Inhoudstype: Verhaal

  • Bi’j de Linde

    Bi’j de Linde

    Wi’j is ne mooien boom zeen stoan
    ’t Is woar wat ik ow zeg.
    Dan mo’j is noa dat pleksken goan
    Doar bi’j den Hessenweg.
    Wanneer dèn boom zien greui begon,
    Gin mense dee dat weet,
    Moar ad-e noo is sprèken kon,
    Dan heurn i’j doar dit leed.

    Refrein.

    Ik weet ik vinde, ow bi’j de linde
    Dèn is bekend bi’j ieder’n Aaltenaar,
    Dan zong de linde, pas op ik binde,
    Dee twee te samen, dat dee’k al menig paar.

    ’t Is noo al zo lange hèèr,
    ’t Was in den olden tied,
    Dan zag men hier de koopleu weer,
    Ze kwammen van heel wiet,
    Het reizen dat ging too nog traag,
    Moar waar’n ze lui en loom,
    Dan rusten ze hier efkes graag,
    En ’t klonk bi’j dizzen boom.

    Refrein.

    Doar is al vaak een plan bedacht,
    Doar in den Aalter Es,
    En mooie uurkes deur ebracht,
    Zo liggend in ’t gres.
    I’j röst doar good, bu’j soms is meu,
    Van ’t wark of noa ’t bal,
    Dat wisten ook de olde leu,
    Dee dachten too ook al.

    Refrein.

    As ’t zommer wordt en menig paar,
    Weer gaern is vri’jen geet,
    Dan wèt ze good, dat is neet raar,
    Woar of dee linde steet.
    Steet de boom in volle tooi,
    Dan bunt z’ op eur gemak,
    Dan klunk dat leed bezunder mooi
    Deur ’t greune bladerdak.

    Refrein.

  • Bruggen in Aalten, Bredevoort en buurtschappen

    Bruggen in Aalten, Bredevoort en buurtschappen

    Nannielaantje, brug over de Slingebeek

    Aalten, Bredevoort en de omliggende buurtschappen kennen diverse bruggen, waaronder een groot aantal overspanningen over beken, verschillende spoorbruggen en twee viaducten. Sommige van deze bruggen hebben een naam. In onderstaande tabellen zijn onder andere de bruggen over de Slingebeek en de Keizersbeek weergegeven, gerangschikt van (noord)oost naar (zuid)west. Dit overzicht is nog niet volledig; aanvullingen zijn dan ook van harte welkom.

    Foto’s: G. Schreurs, Google Streetview, Meerdink Bruggen, R. Neerhof.

    Slingebeek

    Object (naam)BouwjaarLocatieCoördinatenAfbeelding
    Munsterbrug1929Landstraat/Misterstraat51°56’31.0″N,
    6°37’07.4″E
    Munsterbrug - Misterstraat, Bredevoort
    Swanebroeksbrug1937-1948Winterswijksestraat51°56’24.8″N,
    6°36’58.2″E
    Swanebroeksbrug - Winterswijksestraat, Bredevoort
    SlingebrugHamelandroute51°55’41.4″N,
    6°36’02.1″E
    Slingebrug - Hamelandroute, Aalten
    1e Haartbrug1950Haartsestraat51°55’35.9″N,
    6°35’19.8″E
    1e Haartbrug - Haartsestraat, Aalten
    Balkonbrug2015Ahavestraat51°55’33.8″N,
    6°35’18.1″E
    Balkonbrug - Ahavestraat, Aalten
    Polbrug1937Polstraat51°55’30.5″N,
    6°35’10.9″E
    Polbrug - Polstraat, Aalten
    Bonifaciusstraat/
    Hofstraat
    51°55’30.2″N,
    6°35’06.6″E
    Brug over Slingebeek achter Openbare School, Aalten
    Wehmervonder1931Wehmerpad51°55’29.9″N,
    6°34’59.5″E
    Whemervonder - Wehmerpad, Aalten
    Wehmerbrug1949Wehmerstraat51°55’30.7″N,
    6°34’52.9″E
    Wehmerbrug - Wehmerstraat, Aalten
    Dijksbrug1949Dijkstraat51°55’27.1″N,
    6°34’50.7″E
    Dijksbrug - Dijkstraat, Aalten
    Koembrug1947Stationsstraat51°55’28.0″N,
    6°34’45.2″E
    Koembrug - Stationsstraat, Aalten
    Dalbrug1961Van Heemskerckstraat51°55’28.8″N,
    6°34’27.3″E
    Dalbrug - Beeklaan, Aalten
    Richterinkvonder1936Slingelaan51°55’34.1″N,
    6°34’18.9″E
    Richterinkvonder - Slingelaan, Aalten
    Richterinkbrug1950Richterinkstraat51°55’37.7″N,
    6°34’16.6″E
    Richterinkbrug - Richterinkstraat, Aalten
    GrevinkbrugVarsseveldsestraatweg51°55’47.4″N,
    6°34’12.0″E
    Grevinkbrug - Ringweg, Aalten
    Aladnaweg51°55’50.4″N,
    6°33’37.3″E
    Brug over Slingebeek - Aladnaweg, Dale
    BleekbrugSlatdijk51°55’54.9″N,
    6°33’11.6″E
    Bleekbrug - Slatdijk, Dale
    PakkebierbrugPakkebierweg51°56’08.6″N,
    6°32’23.1″E
    Pakkebierbrug - Pakkebierweg, Lintelo
    Boombeeksbrug1954Vellegendijk/Boterdijk51°56’17.1″N,
    6°32’10.8″E
    Boombeeksbrug - Vellegendijk, Lintelo
    BeunkbrugBeunkdijk51°56’31.8″N,
    6°31’20.5″E
    Beunkbrug - Beunkdijk, Lintelo

    Keizersbeek

    Object (naam)BouwjaarLocatieCoördinatenAfbeelding
    SchaarsbrugBolwerkweg51°56’41.0″N,
    6°36’52.5″E
    Schaarsbrug - Bolwerkweg, Bredevoort
    Koppelbrug1937-1948Winterswijksestraat51°56’24.7″N,
    6°36’46.7″E
    Koppelbrug - Winterswijksestraat, Bredevoort
    2e Haartbrug1952Haartseweg51°55’32.6″N,
    6°36’10.4″E
    2e Haartbrug - Haartsestraat, Aalten
    Molenkampsdijk51°55’24.4″N,
    6°35’42.1″E
    Brug Keizersbeek - Molenkampsdijk, Aalten
    Loohuisweg51°55’19.5″N,
    6°35’41.2″E
    Brug Keizersbeek - Loohuisweg, Aalten
    Kriegerdreef51°55’14.6″N,
    6°35’38.9″E
    Brug Keizersbeek - Kriegerdreef, Aalten
    Slaadreef51°55’11.1″N,
    6°35’35.6″E
    King’s Company BrugBodendijk51°54’59.2″N,
    6°35’07.2″E
    King's Company Brug - Bodendijk, Aalten
    Hoge BrugBocholtsestraatweg51°54’53.7″N,
    6°34’53.2″E
    Hoge Brug - Bocholtsestraatweg, Aalten
    Piepersbrug1950Dinxperlosestraatweg51°54’45.6″N,
    6°34’28.2″E
    Piepersbrug - Bocholtsestraatweg, Aalten
    Roelendijk51°54’34.5″N,
    6°33’32.4″E
    Roelendijk, Lintelo
    (Mr.) WeversbrugVeldweg51°54’28.2″N,
    6°33’10.8″E
    Weversbrug - Veldweg, Lintelo
    Tammelbrug1938Tammeldijk51°54’25.1″N,
    6°31’58.9″E
    Tammelbrug - Tammeldijk, Lintelo
    Witgoorsbrug1939Sondernweg51°54’41.7″N,
    6°31’49.8″E
    Witgoorsbrug - Sondernweg, Lintelo
    Maatkampsbrug1935Brakenweg51°54’42.2″N,
    6°31’08.6″E
    Maatkampsbrug - Brakenweg, Lintelo
    VeenbrugVeenweg51°54’31.3″N,
    6°30’18.6″E
    Veenbrug - Veenweg, Lintelo
    VriezenbrugDe Heurnseweg51°54’15.7″N,
    6°29’15.3″E
    Vriezenbrug - De Heurnseweg, Lintelo

    Andere bruggen

    Object (naam)BouwjaarLocatieCoördinatenAfbeelding
    Glazenbrugonbekend
    (verdwenen)
    Dijkstraat/
    Plein Zuid
    51°55’17.1″N,
    6°34’51.9″E
    "Glazenbrug" Aalten, ca. 1880 (bron: Topotijdreis)
    Stuwbeeksbrug1926Stationsweg/
    Buninkdijk
    51°55’49.3″N,
    6°37’24.4″E
    Stuwbeeksbrug - Buninkdijk, Haart

    Glazenbrug

    Ruim een eeuw geleden liep er een sloot parallel aan de oostzijde van de Dijkstraat van of naar het Aaltense Broek. Ter hoogte van de huidige spoorwegovergang bij Plein Zuid was een brug die de “Glazenbrug” werd genoemd. De sloot liep er nog in de jaren zestig. Er waren meerdere bruggetjes tot aan de Hoge Brug in de Bocholtsestraatweg.

    Mocht u meer informatie hebben over deze brug dan horen wij het graag.

  • Interactieve route ‘Dwars door Barlo’ brengt oorlogsverhalen tot leven

    Interactieve route ‘Dwars door Barlo’ brengt oorlogsverhalen tot leven

    Een tocht van 19 kilometer langs elf historische locaties

    Dwars door Barlo
    Boekcover ‘Dwars door Barlo’, 1995

    Hoe zag het dagelijks leven in Barlo eruit tijdens de oorlogsjaren? Om de herinneringen aan deze aangrijpende tijd levend te houden, heeft de commissie ‘Dwars door Barlo’ een bijzondere interactieve route gelanceerd. Met behulp van QR-codes kunnen wandelaars, fietsers en automobilisten op verschillende plekken via hun smartphone luisteren en kijken naar verhalen uit de Tweede Wereldoorlog.

    De basis van dit project werd al in 1994 gelegd. Om de herinneringen aan de oorlogsjaren in Barlo veilig te stellen voor de toekomst, interviewde de toenmalige stichting ‘Dwars Door Barlo’ talloze buurtbewoners. Deze gesprekken, vastgelegd op ruim zeventig cassettebandjes, vormden destijds de bron voor het boek ‘Dwars door Barlo’ (1995).

    Ruim dertig jaar later zijn deze verhalen opnieuw tot leven gebracht. Niet alleen op papier, maar midden in het landschap waar de gebeurtenissen plaatsvonden.

    De route

    De stichting heeft een unieke route samengesteld langs de plekken die in het boek zo uitvoerig worden beschreven. De route is in totaal 19 kilometer lang en komt langs elf historische plekken in Barlo. Het is mogelijk om de tocht te wandelen, te fietsen of met de auto te rijden. Het startpunt en het eindpunt liggen bij pannenkoekenrestaurant De Neeth (Neethweg 6).

    Hoe werkt het?

