalten gereed, den bevrijder te ontvangen.
Een groote opwinding maakte zich meester van de bevolking. Een zekere Jan Derk Hoopman kwam met een bijl en begon reeds den vrijheidsboom om te hakken. In den namiddag kwam Suideras te Aalten. De klokken werden geluid. Een groote menigte haalde zingend en dansend den bevrijder binnen. Men tooide zich met Oranje, en men meende dat het leed weer geleden was. Het bleek een valsche hoop te zijn geweest, want de Franschen lieten zich maar zoo niet door Suideras onder de voeten loopen.
Reeds den volgenden dag hoorde men dat er een Fransch leger in aantocht was, en jawel, de Fransche generaal Girod kwam met zijn leger te Aalten. Jan Derk Hoopman nam de vlucht, en waarschijnlijk zullen meerderen de beenen genomen hebben, want huiszoekingen werden gedaan en zware straffen werden uitgedeeld. De vreugde was dus van korten duur geweest. Hooge belasting moest worden opgebracht, en de verdiensten waren weinig.
De predikanten hielden godsdienstoefeningen in de open lucht. Zoo klom Ds. Westerbeek van Eerten op een boerenkar, en sprak zijn geloofsgenooten moed in, die bij den huize ‘De Pol‘ waren samengekomen.
Een toestand van verval trad in. De druk der Fransche overheersching werd al zwaarder en zwaarder. De jongelieden moesten loten voor den Franschen dienstplicht, en toen Napoleon soldaten noodig had voor zijn tocht naar Rusland, moest ook Aalten een contingent leveren. Zij zijn gegaan om nooit weer terug te komen. Hun gebeente rust onder den grond der Russische steppen, of zij zijn omgekomen in het koude water der Beresina.
Bevrijding
Tot 1813. In den volkerenslag bij Leipzig was Napoleon verslagen. De Pruisen trokken ons land binnen. De Prins van Oranje kwam vanuit Engeland in ons land, en weer was het ‘Oranje boven’. In Aalten was er weer een jubel. Weer werden de klokken geluid, en nu zou de Oranjevlag blijven wapperen.
Eén der Oranjetelgen, Prins Frederik, was in Berlijn op school. Gehoord van de omwenteling in Nederland, reisde hij per postkoets naar Den Haag. De route werd genomen over den grooten postweg, door ons reeds eerder beschreven. De grensoverschrijding had aan de Heurne plaats, en toen de bevolking hoorde dat Prins Frederik door Aalten zou komen, ging men het rijtuig tegen, spande de paarden er voor heen en trok men onder luid gejuich de koets door Aalten tot aan den Zelhemschen weg, tot de plaats waar de Lindeboom staat. Welnu, die boom is toen geplant als aandenken aan dat feit, en later is de lindeboom als officieel wapen van Aalten vastgesteld.
Nog eenmaal zouden de Aaltensche jongens tegen de Franschen moeten optrekken. Toen Napoleon ontsnapt was van Elba en een groot leger uitrustte om zijn ouden roem te heroveren, moest Nederland zijn leger met de bondgenooten tegenover hem stellen. Ook Aaltensche jongelieden hebben toen in den slag van Waterloo meegevochten. Wij weten wat het lot van Napoleon toen is geworden. Het was zijn laatste stuiptrekking geweest.”
In de nacht van 28 oktober 1799 werd het levenloze lichaam van de 47-jarige Gesina te Winkel gevonden op de heide, bij de grens tussen de Aaltense buurtschap Haart en het Duitse Barlo. Ze lag op slechts enkele minuten van haar huis en had meerdere steekwonden. Wat was er met haar gebeurd?
Gesina te Winkel werd op 30 april 1752 in Aalten gedoopt als dochter van Barent te Winkel en Enneken Dierkink.1 Op 20 april 1777 trouwde ze met Adolphus (Alof) Lensing2, die later ook te Winkel werd genoemd. Het echtpaar woonde op Gesina’s ouderlijk huis, boerderij ’t Winkel op de Haart, slechts 800 meter verwijderd van de grens met het toenmalige bisdom Münster, dat tegenwoordig deel uitmaakt van de Duitse deelstaat Nordrhein-Westfalen.
Boerderij ’t Winkel op de Haart, foto: H. Schutte, 2024
De verdwijning
Op zondag 27 oktober 1799, rond vier uur in de middag, vertrok Gesina alleen van huis met een boterham in de hand. Ze was op weg naar de familie Möllers om enige kledingstukken op te halen. De Möllers woonden net over de grens in het Münsterland, op ongeveer een kwartier lopen van ‘t Winkel.
Toen het donker begon te worden en Gesina nog niet was teruggekeerd, begonnen haar man Alof en hun kinderen zich zorgen te maken. Waar bleef ze toch? Alof besloot naar het huis van de familie Möllers te gaan. Hij trof er drie vrouwen aan bij het vuur, die hem vertelden dat ze Gesina die dag niet hadden gezien.
Terugkerend naar huis vroeg Alof zich af of zijn vrouw onderweg iemand was tegengekomen of wellicht een buur had bezocht. Bij thuiskomst bleek ze nog steeds niet terug te zijn. Hierop ging hij opnieuw op zoek, ditmaal op de heide. Toen hij haar daar niet kon vinden ging hij nogmaals naar Möllers huis. De bewoners waren al naar bed en toen Alof aanklopte en opnieuw naar zijn vrouw vroeg, riepen de man en vrouw hem uit ’t bed toe dat zij van Gesina niets vernomen hadden en dat zij daar die dag niet was geweest.
Alof betrok zijn naaste buurman Hendrik te Kolste en de knecht van zijn broer aan Drenthel Schoppe, Harmen Swietink, bij de zoektocht. Samen gingen zij nogmaals de heide op om Gesina te zoeken.
De vondst
Het was inmiddels pikkedonker op de heide en ze konden bar weinig zien. Rond middernacht ontdekte een van hen plotseling iets wits. Het bleek Gesina’s muts te zijn, met ernaast haar levenloze lichaam. Ze lag op haar zij, haar voeten waren nog warm, maar de rest van haar lichaam was koud. Ze werd gevonden op slechts vijf à tien minuten van haar huis. Alof liet een kar halen en bracht haar lichaam daarop naar huis. Hij dacht dat ze onderweg waarschijnlijk onwel was geworden en daaraan was overleden.
Het gerechtelijk onderzoek
De volgende ochtend, maandag 28 oktober, meldde Garrit Rensink, wonende op boerderij Beestmans Huisje op de Haart, bij het gerecht van de Heerlijkheid Bredevoort dat de vrouw van zijn buurman Alof te Winkel in de voorgaande nacht dood was gevonden op de heide.
Hierop begaf het gerecht zich, vergezeld door chirurgijn Steven Schaars, naar ’t Winkel. Bij onderzoek op ’t lichaam werd vastgesteld dat de vrouw meerdere steekwonden had – drie aan haar linkerzijde en twee aan haar rechterzijde, vermoedelijk toegebracht met een bajonet of een driekantig voorwerp.
Blijkbaar was men nog niet geheel overtuigd van de doodsoorzaak, want twee dagen later toog het gerecht nogmaals met Schaars naar ’t Winkel voor nader onderzoek. Daarbij werd de overledene, die al gekist was, weer uit de kist genomen en onderzocht, waarbij Schaars vaststelde dat de onderste ribben aan de rechterzijde gebroken waren en dat de haar toegebrachte wonden haar dood hadden veroorzaakt.
Tijdens verhoor verklaarden Alof, Hendrik en Harmen dat zij aanvankelijk dachten dat zij Gesina’s lichaam op Nederlands grondgebied hadden gevonden, maar ook dat zij dat door de duisternis niet goed hadden kunnen bepalen. Bij nadere herinnering was men echter vrijwel zeker dat het op Münsters grondgebied moest zijn geweest.
Hendrik en Harmen verklaarden verder dat, zover zij wisten, Alof te Winkel en zijn vrouw een goede relatie hadden en dat er geen sprake was van onenigheid of ruzie. Ook verklaarden zij dat Gesina nooit met iemand ruzie had, en dat zij “schoon op haare jaaren er zeer wel uitzag”.
Arnoldus Obrink, kuiper in de Hoekstraat te Aalten, verklaarde dat hij Gesina die bewuste zondagmiddag rond vier uur nog had gezien. Hij liep op de weg van Hunink naar Aalten en Gesina ging de weg naar ’t Münsterland op, omtrent 300 trad van haar huis. Hij had zelfs nog kort met haar gesproken, terwijl zij een boterham at. Verder had hij niemand in de buurt gezien.
Een onbevestigd gerucht
Al snel ging het gerucht rond dat Gesina die zondag wel degelijk bij ’t huis van Möllers was geweest. Volgens de verhalen had een 13-jarige zoon uit het gezin onvoorzichtig met een geladen geweer gespeeld, waarna het per ongeluk afging en Gesina had geraakt. Er werd zelfs beweerd dat sporen van het schot nog in de schoorsteen of bij de haard te zien waren. Bewijs voor dit gerucht was er echter niet.
Dossier naar Bocholt
Omdat het sterke vermoeden bestond dat de gewelddadige dood van Gesina op Münsters grondgebied had plaatsgevonden, stuurde de drost van Bredevoort, Willem Paschen, een kopie van het dossier naar het gerecht van Bocholt, zodat zij deze zaak verder konden onderzoeken.4 Helaas is ons niet bekend hoe deze zaak is afgelopen. De tragische moord op Gesina te Winkel blijft een mysterie.
Begrafenis
In het Begraafboek van de Nederduitsche Gereformeerde Gemeente te Aalten staat vermeld onder oktober 1799: “den 28 overleden – Alof te Winkel zijn vrouw – begraven den 31” 5
Op de vroege ochtend van 12 januari 1770 werden de naobers van boerderij de Vosheurne in Lintelo opgeschrikt door een verontrustend bericht. “De moeje is dood, zy is zeer bebloed, zy mag het hoofd wel capot geslagen hebben,” riep bewoner Harmen Brunsink. Uitgebreid forensisch onderzoek door het Gerecht te Bredevoort onthulde een verhaal van een familieconflict dat ontaardde in moord en zou eindigen met een gruwelijke executie.
Spanningen in huis
Hendersken Tannemaat, geboren in 1705, had haar hele leven op de Vosheurne gewoond. Haar nichtje, Gijsberta Deemshof, geboren in 1739 in Doesburg als dochter van Henderskens zuster Johanna, werd vanaf haar derde levensjaar door haar ‘moeje’ (tante) Hendersken opgevoed. In 1761 trad Gijsberta in het huwelijk met Harmen Brunsink, geboren in 1729 op boerderij Bekink in IJzerlo. Na hun huwelijk trok Harmen bij Gijsberta en haar ongehuwde moeje in op de Vosheurne.
Aanvankelijk woonde Hendersken tegen kostgeld bij het jonge echtpaar. In juni 1768 droeg zij echter al haar bezittingen over aan Harmen en Gijsberta, in ruil voor kost en inwoning en alle nodige zorg voor de rest van haar leven. Dit was destijds een gebruikelijke afspraak tussen oudere mensen en hun kinderen—in dit geval haar nicht en echtgenoot. Harmen en Gijsberta beloofden plechtig aan deze verplichting te voldoen.
De verstandhouding tussen Harmen en de moeje verslechterde echter met de jaren, en er ontstonden spanningen in huis. De tante zou enkele keren tegen Harmen hebben gezegd dat zij de gemaakte afspraak ongedaan wilde maken “omdat gij mij zo slecht behandelt!”
Een mysterieuze dood
Een bedstee (foto ter illustratie)
Op die noodlottige ochtend van 12 januari 1770 riep Harmen in paniek de naobers bijeen omdat de moeje dood was. Het was in deze regio gebruikelijk dat de naobers bij sterfgevallen werden ingeschakeld om praktische zaken te regelen, zoals de begrafenis en het ‘verhennekleden’ — het ontkleden van de overledene en het hullen in het lijkgewaad. Toen de buurvrouwen de slaapkamer betraden, vonden ze Hendersken dood in haar bedstee, haar handen gevouwen over de borst. Haar neus en armen waren blauw, en toen haar muts afviel, ontdekten ze meel in haar haar en bloed dat langs haar hals sijpelde.
Gijsberta verklaarde dat ze het meel had gebruikt om het bloeden te stelpen. Harmen voegde eraan toe dat de blauwe plekken waarschijnlijk kwamen omdat de moeje aan scheurbuik leed, en dat Hendersken waarschijnlijk haar hoofd had gestoten aan de scherpe randen van de bedplank. Maar het verhaal rammelde. De naobers vertrouwden het niet en brachten de zaak onder de aandacht van het Gerecht te Bredevoort.
Het onderzoek
Twee dagen na de dood van Hendersken arriveerden gerechtsdienaren met twee chirurgijnen op de Vosheurne. Bij aankomst bleek het lichaam al gekist. In aanwezigheid van Harmen en Gijsberta onderzochten de chirurgijnen het lichaam. Zij ontdekten meerdere zware verwondingen en kneuzingen aan het hoofd. De letsels maakten duidelijk dat een ongeluk uitgesloten was. De verdenking viel direct op Harmen en Gijsberta, die samen met Hendersken op de Vosheurne woonden en geen overtuigend verhaal konden geven over wat er was gebeurd.
Beide verdachten ontkenden elke betrokkenheid en beweerden dat ze Hendersken die ochtend dood op de grond voor haar bedstee hadden aangetroffen. Ze zouden haar op bed hebben gelegd, meel op haar hoofd hebben gestrooid om het bloeden te stelpen en haar muts hebben opgezet. Hun verklaringen spraken elkaar echter tegen. Harmen had tegen de buren gezegd dat hij Hendersken dood in bed had gevonden, niet op de grond.
Vrijwillig en zonder tegenstribbelen gingen ze mee naar Aalten, waar ze in hechtenis werden genomen voor nader verhoor. Toen daarbij de talrijke hoofdwonden ter sprake kwamen, verklaarde Harmen dat deze mogelijk het gevolg waren van een aanval van vallende ziekte. Hendersken zou daarbij met haar hoofd tegen de bedplank, de hekelstoel, de kistjes, een koffer of de bierstelling zijn gestoten. Hij suggereerde ook dat iemand van buiten het huis kon zijn binnengedrongen, aangezien het huis in slechte staat verkeerde.
Nader onderzoek
Op 16 januari ging het Gerecht, bijgestaan door een dokter, een chirurgijn en aanklager, opnieuw met de verdachten naar de Vosheurne. De slaapkamer van Hendersken werd minutieus onderzocht.