    Langs de route staan groene paaltjes met een nummer en een naam. Op elk paaltje zit een QR-code. Als men deze code scant met een smartphone, verschijnt het verhaal over die plek direct op het scherm. Er is ook een knop om het verhaal te laten voorlezen. Zo kan iedereen ter plekke luisteren naar de gebeurtenissen van toen.

    Navigeren is eenvoudig: onder elk verhaal staat een link naar Google Maps die de bezoeker naar het volgende punt leidt.

    Ook thuis te bekijken

    Wie de route liever eerst thuis bekijkt of de verhalen wil beluisteren, kan terecht op de website:

  • De rattenvanger van Aalten

    De rattenvanger van Aalten

    Op 19 juli 1963 meldde Dagblad Tubantia:

    bruine rat
    Bruine rat, foto ter illustratie

    “Vandaag verlaat de heer S. Douma officieel de dienst van gemeentewerken te Aalten met pensioen. Tot nu toe heeft de heer Douma zich nog niet willen laten „strikken” om op de gebruikelijke afscheidsbijeenkomst van de personeelsvereniging te verschijnen. Uit bescheidenheid. Met de heer Douma gaat een der markantste figuren uit het straatbeeld verdwijnen. Vooral bij de agrarische bevolking is men op hem gesteld. Hij is het namelijk geweest, die de gemeente Aalten gediend heeft met het beroep van rattenvanger.

    Dit afscheid betekent voor de Aaltense ratten echter niet dat zij nu vrij spel hebben. Integendeel, alles laat de heer Douma in de steek, behalve de ratten. Voorlopig zal hij dit onderdeel van zijn taak op verzoek van de gemeente, blijven behartigen. De jacht zal waarschijnlijk zelfs heel wat intensiever worden. De tijd is er nu immers voor beschikbaar. De „rattenvanger”, die ruim 30 jaar in gemeentedienst is geweest, heeft sedert de rattenjacht is begonnen 1172 bestrijdingsgevallen gehad. Hoeveel ratten hij heeft gedood, valt moeilijk te schatten, maar vast staat dat het er duizenden zijn. De heer Douma hoopt er hier nog veel aan toe te voegen.”

    Op donderdag 22 oktober 1964 was Douma, ‘de gepensioneerde rattenvanger uit Aalten’, te gast in het NCRV-radioprogramma ‘Samen uit samen thuis’.

    Heeft u meer informatie of foto’s om dit artikel aan te vullen, reageer dan hieronder of stuur ons een bericht.

  • De familie Thomson-van Hopbergen

    De familie Thomson-van Hopbergen

    Op de Algemene Begraafplaats aan de Prins Mauritsstraat in Bredevoort bevindt zich het familiegraf van de familie Thomson-van Hopbergen. Hoewel de grafsteen door erosie getekend is, herinnert het monument aan een geslacht dat een prominente rol speelde in de Nederlandse krijgsgeschiedenis, de landelijke politiek en de literatuur.

    De erfenis van de Schotse Brigade

    De wortels van de familie liggen in de Schotse Brigade, een eenheid van Britse militairen die in de 17e en 18e eeuw door de Verenigde Provinciën werden ingehuurd. Na hun diensttijd vestigden velen van hen zich permanent in Nederland, waaronder James Thomson. Hij was getrouwd met Mary Rinck; hun kinderen werden begin 18e eeuw gedoopt in Doornik en Breda. De militaire traditie in de familie zette zich voort tot in de 20e eeuw.

    Vestiging in Bredevoort

    De band met Bredevoort ontstond in de vroege negentiende eeuw via een kleinzoon van de stamvader, eveneens James genaamd. Deze gepensioneerde kapitein, geboren in 1759 te Nijmegen, woonde daar aan de Prinsenstraat met zijn vrouw Susanna Elisabeth de Waal. James overleed in 1828 en Susanna in 1837. Het huis met inboedel werd getaxeerd op f 3.805,-.

    Hun zoon, Jan Jacob Thomson (1784–1858), geboren in Maastricht en wonend met zijn gezin in Fort Crèvecoeur bij ’s-Hertogenbosch, was de enige erfgenaam. Jan Jacob was luitenant-kolonel en had carrière gemaakt tijdens de napoleontische oorlogen. Voor zijn inzet tijdens de Slag bij Waterloo in 1815, waarbij hij gewond raakte, werd hij benoemd tot ridder in de Militaire Willems-Orde.

    In 1837 ging Jan Jacob een tweede huwelijk aan met de 26 jaar jongere Louiza Wilhelmina van Hopbergen (1810–1906) uit Bredevoort. Zij was een dochter van de gepensioneerde luitenant Diederik Christoffel Hendricus van Hopbergen, eveneens wonend aan de Prinsenstraat. Het gezin vestigde zich in Bredevoort.

    Jan Jacob Thomson overleed op 11 oktober 1858 en werd begraven in het familiegraf te Bredevoort. Ook Louiza vond daar haar laatste rustplaats.

    Louiza’s broer Jacobus Wilhelmus van Hopbergen was eveneens luitenant-kolonel en woonde na zijn pensionering aan de Markt 18 in Aalten.

    Nageslacht en maatschappelijke functies

    Meerdere in Bredevoort geboren familieleden bekleedden maatschappelijke functies:

    Diderik Christoffer Hendrikus Thomson (1840–1891) werd brievengaarder (houder van het plaatselijke postkantoor) in Bredevoort en zal ook in het familiegraf zijn begraven.

    Diens zoon Jan Jacob Thomson (1882–1961) verwierf bekendheid als ‘dichter-dominee’. Hij was predikant bij de Nederlandse Protestantenbond in Varsseveld en liet een omvangrijk oeuvre na van dichtbundels en literair-historische studies. Na een turbulent en dichterlijk leven overleed hij in 1961 te Baarn en werd daar begraven.

    Jacque Willem Lodewijk Thomson (1846–1914) was van 1877 tot aan zijn overlijden burgemeester van de gemeente Appeltern.

    Lodewijk Thomson: Militair en staatsman

    Een van de meest opvallende telgen uit het geslacht is Lodewijk Willem Johan Karel Thomson (1869–1914), een kleinzoon van luitenant-kolonel Jan Jacob. Lodewijk was militair cartograaf, werd uitgezonden naar Batavia en Atjeh, was militair attaché tijdens de Boerenoorlog in Zuid-Afrika en Tweede Kamerlid.

    In 1914 werd hij uitgezonden naar Albanië, waar hij op 15 juni 1914 in Durrës sneuvelde. Thomson was de eerste Nederlandse militair die overleed tijdens een vredesmissie. Hij werd begraven in Groningen.

    Erfgoed in verval

    Vandaag de dag verkeert het grafmonument aan de Prins Mauritsstraat in staat van verval. Door erosie en achterstallig onderhoud zijn de inscripties op de steen steeds moeilijker leesbaar. Het graf is echter een monument voor de verbondenheid van het kleine Bredevoort met de grote wereldgeschiedenis.

    Postkantoor Bredevoort, 1918, met Hendrik Christiaan den Hartogh en Antonia Theodora Krosenbrink
    Postkantoor Bredevoort, 1918
  • Discobar Fly-In

    Discobar Fly-In

    Barlo (1969-1974)

    Discobar Fly-In in Barlo opende in 1969 in een leegstaand kippenhok aan de Barloseweg. De discobar werd gerund door een groep jonge vrijwilligers en groeide al snel uit tot een populaire uitgaansgelegenheid. In 1972 nam men een nieuwe locatie in gebruik. Vele muzikanten en bands traden er op, en er werden muziekevenementen georganiseerd. Eind 1974 hield Fly-In op te bestaan en ging verder als De Loods.

    De oorsprong van Fly-In ligt in 1968, toen in Barlo diverse fuiven werden gehouden. Voor deze feestjes werd in een schuur of boerderij een deel van de ruimte met zwart landbouwplastic afgescheiden en ingericht met pick-up, versterker en gekleurde lampen. Omdat dit telkens opnieuw op een andere locatie moest worden geïnstalleerd, ontstond bij een aantal jongeren het idee voor een vaste plek.

    Eerste onderkomen was een kippenhok

    De eerste locatie van Fly-In was een leegstaand kippenhok achter het kruidenierswinkeltje van Derk Ebbers aan de Barloseweg. Na schoonmaken en het storten van een betonvloer opende discobar Fly-In op 13 december 1969. Op een binnenmuur werd met grote letters ‘Fly In’ geschilderd. Bij een verbouwing van het pand in 2024 bleek dat deze letters nog steeds op de muur stonden.

    Het oorspronkelijke idee om de ruimte incidenteel te gebruiken werd al snel ingeruild voor het plan om elke twee weken op zaterdag open te gaan. De avonden in Fly-In werden om 23.30 uur afgesloten met een vaste eindtune — aanvankelijk Comin’ Home Baby van Casey & the Pressure Group, later Time Is Tight van Booker T. & the MG’s.

    Problemen en drive-in shows

    Al spoedig bleek het onderkomen niet ideaal: de ruimte was te klein (ongeveer 25 m²) en de inrichting was zeer eenvoudig; er was geen garderobe en geen eigen toilet. Meisjes mochten gebruik maken van het privétoilet van ‘ome Derk’, de jongens konden buiten een boom uitzoeken.

    Als een groepje jongeren na afloop van de discoavond op de weg nog stond na te praten kwam ome Derk naar buiten en riep: “staot neet op de weg te dralliën, maor gaot naor huus!” Na ongeveer een jaar stopte Fly-In op deze locatie en ging verder met het verzorgen van drive-in shows in de wijde omgeving.

    Bestuur Fly-In, Barlo
    Bestuur Fly-In voor de voormalige loods

    Nieuwe locatie

    Na ongeveer een jaar vond men een nieuwe locatie in de leegstaande loods van de werktuigenvereniging aan de Lichtenvoordsestraatweg in Barlo, pal tegenover café de Domme Aanleg. De voormalige landbouwloods werd verbouwd met een bar, een draaitafel, een garderobe en een toilet. Van eiken planken werden banken en tafels gemaakt.

    De officiële opening vond plaats op zaterdag 11 maart 1972. Vanaf dat moment was Fly-In geopend op woensdag, vrijdag en zaterdag voor leden (ledenkaart à ƒ 2,50).

    Verbouwing en feest

    Vanwege de grote belangstelling volgde er in de zomer van 1972 al een verbouwing waarbij het vloeroppervlak bijna werd verdubbeld. In 1974 werden de garderobe vergroot en extra toiletten aangelegd.

    Op zaterdag 15 december 1972 werd de verbouwing gevierd met ruim 800 gasten in het Feestgebouw in Aalten met Earth & Fire, Mr. Albert Show en Alquin. In de pauzes werden films vertoond en platen gedraaid. De toegangsprijs bedroeg ƒ 6,50.

    Bestuur Stichting Fly-In Barlo,1973
    Bestuur Stichting Fly-In Barlo,1973

    Stichting Fly-In

    Om te voorkomen dat men voor eventuele schadegevallen persoonlijk aansprakelijk gesteld zouden kunnen worden, besloot het bestuur in 1973 om een stichting op te richten.

    Nadat minimaal vier bestuursleden meerderjarig waren geworden (destijds 21 jaar) werd bij notaris Obbink in Aalten de ‘Stichting Fly-In’ opgericht. De stichting had een startkapitaal van honderd gulden en als doel het organiseren en brengen van activiteiten op cultureel en creatief gebied.

    Optredens en filmvertoningen

    Gedurende het bestaan van Fly-In vonden er vele optredens plaats van bands en artiesten, waaronder Kaz Lux, Kraayeveld, Tom Haket, Dimitri van Toren (Hé kom aan), Armand (Ben ik te min) en Shepstone & Dibbens.

    Ook organiseerde men regelmatig concerten in het Feestgebouw, met optredens van onder andere de Bintangs, Chicory Tip, Dizzy Man’s Band, Earth & Fire, Long Tall Ernie, Mayfly, Plastic Feet, Q65 en Solar Plexus.

    Paaspop 1974

    Op 15 april 1974 (Tweede Paasdag) organiseerde Fly-In een festival onder de naam Paaspop. Het vond plaats in een feesttent op het terrein van AD’69 aan de Bocholtsestraatweg. Op het programma stonden optredens van Puddingh, Hobo String Band, Livin’ Blues, Kayak, Bronco en Shakin’ Stevens & the Sunsets.

    In de feesttent waren twee podia gebouwd zodat de bands elkaar konden afwisselen, maar door pech met het busje van Livin’ Blues verliep dit niet helemaal vlekkeloos. Ongeveer 1500 bezoekers kwamen op het festival af.

    Eindfeest en gedicht

    Op 13 december 1974 vond het eindfeest plaats van Fly-In. De discobar zou verder gaan onder de naam De Loods.

    Bij het eindfeest kreeg het bestuur een gedicht aangeboden op groot stuk karton — een acrostichon of naamdicht van 48 regels, waarvan de eerste letters samen de volgende zin vormden:

    “Lang leve Fly-In en bedankt Huib, Henk, Gert, Wim, Jan, Wim en Jan.”

    Het gedicht is ondertekend met de initialen H.t.P. en B.H., maar tot op heden kon niet achterhaald worden wie deze onbekende dichters waren. Mocht u het weten, reageer dan onderaan deze pagina!

    Bron


    • ‘FLY-IN’ 1969-1974: Het FLY-IN archief, Wim Simmelink
  • TBC-lighallen in Bredevoort

    TBC-lighallen in Bredevoort

    In het Vestingpark in Bredevoort staan twee zogenaamde TBC-lighallen uit het begin van de 20e eeuw. Ze behoorden tot het voormalige R.K. Sanatorium Sint Bernardus, waar van 1907 tot 1933 tuberculosepatiënten werden verpleegd.

    Tuberculose, in de volksmond ook wel “tering” genoemd, was in de 19e en vroege 20e eeuw een van de belangrijkste doodsoorzaken in Nederland. De ziekte was besmettelijk, vaak dodelijk en verantwoordelijk voor ongeveer een kwart van alle overlijdens. Omdat er nog geen medicijnen bestonden, bestond de behandeling voornamelijk uit rust, gezonde voeding, frisse lucht en zonlicht.

    Overal in Nederland werden sanatoria gesticht: rusthuizen voor langdurige verzorging. Een belangrijk onderdeel van de behandeling waren zogenoemde lighallen: houten paviljoens met een open zijde, gericht op de zon, waar patiënten urenlang of zelfs de hele dag in bed verbleven — vaak onder dekens ingepakt tegen de kou.

    Sanatorium Sint Bernardus

    Het R.K. Sanatorium Sint Bernardus werd in 1897 opgericht op initiatief van pastoor Bernardus Mulders. Hij kocht het voormalige rentmeestershuis van de familie Roelvink met eigen kapitaal en liet het omvormen tot klooster en zorginstelling. De verzorging kwam in handen van de Zusters Franciscanessen van Thuine.

    Vanaf 1907 kwamen patiënten uit het hele land naar Bredevoort. In de grote tuin achter het gebouw, het huidige Vestingpark, verrezen minstens tien houten lighallen, elk met de open zijde naar het zuiden gericht. Overdag lagen de patiënten in deze lighallen. Ook in de winter, zoals blijkt uit een tekst op een ansichtkaart uit 1909. In iedere lighal stonden twee ligbedden, een tafel en een stoel.

    Uit het archief van het sanatorium blijkt dat tussen 1907 en 1916 jaarlijks gemiddeld ongeveer twintig patiënten aanwezig waren. In sommige jaren werden er meer dan 7.000 verpleegdagen per jaar geregistreerd.

    Twee lighallen bleven bewaard

    Van de oorspronkelijke lighallen zijn er slechts twee bewaard gebleven. Vanwege hun historische betekenis, als voorbeelden van een bouwtype dat door de kwetsbaarheid van het materiaal en het verdwijnen van de functie (sanatorium) vrijwel nergens meer voorkomt, zijn ze aangewezen als rijksmonument.

    Het zijn eenvoudige houten bouwwerken met een lessenaarsdak, drie gesloten zijden en een open voorzijde. Beide hallen zijn voorzien van een tegelvloer, bestaande uit zwarte en beige tegels in een willekeurig patroon. De tegels hebben een geometrisch motief. Aan de voorzijde zijn decoratieve daklijsten aangebracht: de oostelijke hal heeft een sierlijk gesneden lijst, de andere een eenvoudiger golfmotief.

    Restauratie & toegankelijkheid

    In 2025 zijn de halletjes gereconstrueerd. De oude hallen verkeerden in slechte staat. Het timmerwerk voor de reconstructie is uitgevoerd door twee studenten van de opleiding restauratietimmerman van het Gelders Restauratie Centrum in Velp. Vrijwilligers en lokale bedrijven zorgden voor de heropbouw en afwerking. Het schilderwerk werd uitgevoerd in een historisch verantwoorde kleurstelling.

    De lighallen zijn vrij te bekijken in het Vestingpark, direct achter het voormalige sanatorium Sint Bernardus aan ’t Zand in Bredevoort. Het park is van zonsopgang tot zonsondergang toegankelijk voor publiek.

  • De Hessenwegen in Aalten en Bredevoort

    De Hessenwegen in Aalten en Bredevoort

    Eeuwenlang trokken Duitse kooplieden met hun zware karren door de Achterhoek over de zogenaamde Hessenwegen: oude handelsroutes die de regio verbonden met Duitsland en de Hollandse handelssteden. Eén van deze wegen liep vanuit Bocholt over Aalten richting Zutphen en Doesburg. De Hessenwegen waren van groot belang voor de vroegmoderne handel in deze regio.

    De term Hessenweg wordt vanaf de 17e eeuw gebruikt. De traditionele verklaring verwijst naar de kooplieden die afkomstig waren uit het Landgraafschap Hessen-Kassel en omgeving. Binnen de etymologie verklaart men de naam echter anders: het zou een verbastering zijn van hers, dat paard betekent. Deze wegen liepen meestal over hoge, droge zandgronden en langs heuvelruggen.

    Door de Achterhoek liepen vier grote Hessenwegen. Drie ervan volgden een noordelijke route, vanuit Vreden en Ammeloe via onder andere Groenlo, Rekken en Neede naar Deventer of Zutphen.

    In de zuidelijke Achterhoek liep een Hessenweg langs Aalten. Vanuit Bocholt kwam deze route bij de Kesenbulte de tegenwoordige grens over, en vervolgde zich via onder meer de Bodendijk, Dijkstraat, Landstraat, Berkenhovestraat en de Romienendiek naar De Radstake. Vandaar liep de weg verder langs Zutphen en Barneveld, met een aftakking tussen Halle en Zelhem richting Doesburg.

    Vanuit de IJsselsteden gingen de Hessenwegen dwars over de Veluwe, kwamen samen in het Gooi en liepen door naar Amsterdam. De Hessenwegen hadden talloze vertakkingen. Eén daarvan liep bij Aalten vanaf de Romienendiek, via de Koningsweg, Hessenweg, langs het Walfort, via Bredevoort en Winterswijk naar Vreden.

    De Hessen overnachtten in herbergen langs de weg, zoals De Radstake en de Slikkertap. In Aalten waren logementen als De Leeuw, De Roskam, De Landman en Stad Munster. In Bredevoort waren De Zwaan en, net buiten het stadje, De Leste Stuver bekende pleisterplaatsen.

    Hessenkeerls

    Voor wie in de 19e eeuw langs een Hessenweg woonde, was de komst van de Hessenkeerls een hele gebeurtenis. Aan de windzijde van de stoet liepen mannen met zware knuppels, gekleed in hun kenmerkende blauwe Hessenkiel: een hemd van fijn linnen, gesloten met koperen haakjes in de vorm van leeuwenkopjes en drie kleine knoopjes van been. Op borst en schouders waren versierde belegstukken aangebracht.

    Op de weg sloften ezels door het mulle zand, met aan weerszijden een mand van gevlochten wilgentenen vol handelswaar. Eenmaal aangekomen in een dorp bonden de mannen hun ezels vast bij een herberg of op het dorpsplein. De dieren werden gevoerd en gedrenkt, terwijl de mannen zich verfristen bij de dorpspomp.

    Daarna werden de manden geopend en gingen de Hessen langs de huizen venten. Hun koopwaar bestond onder meer uit licht glaswerk en slappe stroohoeden. Deze hoeden waren gewild: zodra de Hessen arriveerden, wachtten klanten hen al op om een nieuwe zomerhoed te kopen. De hoeden waren elastisch en pasten daardoor vrijwel altijd. Na enkele uren trokken de Hessen verder.

    Pottenkeerls, muzikanten en hannekemaaiers

    Naast de Hessenkeerls verschenen er ook pottenkeerls over de Hessenwegen. Zij gebruikten zware, hoog op de wielen staande huifkarren, de zogeheten Hessenkaoren, getrokken door forse Holsteiner paarden. De karren zaten vol met Keuls aardewerk: grijze of geelbruine potten met blauwe decoratie. De paarden droegen rijk versierde tuigen, beslagen en behangen met koperen decoraties, zodat hun komst al van verre te horen was.

    Een afbeelding van een voerman met zijn Hessenkar uit ongeveer 1830, afkomstig uit de collectie Volksprenten van Museum ’t Oude Slot in Veldhoven, met daarop de tekst:

    De Blaauw gekielde Hes, reist uit de Bovenlanden,
    En stuurt zijn lang gespan bij ’t Hu en Hot en Haar.
    Zijn hoog beladen kar brengt velerhande waar,
    Die ’t Hollandsch schip weer voert naar Noord en Zuiden stranden.

    In het voorjaar trokken groepen Duitse muzikanten over de Hessenwegen naar Nederland. Sommige korpsen waren in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag zeer bekend. Hoewel zij vermoedelijk uit dezelfde streek kwamen, werden ze geen Hessen genoemd, omdat ze geen Hessenkiel droegen.

    Daarnaast kwamen in de zomer de hannekemaaiers langs: seizoenarbeiders uit Westfalen die in Holland hielpen met het maaien van gras en bij de oogst. Vrouwen en kinderen bleven thuis achter om op het land te werken, terwijl de mannen elders geld verdienden voor de winter.

    Het einde van de Hessenwegen

    In de loop van de 19e eeuw nam de betekenis van de Hessenwegen af. In 1875 werden bij Zelhem de laatste Hessen gezien, een schamel troepje vergeleken met vroeger. De Frans-Duitse Oorlog van 1870 en de daaropvolgende industriële bloei in het Ruhrgebied boden de Duitsers namelijk een broodwinning dichter bij huis. Zelfs veel Achterhoekse jongelui trokken die kant op om goed geld te verdienen. Daarmee hadden de Hessenwegen afgedaan.