De bedstee vertoonde aan het hoofdeinde een grote bloedvlek op de bedplank, alsof het bloed tegen de plank was gespat. Maar deze had geen scherpe randen, zoals Harmen had beweerd. Door langdurig gebruik was de plank juist afgerond en waren er ook binnen in de bedstee geen scherpe randen te vinden. Andere meubels in de kamer—kistjes, een koffer en een hekelstoel—vertoonden geen sporen van bloed. Ook onder de bedstee vond men niets.
De dokter en de chirurgijn onderzochten het lijk daarop nog nauwkeuriger. Zij verklaarden voornamelijk dat er een lichte kneuzing aan de neus was, evenals zware kneuzingen aan beide ellebogen, armen en handen, waaronder zich gestold, uitgetreden bloed bevond. Deze kneuzingen konden niet anders dan door een uitwendige oorzaak zijn veroorzaakt.
Niet alleen aan de rechterzijde van het hoofd, ter hoogte van de slaap, waren de uitwendige bekledingen en vleesachtige delen tot op het bot gekneusd, gewond en vernield, maar aan de linkerzijde waren vergelijkbare kneuzingen en wonden te zien, zij het in mindere mate. Men ontdekte aan de linkerzijde van de schedel twee en aan de rechterzijde één wond of opening, elk ter grootte van ongeveer een schelling. Bij het losmaken van de uitwendige delen bleek dat aan de rechterzijde de schedel een fractuur had en dat aan de linkerzijde het uiteinde van het schedelbot sterk naar beneden was gebogen en deels gebroken.
Na het doorzagen en verwijderen van de schedelpan vond men verschillende scheuringen. Door deze fracturen en naar buiten gedrukt bot waren de hersenen, met name aan de linkerzijde, ernstig beschadigd. Aan beide zijden van het hoofd, vooral links, bevond zich uitgetreden bloed op en onder het harde hersenvlies en ook in de hersenen zelf. Bovendien waren alle bloedvaten geheel met bloed gevuld. Deze combinatie van verwondingen hadden onvermijdelijk haar dood veroorzaakt.
Hoewel de verdachten bleven volhouden onschuldig te zijn, werden de tegen hen gerezen vermoedens door deze bevindingen alleen maar versterkt. Uit de situatie ter plaatse en de toestand van het lijk viel niet meer te betwijfelen dat er een moord was begaan. Zoiets kon niet ongemerkt gebeuren in een klein huisje als dat van de verdachten, terwijl zij beweerden van niets te weten. De verdachten werden daarop overgebracht naar de gevangenis in het Ambtshuis te Bredevoort.
Tijdens de volgende verhoren hielden Harmen en Gijsberta aanvankelijk vast aan hun verhaal: Hendersken was door een ongeluk gestorven. Maar het bewijs tegen hen stapelde zich op. Op 19 januari, een week na de moord, brak Harmen onder de druk en bekende wat er werkelijk was gebeurd: Hij verklaarde dat hij alleen heeft gehandeld, zonder hulp van zijn vrouw. Hij had vooraf in bed tegen zijn vrouw gezegd: “Daar ligt zoo een klein keseltjen, daar zal ik haar een maal vyf ses mede aan het hoofd slan, dan is zy weg, dan is de rusie uit het huis, dan kunnen wy in vreede en eenigheid leven.”
Omstreeks vier uur voor zonsopgang was hij opgestaan, had de lamp aangestoken, was naar Henderskens kamer gegaan en hing de lamp aan een spijker boven de bedstee. Bij het betreden van de kamer werd de tante wakker door het licht. Daarop was Harmen bij haar in bed gesprongen, zette zich schrijlings over haar, hield met zijn linkerhand haar hoofd vast en sloeg met zijn rechterhand vijf of zes keer met de kiezelsteen op haar hoofd, totdat zij onder zijn handen dood bleef.
Gijsberta zou geprobeerd hebben hem te stoppen, maar zonder succes. Toen de moeje dood was en hevig bloedde, gaf hij zijn vrouw opdracht meel op haar hoofd te strooien en het bloed eraf te wassen. Daarna had hij de buren geroepen. De steen waarmee hij haar had geslagen, wierp hij in de greppel achter de oven, bij de plek waar zij water haalden.
Verklaring van Gijsberta
Gijsberta legde op 20 en 22 januari haar bekentenis af. Ze verklaarde daarbij over haar ongelukkige huwelijk: “Och wat ben ik ongelukkig! Ik ben met myn Man getrouwt tegen de zin van myne geheele familie, en hy heeft ook van den beginne af, dat ik met hem getrouwt ben, slegt met my geleeft.”
In de vroege ochtend van 12 januari had haar man, nog voor hij opstond, tegen haar gezegd: “Ik wil de rusie niet langer in huis hebben, ik wil ‘er eens doortasten, ik zal een keseltjen krygen, en geven de Moeje daar mede maar eenen slag aan het hoofd, dan is zy weg, en dan is de rusie uit het huis.” Zij was daarover zeer ontsteld, maar hij probeerde haar gerust te stellen, kuste haar en zei: “Wees tog niet verslagen, laat ik ‘er eens doortasten, het is een oud mensch, dan kunnen wy een gerust leven hebben.”
Hij kwam zelfs met jenever naar haar bed en zei: “Gy moet braaf Genever drinken, en gy moet half dronken wezen, anders zoud gy te verslagen worden, wy moeten nu door een suren appel byten; maar gy moet my nooit beklappen, zelfs niet als ik eens kome te sterven, en gy krygt een ander man, dan moet gy daar nooit tegen zeggen, dat ik uw eigen bloed vermoord hebbe.”
Zij zei daarop tegen hem: “Zoud gy daar toe kunnen komen, om myn eigen vleeschelyke bloed om den hals te brengen; als het er op aan komt, dan moet ik het zeggen.” waarop hij had geantwoord: “Ik wil er evenwel doortasten, ik wil de rusie uit het huis hebben.”
Toen haar man al in de kamer van de moeje was en haar begon te slaan, riep hij Gijsberta om erbij te komen. Zij ging toen naar de kamer, greep naar zijn linnen kiel om hem van de moeje af te trekken en zei: “Foei, foei, wat doet gy toch!” Zij voegde eraan toe dat haar man haar had gedwongen om erbij te zijn, zeggende: “anders zoud gy my naderhand kunnen gaan aanbrengen.”
Gijsberta verklaarde tevens dat zij al lange tijd bang was met hem in bed te liggen, vrezend dat hij haar met een mes zou aanvallen. Ook deze nacht lag er een mes in zijn broek voor het bed. Zij zei daarom ook tegen hem: ”Ik ben bang, dat gy my kwaad zult doen.” Waarop hij haar verzekerde: “Och neen, ik zal u nooit kwaad doen.”
Ze bekende ook dat haar man het niet kon verdragen als zij vriendelijk was tegen de moeje, en dat zij sinds zij bij hen inwoonde voortdurend verdriet met haar man heeft gehad.
Gijsberta heeft van meet af aan verklaard deze gruwelijke daad niet te hebben geholpen uitvoeren. Zij weet ook niet waarmee haar man de moeje heeft doodgeslagen, alleen dat zij ’s morgens, bij het water halen in de greppel voor het huis bij de wilgen, een grijze kiezelsteen in het water heeft zien liggen die er voorheen niet lag.
Beide verdachten hebben tenslotte bekend dat de tante nooit aan vallende ziekte heeft geleden. De buren en vrienden hebben daarvan ook nooit iets gehoord, behalve pas na haar overlijden.
Het vonnis
Het Gerecht van de Heerlijkheid Bredevoort oordeelde dat alles erop wees dat Harmen Brunsink, in de nacht van 11 op 12 januari 1770, Hendersken Tannemaat, een weerloos mens van naar schatting bijna zeventig jaar oud, liggend op haar bed in zijn huis, op een gruwelijke manier, weloverwogen en met voorbedachten rade heeft vermoord. Gijsberta werd ten laste gelegd dat zij heeft nagelaten haar man, waar mogelijk, van dit afschuwelijke voornemen af te brengen.
Harmen werd veroordeeld tot de doodstraf: “om te worden gebragt ter plaatse, alwaar men gewoon is criminele Executie te doen, en aldaar door den Scherprigter gebonden op een houten kruis, van onderen op levendig beenen en armen aan stukken geslagen, en daar na desselfs hoofd met een byle afgehouwen te worden. Dat, dit geschied zynde, vervolgens zyn lichaam op een rad, staande op een paal, zal worden geleid, en met ketenen daar aan gehegt, en zyn hoofd daar boven op een penne worden gezet, anderen ten afschuwelyken exempel.” Deze straf wordt radbraken genoemd.
Op 10 februari werden de ingezetenen van Dinxperlo op de Hollenberg ontboden om de paal en het rad voor de executie op te richten en de strop te maken. De meesten weigerden of kwamen niet opdagen en kregen daarvoor een boete van 30 daalders per persoon. 18 personen hebben toegestemd en de paal en het rad opgericht.
Het vonnis werd op 12 februari 1770 op de Hollenberg voltrokken.
Gijsberta ontliep de doodstraf, maar werd verplicht de executie van haar man te aanschouwen. Vervolgens werd zij voor de rest van haar leven verbannen uit de stad en Heerlijkheid Bredevoort. Zij hertrouwde in 1776 in Silvolde met Jacob Kok en overleed naar verluid in 1813.
In een tijd waarin de overheid geen tot weinig armenzorg op zich nam, waren veel mensen overgeleverd aan de bedelarij. Ze zwierven rond en knoopten met veel moeite de eindjes aan elkaar. In de achttiende eeuw nam het aantal landlopers behoorlijk toe. Omdat deze mensen vaak door de overheid als lastig werden beschouwd en de kerken niet alle middelen hadden om deze armen een kans op een goed leven te geven, werd de armenjager in het leven geroepen. Deze ‘ambtenaar’ was in dienst van de lokale overheid, maar leidde vaak zelf ook een armoedig bestaan.
Aanstelling van armenjager Willem Hondarp in 1768
Onderstaande afbeelding is een fragment uit de akte waarin, na het overlijden van Antoni Freriks op 05-01-1768, de aanstelling van Willem Hondarp tot armenjager is vastgelegd. De akte beschrijft tevens de taken van de armenjager. Daaronder volgt de complete transcriptie:
“Alzoo door de dood van Toni Frederiks Armenjager van het kerspel Aalten, die Armenjagersplaatsen is komen te vaceren en het tot ruste en vrede en beveiliging der huislieden en borgers van Aalten tegens alle gewelt en overlast van vreemde vagabonden en bedelaars ten hoogsten nodig is, dat die vacante plaats door een ander bekwaam persoon werde vervult, zoo is ’t dat ik op ’t goed getuigenis aan mij gedaan van de onversaagdheid van den persoon van Willem Hondarp, denzelven Will. Hondarp hebben aangestelt, gelijk ik hem aanstelle kragt deeses tot Armejager van het kerspel Aalten, op alsulke emolumenten als van ouds daaraf gegeven zijn en nog gegeven worden, gelastende den bovengenoemden Willem Hondarp om alle vreemde bedelaars, vagabonden en landlopers aanstonds uit ’t kerspel Aalten en selfs uit deese Heerlijkheid te doen vertrekken, en soo er eenige mogten gevonden worden, die eenig gewelt of prolest kwamen te doen, dezelven met geweld te keer te gaan, en zoo mogelijk binnen Bredevoort in ’s Heeren gevangenisse te brengen.
Landloper door Pieter Quast, 1634. Ets: Rijksmuseum Amsterdam.
Denselven verder gelastende, dat geen collecten het zij van vreemden of ingesetenen sal gedogen, ten zij deselven met een behoorlijk briefje of attestatie van de officier of in absentie van den stadholder deeser Heerlijkheid zijn voorzien, en die daarmede voorsien zijn vrij en onverhindert te laten passeren en repasseren. Dat voorts in geval de voogd of ondervoogd hem Willem Hondarp in het een of ander exploict mogten nodig hebben en hem daartoe kwam te roepen of te laten roepen, dat hij dan aanstonts met hem voogd of ondervoogd zal hebben te gaan en dien te gehoorsamen en te adsisteren, zoo veel hem mogelijk weesen sal. Voorts van tijd tot tijd door de buurten te gaan en wel sorge te dragen, dat de huislieden geen overlast van den een of den anderen werde aangedaan; verder alle vreemde en onberegtegde jagers jagende in deese Heerlijkheid, zoo moogelijk is aan te houden en op te brengen, en zoo hij er eenige mogte kennen die hij niet konde opbrengen, dezelve aan den officier of desselfs stadhouder aan te brengen en verder te doen al wat een getrouw en ordentelijk Armejager verpligt is te doen, en zoo veel moogelijk is zorge te dragen, dat er geen klagten van huislieden komen.
Dog zoo ’t kwam te gebeuren, dat denzelven Willem Honddarp in ’t een of andere mogte te kort schieten en behoorlijke adsisstentie van de huislieden kwam te versaeken, en hem die assistentie geweigert wierde, zal hij van die verweigeringe aan den officier of aan desselfs stadholder kennisse te geven.
Ende dit alles tot onzes herroepens toe. Gegeven op den huize Walvaert den 10den Maart 1700 agten zestig en door mij als drossard deeser Heerlijkheid eigenhandig ondertekent en met mijn gewoonlijk cachet bekragtigt.
Get. Ad. de Pallandt”
Proces
Op 20 februari 1804 dient in Bredevoort een rechtszaak tegen Jan Willem Brusse(n), armenjager. Hij heeft op 23 december Willem Beskers, bij het huis van Goormans in Barlo, ‘op moorddadige wijze aangerand’. Brusse heeft hem met de sabel een houw op de elleboog gegeven en daarbij ernstig verwond, zodat hij die arm niet meer kon gebruiken. Brusse bekent, maar verklaart dat toen hij Willem Beskers vroeg of deze een bewijs had dat hij mocht collecteren, deze hem aangevallen heeft. Brusse zou zich alleen hebben verweerd. Boete: 25 guldens.
Begin 1750 werd het rustige Aalten opgeschud door een reeks opvallende religieuze verschijnselen. Tijdens kerkdiensten barstten mensen in tranen uit, zuchtten luid of zakten in elkaar alsof ze het bewustzijn verloren. Sommigen vertelden zelfs over ontmoetingen met engelen of over aanvallen van de duivel. De gebeurtenissen leidden tot landelijke aandacht en zouden de geschiedenis ingaan als de Aaltense beroeringen.
Wat in Aalten gebeurde stond niet op zichzelf. Een jaar eerder was in Nijkerk een religieuze opleving begonnen die in korte tijd landelijke bekendheid kreeg. De verhalen over deze Nijkerkse beroeringen verspreidden zich snel en vormden ook in Aalten de voedingsbodem voor een eigen, hevige beweging.