    Oudere oorsprong

    Hoewel de term Hessenweg vanaf de 17e eeuw werd gebruikt, wijzen archeologische vondsten langs deze wegen erop dat ze al veel langer in gebruik waren. Zo zijn in Aalten, op De Hoven vlakbij de Landstraat, sporen gevonden van een nederzetting uit de 8e eeuw, waaronder resten van hutkommen, afvalputten en spinsteentjes. Dit is een sterke indicatie dat de latere Hessenwegen voortbouwden op veel oudere verkeersroutes, de zogenaamde volkerenwegen.

    Het ligt daarmee voor de hand te veronderstellen dat het dorp Aalten zijn oorsprong mede dankt aan deze oude volkerenweg. De Hoven was een gunstige plek, want te midden van het woeste landschap van bos, heide en moerassen lag hier een heuvel, hoog en droog, direct aan een doorgaande weg. Bovendien stroomde onderaan de heuvel een beek, die zorgde voor vers water.

    Hessentocht

    De herinnering aan de Hessen leeft nog voort. In 2011 werd in de omgeving van Bredevoort en Aalten namelijk voor de tweede keer een Hessentocht georganiseerd. Tijdens deze tocht, waarin een historische karavaan werd nagebootst, reed een indrukwekkende ossenwagen mee: 2,60 meter breed, zes meter lang en vier meter hoog. Daarnaast namen drie wagens deel, elk voortgetrokken door drie paarden. Jan Oberink legde de tocht vast op film en maakte onderstaande sfeerimpressie.

    Verantwoording

    De inhoud van dit artikel is grotendeels gebaseerd op het artikel van G.J. Klokman (Zelhem, 1864), gepubliceerd in 1937. Er bestaan tal van andere publicaties over Hessenwegen die op sommige punten een afwijkend beeld schetsen. Voor dit artikel is vooral gekozen voor Klokmans beschrijving, omdat zijn herinneringen en observaties specifiek betrekking hebben op de Hessenweg bij Zelhem, dezelfde route die ook door Aalten liep.

    Bronnen


    1. G.J. Klokman, De Hessenwegen, in: Eigen Volk. Algemeen tijdschrift voor volkskunde (folklore) en dialect, 1937. Koninklijke Bibliotheek
    2. G.J. Klokman, De Achterhoekers, in: De Nederlandse volkskarakters, 1938. DBNL
    3. Wikipedia, Hessenweg
    4. Hummelo.nl, Hessenwegen, Hanzewegen en Koningswegen (RdH004-27-2-2007). Hummelo Geschiedenis
    5. De Veluwenaar, Hessenwegen
    6. Old Aalten, Sporen van 1100 jaar oude nederzetting in Aalten
    7. YouTube, Hessentocht trekt door de gemeente Aalten, 2011
  • De textielfamilie Driessen

    De textielfamilie Driessen

    Gebroeders Driessen, Aalten - Stoomweverij en Natuurbleekerij

    De familie Driessen is een geslacht van textielondernemers, oorspronkelijk afkomstig uit Bocholt, net over de grens in Duitsland. Leden van de familie waren actief als textielfabrikant in Bocholt, Aalten en Leiden. Het is een katholieke familie, die in 1961 werd opgenomen in het Nederland’s Patriciaat.

    De geregelde stamreeks begint met Rutger Driessen, wever te Bocholt. In 1667 betaalde hij belasting, maar in 1672 werd hij als te arm beschouwd om belastingplichtig te zijn. Over zijn zoon Johann Driessen (1663–na 1713) en kleinzoon Gerard Driessen (1702–na 1738) is weinig bekend.

    Met Gerards zoon Bernard Driessen (1731-1772) begon de maatschappelijke stijging van de familie. Hij handelde in textiel, dat hij opkocht bij de thuis wevende boeren rond Bocholt en verkocht in Holland. Waarschijnlijk dankt de familie haar opkomst aan het feit dat ze, vanwege hun armoede, geen lid konden worden van het Boomsidenambt, het gilde van katoenwevers. Voor gildeleden was het verboden stoffen te verhandelen die niet door gildeleden waren geweven. Omdat de Driessens geen lid waren van het gilde, hoefden zij zich niet te houden aan deze regel en konden ze vrij handelen in katoen van thuiswevers.

    Bernard werd dankzij deze handel zo welvarend dat hij benoemd werd tot schepen van Bocholt, waarmee de familie toetrad tot het stedelijk patriciaat. Hij overleed echter op 41-jarige leeftijd tijdens een zakenreis in Den Haag, voordat hij zijn positie verder kon versterken.

    Uitbouw van de textielhandel

    Twee van Bernards zonen zetten de handel voort en breidden deze aanzienlijk uit door honderden thuiswevers voor zich te laten werken: Peter Driessen (1756–1843) en Hermann Driessen (1765–1817). Aanvankelijk werkten zij samen, maar later ging ieder zijn eigen weg. Beide broers werden zeer vermogend.

    Beiden trouwden met dochters van Johann Jacob Hölscher, lid van het katoenweversgilde en eveneens schepen van Bocholt. Peter trouwde met Elisabeth Hölscher en Hermann met haar zus Gertrud. Uit deze huwelijken blijkt dat de familie Driessen inmiddels geïntegreerd was in de lokale elite. Peter Driessen werd dan ook veertien jaar lang tweede burgemeester van Bocholt (1797–1811) en in 1813 was hij lid van de raad van het arrondissement Rees, in de tijd van Napoleon. In 1841 ontving hij op zijn oude dag een Pruisische onderscheiding: de Ritter des Roten Adlerordens, 4e klasse.

    Van handel naar fabricage

    Peter Driessen had rond Bocholt circa 500 thuiswevers voor zich werken. Deze wevers waren formeel zelfstandig, maar afhankelijk van de ‘reder’ die de garens leverde en het weefgetouw financierde. De opkomst van gecentraliseerde werkplaatsen, voorlopers van de fabrieken, maakte het mogelijk om meer toezicht te houden op de productie. Weefgetouwen konden voortaan continu worden gebruikt. De reder werd zo fabrikant of ‘fabriqueur’.

    Vestiging in Aalten

    Om de Nederlandse industrie te beschermen tegen Engelse import, voerde koning Willem I in 1823 een invoerheffing in van 25 tot 45% op katoenen stoffen. Daardoor werd de export vanuit Bocholt naar Nederland vrijwel onmogelijk. Om deze heffing te omzeilen vestigden twee neven Driessen zich in Aalten, vlak over de grens: Heinrich Driessen (1794–1879, zoon van burgemeester Peter) en Anton Driessen (1797–1879, zoon van Hermann). In Aalten richtten zij diverse textielondernemingen op, waaronder een stoomweverij en een blekerij.

    Over een periode van ruim 140 jaar (1826-1969) ontwikkelden de fabrikanten Driessen zich tot de belangrijkste werkgevers in Aalten en omgeving. De fabrieksgebouwen en privéwoningen van de Driessens waren beeldbepalend in het dorp. De fabrikanten hebben tot in de tweede helft van de 20e eeuw een belangrijke stempel gedrukt op het maatschappelijke en economische leven van Aalten.

  • Diepvrieskluizen in Aalten

    Diepvrieskluizen in Aalten

    In de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw ontstonden in Nederland, met name op het platteland, zogenaamde diepvrieskluizen. Dit waren voorzieningen, vaak op coöperatieve basis opgezet, waar bewoners van dorpen of buurtschappen een of meerdere laden konden huren om voedsel in te vriezen.

    De diepvrieskluizen boden uitkomst in een tijd waarin de meeste huishoudens nog geen eigen diepvriezer hadden. Vooral zelfgeteelde groenten en fruit, of vlees van huisslachtingen, werden er opgeslagen.

    In 1962 telde Nederland ongeveer 700 van deze diepvrieskluizen. Het gebruik ervan nam echter snel af in de jaren 70, toen de diepvriezer gemeengoed werd in huishoudens.

    Locaties

    Ook in de gemeente Aalten waren diepvrieskluizen. Enkele bekende (voorlopige lijst, april 2025):

    Heeft u aanvullingen, correcties op deze lijst of foto’s van (verdwenen) diepvrieskluizen in Aalten? Weet u of er nog iets van bewaard is gebleven? Laat het ons weten!

    Krantenberichten

  • Waar woonden uw voorouders?

    Waar woonden uw voorouders?

    Heeft u familiegeschiedenis in Aalten of Bredevoort? Bent u benieuwd op welk adres uw voorouders woonden, zijn geboren of overleden? Met behulp van oude archieven en handige zoekmethoden kunt u historische huisnummers koppelen aan hedendaagse adressen. Wij hebben een stapsgewijze handleiding samengesteld om u op weg te helpen!

    In sommige oude archieven werden de adressen van personen vastgelegd. Vroeger bestonden adressen uit de naam van de kern of buurtschap, gevolgd door een huisnummer. Mede omdat deze huisnummers in de loop der tijd meermaals werden gewijzigd, kunnen ze niet direct worden vergeleken met de huidige straatnaam-huisnummercombinaties.1

    Hieronder leggen we stapsgewijs uit hoe u een oud adres kunt achterhalen en hoe u dit vervolgens kunt herleiden naar een hedendaagse locatie. Succes niet gegarandeerd!

    Stap 1: Zoek het oude adres

    Er zijn verschillende (online) bronnen waarin u kunt nagaan waar een persoon heeft gewoond, waar hij of zij geboren is en waar het overlijden plaatsvond. Houd er rekening mee dat sommige gegevens, vanwege privacywetgeving, nog niet openbaar zijn.2

    WieWasWie.nl

    De website WieWasWie.nl bevat onder andere informatie over geboorten, huwelijken en overlijden. Maar wist u dat de zoekresultaten vaak ook een link bevatten naar een scan van de originele akte, inclusief toenmalig adres?

    1. Ga naar: WieWasWie.
    2. Zoek op naam en filter eventueel de resultaten.
    3. Klik op een relevant resultaat en vervolgens rechts op Naar bron.

      WieWasWie.nl
    4. Bekijk de scan en noteer het huisnummer.
    5. Soms wordt een serie scans weergegeven en moet u de juiste akte daarin opzoeken. Bovenaan uw scherm staat het Aktenummer. Zoek in de scans naar de betreffende akte en noteer het huisnummer..
    6. Ga verder met Stap 2.

    Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers (ECAL)

    Op de website van het ECAL kunt u scans van gezinskaarten vinden uit bevolkingsregisters in de Achterhoek. Het publieke archief bevat scans uit de periode vanaf omstreeks 1823 tot 1910.

    1. Ga naar ecal.nu.
    2. Vul de Achternaam en Voornaam in. Tip: Gebruik wildcards om ook eventuele spellingsvarianten te vinden.3
    3. Vul bij Periode in beide velden het geboortejaar in en klik op ‘Zoek’.
    4. Filter eventueel op Plaats (let op: Aalten, Bredevoort en buurtschappen vallen onder ‘Aalten’).
    5. De rechterkolom vermeldt de periode waarop de gezinskaart betrekking heeft. Dit is van belang omdat huisnummers per periode kunnen verschillen.
    6. Controleer ook op welke kern of buurtschap de kaart betrekking heeft: Klik op de betreffende regel en vervolgens op het Inventarisnummer (rechtermuisknop, nieuw tabblad). Onthoud de kern of buurtschap en sluit het tabblad.

      ECAL zoeken (2)
    7. Open de scan van de gezinskaart.
    8. Noteer het huisnummer en ga verder met Stap 2.

    Régistre Civique (1811-1813)

    Tijdens de Franse tijd werd het Régistre Civique ingevoerd als voorloper van het bevolkingsregister.4 Van veel personen die in dit register zijn opgenomen werd tevens hun adres (huisnummer) vermeld.

    1. Ga naar hdcaalten.nl/digitaal-archief
    2. Download de index van het Régistre Civique Aalten 1811-1813 (pdf).
    3. Zoek in het pdf-bestand of uw voorouder erin wordt vermeld en of er een huisnummer bij staat.
    4. Zo ja, noteer het huisnummer en ga verder met Stap 2.

    Oudere archieven

    Oudere bronnen, zoals het Verpondingskohier uit 1650 en de Liberale Gifte uit 1748, vermelden vaak niet alleen de namen van de bewoners, maar – als zij op een boerderij woonden – ook de naam van de boerderij. Veel van deze boerderijen bestaan nog steeds en zijn te vinden op: oldaalten.nl/boerderijen.

    Stap 2: Vind het huidige adres

    1. Ga naar oldaalten.nl/huisnummering.
    2. Kies de betreffende kern of buurtschap.
    3. Zoek in de tabel naar het juiste huisnummer. Om makkelijker te zoeken kunt u de tabel sorteren op het betreffende jaar/periode.
    4. Als het huisnummer voorkomt, vindt u daar het huidige adres. Zo niet, dan bestaat de woning waarschijnlijk niet meer. Omringende huisnummers geven u mogelijk een idee van de locatie bij benadering.

    Bovenstaande methoden zijn niet uitputtend, want in de archiefwereld leiden meerdere wegen naar Old Aalten. Voor het overzicht hebben we de belangrijkste stappen uiteengezet en ons best gedaan om alles zo helder mogelijk uit te leggen. We hopen dat dit u verder helpt. Veel succes met uw zoektocht!

  • Verhuizen

    Verhuizen

    In 1937 beschreef G.H. Rots in een serie artikelen hoe het er in vroeger tijden in Aalten aan toeging. Zo schreef hij onder andere over de gebruiken als een boer verhuisde:

    “Een enkele maal dat een boer verhuisde, geschiedde dit op ‘Sinte Peter’, 22 Februari. Al het hebben en houden werd op de wagens geladen der buren en de heele stoet trok dan van ’t oude huis naar de nieuwe of andere hoeve. De buurvrouwen waren dan al vast naar de nieuwe woning gegaan, hadden die schoon gemaakt en het vuur aangelegd. In den volksmond heette dat ‘vuur beün’.

    Als de nieuwe bewoners kwamen, was de koffie reeds gezet en konden de aankomenden direct zich verkwikken aan een lekkere kop koffie. De buren hielpen dien dag, de een gooide hier wat neer de ander daar, het was een kolossale drukte. Als klap op de vuurpijl kwam dan later het ‘intrekkersmoal’, waarbij het ook al weer niet aan geestrijke dranken ontbrak.”

  • Oorsprong van de plaatsnaam Aalten

    Oorsprong van de plaatsnaam Aalten

    Over de oorsprong van de naam Aalten doen verschillende theorieën de ronde. Maar waarop zijn deze gebaseerd en hoe geloofwaardig zijn ze? Old Aalten dook in de geschiedenis om hierover meer te ontdekken.

    We beginnen met de oudste historische vermeldingen van Aalten, omdat deze mogelijk aanwijzingen bevatten over de oorsprong van de naam. Vervolgens bekijken we wat de toponymie (plaatsnaamkunde) ons hierover kan leren. Daarna behandelen we enkele theorieën over de herkomst en betekenis van de naam Aalten en sluiten we af met onze conclusie.

    Vroegste vermeldingen

    Er zijn verschillende middeleeuwse documenten die een verwijzing naar Aalten bevatten, waarbij de schrijfwijze varieert. De bekendste vermeldingen zijn Aladna en Aladon, waar de Aladnaweg en een school naar zijn vernoemd. Hieronder volgt een overzicht van historische vermeldingen, inclusief een verwijzing naar de oudst bekende bron.

    828Een oorkonde uit 828 beschrijft hoe een zekere Geroward op 7 februari van dat jaar al zijn bezittingen, waaronder die in Aladna, schonk aan de Sint-Martinuskerk in Utrecht. Over de identiteit van Geroward is weinig bekend, maar vermoedelijk was hij een Frankische edelman in dienst van de Karolingische keizer Lodewijk de Vrome, zoon van Karel de Grote.1
    1138/
    1139
    In 1138 of 1139 sluit Godschalk van Versnevelde (Varsseveld), met instemming van zijn broer graaf Gerhard (II) van Lohn, een ruilovereenkomst met de kanunniken van de Mariakerk in Rees. Hij draagt een landgoed in Megchelen bij Gendringen over, inclusief bijbehorende jachtrechten, twee akkers, een weide en negen horigen van beide kunne. In ruil ontvangt hij een goed in Alethnin, met alle opbrengsten en zeven horigen.2
    1152In 1152 trof graaf Godschalk (II) van Lohn, zoon van Gerhard II, een regeling met bisschop Frederik II van Münster. Godschalk claimde het bestuur over de kerspelen Lon, Winethereswik, Aladon, Versnevelde, Selehem en Hengelo op basis van zijn grafelijke titel. De bisschop zag dit anders, waarna werd vastgelegd dat Godschalk deze gebieden niet in eigen bezit had, maar als leenman van de bisschop moest beheren.3
    1188In 1188, tijdens de regering van de Roomse keizer Frederik I, stelde priester Everhardus, kapelaan van graaf Hendrik van Dalen en Diepenheim, een inventaris op van Hendriks feodale (leenhorige) en allodiale (vrije) bezittingen. De feodale goederen werden genoteerd onder de parochies waartoe ze behoorden, waaronder Ecberghe, Gronlo, Winterswic, Nehde, Ghesterne, Lochem, Almen, Dotinchem, Zelhem en Althen.4
    1234In 1234 ging graaf Herman (I) van Lohn, heer van Bredevoort, samen met zijn broers Hendrik, proost van Zutphen, en Otto, kanunnik van St. Gereon te Keulen, benevens zijn zwagers Werner van Herden, Sweder van Ringelberg, Herman Werecen, Herman van Munster en hun echtgenoten, en al hun verdere erfgenamen, een ruil aan met het klooster Bethlehem. Daarbij krijgt het klooster van de graaf onder andere: duabus warandiis, una in marchia Alethim et altera in marchia Silvolden (twee jachtgebieden; één in de marke van Aalten en de andere in de marke van Silvolde). Getuigen zijn onder andere de pastoors Johannes uit Bocholte, Conradus uit Alethim, Ernestus uit Winterswic, en Johannes uit Versevelde.5
    1254In 1254 wordt melding gedaan van de “curtis Grevinkhof sita in parochia Alethe (het hof Grevinkhof, gelegen in de parochie Aalten): Gotscalco de Reme ontfangt van Otto van Loon in burgleen de curtis Grevinkhof te Aalten, met den molen en wat er verder toebehoort, met uitzondering van het holtgericht. Hierby present Gerardus Canoninicus „frater domini G. de Reme”.6
    1313In een register van de tot het bisdom Münster behorende kerken uit het jaar 1313 worden de volgende, tegenwoordig in Nederland gelegen parochies vermeld: Alten, Dinxperle, Eiberghe, Gheesteren, Grolle, Hengelo, Neede, Seelfwalde, Selehem, Versevelde en Wynterswik.7
    1386Derich Willemssoen van Lyntloe beleend met Varenvelde in kerspel Alten, sabbato na Briccii ep. (17 november) 1386.7
    1409Derk van Linteloe en zijn kinderen Derk en Herman, verklaren verkocht te hebben aan Johan Rensynck het goed ten Nygenhues, gelegen in de buurschap Lynteloe onder Aelten en leenroerig aan de heerlijkheid Borkeloe, 1409 juli 24 (in vigilia beati Jacobi apostoli maioris).8

    Toponymie en klankontwikkeling

    Toponymie, ofwel plaatsnaamkunde, is een tak van de taalkunde die plaatsnamen bestudeert en hun oorsprong tracht te verklaren.9 Een algemeen aanvaard principe binnen de toponymie is dat de klankontwikkeling van een naam betrouwbaarder is dan de spelling, aangezien schriftelijke vermeldingen in premoderne tijden inconsistent waren en beïnvloed werden door schrijvers, dialecten en tijdgebonden conventies. De klank van een naam blijft daarentegen doorgaans consistenter en biedt daarom een beter inzicht in de oorspronkelijke uitspraak en betekenis.

    Nu zijn wij geen plaatsnaamkundigen, maar wanneer we de klankontwikkeling van de vroegste vermeldingen van Aalten chronologisch bekijken, menen wij een patroon te herkennen:

    Aladna → Alethnin → Aladon → Althen → Alethim → Alethe → Alten → Aelten → Aalten

    Deze vermeldingen bestaan gedurende een periode van vier eeuwen (9e-13e eeuw) uit drie lettergrepen, beginnend met ‘ala’ of ‘ale’, gevolgd door een d of t, en in de meeste gevallen eindigend op een n. Hoewel de spelling varieert, blijft de klankstructuur grotendeels consistent. Vanaf de 13e/14e eeuw zien we dat de tweede lettergreep langzamerhand verdwijnt en dat de naam verbastert tot Althen/Alten/Aelten/Aalten.

    Theorieën over herkomst en betekenis

    Hieronder behandelen we de bekendste theorieën over de herkomst en betekenis van de naam Aalten.

    Plaats op een heuvel

    Een veelgenoemde theorie stelt dat de naam Aalten zou zijn afgeleid van het Latijnse altus, dat ‘hoogte’ betekent. Deze verklaring lijkt voornamelijk gebaseerd op het feit dat Aalten op een heuvel is ontstaan en de klankovereenkomst tussen altus en Aalten. Er is echter geen historisch of taalkundig bewijs voor deze theorie. Bovendien houdt deze verklaring geen rekening met de klankontwikkeling in de oudst bekende vermeldingen van de naam.

    Erf bij het altaar

    Een andere theorie suggereert dat Aalten rond 150 v. Chr. werd bewoond door Angelen uit het gebied dat nu Berkelland is. Volgens deze verklaring zou de naam zijn afgeleid van het Anglische ael (altaar, offerplaats) en thun (tuin, omheind erf). Dit zou leiden tot Aelthun, oftewel ‘erf bij het altaar.’10 Ook deze verklaring is speculatief en past niet bij het klankpatroon van de middeleeuwse vermeldingen van de naam.