Impressie van de Nijkerkse Beroeringen van Reinier Vinkeles (1788, Atlas Van Stolk)
Volgens predikant Philippus de Roy, die toen de Hervormde Gemeente van Aalten diende, was er vóór deze gebeurtenissen sprake van onwil tot bekering en een ‘burgerlijke godsdienst’, waarbij mensen weliswaar trouw hun kerkelijke plichten vervulden, maar het geloof niet “een zaak van het hart” was.
Aan het begin van 1750 kwam daarin plotseling verandering. In korte tijd werden honderden mensen in de gemeente diep geraakt door een besef van hun zonden. Dit gebeurde op zo’n indrukwekkende manier dat het zich “van huis tot huis” verspreidde. De Roy schreef hierover:
“Nu sedert den aanvang van dit jaar heeft God op een uitstekende (…) wyse sig door zynen Geest in het midden van ons geopenbaart: en honderden van zielen aan sig selven ontdekt, door hun een levendige bevattinge te schenken van de rampstaat van nature.”
Heftige emoties en fysieke verschijnselen
De opwekking ging gepaard met extreme emoties en lichamelijke reacties. Mensen kregen zo’n angst voor Gods straf dat ze “van benauwdheid zouden barsten” of het leek alsof hun keel werd dichtgeknepen. Soms rukten ze hun kleren los om adem te krijgen, maar dit hielp niet. Er werden meldingen gemaakt van “onbeschrijfelijk” zuchten en steunen, en mensen trilden en beefden over hun hele lichaam.
Sommige mensen werden zo overmand dat ze op de grond vielen en luidkeels om vergeving baden. Een vrouw die tijdens een bijeenkomst op de knieën viel, beleed haar zonden en pleitte op Gods beloften. Later legde ze uit dat het “onmogelijk was zich in te houden vanwege de drukkende last van de zonde. Zelfs al zou de hele wereld erbij geweest zijn, dan zou ik mij niet stil hebben kunnen houden.” Het was niet ongewoon dat mensen na een bijeenkomst op karren naar huis moesten worden vervoerd, alsof ze gewond waren.
Een dorp in beroering
De toeloop van mensen was enorm. Kerkdiensten en catechisaties, die vaak in huizen werden gehouden, trokken zo veel volk dat de kerk te klein was om alle bezoekers te herbergen. De catechisaties, waar de preek van zondag werd besproken, waren de plekken waar de beroering het hevigst was. Tijdens een samenkomst in de buitenlucht in mei 1750 ontstond er zelfs een “enorme ontroering enkel door het zingen van een psalm”.
Volgens sommige berichten was het aantal “bewogenen” in Aalten met 1700 zelfs groter dan in het beroemdere Nijkerk, waar er 1000 zouden zijn geweest. Zulke cijfers zijn moeilijk te controleren, maar ze geven wel aan hoe groot de beweging werd ingeschat.
Reacties en pamflettenstrijd
De opmerkelijke verschijnselen bleven niet onbesproken. Er ontstond een levendig debat in pamfletten en geschriften. Critici wezen op mogelijke overdrijving en wanorde in de erediensten. De Roy reageerde op die kritiek met een brief, gericht aan een onbekende dame, in druk uit. Dit boekje, Brief geschreven aan de WelEdele Juffer N.N. (Zutphen 1750), werd een sensatie: in drie weken werden 5.000 exemplaren verkocht, en in juli 1750 volgde al een tweede druk.
Het succes van dit boekje lokte een kritische reactie uit. In een anoniem pamflet, De onfeilbare Proef-steen van De nieuwe en zeldzaame Bekeering (Leeuwarden 1750), werd de beweging fel aangevallen. De tegenstanders beschuldigden de beroeringen van “geestdrijverij” en “dweperij”. De Roy liet dit niet onbeantwoord en schreef een eigen verdediging: De Feilbaarheid van den zo genaamde ONFEILBAREN PROEFSTEEN aangewezen (Zutphen 1750).
Einde van de beroeringen
De hevigste verschijnselen in Aalten duurden slechts enkele maanden. Al rond de zomer van 1750 nam de intensiteit af. De bijeenkomsten bleven nog wel doorgaan, maar de massale emotionele uitbarstingen en dramatische taferelen werden steeds zeldzamer. Dit patroon was vergelijkbaar met de beroeringen elders in Nederland, zoals in Nijkerk. Kritiek van predikanten, kerkelijke besturen en anonieme pamfletten speelde hierbij een rol en droeg eraan bij dat de beweging langzaam uitdoofde.
Reizen, reizen door eigen land, reizen in den vreemde, is een liefhebberij, van alle tijden en alle volkeren. Reizen en reisbeschrijvingen maken gebeurde ook in Overijssel. De Deventerse geleerde mr. G. Dumbar, heeft in de 18de eeuw veel over ons land geschreven. Zo ook over Gelderland. In de Tegenwoordige Staat van alle Volkeren (afd. Gelderland) vertelt hij van steden en dorpen in de Achterhoek, waaraan wij het een en ander ontlenen. Te beginnen bij Borculo gaande tot Lichtenvoorde, zullen wij vertellen hoe Dumbar het oude land in de Graafschap zag.
Veel is er veranderd; de heide en de venen zijn grotendeels weg. De zeer slechte zandwegen zijn vervangen door prima verharde wegen. De armelijke hutachtige boerenwoningen zijn veranderd in behoorlijke verblijven voor mens en vee. Vele bossen zijn eveneens verdwenen en met deze loop der laatste twee eeuwen tal van adellijke huizen. Steden en dorpen zijn veranderd, maar toch niet zo veel of zij hebben hun voorsprong die zij reeds hadden, tot op de huidige dag behouden.
Illustratie door Piet te Lintum uit het artikel ‘Boerenleven‘
De Heerlijkheid Bredevoort
Van Neede stapt hij over op de heerlijkheid Bredevoort waarvan wij lezen dat de Heerlijkheid Bredevoort reeds zeer oud is. In 1245 werd het kasteel van Bredevoort door Herman Graaf van Loon ter leen opgedragen aan Otto van Nassau Graaf van Gelder en Zutfen. Willem hertog van Gulik en Gelder, gaf het leen in het jaar 1388 in pandschap aan Hendrik van Gemen voor drie duizend Franse Schilden. Jacob van Bronckhorst heeft er naderhand met toestemming der Staten van Gelderland het zelfde recht van pandschap op gehad. Doch in het jaar 1580 de zijde van de vijand gekozen hebbende, werd de stad met het kasteel en Heerlijkheid Bredevoort aan Prins Willem I gegeven. Zijn nakomelingen hadden in 1741 de Heerlijkheid nog.
De Stad Bredevoort
Wat de stad Bredevoort aangaat, was het er in 1741 beter dan nu. Toen woonden er de drost en de richter en nog twee plaatsvervangende dito’s, een stadhouder, een advocaat-fiscaal, een landschrijver, een Commandeur. Verder nog enkele officieren. Al die hoge heren sleten veel geld in het stadje dat er destijds zeer voornaam moet hebben uitgezien. De gewone man die in de dorpen Winterswijk, nota bene destijds het grootste dorp van geheel Gelderland! Aalten en Dinxperlo leefde, moest dansen naar het pijpen van de drost van Bredevoort en zijn kliek.
Bredevoort zelf heet in 1741 zeer sterk te zijn. De omliggende gronden bestonden alle uit moeras, waarop niemand zich waagde. Bovendien lagen er drie compagnieën infanterie, waar al deze mensen onder dak werden gebracht is mij nog steeds een raadsel.
De burgers van Bredevoort lieten de buitenmensen van Winterswijk en Aalten voelen dat zij van een betere soort mensen waren. Als het des winters bitter koud was en het vroor hard dan moesten de Aaltenaren en de Winterswijkers komen om ijs voor de ijskelders te hakken. De post moest door de mannen van Winterswijk en Aalten voor niemendal bezorgd worden. Ook moest elk jaar een wagen vol rijsbezems aan Bredevoort geleverd worden. Moest er klopjacht op dieven, rovers, vagebonden en wolven gehouden worden, de Aaltenaren en Winterswijkers mochten kloppen en de geweren dragen en zich door de heren laten uitschelden. Wat zal het volk van Winterswijk en Aalten gejubeld hebben, toen de Fransen in 1795 aan deze toestand een eind maakten.
Intussen schreven wij nu 1951 en het moet gezegd worden: de beide assepoesters van Winterswijk en Aalten zijn sinds 1741 flinke maagden geworden, en verkeren in blakende welstand. Het is echter wel de ironie der geschiedenis, dat de stiefmoeder Bredevoort nu wel eens wat stiefmoederlijk behandeld wordt. Wanneer men ten minste over haar ongelijke straten van veldkeien wandelt, dan krijgt men medelijden met de uit de kleren geschoten jonkvrouwe van twee eeuwen geleden.
Aalten overvleugelde Bredevoort
De Markt te Aalten, door Jan de Beijer, 1743
Toen de moderne textielindustrie opkwam, was Aalten favoriet. De Driessens uit Bocholt, zijn de grondleggers van Aaltens opkomst. Reeds in 1826 vestigden zij zich hier. Zij trokken andere industrieën aan. Wel zijn er in de vorige eeuw nog enkele zwarte bladzijden, doch Aalten keerde de rollen om en is thans de baas in de voormalige Heerlijkheid Bredevoort. Vanzelfsprekend heeft de gemeente thans even grote zorgen als haar zuster gemeenten, dat neemt echter niet weg dat Aalten er zijn mag.
Het is intussen verbazingwekkend hoeveel moerassige grond, zulke grote heidevelden en woeste bossen er in 1741 waren. Wanneer de historie niet natuurgetrouw was weergegeven en ons ook nog niet meer bronnen ten dienste staan, zou men haast niet kunnen geloven dat de toestand zo was. Thans ziet men er welvarende landen en malse weiden, die een lust voor het oog zijn.
Hetgeen wij hier hebben beschreven is zo ongeveer alles wat er van de Achterhoek verteld wordt. Het is weinig. Men vergete echter niet dat in 1741 iemand uit Amsterdam de door ons beschreven streek als een soort rimboe beschouwde, waar hij liefst zo ver mogelijk vandaan bleef. Het is dan ook zeer verklaarbaar dat in vroeger eeuwen de bevolking van Oost-Gelre in economisch en geografisch opzicht veel nauwer verwant was met Duitsland dan met het Hollandse Westen. De houding der Duitsers heeft hierin de laatste jaren een grote verandering gebracht.
Klaas Nijman werd op 16 januari 1698 in Dinxperlo gedoopt als zoon van Fredrik Nijman en Berentjen Eppink. Op vijftienjarige leeftijd verliet hij het ouderlijk huis en begon een zwervend bestaan als ‘bedelaar en vagebond’. In 1722 werd hij in Rhenen wegens geweldpleging en diefstal veroordeeld tot een verblijf in het tuchthuis. Na zijn vrijlating volgde een verbanning uit de provincie Utrecht.
Daarop keerde Nijman terug naar de Achterhoek, waar hij vooral in de omgeving van Dinxperlo en Aalten angst zaaide onder de bevolking. Hij bedelde en stal, bedreigde mensen en schroomde niet om grof geweld te gebruiken. In 1729 stak hij meerdere huizen in brand en werd hij gearresteerd.
Op 3 oktober 1729 werd Klaas Nijman na een proces in Bredevoort op ‘t Zand ter dood veroordeeld. Hij werd naar de Hollenberg gebracht, waar hij werd gewurgd en daarna in brand gestoken. Deze gruwelijke straf diende als een afschrikwekkend voorbeeld voor anderen. Nijman was toen 32 jaar oud.
Vonnis
De volgende 18e eeuwse tekst beschrijft zijn misdaden en vonnis:
Gepronuntieerd in Bredevoort op ’t Sant, en geëxecuteert buiten op den Hollenberg, op Maandag den 3. October 1729.
Vonnis Klaas Nijman
In zaaken Crimineel, voor den Hoog Edelen Geregte der Heerlykheid Bredevoort, tusschen den Advocaat Fiscaal der voorschr. Hooge Heerlykheid, klager ter eenre, en de KLAAS NYMAN, anders KLAAS FREDERIKSEN genoemt, oud omtrent 32 jaaren, en geboortig in den ampten van Boekholt, aan den Heelweg, by Dinxperlo, beklaegde en geinhafteerde ter anderen zyden, gezien en geëxamineert de inquisitoire procedure‚ met allen bygevoegden informatiën, confrontatien, en bewys van A. tot H. incluis, voorts des beklaegdens, buiten de actuele torture, gedaane verklaaringe en confessiën, en waarby denzelven successive, en tot verscheiden maalen heeft gepersisteert, als waaruit gebleeken:
Dat hy KLAAS NYMAN, zedert zyn vyftiende jaar van zyn Ouders en Geboorteplaats is weggegaan, en als een bedelaar en vagebond het land heeft doorgeloopen. Dat hy ook in den jaare 1722 over verscheidene geweldenaryen, dieveryen, en verdere insolentiën tot Rhenen is gegeesselt, gebrandmerkt, en voor den tyd van zes jaaren in het Tugt- of publicque Werkhuis tot Utregt verwezen, en na expiratie uit de Provintie en Landen van Utregt gebannen, voor den tyd zyns levens, en om nooit daar in weder te komen, by pœne van met de dood te zullen worden gestraft.
Dat hy met omtrent drie vierendeeljaars uit het voorn. Tugt-of Werkhuis los gelaaten zynde, dog blyvende de straffen van bannissement in zyn vigeur, hy zig daar op, of eenigen tyd daarna wederom heeft begeven na Dinxperlo, en in zyne stoute bedelaryen en geweldenaryen is voortgevaren. Dat hy aldaar eenen DIRK WENSINK, om een bagatelle op de publicque weg by Dinxperlo, met een mes de bek heeft opgesneden.
Dat hy almede na zyne relaxatie voorsz. wederom verscheidene dieveryen, als van yzerwerk en een byle, en van linnen gepleegt, als een sloop of laken aan geene zyde Doesborg aan de Steege; en nog een hembt van den thuyn aan HENDRIK te Loo of Kistershuis, tusschen Dinxper en het Bredenbroek, en wyders als by de Reformatiën. Dat hy KLAAS NYMAN, ook van jaaren herwaarts by veele ingezetenen onder Dinxperlo en Aalten is berugt en verdagt gehouden geweest, als dat hy niet en dogte, en veel quaats bedreef.
Dat hy ook agtervolgens den . . . . van de sententie tot Rhenen aldaar suspect is gehouden geworden, van zeer grove misbedryven te hebben gecommitteert. Dat hy beklaagden door zyn . . . . en quaadaardig gedrag en bedenkelyke taale, die hy hier en daar quam te voeren, den goeden huisman, en de ingezetenen op het platte Land, en inzonderheid omtrent Dinxperlo en Aalten, en daar in het ronde, in een geduurigen angst en vreeze heeft gehouden. Dat als hy quam bedelen met het geene ordinaris aan een bedelaar gegeven word, niet tevreden is geweest, ofschoon hem ook dikmaals al meerder wierde gegeven, en met in zigzelfs te brommen, uit de huizen weg ging.