    Plant- of boomnaam

    In Gelderse plaatsnamen verklaard stelt Gerald van Berkel dat de naam Aalten mogelijk verband houdt met een plant- of boomnaam en verwijst hierbij naar het Oudnoorse alað (voeding, spijs), aldin (eetbare boomvrucht) of alda (vruchtdragende eik).11 Hoewel er geen direct bewijs is voor deze verklaring, past ze wel bij het klankpatroon van de middeleeuwse vermeldingen.

    Plaats aan het water

    In Prehistorische waternamen suggereert Maurits Gysseling dat de naam Aalten is afgeleid van het Indo-Europese Alatanā, met de betekenis “gelegen in een bocht van een beek”.12 In het geval van Aalten zou dat verwijzen naar de Slingebeek. Van Berkel noemt deze theorie in Gelderse plaatsnamen verklaard echter vergezocht.

    Plaatsnaamonderzoeker Bas Kloens is het daar niet mee eens. In zijn studie over plaatsnamen en hun oorsprong, Valkuilen in de Plaatsnaamkunde, stelt hij dat het juist “overduidelijk” is dat Aalten, net als veel andere soortgelijke plaatsnamen, haar naam te danken heeft aan de ligging aan een waterloop of beek.13

    Conclusie

    Geen enkele theorie over de herkomst van de plaatsnaam Aalten is met hard bewijs te staven of volledig uit te sluiten. Het blijft dus voor een groot deel speculeren. Desondanks neigen wij naar de theorieën van Gysseling en Kloens, die stellen dat Aalten haar naam dankt aan de ligging aan een waterloop, oftewel de Slingebeek.

    Bovendien lijkt ons, ondanks de scepsis van Van Berkel, een verband met het Indo-Europese Alatanâ, dat toch best veel lijkt op Aladna, plausibel.

    Kortom, hoewel niet wetenschappelijk bewezen, gaat onze nominatie voor meest aannemelijke verklaring voor de oorsprong en betekenis van de naam Aalten naar Plaats aan het water / gelegen in een bocht van een beek.

  • Begraven in Aalten

    Begraven in Aalten

    Rond 800 na Christus

    Archeologische vondsten wijzen erop dat de vroege bewoners van Aalten al rond 800 na Christus hun doden begroeven in een grafveld aan de huidige Damstraat. Tijdens graafwerkzaamheden in de late 19e en vroege 20e eeuw werden daar sporen van een Merovingisch-Frankisch grafveld ontdekt. Opvallende vondsten, zoals speerpunten, stijgbeugels, een schildknop en zilveren gordelschakels, suggereren dat hier mogelijk een krijgsman begraven lag.

    Op De Hoven zijn sporen van bewoning uit dezelfde periode gevonden, bestaande uit diverse zogenoemde hutkommen – rechthoekige kuilen die dienden als werk- of opslagruimtes. Aardewerkfragmenten die hier werden gevonden, komen overeen met de vondsten van het grafveld aan de Damstraat.

    De kerstening van Aalten

    Na de onderwerping van de Saksen door Karel de Grote rond 785 begon de kerstening van Aalten en omgeving. Missionaris Liudger, later bisschop van Münster, speelde een belangrijke rol in de stichting van kerken in de regio, waaronder vermoedelijk de eerste kerk in Aalten.

    Deze kerk, oorspronkelijk waarschijnlijk een eenvoudige houten kapel, werd gesticht op een strategische en symbolische plek: de verhoogde locatie waar nu de huidige Oude Helenakerk staat. Deze plek werd het religieuze en sociale centrum van de gemeenschap.

    Uit archeologisch onderzoek is gebleken dat de bewoners van De Hoven die plek rond het jaar 1000 hebben verlaten. Mogelijk besloten zij, nadat zij waren bekeerd tot het Christendom, om dichterbij de recent gestichte kerk te gaan wonen, om de bescherming van het geloof te genieten. Ook werden de doden vanaf toen vermoedelijk in en rond de kerk begraven.

    Kerkhof

    Rond de kerk ontstond een kerkhof dat in de middeleeuwen een belangrijke rol speelde in het leven van de gemeenschap. Het kerkhof in Aalten was oorspronkelijk veel groter dan het huidige perceel rondom de Oude Helenakerk. Het diende niet alleen als begraafplaats, maar ook als plek voor sociale en religieuze bijeenkomsten. Mensen woonden in die tijd zelfs rondom of op het kerkhof, vaak functionarissen zoals kosters of geestelijken die direct betrokken waren bij de kerk.

    De afgelopen eeuwen zijn tijdens graafwerkzaamheden regelmatig botresten aangetroffen in de grond rondom de kerk, zoals op de Köstersbulte, het pad langs Elim, maar ook aan de Kerkstraat, waar nu bebouwing staat. De oorspronkelijke begraafplaats rondom de kerk was dus veel groter dan het huidige terrein waarop de kerk staat.

    Tot in de 19e eeuw werden doden voornamelijk in en rondom de kerk begraven. Het begraven in de kerk zelf was gereserveerd voor mensen van aanzien, zoals geestelijken, edelen en weldoeners. Men geloofde dat een graf in de kerk een betere positie in het hiernamaals garandeerde. De meeste mensen werden echter op het kerkhof rondom de kerk begraven. Individuele grafstenen waren in de middeleeuwen zeldzaam; veel mensen werden in naamloze graven begraven.

    Gezondheidsrisico’s

    Het begraven in de kerk bracht echter grote problemen met zich mee. Ruimtegebrek en de ontbinding van lichamen leidden tot gezondheidsrisico’s; kerkhoven raakten overvol, en de situatie werd onhoudbaar.

    Regelmatig ontstonden in de kerk verzakkingen in de vloer en bleven de eigenaren van de betreffende graven, wat het herstel betreft, in gebreke. De lijklucht was dan in de banken bij het betreffende gat soms wekenlang ondraaglijk, vooral tijdens de zomermaanden.

    Epidemieën zoals de pest verergerden dit probleem. Er kwam dan ook een regeling tot stand waarbij bepaald werd dat de kerkmeesters, in geval van nalatigheid, de nodige herstelwerkzaamheden mochten aanbesteden waarbij de betreffende plaats aan de kerk verviel.

    Ook op de begraafplaats rond de kerk was de toestand vaak slecht. Doordat lange tijd niet op genoegsame diepte begraven was kwamen regelmatig beenderen aan de oppervlakte. Een beenderoplezer verzamelde, voor twee schepel rogge per jaar, deze beenderen van tijd tot tijd en wierp ze in de beenhalle (ook wel knekelhuisje genoemd), een huisje op het kerkhof aan de Markt-zijde. Werd de voorraad te groot dan ruimde men deze op.

    Koninklijk Besluit van 1827

    In 1827 bepaalde Koning Willem I bij wet, dat vanaf 1829 de begraafplaatsen buiten de bebouwde kom moesten worden ingericht. Voor veel mensen was dit een grote stap, om te breken met alle tradities en de doden, buiten het dorp “zo maar ergens in de grond” achter te laten.

    De praktijk van begraven in en rondom de kerk symboliseerde een tijdperk waarin religie, dood en gemeenschap nauw met elkaar verweven waren. Het verbod daarop was een keerpunt dat niet alleen de volksgezondheid ten goede kwam, maar het markeerde ook een verschuiving in de omgang met de dood: individuele graven kregen meer ruimte, er kwamen meer grafmonumenten, en begraafplaatsen werden landschappelijk ingericht.

    Begraafplaatsen in Aalten

    Grafheuvel Nannielaantje

    Christiaan Caspar Stumph, sinds 1811 burgemeester van Aalten, ergerde zich aan het begraven binnen het dorp. In 1818 liet hij daarom voor zichzelf en zijn familie een ‘buitenbegraafplaats’ aanleggen op zijn landgoed Het Smees. Zijn zoon Abraham Anthony werd hier als eerste begraven, gevolgd door Stumph zelf in 1820. In totaal rusten zeven personen op deze bijzondere grafheuvel, die nog altijd zichtbaar is aan het Nannielaantje in Aalten.

    Oude Begraafplaats

    Na het koninklijk besluit van 1827 werd in Aalten een terrein aan de Varsseveldsestraatweg aangewezen als begraafplaats. Door de groei van het dorp raakte deze begraafplaats begin 20e eeuw steeds meer ingesloten. In 1923 werd begraafplaats Berkenhove in gebruik genomen. Hoewel de Oude Begraafplaats inmiddels de functie van stiltepark heeft gekregen, wordt deze nog steeds sporadisch gebruikt voor het bijzetten van overledenen in bestaande graven.

    Oude R.K. begraafplaats Varsseveldsestraatweg

    Bij de aanleg van de begraafplaats aan de Varsseveldsestraatweg kreeg de katholieke gemeenschap een eigen vak aan de overzijde van de straat, op de hoek met de Molenstraat. Deze begraafplaats raakte al na dertig jaar vol, waarna in 1868 een nieuwe R.K. begraafplaats aan de Piet Heinstraat in gebruik werd genomen. Het oude begraafplaatsje kreeg later de functie van plantsoen.

    Joodse begraafplaats

    Aan de Haartsestraat in Aalten, net buiten het dorp, ligt de Joodse begraafplaats van Aalten. Hoewel het terrein in 1852 officieel eigendom werd van de Joodse gemeenschap, zijn er aanwijzingen dat de begraafplaats al vanaf circa 1820 in gebruik was. Op het terrein staan ongeveer zeventig grafstenen, die variëren in ouderdom en ontwerp. Bij de ingang aan de Haartsestraat staat een metaheerhuis, een ritueel gebouw dat gebruikt wordt voor de reiniging van overledenen volgens Joodse tradities.

    R.K. begraafplaats Piet Heinstraat

    Toen de katholieke begraafplaats aan de Varsseveldsestraatweg vol raakte, schonk textielfabrikant Anton Driessen in 1868 een stuk grond aan de huidige Piet Heinstraat om in te richten als begraafplaats. Ook schonk hij een ijzeren Calvariekruis en een ijzeren poort. Het baarhuisje dateert uit 1888.Een eeuw later raakte ook deze begraafplaats vol. Vanaf 1960 werden katholieke overledenen daarom begraven op het nieuwe rooms-katholieke gedeelte van begraafplaats Berkenhove.

    Algemene Begraafplaats Berkenhove

    Nadat de Oude Begraafplaats aan de Varsseveldsestraatweg vol raakte, werd in 1923 begraafplaats ‘Berkenhove’ aan de Romienendiek in gebruik genomen. Het oorspronkelijke gedeelte ligt ingesloten tussen de Romienendiek, de Barloseweg en de Koningsweg. Door de jaren heen is de begraafplaats regelmatig uitgebreid. In 1960 werd een katholiek gedeelte toegevoegd, omdat de RK-begraafplaats aan de Piet Heinstraat vol was. Bij Berkenhove bevindt zich een modern uitvaartcentrum en crematorium.

    Begraafplaatsen in Bredevoort

    Oude Begraafplaats

    De Oude Begraafplaats aan de Prins Mauritsstraat werd rond 1830 aangelegd, gelijktijdig met de naastgelegen Joodse Begraafplaats. Het terrein kwam beschikbaar na de ontmanteling van de vestingwerken aan de oostzijde van het stadje. In 1925 werd een nieuwe toegangspoort geplaatst, en enkele jaren later werd een baarhuis gebouwd.

    Oude Joodse Begraafplaats

    Bredevoort had ooit twee Joodse begraafplaatsen. De oudste was gelegen op het voormalige kasteelterrein achter Hozenstraat 5. In 1953 werd dit terrein verkocht aan de gemeente Aalten ten behoeve van woningbouw. De stoffelijke resten en grafzerken werden toen overgebracht naar de tweede begraafplaats aan de Prins Mauritsstraat.

    Joodse Begraafplaats

    De Joodse Begraafplaats aan de Prins Mauritsstraat werd rond 1830 aangelegd, gelijktijdig met de naastgelegen algemene begraafplaats. De laatste Bredevoortse Joden die op deze begraafplaats werden bijgezet zijn broer en zus Levi en Sara Sander. Beiden overleden in 1938, kort na elkaar. De begraafplaats is niet toegankelijk voor het publiek.

    Begraafplaats Kloosterhof

    De begraafplaats Kloosterhof aan de Kloosterdijk in Bredevoort werd aangelegd in 1862-1863 en diende oorspronkelijk als rooms-katholieke begraafplaats. Het oudste, centraal gelegen deel heeft een symmetrische indeling met een karakteristieke toegangspoort, een baarhuis en een Calvariekruis. In de jaren 80 van de vorige eeuw werd de begraafplaats uitgebreid met een algemeen gedeelte. In 1989 verrees tevens een mortuarium.

  • Sporen van 1100 jaar oude nederzetting in Aalten

    Sporen van 1100 jaar oude nederzetting in Aalten

    In augustus 2024 werd op een terrein op De Hoven in Aalten archeologisch onderzoek uitgevoerd, kort voordat er appartementen worden gebouwd. Dit onderzoek, uitgevoerd door leden van de oudheidkundige vereniging ADW onder leiding van archeoloog Willem Doodeheefver, leverde waardevolle inzichten op over de vroegmiddeleeuwse geschiedenis van Aalten.

    De vondsten, waaronder resten van hutkommen, afvalputten en metalen objecten, bieden een unieke inkijk in het leven rond het jaar 900 na Christus. Bij eerdere opgravingen in dit gebied, in 1982 en 1892, waren al sporen gevonden van een zogenaamde Frankisch-Merovingische nederzetting.

    Hutkommen

    De meest opvallende vondsten tijdens de opgravingen in 2024 zijn de resten van enkele hutkommen, die zichtbaar werden door donkere verkleuringen in de bodem. Een hutkom was een half ingegraven, rechthoekig gebouwtje, ongeveer drie meter breed en vier meter lang. De kuil was 0,5 tot 1 meter diep en had geen bovengrondse wanden; de dakconstructie rustte gedeeltelijk op het maaiveld. Deze bouwmethode bood beschutting tegen de zomerse hitte en zorgde voor relatieve warmte in de winter.

    Hutkommen deden dienst als ambachtsruimtes, meestal op een boerenerf. Ze werden gebruikt voor activiteiten zoals weven, houtbewerking, metaalbewerking of het bewerken van bot. Bij één van de gevonden hutkommen op De Hoven werden slakken aangetroffen, restanten van gesmolten gesteente. Dit kan erop wijzen dat de hut mogelijk als smederij heeft gediend.

    Afvalputten

    Verspreid over het terrein zijn verschillende afvalputten gevonden. Het afval dat de bewoners destijds achterlieten, biedt waardevolle informatie over hun dagelijkse leven, gebruiksvoorwerpen en de datering van de hutkommen. In de afvalputten zijn onder andere scherven van aardewerk gevonden, gedateerd rond het jaar 900 na Christus.

    1100 jaar bewoning

    De vondsten geven een beeld van het landschap zoals het er meer dan 1100 jaar geleden uitzag. Een gunstige omstandigheid is dat de bodem van De Hoven gedurende de afgelopen duizend jaar grotendeels onaangetast is gebleven. De naam ‘De Hoven’ verwijst naar de tuinen die hier eeuwenlang lagen, en het gebied is tot op heden grotendeels onbebouwd gebleven.

    Deze en eerdere archeologische vondsten op De Hoven, maar ook aan de Damstraat, bevestigen dat er 1100 jaar geleden al mensen in Aalten woonden. Deze periode valt samen met een vermelding van een plaats die in een document uit 828 Aladna werd genoemd.

    Waarom deze plek?

    De keuze voor deze woonplek in de vroege middeleeuwen is goed te verklaren. Aalten ligt op zeven glooiingen die zijn gevormd in de ijstijd. De Hoven bevindt zich op één van de hoger gelegen, droge en veilige delen. Voor de bewoners was het slechts een korte wandeling naar de Slingebeek, waar ze water konden halen en vissen. De Hoven ligt bovendien op steenworp afstand van de Landstraat. Mogelijk was dit ook toen al een belangrijke verkeersroute in de Achterhoek, een gebied dat destijds nog vrij leeg en grotendeels onontgonnen was.

  • Ruilverkaveling in Aalten

    Ruilverkaveling in Aalten

    In de tweede helft van de 20e eeuw vond in de gemeente Aalten een grootschalige ruilverkaveling plaats. Bij dit ingrijpende proces werden landbouwgronden opnieuw ingedeeld om efficiënter te kunnen werken. Het doel was grotere en beter bereikbare percelen voor boeren, met minder versnippering en een verbeterde infrastructuur. Maar deze verandering had ook gevolgen voor het landschap en de natuur.

    Waarom was ruilverkaveling nodig?

    Door erfdelingen en wisselingen in eigendom waren landbouwpercelen in de loop der eeuwen steeds kleiner en onregelmatiger geworden. Voor boeren werd het steeds lastiger om efficiënt te werken. De oplossing was ruilverkaveling. Hierbij werden percelen samengevoegd en opnieuw ingedeeld, zodat landbouwbedrijven beter konden draaien. Dit gebeurde door middel van:

    • Vergroting en herindeling van landbouwpercelen;
    • Betere ontsluiting via verharde wegen;
    • Aanpassing van de waterhuishouding;
    • Vermindering van oude juridische beperkingen zoals erfdienstbaarheden.

    Effecten op het landschap

    Het traditionele Achterhoekse coulisselandschap, met zijn afwisseling van kleine akkers, weilanden en houtwallen, is door ruilverkaveling op veel plaatsen aangetast. Dit gevarieerde en kleinschalige landschap, dat het gebied een schilderachtig karakter gaf, maakte plaats voor grotere, efficiënter ingerichte landbouwpercelen. Hierdoor verdwenen veel houtwallen, bosschages en zandwegen.

    Door deze herindeling konden boeren makkelijker werken met moderne machines, maar werd het landschap ook opener en uniformer. Wegen zoals de Eskesweg en de Aladnaweg werden aangelegd om de landbouwgronden beter bereikbaar te maken, maar dit ging ten koste van de oude zandwegen en karakteristieke kavelgrenzen.

    Gevolgen voor water en natuur

    Naast de veranderingen in het landschap werd ook de waterhuishouding aangepast. Beken en sloten werden rechtgetrokken en verdiept, zodat water sneller werd afgevoerd. Dit voorkwam wateroverlast, maar leidde in sommige gebieden juist tot droogteproblemen. Veel natte natuur verdween, wat gevolgen had voor de biodiversiteit.

    Ondanks de voordelen voor de landbouw ging een deel van het traditionele landschap van Aalten verloren. Het kleinschalige en gevarieerde karakter van de streek maakte plaats voor grootschaligere landbouwgronden met minder ruimte voor natuur en historische landschapselementen.

  • Heerlijkheid Bredevoort

    Heerlijkheid Bredevoort

    Deze pagina is nog ‘onder constructie’…

    Graafschap Lohn

    De voormalige heerlijkheid Bredevoort maakte oorspronkelijk deel uit van het graafschap Lohn, dat vermoedelijk in de 11e eeuw is ontstaan. Dit graafschap omvatte in 1152 de kerspelen Lohn, Winterswijk, Aalten, Varsseveld, Zelhem en Hengelo (G). In hun streven naar onafhankelijkheid kwamen de graven van Lohn in conflict met de bisschop van Münster, wiens leenheerschappij zij in 1152 tenslotte moesten erkennen. De burcht Bredevoort was in 1246 voor de helft eigendom van graaf Herman van Lohn, die in dat jaar zijn deel in leen opdroeg aan graaf Otto van Gelre.

    Bij de dood van de laatste graaf van Lohn in 1316 viel diens gebied uiteen. De kerspelen Varsseveld en Silvolde kwamen aan de heer van Wisch, de kerspelen Zelhem en Hengelo waren al eerder aan Gelre verkocht. De bisschop van Münster kocht in 1316 van Otto van Ahaus, één van de erfgenamen, de helft van de burcht Bredevoort met diens aandeel in de Lohnse rechten. De andere helft van de burcht was al bisschoppelijk bezit sedert 1284.

    Graafschap Gelre

    Uit deze aankoop ontstond een geschil tussen Münster en Gelre, tengevolge waarvan in 1324 een oorlog uitbrak. Graaf Reinald van Gelre viel het bisdom Münster binnen en werd bij Coesfeld verslagen, maar had echter Bredevoort al veroverd. Bij de vrede, die in 1326 te Wesel werd gesloten, behield Reinald Bredevoort en kreeg hij de gerichten van de omringende kerspelen Aalten, Dinxperlo en Winterswijk in pand. De bisschop van Münster zou dit pand ten allen tijde voor 3500 goudmarken mogen inlossen, hetgeen echter nooit is gebeurd. Vanaf 1326 is er derhalve sprake van een zelfstandig gebied, dat werd bestuurd door een hertogelijk ambtenaar.

    Gemense en Steinfurtse pandschap (1388-1526)

    In 1388 gaf Willem van Gulik, als hertog van Gelre, zijn kasteel, stad en Ambt Bredevoort met de drie kerspelen in onderpand aan heer Hendrik III van Gemen voor een kapitale lening. Opeenvolgende generaties van dit geslacht bleven pandheer van de heerlijkheid tot 1492, toen het pandschap vererfde op diens erfgenamen en naderhand aan de graven van Bentheim-Steinfurt kwam. Eerst in 1526 loste hertog Karel van Gelre de pandsom in en nam de heerlijkheid weer in eigen beheer. In 1534 gaf hij Bredevoort in bewaring aan zijn veldheer Marten van Rossum, die de heerlijkheid in 1545 in pandschap kreeg van keizer Karel V als rechtsopvolger van de Gelderse hertogen.

    Anholter pandschap (1562-1612)

    Toen Van Rossum stierf in 1555, vererfde het pandschap via Johan van Isendoorn op Hendrik van Isendoorn à Blois, die in 1562 de pandsom terugkreeg. Koning Philips II van Spanje gaf vervolgens als hertog van Gelre de heerlijkheid voor 50.000 Vlaamse schilden in pand aan zijn vazal Dietrich van Bronckhorst-Batenburg. Hij was heer van het naburige Anholt in Westfalen, die reeds veel goederen en rechten in de heerlijkheid Bredevoort bezat.