Dat die angst en vreze by de ingezetenen is verdubbelt geworden, en op het hoogste gekomen, zedert dat in deezen jaaren 1729 in het Kerspel van Aalten brand was ontstaan, en dat daar op al wyder en nog al meerder afbrandingen van huizen daar digt by volgden. Zodanig, dat verscheidene ingezetenen aan haar volk ordonneerden, dat zy, als KLAAS NYMAN aan haare huizen quam, hem maar zouden geven wat hy wilde hebben, om zyne vriendschap te trekken, en hem niet te vertoornen, en dat ook verscheidene menschen, uit vreze voor brandstigteryen‚ des nagts by haare huizen de nagtwaken hebben moeten houden, en waardoor zelfs eenige boerschappen als genoegzaam in alarm zyn worden gesteld.
Dat hy beklaagde KLAAS NYMAN, ook die geene is, die tot zulke overbooze misbedryven gekomen is, dat hy in den naastverwekenen Zomer in de Kerspelen van Aalten en Dinxperlo, deezes zelfden jaars 1729 zedert den 13. Juny tot den 29. Augustus, en alzo binnen den tyd van een vierendeeljaars drie‚ en geenzints van de minste huizen, het eene na het andere heeft in den brand gestoken, en welke huizen ook totaliter zyn afgebrand, en waarvan de corpora delictorum bekend zyn.
Als namentlyk op den 13. Juny het huis op Lensink, onder Aalten op den Esch te Yserlo, alwaar hy een stuk witten of voozen turf‚ door middel van een tonteldoos, vuurslag en tabakspyp aan het branden gemaakt, en met dien brandende turf agter aan die zyde van het huis; daar des tyds de wint tegens dit huis opwoei, den brand verwekt heeft. Dat hy agt dagen van te vooren hetzelve huis Lensink ook aangestoken heeft, en dat het al aan het branden is geweest, dog dat het doenmaals door de bewoonders nog geblust is geworden.
Ten tweeden, het huis op Welink, almede onder Aalten op den Esch te Yserlo, op den 20. Juny, alwaar hy den brand op dezelfde wyze als aan te Lensink met een in brand gemaakte voozen turf heeft in het werk gesteld, en daar mede het huis van agteren aangestoken. Dat hy van beide zyne brandstigteryen, aan Lensink en Welink, voor reden van zig geeft, dat hy zulx gedaan hadde om angst en schrik in de buurde, of onder de menschen te maken.
Ten derden, het huis aan Grevink, op ’t Rexwinkel in de boerschap Heurne, onder Dinxperlo, op den 29. Augustus, des avonds omtrent 10 uuren, als wanneer hy den brand aldaar met een aangestoken lonte van linnen todden gemaakt, in het stroo dat agter op het hoekschot van het huis lag, heeft verwekt. Dat in dit voorn. huis Grevink, als hetzelve in den brand ging, een jonge kraamvrouw, en die nog geen twee dagen kraams was, op het bedde heeft gelegen, en dewelke by groot geluk de kragten nog hebbende om van het bedde te geraken, den brand nog ontkomen is. Dat hy KLAAS, deeze zyne brandstigtinge aan Grevink, voor reden van zig geeft, dat hy zulks gedaan hadde, om dat dezelfde voorsz. kraamvrouw een tyd lang geleden, en die des tyds nog ongetrouwt waar geweest, hem een stuk pannekoek gegeven hadde, dat hem te klyn ware geweest.
Dat aan Welink en aan het laatstgenoemde Grevink, verscheiden stuks levendig Vee, ingeoogste Koorengewassen, en verders meede verbrand en verteert zyn. Dat hy Beklaagden hier en boven door vier beëdigde geloofwaardige kondschappen is geconvinceert, alhoewel zelve telle quelle heeft willen negeren, dat hy op den 31. Augustus laatstleeden ten huise van ARENT OOSTENDORP, in die boerschap Hoerne, onder Dinxperlo gesproken heeft die naare woorden, als dat dien of deezen hoek in het kort een armen hoek zoude weezen.
Dat hy almede daarenboven gedreigt heeft, het huis van den tamboers jongen binnen Dinxperlo in den brand te willen steeken, en daartoe gestendigt, en daarby gepersisteert, als dat hy, byaldien niet gevangen was geworden, het ook wel zoude gedaan hebben, en diergelyke verschrikkelyke dreigementen, en dangereuse uittingen van den Beklaagde, als de informatiën en confessiën in deezen meerder komen uittedragen.
Het hooggemelde Gerigte God, en de Justitie voor oogen houdende, doende regt met advys van onpartydige Regtsgeleerden, verklaart den Beklaagde KLAAS NYMAN, in de pœne der Regten vervallen te zyn, denzelven over zulx in overweginge van deeze drie gruwelyke brandstigteryen‚ mits deezen condemnerende, dat hy ter gewoonlyker plaatse van Justitie gebragt, aan een paal gehegt en eenigermaalen geworgt, en voorts verbrand zal worden, anderen ten afschrikkelyken exempel.
Aldus by ons ondergeschrevene geadviseert binnen Bredevoort, den 29. September 1729.
Men vestigt onze aandacht op het Hoofdartikel in het „Weekblad der Belastingen”, no. 3562, met het opschrift „Rekenplichtige aansprakelijkheid uit de oude doos”, van de heer A. A. Vreede te Arnhem. Het artikel behandelt een belastinginvordering in de gemeente Aalten in het jaar 1717. Wij ontleenen hieraan een uittreksel met weglating van beschouwingen van theoretisch en technisch karakter, maar daarentegen met aanvulling van ons door den schrijver verstrekte bijzonderheden van plaatselijken aard, welke voor de lezers van het genoemde vakblad van minder belang waren.
Een notabel ingezetene van Aalten, Peter Huijninck, landbouwer en keurnoot, (bijzitter op den gerechtsdag), werd in het jaar 1700 door den Ontvanger-Generaal van de Graafschap Zutphen, na overleg met de „Geërfden”, aangesteld als beurder, (ontvanger) der Verponding (grondbelasting) van de kerspelen Aalten en Dinxperloo.
Deze kerspelen behoorden met de stad Bredevoort en het kerspel Winterswijk tot de Heerlijkheid Breedevoort. De ambachtsheeren van Breedevoort (sedert 1612 de Prinsen uit het Huis van Oranje-Nassau), hadden van ouds representatieve bevoegdheden verleend, in elk kerspel afzonderlijk, aan een paar van de voornaamste scholtengeslachten, en bij gebreke daarvan aan andere grondbezitters. Deze door of vanwege den ambachtsheer gemachtigde personen hadden tot omstreeks het begin der 16e eeuw ook bestuurlijke funktiën, daarna nog alleen het toezicht op de heerendiensten en de zorg voor het innen van sommige jaarlijksche opbrengsten, waartoe later ook eenige aansprakelijkheid voor het binnenkomen van de verponding behoorde. Hiermede hield verband, dat de aanstelling van een ontvanger in overleg met deze gemachtigden, hiervóór als „Geërfden” aangeduid, plaats had, en dat het stellen van zekerheid door een benoemde in de toenmalige acten van borgstelling heette ten behoeve van den Ontvanger-Generaal en ten dienste der Geërfden te zijn gevorderd.
Deze stukken kwamen evenals alle andere vrijwillige acten, als ook de gerechtelijke acten, tot stand door eene verklaring in een gerechtszitting. Het gerecht, bestaande uit den Drossaart (rechter) of den Stadtholder (plaatsvervangende rechter), twee Keurnooten (bijzitters) en een Landsschrijver (griffier), zetelde te Breedevoort, doch hield beurtelings zitting in elk kerspel, waar dat noodig was. Bij de aanstelling van Peter Huijninck als beurder trad zijn broeder Hendrik Huijninck als borg op, en in de acte van borgtocht werden verschillende vaste goederen van beiden als zekerheid voor het beheer verbonden.
Verscheidene jaren ging het goed, maar langzamerhand werd de beurder nalatig met de invordering en ontstond er een toenemende achterstand in de afdracht van gelden aan het kantoor van de Graafschap te Zutphen. Op herhaald aandringen van den Ontvanger-Generaal kwam er af en toe een tijdelijke verbetering; o.a. verzocht de Keurnoot Peter Huijninck in zijne kwaliteit van beurder op Mercury (Woensdag) den 21 April 1717, op den Gerichtsdag te Aalten beslag te leggen op vastgoed van Jan ten Heetbrink, den Jongen, en van Mechtelt Brethouwer, wed. Derk Nachtegaal, wegens achterstallige verponding, maar duurzame verbetering kwam er niet.
Het was in Aalten van algemeene bekendheid, dat deze toestand niet kon voortduren en dat een gerechtelijk optreden tegen den nalatigen beurder niet kon uitblijven. Het is dus begrijpelijk dat de erfgenamen van den sedert overleden borg Hendrik Huijninck vreesden, dat ook het door dezen verbonden vastgoed zou worden aangesproken. Als gevolg hiervan verschenen op Venery (Vrijdag), den 18 Juni 1717 de beurder Peter Huijninck en zijne echtgenoote Geesken Locken voor het gerecht, deelden mede, dat de genoemde erfgenamen hen dagelijks lastig vallen door aan te dringen op maatregelen, waardoor zij schadeloos zouden worden gehouden, en verbonden mits deze een vierde aandeel in het erve en goed Westendorp in IJzerlo en twee derde in het Snoejenbos, op de Haart gelegen, voor zoover Arent Snoejenbos dat in pacht heeft, opdat de erven daarop eventueele schade zouden kunnen verhalen.
Dit gebeurde nog juist bijtijds, want reeds tien dagen later op Luno (Maandag), den 28 Juni 1717 verscheen een gemachtigde van den Ontvanger-Generaal Hendrik van Essen, voor het gerecht om eene executoriale sommatie uit te brengen tegen den beurder Peter Huijninck met uitnoodiging om binnen tien dagen eene som van 17134 guldens, 1 stuiver, 10 deniers ten kantore van de Graafschap aan te zuiveren, als achterstand over de jaren 1713—1716 en met bedreiging van gerechtelijken verkoop van de bij de borgtochtacte verbonden vaste goederen. Een afschrift van de sommatie werd den volgenden dag door den voogd, (gerechtsdienaar of deurwaarder), Jan Keunen aan den beurder beteekend, sprekende met zijne huisvrouw Geesken Locken.
Nu sloeg de erfgenamen van den borg, die zich door de acte van 17 Juni nog niet veilig achtten, eerst recht de schrik om het hart, want nog denzelfden dag verscheen namens hen de schoolmeester Rutger Muller te Aalten, schoonzoon van den overleden Hendrik Huijninck, voor het gerecht om beslag te leggen op de roerende goederen van Peter Huijninck, alsook op de vruchten en het mestrecht van door dezen gepachte landerijen, eveneens op diens veeneplas en den daarop staanden turf in het Barlosche Veen, verder op Smeenks zichtvrede, (maairecht), en op zijne mans- en vrouwenzitplaatsen in de Aaltensche kerk. Dit optreden van neef Muller werd oom Peter nu toch te bar. Zelf ziekelijk, liet hij door zijn zoon Adriaan op den 2 Juli 1717 verzet doen tegen dit, door hem waardeloos en onwettig genoemde, beslag.
De beurder was niet in staat aan de sommatie van den Ontvanger-Generaal te voldoen. Op den 5 Augustus 1717 werd door het gerecht bepaald, dat de publieke verkoop van de verbonden vaste goederen zou plaats hebben op den 10 September 1717 binnen Aalten ten huize van de Wed. van wijlen Harmen Evers. (Waarschijnlijk aan de westzijde van de Landstraat het tweede pand ten noorden van de Hoekstraat). Ten overstaan van het Gerecht, bestaande uit den Stadtholder Jacob Becquer (Becker, red.), en de Keurnooten Jan Evers senior en Jan Evers junior deed de Ontvanger-Generaal bijgestaan door twee rechtsgeleerden op den genoemden 10 September den verkoop plaats hebben na voorlezing van de veilconditiën en van eene omschrijving van de goederen. De eerste veiling geschiedde bij opbod, de tweede onmiddellijk daarna bij afmijning en blijkens de biedingslijst waren er vele gegadigden.
Perceel 1. Drie vierde part van het goed Westendorp in IJzerloo. Eigenaren waren Peter Huijninck voor 5/8, en de erven Hendrik Huijninck voor 3/8, waarvan elk 3/8 had verbonden; buiten den verkoop bleef dus 1/4. Kooper van het 3/4 deel werd Gijsbert Prins voor f 2950.—.
Perceel 2. Het woonhuis van Peter Huijninck aan de Markt te Aalten 1. Kooper Willem Lourens Kampf namens Adam Willem Kampf voor f 1740.
Perceel 3. Bouwland op Smeenk-Winkel, anderhalf schepel. Kooper Derk Neerhof voor f 505.—.
Perceel 4. Een stuk bouwland op Smeenk-Winkel, grootte niet vermeld, kooper Willem Eppink voor f 480.—.
Perceel 5. Zes schepel land, genaamd het Wijntjesstuk, kooper Adam Willem Kampf voor f 465.—.
Perceel 6. Vier stukken hofland in Smeenkgoorden, grootte niet vermeld, kooper als voren voor f 205.—.
Perceel 7. De Dalshof, grootte niet vermeld, kooper als voren voor f 230.—.
Perceel 8. De Horsterkamp in Linteloo, grootte niet vermeld, kooper Jan Evers voor f 600.—.
Perceel 9. De Grevincksweide bij Aalten. grootte niet vermeld, kooper Jan te Bokkel voor f 470.—.
Perceel 10. Het pachtkoorn van de verbonden losse perceelen, benevens het jaargeld, de diensten en de smalle pachten door den bouwman van het Westendorp verschuldigd, alles over het loopende jaar; kooper Jan Arentsen voor f 95.—.
Perceel 11. Het pachtkoorn in garven van drie vierde van het Westendorp in des bouwmans behuizinge geborgen; koopers Wessel Broekhuys voor f 55 en Jan Arentsen voor f 25.-. Eigenaren van de perceelen 2—7 was de beurder Peter Huijninck en van de perceelen 8—9 de erven van den borg Hendrik Huijninck.
Dadelijk na de tweede veiling volgde de toeslag, althans in naam, want bijna vijf weken later op 14 October liet de Ontvanger-Generaal voor het Gerecht verklaren, dat er voor de perceelen 3 en 4 op Smeenkwinkel een hooger bod was gedaan door de Douairière van Nagell tot Ampsen, geb. Barones van Coeverden, en dat de eerste koopers konden worden bedankt. Dezen, de landbouwers Neerhof en Eppink, lieten zich echter niet onbetuigd en dienden op 18 October bij het Gerecht een protest in benevens de verklaring, dat zij de veilconditiën getrouw opvolgden en rustig zouden voortgaan met het gekochte te bebouwen en bezaaien, ’t Is voor hen te hoopen, dat zij niet zijn teleurgesteld.
De totale opbrengst bedroeg f 7542, zoodat de aanvankelijke achterstand van ruim f 17134, was verminderd tot ruim f 9592. Het zou voor de hand liggen, dat de Ontvanger-Generaal zou trachten dit restant op de overige goederen van den beurder zooveel mogelijk te verhalen en zoo noodig door middel van een nieuwen beurder van de nalatige belastingschuldigen zou laten invorderen. Hij volgde echter een anderen heel bijzonderen weg. Daar de z.g.n. Geërfden volgens het heerlijk recht van Bredevoort mede aansprakelijk waren, bracht hij dadelijk na afloop van de veiling bij het Gerecht eene sommatie uit aan de Geërfden van Aalten en Dinxperloo, zonder aanduiding van bepaalde personen, welke sommatie aan den Drost als Erfmarken-richter werd beteekend.
Reinier Jurrien Baron van Coeverden en Walfaerdt 2 was toen ten tijde vertegenwoordiger van den Ambachtsheer met de titels van Hofrigter, Verwalter, Drossaert en Rigter. De Ontvanger-Generaal liet vervolgens nagaan, welke personen volgens het bestaande landsrecht als Geërfden aansprakelijk waren en op Jody (Donderdag) den 7 October 1717 deed hij eene vrijwel gelijkluidende sommatie voor het Gerecht uitbrengen, waarbij de genoemde som van 9592 gld. 1 st. 10 d., behalve de kosten werd gevorderd van de Heeren Scholte Jan Roerdink en Scholte Berent Arentsen ten Ahave, beiden als „Geërfden” van Aalten en aldaar wonende, benevens de Heeren Reynen van de Mebele en Rosier Jegerink, beiden te Dinxperloo, als „Geërfden” van dat kerspel, het bedrag gesplitst volgens staat en behoudens hun recht van wederverhaal.
Begrijpelijkerwijs waren de „Geërfden” al heel weinig ingenomen met dit optreden van den Fiscus. Zij bestreden de vordering niet, doch haastten zich al evenmin met de voldoening. Die van Dinxperloo, wier aandeel betrekkelijk gering was, lieten zich het eerst overhalen tot storting van hun portie over te gaan en genoten daarbij den steun van het plaatselijk bestuur. Tot verhaal van dit voorschot verscheen op Sabbathy (Zaterdag) den 20 November 1717 voor het Gerecht eene commissie, bestaande uit Dr. Jur. Evers te Aalten. Vooght Grotenhuys en Garrit Jegerink, beiden te Dinxperloo, door de „Gemeinthe Dinxperloe” „geauthoriseert”, om beslag te leggen op de roerende goederen van den inmiddels overleden beurder en te verzoeken deze met spoed te doen inventariseeren en twee dagen later te laten verkoopen wegens gebrek aan voeder voor de paarden en „beesten”.
Men zal zich herinneren, dat de schoolmeester Rutger Muller namens de erven van den borg op dezelfde goederen in Juni ook al beslag had laten leggen. Beide partijen bleven in eene langdurige procedure elkaars rechten betwisten. Wel begaf het Gerecht zich op Maandag 22 Nov. naar het huis van de Wed. Peter Huijninck, voor de inventarisatie, doch tot verkoop kwam het voorloopig niet, al zal voor het levende vee wel eene voorziening zijn getroffen. Meer dan een half jaar later, den 24 Juni 1718 beveelt het Gerecht op aandrang van meergenoemden Muller den Voogt en den Ondervoogt in Aalten de beslagen goederen op eene onzijdige plaats na inventarisatie op te slaan ten huize van Jan Janknegt, een der gerechtsdienaren. Verder bevat het Protocol over deze zaak geen bijzonderheden meer.
De Geërfden van Aalten bleven voorloopig lijdelijk afwachten, zoodat de Ontvanger-Generaal het raadzaam achtte hun het vuur nader aan de schenen te leggen. Na drie maanden op Jovis (Donderdag) den 6 Januari 1718 verscheen Hendrik Casper Stumph, „der Regten Doctor” te Aalten, als bedienend advocaat van den Ontvanger-Generaal voor het Gerecht en verzocht vaststelling van een „schonen vasten dag” voor den gerechtelijken verkoop van hunne vaste goederen.
een part aan Bennink; twee parten aan Het Slaa in Haart-Heurne.
De veiling werd bepaald op den 8 Maart 1718, wederom ten huize van de Wed. Evers, des achtermiddags om twee uur.
De beide Geërfden zagen nu, dat de zaak ernstig werd en dat zij over de brug zouden moeten komen. Inmiddels was er ook van ambtelijke zijde orde op zaken gesteld. De oude beurder Peter Huijninck was einde October overleden en een andere Aaltensche ingezetene Adam Willem Kampf (ook wel geschreven Campf en Cempf) werd tijdelijk belast met de waarneming van het beurdersambt. Hij betrok het huis aan de Markt van zijn voorganger, dat hij misschien al bij voorbaat op de gerechtelijke veiling gekocht had en den 12 Maart 1718 passeerden hij en zijne echtgenoote Gesina Smits eene acte van borgstelling, waarbij tevens werden verbonden het goed Bulsink in Linteloo en de perceelen op de gerechtelijke verkooping van wijlen Peter Huijninck aangekocht, terwijl als borg optrad Dr. Jan Casper Evers, die den Busscher Kamp, tusschen Aalten en Bredevoort gelegen, voor het beheer van Kampf verbond.
De achterstallige belasting werd nu zooveel mogelijk met bekwamen spoed ingevorderd en ten slotte schijnen Scholte Roerdink en Scholte Arentsen er zonder al te veel kleerscheuren te zijn afgekomen.
De tijdelijke beurder kreeg na eenige maanden eene vaste aanstelling met den ambtstitel van „Ontvanger”. Vooraf waren echter over en weer voorwaarden gesteld. De benoemde moest het beheer van zijn voorganger overnemen, zooals het reilde en zeilde en zijne borgstelling tot een bedrag van f 1000 verbinden tot schadeloosstelling van de Geërfden, als deze dat zouden verlangen; den 30 November 1718 werd zijne borgtochtacte in dien zin aangevuld. Daartegenover werd zijn minderjarige zoon Seger Adolph medewerker van zijn vader met het uitzicht later diens opvolger te worden, zoodat op denzelfden 30 November de ontvanger Kampf een ambtseed aflegde voor zichzelf en tevens voor zijn genoemden zoon. De jonge Kampf is later echter elders burgemeester geworden.
Voetnoten
Het pand aan de oostzijde van het marktplein met uitgang in de Peperstraat, ten noorden grenzende aan het perceel waarop thans het café Keizer, ten zuiden belend door het huis van Gijsbert Grevinck, dat aan de andere zijde grensde aan de brouwerij met voortuin van Lemmert Te Kavestede. Dit laatste perceel werd blijkens opschrift van een gevelsteen in 1799 verbouwd door Lourens Becking en Willemina Geertruid Schaars tot woonhuis, branderij en landbouwschuur. ↩︎
„Walfaerdt” zal eene wijziging zijn van „Walvoort” den naam van de bekende Havezathe, tusschen Aalten en Bredevoort gelegen. De later ook officieel en in familienamen wel gebezigde schrijfwijze „Walfort” zou foutief en de uitspraak „Walvoort” juist zijn. ↩︎
Een van de laatst bekende heksenprocessen in Bredevoort en misschien zelfs van Nederland, was het proces rondom Marry Hoernemans in 1675. Die overigens de waterproef succesvol doorstond, waarop zij met opgeheven hoofd weer naar huis liep, nadat door de succesvolle proef haar onschuld voor altijd bewezen was.
In de zeventiende eeuw geloofde men dat heksen vrouwen waren die een verbond met de duivel hadden gesloten. Zij zouden bovennatuurlijke krachten hebben ontvangen in ruil voor het afzweren van God en zijn heiligen. Men geloofde dat heksen bijvoorbeeld boter uit een sloot konden karnen, mensen onvruchtbaar konden maken of oogsten konden laten mislukken.
Vrouwen die buiten de sociale norm vielen – bijvoorbeeld ongetrouwde vrouwen zonder kinderen – liepen een verhoogd risico om beschuldigd te worden van hekserij. Bij onverklaarbare gebeurtenissen, zoals ziekte of brand, wees men hen vaak aan als schuldige. Het was dan aan de beschuldigde om haar onschuld te bewijzen, vaak door een heksenproef.
In Bredevoort woonde in 1675 een zekere Marry, de tweede vrouw van Hendrik Hoernemans. Uit zijn eerste huwelijk had Hendrik een zoon, Jan genaamd. Zoals wel vaker gebeurt kon de stiefzoon niet zo goed overweg met z’n stiefmoeder en ze kregen dan ook ruzie. Jan zei voortdurend in het bijzijn van anderen dat zijn stiefmoeder een heks was.
Marry was woest over deze beschuldiging en stapte naar de rechter. Ze legde het probleem voor, maar voegde er aan toe dat ze niet wilde, dat de rechter haar stiefzoon zou straffen. Wel verzocht ze om een zogenaamde waterproef te mogen ondergaan, om zo te bewijzen dat ze geen heks was. De rechter achtte dat niet nodig: “Iedereen weet toch dat u geen heks bent,” zei hij. “Uw zoon heeft het vast niet zo bedoeld en in zijn drift die opmerkingen gemaakt.” Marry liet zich echter niet van haar stuk brengen. Ze wilde met alle geweld de proef doorstaan.
Op haar aandringen stemde de rechter toe en op 26 juli 1675 werd de waterproef afgenomen. Zoals gebruikelijk bij heksenproeven werd Marry volledig uitgekleed. Haar handen en voeten werden samengebonden en de beul gooide haar, samen met zijn knecht, tot drie keer toe in het water.
Marry zonk telkens als een baksteen en als men haar niet steeds naar boven had getrokken zou ze zeker zijn verdronken. Volgens het volksgeloof zou een echte heks blijven drijven, omdat zij door de duivel gedragen werd. Marry zonk – en was dus geen heks. Na afloop kleedde Marry zich aan en ging, zonder verder nog een woord te zeggen, tevreden naar huis. Bewezen was nu, dat ze geen heks was en haar stiefzoon een leugenaar.
Eind 1664 gaf de Bredevoortse kerkenraad opdracht aan Joannes Holthus om een nieuw uurwerk te maken voor in de kerktoren omdat het oude versleten was. In 1666 werd het geplaatst. Het begin van een bewogen geschiedenis, die eindigde op de plaats waar het ooit begon: de Sint Joriskerk in Bredevoort.
In het jaar 1664 was Nederland nog de Republiek der Zeven Provinciën. Johan de Witt regeerde het land en Michiel de Ruyter heerste over de wereldzeeën. In de oosthoek van Gelre lag het stadje Bredevoort. Joannes Verschage was hier dominee en Gerhard van Hengel en Bernard Ecckervelt waren de kerkmeesters.
Als je destijds wilde weten hoe laat het ongeveer was, dan keek je naar de zonnewijzer die nog altijd aanwezig is in de buitenmuur van de kerk. Maar was er geen zon, dan was je aangewezen op het uurwerk in de kerktoren. Maar dat werkte niet best, het was vervallen en ongangig, aldus het kerkbestuur. Er moest een nieuw uurwerk komen.
Joannes Holthus
Het kerkbestuur ging in onderhandeling met uurwerkmaker Joannes Holthus uit Arnhem. In december 1664 tekenden zij een contract dat Holthus binnen anderhalf jaar een uurwerk zou leveren dat de hele en de halve uren zou slaan. De afgesproken prijs was 300 carolusguldens. Daarvan werd 50 gulden als voorschot uitbetaald. Het uurwerk werd keurig op tijd opgeleverd. In de zomer van 1666 stond het in de toren. Maar achteraf bleek dat het afgesproken bedrag niet voldoende was.
In 1667 tekenden alle partijen voor een extra bedrag van 228 gulden. Maar over de uitbetaling moeten problemen zijn ontstaan. Holthus moest procederen bij het gerecht. Hij raakte in armoede. Hij moest ergens in dienst treden en zijn kinderen verlaten of afstaan en is uiteindelijk in armoede gestorven. Na zijn overlijden zette zijn dochter Jasperina het proces voort tot zeker 1692. De afloop kennen we niet.
Door de eeuwen heen
Na enige tijd werd slagwerk aan het torenuurwerk toegevoegd dat ook de kwartieren voor en na het hele uur deed slaan. Ook kwam er een voorspel dat de slagen aankondigde. Mogelijk gebeurde dit in 1680. Dat jaartal is in het ijzer gegraveerd. In 1886 is het uurwerk gerestaureerd door Gerrit Jan Heinen uit IJzerlo. Hij woonde op boerderij de Klokkemaker.
Na bijna drie eeuwen trouwe dienst werd het uurwerk in 1942 vervangen door een nieuw mechanisch torenuurwerk. Het oude uurwerk ging naar Aalten. Daar heeft het een tijd staan te verstoffen in de brandweerkazerne. Daarna kwam het terecht in de Aaltense Oudheidkamer, die later is opgegaan in museum Frerikshuus en uiteindelijke het Nationaal Onderduikmuseum. In 2017 werd het uurwerk een gemeentelijk monument.
Terug naar Bredevoort
Het Bredevoortse uurwerk paste echter niet meer in het concept van het museum en er moest een andere locatie voor worden gevonden, liefst een plek waar het publiek het kon bewonderen. Begin 2025 nam Bredevoorts Belang het torenuurwerk over. Terugplaatsing in de toren van de Sint Joriskerk was niet meer mogelijk. De interieurcommissie van de kerk stelde voor om het uurwerk op de boerenzolder te zetten en de kerkenraad ging akkoord.
Het uurwerk van Joannes Holthus uit 1666 staat nu te pronken op de kerkzolder, en alles werkt nog!
Het Bredevoortse torenuurwerk uit 1666 (foto: Ap te Winkel)De zonnewijzer aan de Sint Joriskerk (foto: Jos Wessels)Een gesmede strip met inscriptie (foto: Ap te Winkel)
Technische omschrijving
Het torenuurwerk bestaat uit twee aan elkaar gekoppelde segmenten. Het segment met de slagwerken is 120 cm lang, 65 cm breed en 104 cm hoog. Het gedeelte met het gaande werk en het speelwerk is 81 centimeter lang, 58 cm breed en 104 cm hoog. Op gesmede strippen zijn de volgende teksten aangebracht:
“JOANNES HOLTHUS ME FECIT (heeft mij gemaakt) 1666. JOANNES VERSCHAGÆ PASTOR HUIUS ECCLESIÆ (herder van deze kerk) GERHARD VAN HENGEL DR. BERNARD ECCKERVELT KERKMEISTEREN IN BREDEVORT“.
Het uurwerk is uitgerust met een dubbel slagwerk, dat zowel op de hele als de halve uren Bredevoort bij de tijd hield. Bovendien weerklonken een kwartier voor en na de hele uren vier tonen op drie klokken.
De hoekstijlen zijn versierd met een prachtig gesmede krul. De verbindingen bestaan voornamelijk uit spieën. Het geheel staat op een houten beun. Als aandrijfgewicht fungeert een grote brok zandsteen. Die steen is vrijwel zeker oorspronkelijk. De steen hangt aan een touw van gevlochten hennep, zoals ook al het andere touwwerk. Het geheel werkt perfect.
Het uurwerk is beschreven in het boek: ‘Achterhoekse klokken en uurwerkmakers’, door J.L. Sellink, A.F. Abbink en R.E. Wiggers, (ISBN 90-9003816-7). Op bladzijde 8 schrijft dhr. Wiggers over het uurwerk onder andere: “Het gangwerk bestaat uit een Grahamgang met tandvorm volgens Schwilgué, dit moet na 1715 zijn ingebouwd. “Het voorspel lijkt namelijk origineel en direct in 1666 te zijn geconstrueerd. De huidige plaats voor het gaande werk is ook authentiek en de opwindas ervan is ook gelijk aan de andere drie assen.“
In het jaar 1660 kwam ene Hendrick Janszen ‘van Brevoort’ met zijn vrouw en vier kinderen (3, 12, 16 en 17 jaar) naar Nieuw Amsterdam, het huidige New York. Destijds had men nog geen officiële achternaam, en in archieven werd iemand vermeld met voornaam, patroniem (Janszen, oftewel ‘zoon van Jan’) en de plaats waar men vandaan kwam (in dit geval ‘Brevoort’). Zij waren op 8/9 maart 1660 uit Amsterdam vertrokken met het schip De Moesman en kwamen aan voor 30 mei.
Meer informatie over de Bredevoortse afkomst van deze Hendrick Janszen hebben wij vooralsnog niet. U wel? Dan horen wij het graag!
Brevoort Estate, tussen 54th en 55th Street, vlakbij 1st Avenue, 1866. Foto: The Museum of the City of New York
Hendricks zoon Jan Hendrick (1644-1714) gebruikte vanaf 1696 de achternaam Brevoort. In de eeuwen die volgden zou het geslacht Brevoort in New York uitgroeien tot een bekende familie met aanzien en rijkdom.
Jan Hendrick Brevoort kocht land in Harlem, waar hij in 1678 en 1679 de functie van opzichter bekleedde. Begin 18e eeuw verruilde hij Harlem voor het zuiden van Manhattan. Bij zijn overlijden liet hij zijn boerderij in de ‘Bowery‘ na aan zijn kinderen. Zijn zoon Hendrick (1670-1718) bezat uiteindelijk het grootste deel van de grond, dat vervolgens toekwam aan zijn zoon, eveneens Hendrick geheten (1711-1771). Deze breidde het bezit verder uit tot 30 hectare. Toen de familie Brevoort haar bezittingen opsplitste en grotendeels verkocht, leverde dit hen een vermogen op. Hoofd van de familie was toen Henry Brevoort (1747-1841).
Henry Brevoort Jr.
Henry Brevoort Jr. (1782-1848) en zijn vrouw Laura Brevoort-Carson lieten een herenhuis bouwen op het restant van hun grond, aan 5th Avenue en 9th Street. Deze omgeving was juist in opkomst en de Brevoorts namen er een vooraanstaande positie in. Henry Jr. stond bekend als een literaire geest en hij was bevriend en correspondeerde met de schrijver Washington Irving (1783-1859). Daarnaast was hij vele jaren gemeenteraadslid.
Henry Jr. was avontuurlijk aangelegd en reisde veel. Zo vergezelde hij Lewis en Clark op hun expeditie naar de Pacific Northwest van 1803 tot 1806 en bracht veel tijd door in de Noord-Amerikaanse wildernis, waar hij werkte voor John Jacob Astor’s American Fur Company. In het noorden van de staat Michigan, in Mackinac County, ligt een gehucht met de naam Brevort (foto links), naar Henry vernoemd, die het gebied in 1845 onderzocht, samen met zijn vriend Washington Irving.
Met name in de stad New York verwijzen diverse plekken, straten en gebouwen nog naar de familie Brevoort. We noemen hier een aantal voorbeelden.
De bocht in Broadway
Kenmerkend voor Amerikaanse steden is het rechthoekige stratenpatroon. Afwijkingen van dit patroon komen echter ook voor. Wie het stratenpatroon van New York bestudeert ziet bijvoorbeeld dat Broadway, één van de bekendste straten ter wereld, ook een bocht maakt. Volgens overlevering zou dit te danken zijn aan één man, die vastbesloten was om zijn land te verdedigen.
De 35 hectare grote boerderij van Henry Brevoort Sr. lag begin 19e eeuw aan de rand van de stad. Omdat de bevolking van New York toenam, kondigde het stadsbestuur in 1815 plannen aan om Broadway in een rechte lijn door te trekken naar 23rd Street. Hierdoor zou Brevoort’s land echter worden doorsneden. Hij protesteerde en het stadsbestuur zwichtte: Broadway werd afgebogen, zodat de boomgaarden van Brevoort’s boerderij werden ontzien, waar tegenwoordig 10th Street is.
Appartementencomplex The Brevoort, Manhattan
In de buurt Greenwich Willage, hartje Manhattan, staat aan het begin van 5th Avenue een appartementencomplex genaamd ‘The Brevoort’. Het complex is gebouwd in 1955, telt 20 verdiepingen en 277 appartementen. Het gebouw verving het befaamde ‘Hotel Brevoort‘, ooit één van de meest toonaangevende hotels in New York. Hier verbleven de ‘rich and famous’ en soms zelfs koninklijke gasten. Ook stond het hotel bekend om de legendarische feesten die er plaatsvonden. Luchtvaartpionier Charles Lindbergh ontving in dit hotel de Orteig prijs van 25.000 dollar voor zijn solovlucht over de Atlantische Oceaan.
Eén van de beroemdste bewoners van het huidige appartementencomplex ‘The Brevoort’ was Buddy Holly. Hij woonde er in 1958-1959, van zijn huwelijk tot hij noodlottig aan zijn einde kwam. Hij heeft hier de zogenaamde Apartment Tapes opgenomen.
Sporen van Brevoort in Brooklyn
Ook in stadsdeel Brooklyn zijn diverse plekken waar familieleden van de Brevoorts ooit land bezaten. Hieraan herinneren onder andere een straat (Brevoort Place), een appartementencomplex (de Brevoort Houses – 13 gebouwen van zeven verdiepingen met in totaal 896 appartementen), een Brevoort Playground en een Brevoort Post Office.
Brevoort Place, Brooklyn
Brevoort Houses, Brooklyn
U.S. Post Office Brevoort Station, Brooklyn
Brevoort Theatre, Brooklyn
Hoewel dit theater al lang is verdwenen, is het toch een vermelding waard. Het Brevoort Theater stond ooit op de hoek van Bedford Avenue en Brevoort Place. Bij de opening in 1918 was het de grootste bioscoop van Brooklyn, met 1800 zitplaatsen en nog eens 700 op het balkon. Het theater had ook een podium en een orkestbak.
Hoewel er de eerste decennia vooral films werden vertoond, werd het Brevoort Theater rond 1960 bekend omdat er vele bekende artiesten optraden waaronder James Brown, Jackie Wilson, Otis Redding, Smokey Robinson & The Miracles, The Four Tops, The Temptations, Marvin Gaye, Stevie Wonder, The Supremes, Sam & Dave, Dionne Warwick, Gladys Knight & the Pips en Pattie LaBelle & the Bluebells. Deze periode duurde echter niet lang. Het theater sloot in de jaren 60 van de vorige eeuw voorgoed de deuren en werd in 1968 afgebroken.
Kruittorenramp Bredevoort 1646, 3D impressie door Paul van Druten
Op zondag 12 juli 1646 rond vier uur ’s middags werd de kruittoren van het kasteel Bredevoort, met daarin 320 vaten buskruit, getroffen door de bliksem. Bij de daaropvolgende explosie vielen veertig doden en een onbekend aantal gewonden.
Bij de inslag vloog de toren in brand. De explosie was zo hevig dat daarbij ook het Ambthuis instortte. De stad ondervond veel schade van de explosie en bijna alle huizen verloren hun dakpannen en ruiten. De huizen rondom het kasteel waren ingestort. Er is met gebruik van schoppen en houwelen drie dagen lang onder de puinhopen naar overlevenden gezocht.
In 1938 schreef G.H. Rots een serie artikelen in de Aaltensche Courant over de geschiedenis van de gemeente Aalten. Zo schreef hij over de kruittorenramp in Bredevoort:
“Het jaar 1646 was wederom een rampjaar voor Bredevoort. Het was den 12en Juli en een benauwende hitte hing boven stad. Donkere wolken pakten zich samen, en alles wees er op dat er een zwaar onweer op til was. En jawel, de bliksem kliefde weldra het luchtruim, gevolgd door zware donderslagen. En plotseling een ontzettende slag, gevolgd door een vreeselijk geluid.
De bliksem was in de kruittoren geslagen waardoor het aanwezige kruit (320 ton) tot ontploffing kwam. De geheele toren werd uit elkander geslagen, alsmede het in de nabijheid gelegen Ambthuis, van bijna alle huizen werden de pannen afgerukt, en de ruiten door den luchtdruk ingedrukt. Het aantal dooden bij dien ramp bedroeg 19 alleen op ’t kasteel en ’t Ambthuis. In overige huizen in de stad waren ook talrijke dooden.”
Kasteel Bredevoort in 1597
Slachtoffers
“Tot de dooden behoorden o.a. de Gouverneur van de stad Willem van Haersolte en zijn echtgenoote, de Drostinne Cathrijne van Brakel en hare acht kinderen, haar nicht Berentjen van Brakel. Voorts Joh. van Langen, luitenant van Georg Ernst Graaf van Bronkhorst, en dan nog zijne Fransche Maitresse (sic) Jeanne van Sédan. Een oude vrouw, daar aanwezig, Maria Glazen, met de knecht en de meid behoorden ook tot de slachtoffers.
De schildwacht die op post stond, genaamd Hendrik Otterpoëll, werd onder de puinhoopen bedolven. In de overige deelen der stad is het huis van Jan Stenneken verwoest. Hij en zijn huisvrouw Marycken van der Halle werden gedood. De namen der dooden in overige stadsdeelen waren Derk Trix, vaandrig, Harmen ter Male, F. zum Moorelagen Voogt van Winterswijk en zijn huisvrouw Janne Beerninck, met haar zuster Christine Beerninck, weduwe van wijlen N. Brinkhorst, rechter van Haaksbergen.
Het huis van Berent Grimme werd verwoest, zijn vrouw met vier kinderen lieten het leven. ’t Huis van Casper Evers werd getroffen waaronder drie menschen werden gedood, genaamd Arent Hamaeker, een kind van Berent Maes en een kind van Herman Broekman. Onder ’t huis van Derrick ter Woerle Wiltschut zijn drie van zijn kinderen gedood, verder nog de soldaat Gerrit Jansen en Jan Schulten.
Wij hebben die namen expresselijk vermeld omdat men daaruit misschien namen van thans levenden kan afleiden.”
De doden die onder het puin van het Ambthuis lagen, werden op 15 juli opgebaard in het huis van de weduwe van de overleden predikant D.J. Verhagen. De drost met zijn vrouw en acht kinderen werden op donderdag 16 juli in de voormiddag begraven in het koor van de Sint-Joriskerk. Het is niet duidelijk hoeveel mensen onder het puin gebleven zijn. In totaal stierven die dag veertig mensen. Over het aantal slachtoffers dat gewond raakte, maken de bronnen geen melding.
Eén zoon van Drost Wilhelm van Haersolte heeft de ramp overleefd. Anthony, zoals hij heette, was toevallig die dag niet thuis: hij verbleef in Zwolle. Hij heeft in Zwolle de familie voortgezet en heeft daar het Haersolte-Armenhuis gesticht, waarbij wordt aangenomen dat de stichting verband houdt met de ramp van Bredevoort.
De Aaltense bevolking heeft in vroeger eeuwen regelmatig te lijden gehad onder brandschatting. Een brandschatting is een (meestal hoog) bedrag dat een dorp of streek aan doortrekkende troepen moest betalen om te voorkomen dat dezen het dorp of de streek plunderden en in brand staken.
De betreffende soldaten kregen doorgaans onregelmatig soldij en werden vooral uit de brandschatting betaald. Als de bedragen niet konden worden opgebracht, voelden de troepen zich gerechtigd tot plundering en ander wangedrag. Aangezien er in tijd van oorlog vaak meerdere legers door een streek trokken leidde het opleggen van deze ‘oorlogsbelasting’ gewoonlijk tot bittere armoede. Daarnaast had de bevolking dikwijls ook nog te lijden van rondzwervende afgedankte huurlingen.
Deze praktijk heeft vele gebieden niet alleen in de middeleeuwen geteisterd, maar ook bij diverse oorlogen in de 16e, 17e, en 18e eeuw. In bijvoorbeeld de randgebieden van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, zoals Noord-Brabant, Limburg en de oostelijke grensgebieden heeft het in genoemde eeuwen tot een grote economische en demografische terugval geleid.
Plundering, brandschatting en verkrachting door Spaanse soldaten, door C. van der Burght (Bron: Zeeuws Archief)
Historische beschrijving
In 1938 schreef G.H. Rots een serie artikelen in de Aaltensche Courant over de geschiedenis van de gemeente Aalten. Zo schreef hij over brandschattingen in Aalten:
“In de jaren voor 1597, het jaar van de verovering van Bredevoort door Prins Maurits was Bredevoort geregeld in ’t bezit der Spanjaarden geweest. Men moet echter niet meenen dat toen pays en vree was in het Ambt Bredevoort. Geregeld trokken voordien troepen door en in Bredevoort en de bijbehoorende Ambten. Het dorp Aalten had bijzonder van die doortrekkende troepen te lijden. Over het mijn en dijn werd niet lang geredetwist. De soldaten namen maar wat van hun gading was en herhaaldelijk werd het Ambt Aalten gebrandschat, d.w.z. opgedragen om een aantal paarden, koeien of geld aan de doortrekkende troepen af te dragen.
Men kon het ook op een accoordje gooien met de roovende benden en kon men door een som gelds te geven, het in beslag nemen van vee en paarden voorkomen. Als bewijs hoe Aalten te lijden had onder die herhaaldelijke invallen en rooverijen, wordt het volgende daaromtrent vermeld.
In 1582 op den 2en Maart kwamen Engelsche ruiters in Aalten en namen 16 personen gevangen. Deze gevangenen zijn weer in vrijheid gesteld nadat zij een losgeld hadden betaald van 2000 gulden.
Een eerzaam burger, genaamd Hondarp werd echter naar Zutphen getransporteerd maar is later tegen een losgeld van 200 daalder weer vrijgelaten. Genoemden Hondarp zijn zoon werd den 17en October toen hij zich te Doetinchem bevond, gevangen genomen. Hij was te paard naar Doetinchem gereden en het schijnt dat aan zijn uiterlijk wel te zien is geweest dat het hem niet aan middelen ontbrak, want hij kon zijn vrijheid weer terugkrijgen tegen betaling van 100 daalder en afgifte van zijn paard.
Den eersten December van dat jaar kwamen soldaten uit Lochem en eischten 100 daalder, dan zou er niet geroofd worden. Met Hondarp ging het niet voor den wind want den 15en januari 1583 werd hij met zijn vrouw en zoon gevangen genomen. Men kon toen niet meer dan 60 daalder van hem loskrijgen, waarvoor zij tenslotte de vrijheid herkregen. In Maart van dat jaar kwamen er weer een groep soldaten uit Doetinchem en roofden ‘op den Pas’ een aantal paarden. De eigenaren konden ze weer terug koopen voor 51 daalder, uitgezonderd het beste paard, dat de soldaten meenamen.
Den 29sten Mei kwamen de Doetinchemmers al weer en roofden een paard en een koe, maar men betaalde dezen keer geen losgeld, waarschijnlijk met de gedachte: als ze geen geld krijgen komen ze niet zoo gauw terug. Maar den anderen dag was ’t alweer van ’t zelfde laken een pak, men roofde 3 paarden. De losprijs werd minder want nu behoefde men maar 9 daalder te betalen, waarmede de heeren soldaten tevreden waren.
Het garnizoen te Doetinchem zat echter het rooven in ’t bloed want ze kwamen telkens te Aalten. Der 18en Juni stalen ze drie paarden, losprijs 13½ daalder.
Den 10en had men ze alweer en nu eischten ze 3 paarden, 2 koeien 2 vaarzen en 3 stieren. De vaarzen werden geslacht en getaxeerd op 10 daalder. De rest werd teruggekocht voor 10 keizer gulden en de stieren voor 10 daalder.
Den 14en Juni roofde men één paard, hetwelk teruggekocht voor 3 daalder en 18 stuiver. Het zou nog erger worden, want reeds twee dagen later kwamen soldaten uit Bergh, Doetinchem en Nijmegen en roofden 41 paarden, 4 ossen, 33 koeien en 37 stuks gustvee. Een gedeelte daarvan kon slechts teruggekocht worden voor 674 daalder.
En nu volgden meerdere beroovingen. Den 19en Juli door soldaten van Bronckhorst 20 paarden. Den 11en Augustus Wederom 6 paarden. Den 14en September soldaten uit Ulft, geroofd 3 koeien, waarvoor een losgeld door de eigenaar werd betaald van 15 daalder.
Den 17en September kwam een vendel soldaten onder aanvoering van een zekere Stael en namen in beslag 11 koeien, 40 paarden, 40 stuks groot vee en 12 ossen. Het beste vee namen zij mee en de rest werd teruggekocht voor 419 daalder. Tot nu was het altijd levende have geweest maar den 15en December kwamen Lochemsche soldaten en eischten 8 paarden en 2 karren boekweit. Den 15en Maart van ’t volgende jaar reed door den IJzerloschen esch een voerman met een wagen met rogge, bespannen met 2 paarden. Eenige ruiters uit Bergh en Doetinchem namen de heele boel in beslag en de voerman zag zijn bezit meegenomen.
Thans begon men weer huisvaders gevangen te nemen. Men liet ze vrij voor een losprijs of voor andere gevangenen, die te Bredevoort in den kerker zuchtten. Direct na Pinksteren werd een groote inval ondernomen en werden vele paarden en koeien in beslag genomen en gedeeltelijk weer teruggekocht. Vervolgens den 9en Juni, den 20sten Juni en den 24sten Juni, telkens invallen en rooverijen van paarden en vee.
En nog was de maat niet vol. De bevolking van Aalten had het zwaar te verduren, want den 13en en 14en Juli 1584 heeft men in de gemeente Aalten 15 menschen gevangen genomen en 600 stuks vee en paarden geroofd. De gevangenen zijn tegen een losgeld van 1100 gulden weer in vrijheid gesteld. Wie zal peilen de smart der bevolking van die dagen.
Door al die genoemde strooptochten werden de menschen angstig. Zij durfden bijna niet meer met paard, os of ander dier buiten te komen, van alle kanten was er gevaar te duchten. In alle vestingen in den omtrek lagen soldaten, en wanneer deze wat noodig hadden, ging ze op rooverij uit. Het was midden in den oogsttijd, maar de boeren lieten het graan op den akker staan; waarvoor zou men oogsten? Straks kwamen de vijandelijke en ook de Staatsche soldaten, want op dit gebied was het ‘lood om oud ijzer’, en roofden het bezit weg.
Er waren ook boeren die de vlucht namen en trachtten in oostelijker gelegen streken een bestaan te vinden. Zij die hier bleven beklaagden zich bij de dorps overheid, maar wat zouden die er aan doen! In die jaren was een zekere Jan Holstein voogd van Aalten. Hij richtte smeekbrieven aan de Pandvrouwe van Anholt. Het schijnt echter dat deze ook onmachtig was een einde aan den toestand te maken, ’t Was oorlogstijd, en de soldaten, meest huurlingen en vrijwilligers, die op tijd geld, eten en drinken eischten. En wanneer de legerleiding dat niet op tijd kon verschaffen, dan probeerden de soldaten door plundering en rooven het zelf te bemachtigen. De bevolking werd er de dupe van.”
Inkwartiering
“Bij al die narigheid kwam dat men de garnizoenen ontlastte van soldaten en ze inkwartierde bij de boeren en bewoners der dorpen. Zelf hadden de menschen al bijna niet te eten, en als men soldaten ingekwartierd kreeg, speelden die op wanneer ze niet voldoende eten kregen. Als men levensmiddelen had werden die grotendeels verstopt, want anders werd alles binnengepalmd. Tot overmaat van ramp werd aan de bevolking een extra belasting opgelegd. De Pandvrouw moest geld hebben en de Rentmeesters trokken rond om de gelden te innen; maar overal was armoede en gebrek.
Dan scheen het weer of er rust zou komen en hoorde men in een jaar niets. Maar plotseling kwam ze weer opzetten. Zooals in den zomer van 1586 en het rooven begon weer. De Aaltensche boeren hebben toen de plunderaars achterna gezeten tot Enschede en Oldenzaal. Ze wilden hun geroofd vee terug hebben. Ze moesten onverrichterzake teruggaan en het leed was bijna niet te dragen.
Een der ergste bezoekingen was als de soldaten hun vrouwen en kinderen meebrachten. Dan moest die ook nog wat te eten gegeven worden. In Januari 1587 zou er weer zoo’n troep gedeeltelijk in Aalten ingekwartierd worden. De schrik sloeg de bevolking om het hart. Men hoorde dat het huurlingen waren uit Walen in België, welke berucht waren om hun woestheid en wreedheid. Voorposten waren al uitgezonden want men vermoedde dat er Geuzensoldaten in den omtrek waren. Op een Zondagmorgen kwam zoo’n voorposten troep van 20 man te Aalten, onder aanvoering van den landdrost Thieseling. Zij trokken door naar Bocholt waar een Spaansche afdeeling ruiterij was aangekomen onder bevel van Overste Taxis.
De verkenning had uitgemaakt dat er geen Staatsche- of Geuzensoldaten te zien waren en dus werd afgesproken maar weer terug te rijden tot Groenlo en dan de inkwartiering te bewerkstelligen. Maar tusschen Aalten en Bocholt werd zij plotseling door de Geuzensoldaten overvallen en een hevige strijd ontbrandde. De Geuzen bleven overwinnaar en de schrik zat er nu in. De gevreesde inkwartiering kwam niet.
Bij Bredevoort schijnen behalve moerassen toch ook vruchtbare weiden geweest te zijn. Men had er namelijk een stadsweide op het Swanebroek en meerdere particuliere weidegronden. Maar in 1587 was alles kaal geweid door de paarden der vijanden, de weiden geheel kapot gereden en nadien was er een regenperiode gekomen en kwam alles onder water te staan, zoodat men dat jaar geen hooi heeft kunnen oogsten. Was men in ’t voorjaar verschoond gebleven van de inkwartiering, in December van dat jaar kwam plotseling ’n groot aantal ruiters uit Groenlo en roofden paarden, koeien en varkens. Zestig molder rogge en boekweit was ook van hun gading, benevens 43 wagenvrachten ongedorscht koren.
Op den 26sten Maart 1588 waren het een aantal Staatsche soldaten die in Aalten plunderden. Zoo werd de bevolking dan van de kat en dan van de kater gebeten. De voogd van Aalten, Jan Holstein, schrijft op 9 Juni 1588 aan Godfried Gerardi, raadsman der Pandvrouw, een brief waarin hij memoreert den toestand in Aalten. Men kan den oogst niet veilig binnen halen. Er zijn Aaltensche burgers gevangen genomen en zitten elders in gijzeling. Er is geen geld om deze menschen los te koopen.
Op den 4den Juli 1588 naderde een leger van 2000 infanteristen (voetknechten) en 300 ruiters Aalten. Zij trokken het dorp in en angstig vluchtten de bewoners in de huizen. Wat zal hen nu weer overkomen? Het bevel wordt gevoerd door de Spaanse stadhouder en veldoverste Verdugo en graaf Herman van den Berg. Het blijkt echter dat men op den doortocht is, richting Bocholt-Recklinghausen, zoodat Aalten ditmaal gespaard wordt voor inkwartiering of rooverijen.
De Pandvrouwe zint op middelen om aan de rooverijen een einde te maken. Ze moet geld hebben om de soldij der soldaten te betalen en daarom besloot ze een extra heffing (extra belasting) in te voeren. Maar jawel, van een kikker zijn geen veeren te plukken. Aalten moet 70 daalder extra opbrengen, en de voogd van Aalten schrijft aan de Pandvrouw dat hij niet weet op welke manier hij deze som, die vroeger gemakkelijk te betalen was geweest, thans bij elkander zal krijgen. De bevolking lijdt honger, paarden en koeien zijn er haast niet meer en wat er nog is wordt weggeroofd.
Ja, mijne lezers, wie zal de diepte van ellende peilen der ongelukkige bevolking, want niet alleen de genoemde bezoekingen treffen de bevolking. Het is of alles samenspant, het vernietigingssysteem te volbrengen, want terwijl de vruchten nog zoo’n beetje beloofden voor een goeden oogst, kwam er een geweldig onweer opzetten gepaard met zwaren hagelslag en vernietigde al de te velde staande gewassen. Hoe diep onze voorouders den drinkbeker der ellende moesten ledigen is niet te beschrijven en kan door ons, die wel klagen over slechte tijden, niet begrepen worden.
Want nog meer wandaden zouden er gebeuren. De soldatenhorden die rondtrokken en vaak zich aan sterke drank te buiten gingen, dreigden vrouwen en dochters met onteering, wanneer hen niet gegeven werd wat ze eischten. In 1597 werd Bredevoort door Prins Maurits ingenomen. De ommekeer in het bewind was er wel gekomen maar daarbij nu niet de bescherming van hof en goed. Het bleef in het Ambt Bredevoort onrustig. De strijdkansen waren wisselend, maar soldaten waren soldaten, de eene groep mocht dan iets beter zijn dan de andere, in doorsnee kon men ze alle over een kam scheren.”
Twaalfjarig bestand
“Eerst in 1609 toen het twaalfjarig bestand werd gemaakt, kon de bevolking weer eenigszins op adem komen. Met de wisseling der krijgskansen waren ook de godsdienstige twisten opgelaaid. Zoolang de Spaansche overheersching er was, konden de Hervormers zich niet openlijk vertoonen. Nauwelijks was de krijgskans gekeerd of de ommekeer in de kerken vond ook plaats. De overwinnaars namen maatregelen tegenover de overwonnenen, die achteraf bezien niet te verdedigen zijn.
Na het twaalfjarig bestand begon de strijd opnieuw weer te ontbranden. In Groenlo was nog altijd een bezetting Spaansche soldaten. Dat was daar een broeinest van slechte elementen. Zij trokken de buurtschappen rond en roofden weer alles wat hun slaagde. Den nieuwen Pandheer over deze gemeente Prins Maurits en later Frederik Hendrik, werd steeds om bescherming verzocht. Eindelijk den 17den Juli 1627 besloot Frederik Hendrik zijn onderdanen in de Graafschap te hulp te snellen. Een aanzienlijke legermacht van 55 escadrons ruiterij, 168 vendelen voetknechten en 75 kanonnen trok de Graafschap binnen, komende uit de richting Emmerik. Het beleg werd voor Groenlo geslagen en een hevige strijd is daar ontbrand tusschen belegeraars en belegerden.
Nadat het beleg een maand geduurd had, nam Frederik Hendrik de stad in en vestigde hiermee het bewind in de Graafschap. Gedurende dertig dagen houdt Frederik Hendrik verblijf te Groenlo en bezoekt de plaatsen in den omtrek. Ook Aalten krijgt officieel bezoek van Frederik Hendrik. Hij sprak de bevolking moed in. Nadien heeft een Oranjetelg nooit een officieel bezoek aan Aalten gebracht. Als er te Aalten nog eens weer een naam moet worden gegeven aan een straat of plein, mag die wel heeten naar dezen bevrijder van het Aaltensche grondgebied. Want nadien is de rust weergekeerd, behoudens vergeleken bij vroeger kleine rooverijen, totdat in 1648 de vrede geteekend werd, waarbij een einde kwam aan den tachtigjarigen oorlog.”
In het zuidoosten van Engeland, aan de monding van de Thames, ligt het stadje Canvey Island. Vier eeuwen geleden dreigde het in zee te verdwijnen, tot in 1622 Nederlanders te hulp schoten met hun ‘water management skills’. Na een succesvolle inpoldering bleven veel Nederlandse arbeiders er wonen, waaronder wellicht ook één of meer Oud-Aaltenaren.
Begin 17e eeuw ontmoette Sir Henry Appleton, destijds de belangrijkste landeigenaar op Canvey Island, de Nederlander Joas Croppenburg. Deze stelde voor om Canvey Island op dezelfde manier droog te leggen als in Amsterdam was gedaan. In 1622 tekenden verschillende landeigenaren van Canvey Island een overeenkomst en Croppenburg huurde een andere Nederlander in, Cornelius Vermuyden, om het eiland in te polderen.
Vermuyden recruteerde tussen de twee- en driehonderd landgenoten om de klus te klaren. Ze bouwden een reeks zeeweringen en maakten Canvey Island met succes bewoonbaar door 15 kilometer land terug te winnen door het eiland te omdijken met plaatselijk gewonnen krijt, kalksteen en zware moerasklei.
Nederlandse kolonie
Nadat Canvey Island was drooggelegd en beschikbaar voor zowel landbouw als om te wonen, besloten veel van de Nederlandse arbeiders die hadden geholpen het land terug te winnen, zich daar permanent te vestigen. Op Canvey Island ontwikkelde zich dan ook binnen enkele jaren een Nederlandse kolonie. Nederlands bleef zelfs de voertaal in Canvey tot ongeveer 1700.
De Nederlandse kolonisten vernoemden allerlei wegen in hun nederzetting naar plaatsen van hun thuisland. Zo is er onder andere een Aalten Avenue, Zelham Drive, Goirle Avenue, Haarlem Road, Urmond Road en Waalwyk Drive.
Foto: Google Streetview, 2024
Er is vooralsnog geen tastbare connectie gevonden tussen deze geschiedenis en specifieke Oud-Aaltenaren die daarbij betrokken zouden zijn geweest. Hopelijk komt daarover ooit nog relevante informatie ‘boven water’!
Gedurende de 17e en 18e eeuw monsterden ruim tweehonderd mannen uit Aalten en Bredevoort aan op schepen van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC). Sommigen waren nog minderjarig, velen keerden nooit terug. Wat bracht hen ertoe de landelijke Achterhoek te verruilen voor een gevaarlijke zeereis naar de Oost, duizenden kilometers van huis?
De VOC en haar administratie
De VOC (1602–1795) was ’s werelds eerste multinational en groeide uit tot een machtige koloniale onderneming met handelsmonopolies en een eigen krijgsmacht. In bijna tweehonderd jaar tijd vertrokken ruim 4.700 schepen naar Azië. Alleen al in de 18e eeuw bevonden zich ongeveer 655.000 mensen aan boord van VOC-schepen.1 Slechts een klein deel kwam uit de Achterhoek. Uit de administratie kennen we ruim 200 namen van mannen uit Aalten en Bredevoort die in dienst traden bij de VOC.
Dat we dit weten, danken we aan de nauwgezette personeelsadministratie. In de zogenoemde scheepssoldijboeken werden persoonsgegevens, functies, schepen, bestemmingen en de reden van uitdiensttreding vastgelegd. Deze bronnen zijn grotendeels bewaard gebleven en kunnen online worden geraadpleegd via de website van het Nationaal Archief. De tabel onderaan dit artikel is samengesteld op basis van deze administratie.2
Aalten en de VOC: vanaf het begin betrokken
De bemoeienis van Aaltenaren met de VOC begon overigens niet pas toen mannen als soldaat of matroos aanmonsterden. Al bij de oprichting in 1602 speelde een Aaltenaar een opvallende rol. Wessel Schenk, geboren in Aalten en later koopman in Amsterdam, investeerde toen 30.000 gulden in de nieuwe compagnie. Daarmee behoorde hij tot de grootste aandeelhouders van de VOC.3
De dienst was riskant: meer dan de helft overleed onderweg of in Azië, terwijl slechts een derde aantoonbaar levend terugkeerde. Aanmonsteringen vonden verspreid over de 17e en 18e eeuw plaats, met lichte pieken in de jaren 1720 en 1760–70.
Waarom kozen deze mannen voor een onzeker bestaan op zee? Voor velen was het een kwestie van armoede of gebrek aan perspectief: een vast inkomen bij de VOC bood zekerheid. Voor anderen speelde de drang naar avontuur en zelfstandigheid, een kans om de wereld te zien en te ontsnappen aan de beperkingen van het plattelandsleven.4
Militaire functies
Bijna de helft van de Aaltenaren en Bredevoorters vervulde een militaire functie. Tot 1755 was er een garnizoen in Bredevoort5, wat hierbij een rol kan hebben gespeeld. Voor militairen bood de VOC vermoedelijk de mogelijkheid hun ervaring met wapens en discipline te benutten, vaak tegen beter loon en met meer loopbaanperspectief. Tegelijk kan het evengoed zijn dat ook mannen met ervaring in de schutterij voor dergelijke functies werden ingezet. Het vertrek van het garnizoen uit Bredevoort lijkt geen aantoonbare invloed te hebben gehad op het aantal aanmonsteringen.
Namen en gegevens
Onderstaande tabel bevat de gegevens van personen uit Aalten en Bredevoort die in dienst zijn geweest bij de VOC. Sommige personen worden vaker vermeld, omdat ze meerdere reizen hebben gemaakt. Deze tabel is niet foutloos en vermoedelijk ook niet volledig. Van sommige personen is niet zeker dat zij daadwerkelijk uit Aalten of Bredevoort afkomstig waren, omdat de herkomst soms moeilijk leesbaar is en de spelling varieert. Mede daarom ontbreken er ongetwijfeld ook namen, maar mogelijk ook omdat delen van de administratie verloren zijn gegaan.
De 📜 achter iedere naam bevat een link naar de betreffende vermelding in het Nationaal Archief, waar ook de scan van het originele document te bekijken is. Een 🌳 verwijst naar de stamboom van de betreffende persoon op FamilySearch (gratis account vereist), voor zover bekend – werk in uitvoering!
Aan het begin van de 17e eeuw behoren Wessel Schenk en zijn halfbroer Salomon Voerknecht uit Aalten tot de grootste graanhandelaren van Europa. Hun activiteiten reiken van Amsterdam tot Danzig, Königsberg, Genua en zelfs de Nieuwe Wereld. Ook andere familieleden zijn actief in de handel en sluiten huwelijken die hun positie versterken. Wat in Aalten begon, groeide uit tot een netwerk met internationale invloed.
De familie Schenk / Voerknecht
Halverwege de 16e eeuw woont in Aalten ene Jenneken ter Woert. Zij had uit haar eerste huwelijk met Salcke Schenk twee kinderen: Gertruid en Wessel Schenk. Rond 1568 hertrouwde zij met Johan Voerknecht, met wie zij vier kinderen kreeg: Salomon, Hans, Judith en Anna Voerknecht.12
Johan Voerknecht was in 1575 keurnoot van het gericht Bredevoort3, een functie die duidt op maatschappelijk aanzien. Of de familie tot de Aaltense ‘elite’ behoorde is ons niet bekend. Wel valt op dat alle kinderen later succesvol worden in de handel of trouwen met partners van aanzien. Dat wijst op aansluiting bij invloedrijke netwerken die hun sociale en economische kansen vergrootten.
Handelaren in Amsterdam, Danzig en Königsberg
Vanaf de late 15e eeuw specialiseren kooplieden in de Lage Landen zich in het vervoer van bulkgoederen, vooral graan en zout. Deze handel, bekend als de moedernegotie (moeder van alle handel), vormt eeuwenlang de economische basis van Holland en maakt Amsterdam tot de belangrijkste stapelmarkt van Europa.4
Ook de familie Schenk-Voerknecht profiteert hiervan. Zij onderhouden nauwe banden met de Hanzesteden Danzig (Gdańsk) en Königsberg (Kaliningrad). Enkele familieleden vestigen zich er zelfs, tijdelijk of permanent.
Danzig anno 1628
De kinderen Schenk en Voerknecht groeiden op tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648), maar wisten desondanks door te stoten in de internationale handel. De periode van het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) bood daarbij gunstige omstandigheden: een korte fase van rust en wapenstilstand. Oost-Nederland telde acht garnizoenssteden (waaronder Bredevoort) die voortdurend behoefte hadden aan foerage, met name graan. Niet alleen voor brood, maar ook voor de bereiding van bier.
Wessel Schenk was graanhandelaar en deed in die periode goede zaken in de Achterhoek. Hij was ook actief in de handelsroute van Danzig naar Genua, in Italië.5 Zijn halfbroer Salomon Voerknecht was eveneens een zeer succesvol handelaar.
Grootste vervoerders van Amsterdam naar het Middellandse Zeegebied, 1590-1620:
Vervoerders
Totaal
Ladingen
Met een partner
Jasper Quinget
201
197
4
Jan en Philippo Calandrini
91
25
66
Guillelmo Bartolotti
66
42
24
Caspar van Ceulen
63
35
28
Isaac la Maire
56
42
14
Willem Willemss
49
48
1
Salomon Voerknecht
45
13
32
Wessel Schenck
30
25
5
Biografieën van familieleden
Wessel Schenk
Geboren rond 1566 in Aalten. In 1606 woonde hij in de Breestraat in Amsterdam. In archiefdocumenten wordt hij aangeduid als “koopheer”. Uit andere bronnen blijkt dat hij ook regelmatig in Danzig verbleef.
Schenk was bij de oprichting in 1602 een van de grootste aandeelhouders van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC). Hij zag ook kansen in de nieuwe wereld. Samen met zijn neef Jan Holscher investeerde hij in expedities naar Nieuw-Nederland, in het noordoosten van de huidige VS. In 1614 was hij medeoprichter van de Nieuw-Nederland Compagnie, de voorloper van de West-Indische Compagnie.6
In 1609 liet hij in zijn testament opnemen dat hij 4000 gulden zou nalaten aan de armen van zijn geboorteplaats Aalten. Omdat hij dikwijls op reis was, liet hij in 1616 een testament opmaken, waarbij hij de zaken in Amsterdam overliet aan zijn neef Jan Holscher.
In 1619 liet Wessel, als burger van Danzig, per volmacht de jaarlijkse inkomsten uit twee Aaltense boerderijen (Lutke Grievinck en Goorhuis) contractueel overschrijven op zijn zuster’s dochter Gertruid Tols, weduwe van Johan Brunss.7 In 1632 was hij weer in Danzig en verkocht per volmacht “een tuin of hof met getimmerte in twee percelen” buiten de Regulierspoort in Amsterdam. Kort daarna moet hij zijn overleden, vermoedelijk ongehuwd.8
Gertruid Schenk
Geboren rond 1565 in Aalten. Rond 1584 trouwde zij in Anholt met Albert (?) Hengst van Juchteren. Na 1590 hertrouwde ze met Henrick Toll. In 1600 woonde zij aan de Nieuwe Zeedijk in Amsterdam. Gertruid was ook actief in het familiebedrijf. In 1616 ontvingen Gertruid en haar broer Wessel namelijk een aanbevelingsbrief van de Staten-Generaal, gericht aan het stadsbestuur van Danzig – een teken dat hun handelspositie officieel werd erkend. Gertruid overleed na 1628.9
Salomon Voerknecht
Geboren rond 1568 in Aalten. In 1597 trouwde hij in Amsterdam met Jannetje Hooft. Zij was een telg uit een vooraanstaande Amsterdamse koopmansfamilie die één van de grootste Nederlandse schrijvers uit de Gouden Eeuw heeft voortgebracht: Pieter Corneliszoon Hooft. Schoonvader Jan Pietersz Hooft was een broer van de burgemeester van Amsterdam, Cornelis Pietersz Hooft, en door dit huwelijk werd hij ook zwager van de latere burgemeester Volckert Overlander.
In 1618 verkocht Salomon, namens zichzelf en als gevolmachtigde van Judith en Hans Voerknecht, een stuk land, de Bullensche maat in Lintelo aan Roelof Damme en Catharina Smitz. In 1619 verkocht hij, mede namens zijn echtgenote, én als gemachtigde van zijn zus Judith, weduwe van De Marez, en broer Hans (“burger van Danzig”), hun ouderlijk huis in Aalten bij het kerkhof, met hof en grond, aan Wessel Brethouwer en Mechteld Machtes.
In 1637 was Salomon opperkoopman in dienst van de VOC in Batavia. Hij was van Danzig naar Oost-Indië gegaan en daar hertrouwd met een weduwe. Op 24 oktober 1637 liet hij in Batavia, “zwak van lichaam maar nog goed van verstand”, zijn laatste wil vastleggen en is vermoedelijk kort daarna overleden. Zijn oudste zoon Johan werd in 1656 substituut-schout van Amsterdam.10
Hans Voerknecht
Geboren rond 1569 in Aalten. Hans Voerknecht (ook wel Schenk genoemd) was eveneens actief in de handel. In 1605 werd hij, samen met Salomon Voerknecht en Wessel Schenk, vermeld als koopman te Amsterdam. In 1608 was hij in Danzig en in 1619 werd hij zelfs vermeld als burger van die stad. Vermoedelijk overleed hij daar niet veel later.11
Judith Voerknecht
Geboren rond 1569 in Aalten. Rond 1585 trouwde zij met Daniel de Marez, koopman in Danzig. Hij is vereeuwigd op een bijna levensgroot schilderij van de families De Marez en De Schilder. Waar in omringende landen alleen vorsten zich op deze wijze lieten vereeuwigen, toonden hier machtige kooplieden hun status. In 1619 verkoopt broer Salomon namens haar (en andere erfgenamen) het ouderlijk huis in Aalten.12
Anna Voerknecht
Geboren rond 1571 in Aalten. Rond 1590 trouwde zij met koopman Joost Grevinckhoff, eveneens uit Aalten. Een akte van het gerecht te Bredevoort uit 1615, vermeldt dat Seigneur Wessel Schenk een groot aantal landerijen en pachtboerderijen verkoopt namens Joost en Anna, die dan woonachtig zijn in Königsberg. De akte betreft een schuldafwikkeling: Joost en Anna zaten namelijk diep in de schulden, vooral bij Anna’s broer, Seigneur Salomon Voerknecht, “burger en koopman in Amsterdam” (Seigneur is in die tijd de aanspreektitel voor vermogende kooplui). Omdat zij niet konden betalen, droegen zij hun hele bezit in Aalten – inclusief hun huis, land en erfelijke rechten – over aan Salomon en zijn vrouw Joanna Hooft.13
Jan Holscher
Geboren rond 1584 in Dülmen (bij Münster). In 1601 kwam hij naar Amsterdam, waar hij in dienst trad bij zijn oom, de koopman Wessel Schenk. Hoewel hij het bedrijf van zijn oom leidde, dreef hij ook zelfstandig handel. Hij had aandelen in een bedrijf dat handel dreef met Guyana. Samen met zijn oom nam hij ook deel aan de Hans Claesz Compagnie. In 1613 voer Thijs Volckertsz Mossel voor dit bedrijf naar de Hudson River. In 1612 trouwde Jan Holscher in Amsterdam met Elisabeth de Hardouin uit Rouen.14