    Na de Reformatie bleven de heren van Anholt rooms-katholiek en aan Spaanse zijde. Dientengevolge werd Bredevoort in 1597 belegerd en veroverd door prins Maurits van Nassau. Vrouwe Gertrud von Milendonck, de weduwe van Jacob van Bronckhorst-Batenburg, kreeg de heerlijkheid in 1602 van de Republiek terug. Maar het pandschap werd door de Staten van Gelderland in 1612 ingelost en vervolgens overgenomen door prins Maurits.

    Over de periode 1526-1612 bevinden zich vele archiefstukken in het Bestand Bredevort in het Fürstlich Salm-Salmsches Archiv op de Wasserburg Anholt bij Isselburg (D). Oudere stukken van vóór 1562 zijn wsch. destijds in opdracht van de Anholtse pandheren overgebracht naar hun huisarchief als bewijsstukken van hun rechten. Na de beëindiging van het

    Pandstad der Oranjes

    In 1697 werd Bredevoort als vrije heerlijkheid opgedragen aan Koning-Stadhouder Willem III, wiens erfgenamen haar bezaten tot 1795.

    Van het Rijksarchief in Friesland werd in 1986 uit de collectie van het Fries Genootschap het reglement voor de poortwachters te Bredevoort van 1726 ontvangen.

    In het huisarchief van de voormalige herberg De Leste Stuver te Bredevoort, berustend te Aalten, bevindt zich o.a. een almanak, gebruikt door de Stadhouder of de Landschrijver als zakagenda in de periode 1737/38.

    In 1646 werd het kasteel te Bredevoort verwoest tengevolge van blikseminslag in de kruittoren. Het duurde ruim 50 jaar, eer nieuwe huisvesting werd gerealiseerd. In 1699 verrees aan de Landstraat te Bredevoort een nieuwe kanselarij, het Ambthuis.

    Ambt Bredevoort (1795-1811)

    Na de Bataafsche Omwenteling in 1795 werden de bezittingen der Oranjes verbeurd verklaard; de heerlijkheid Bredevoort werd onder burgerlijk bestuur gesteld. Anno 1798 werden de heerlijkheden officieel opgeheven. De voormalige municipaliteiten van Aalten, Bredevoort, Dinxperlo en Winterswijk werden ingesteld in 1795 en opgeheven in 1798. De voormalige municipaliteit van Lichtenvoorde werd ingevolge de opheffing der heerlijkheden in 1798 bij het Ambt Bredevoort gevoegd en daarvan weer afgescheiden in 1802.

    Drs. G.J.H. Krosenbrink te Winterswijk schonk in 1994 een rapport inzake de bestuurlijke organisatie van het oude Ambt, opgemaakt ten behoeve van het nieuwe Ambtsbestuur in de periode 1798-1802, afkomstig van het toenmalig ambtsbestuurslid H. Willink Azn. te Winterswijk.

    Het Ambt Bredevoort bleef als bestuurlijke eenheid in stand tot de Franse overheersing. In de jaren 1811 en 1812 werd het opgedeeld in de Mairieën Aalten, Bredevoort, Dinxperlo en Winterswijk.

    Het archief van het Ambt werd bewaard op de kanselarij, het Ambthuis te Bredevoort. In 1795 werd het op last van het Provisioneel Bewind in beslag genomen en geïnventariseerd, waarna het onder het beheer werd gesteld van de secretaris van de Municipaliteit van Aalten. Na de Franse overheersing werden bij het herstel van het Nederlands bestuur bescheiden uit het archief gelicht en overgedragen aan de nieuwe gemeenten Aalten, Dinxperlo en Winterswijk. Ook de voormalige rentmeester J.B. Roelvink van de Nassause Domeinen behield het kanselarij-archief onder zich, dat in 1985 helaas door een rechtsopvolger werd vernietigd.

    Bestuur

    Bredevoort was oorspronkelijk een borgmansstadje naar Westfaals model. De adellijke verdedigers van het kasteel woonden in versterkte huizen op de voorburcht, die daardoor het karakter van een vesting kreeg. In het naburige bisdom Münster oefenden dergelijke borgmannen gezag en rechtspraak uit over hun personeel en de horige bewoners van de door hen beheerde burchtkomplexen te Horstmar en Nienborg.

    Bij de overdracht van Bredevoort in 1326 ontsloeg de bisschop van Münster zijn Bredevoortse borgmannen van hun eed, zodat zij konden overgaan in Gelderse dienst. In 1503 verkregen de Bredevoortse borgmannen vergelijkbare privileges van de toenmalige pandheer, Everwijn van Steinfurt. Stadsrechten zijn echter van Bredevoort niet overgeleverd. De militaire en bestuurlijke rol van de borgmannen was uitgespeeld, nadat in de loop van de 16e eeuw de verdediging werd opgedragen aan een garnizoen.

    Het dagelijks bestuur van de heerlijkheid Bredevoort berustte bij de Drost. Na de Münsterse bezetting tijdens de oorlogsjaren 1672-1674, bestond binnen de muren korte tijd een afzonderlijk stedelijk bestuur van stadhouder en regenten der stad Bredevoort. De Drost fungeerde vaak tevens als Richter. De rechtspraak werd verzorgd door de Richter met twee keurnoten. Het gericht werd eens per twee weken gehouden in Aalten, Bredevoort en Winterswijk. De gerichtsdagen voor Dinxperlo werden te Aalten gehouden.

    De rechtspraak in de stad Bredevoort werd door de Richter van de heerlijkheid met twee keurnoten uitgeoefend, zoals in de overige kerspelen. Andere ambtenaren bij het gericht waren de Landschrijver (secretaris) en de Advocaat-fiscaal (openbare aanklager). De Landschrijver fungeerde ook als secretaris van de Drost. Aangezien deze laatste meestal niet in de heerlijkheid woonde, was de Landschrijver vaak tevens diens plaatsvervanger als verwalter-Drost of Stadhouder. Bredevoort had een vestingcommandant, de “Commandeur der Forteresse”. Deze functie was vaak met die van verwalter-Drost in één persoon verenigd. Verder waren er nog een hele reeks lagere ambtenaren, waaronder een ijker, een scharenslijper, een landmeter en armenjagers (veldwachters).

    Ten gevolge van het feit, dat leden van de adellijke familie van Pallandt en de aanverwante geslachten van Lintelo en van Coeverden lange tijd de functie van Drost van Bredevoort hebben bekleed, bevinden zich ook in het archief van het Huis Keppel een groot aantal stukken betreffende Bredevoortse zaken uit de periode 1638-1796, eveneens berustend in het Gelders Archief te Arnhem.

    De laatste Drost van het Ambt Bredevoort, sedert de Bataafse Omwenteling in 1795, was de Winterswijkse burger W. Paschen Gzn. te Winterswijk. Diens rekening over de periode 1808 aug – 1811 mrt werd op 4 september 1812 door de gezamenlijke maires van Aalten, Bredevoort, Dinxperlo en Winterswijk te Winterswijk afgehoord en aldaar gedeponeerd. Reeds in 1811 verzocht Paschen als tijdelijk maire van Winterswijk aan de voormalige Landschrijver om overdracht van bescheiden betreffende Winterswijkse aangelegenheden. Blijkens een schrijven in het archief van de Gemeente Winterswijk werd in 1813 een kist met archivalia per kruiwagen van Aalten naar Winterswijk overgebracht. Bij de selectie is men destijds tamelijk willekeurig te werk gegaan, zodat ook andere Bredevoortse bescheiden te Winterswijk geraakten. Ook Rentmeester J.B. Roelvink droeg in 1815 Bredevoortse stukken over aan de Burgemeester van Winterswijk. Overigens maakte Lichtenvoorde slechts deel uit van het Ambt gedurende de jaren 1798-1802.

    Sedert 1612 werden de ambtenaren benoemd door de Nassause Domeinraad. Voor aanstellingsgegevens zie het zg. Ambtboek, berustend in het archief van genoemde Domeinraad in het Nationaal Archief in Den Haag. Gegevens van aanstellingen in het Ambt Bredevoort zijn voorts te vinden in het archief van Drost en Geërfden, inv.nrs. 22-33, en in het archiefbestand Plaatselijk bestuur Winterswijk, inv. nr. 14. Via de Drosten zijn ook veel personeelsbescheiden beland in het huisarchief Keppel, berustend in het Gelders Archief te Arnhem.

    Behalve de stad Bredevoort bestond de heerlijkheid uit drie gerechtsdistricten, die samenvielen met de drie kerspelen Aalten, Dinxperlo en Winterswijk. In elk kerspel waren een voogd en één of twee ondervoogden aangesteld, die als tussenpersonen fungeerden tussen de inwoners van de kerspelen en het bestuur in Bredevoort. Ieder kerspel bestond uit een dorp en een aantal buurtschappen, gilden genoemd, die in rotten waren verdeeld. Aan het hoofd daarvan stonden rot- en gildemeesters, die moesten zorgen voor de verdere verspreiding van berichten en de uitvoering van bevelen. Tevens had iedere buurschap een bode, welk ambt verbonden was aan een bepaalde boerderij.

    Financiële zaken werden per kerspel door de plaatselijke geërfden behandeld. Deze vertegenwoordigers van de bevolking werden per dorp en buurtschap afgevaardigd en waren verantwoording verschuldigd aan de Drost. Het stadje Bredevoort had een eigen Rentmeester, die optrad namens de plaatselijke geërfden. Ieder kerspel had een eigen ontvanger der verponding. In Bredevoort traden soms de rotmeesters gezamenlijk als ontvangers der verponding op. De kerkmeesters in elk kerspel, belast met het beheer van kapitaal en bezit van de plaatselijke kerk, werden gekozen uit de geërfden en moesten voor de Drost en hun medegeërfden rekening en verantwoording afleggen. Naast de diaconie als kerkelijke instelling bestond er voor de armenzorg ook een wereldlijke instelling, de provisorie. Evenals de kerkmeesters werden provisoren gekozen uit de geërfden en moesten op dezelfde wijze verantwoording afleggen.

  • Transformatorhuisjes in Aalten

    Transformatorhuisjes in Aalten

    Verspreid over de gemeente Aalten staan tientallen transformatorhuisjes, ook wel trafohuisjes genoemd. De trafohuisjes zijn bedoeld om hoogspanning (10.000 Volt) om te zetten (transformeren) in een lagere spanning (230/400 Volt) die wij in onze huizen en bedrijven kunnen gebruiken.

    De eerste trafohuisjes werden begin jaren twintig van de vorige eeuw gebouwd door de Provinciale Gelderse Electriciteits Maatschappij (PGEM). In 1994 is de PGEM opgegaan in Nuon en werd in 2009 opgesplitst. De huidige netbeheerder heet Liander.

    Ontwerp

    De oudste trafohuisjes zijn ontworpen door Gerrit Versteeg (1872-1938), destijds de huisarchitect van de PGEM. Ze bevatten invloeden van de Haagse School, de Amsterdamse School en Frank Lloyd Wright.

    De gebouwtjes zijn vaak kenmerkende, bakstenen gebouwtjes met meestal een rechthoekige plattegrond en één bouwlaag met een schilddak, zadeldak of plat dak. De deuren zijn vaak van groen geverfd staal. De huisjes zijn voorzien van een ingemetseld naamplateau van beton of tegels (van de firma Goedewaagen uit Gouda).

    Cultuurhistorische waarde

    De oudere transformatorhuisjes hebben een beeldbepalende waarde. Cultuurhistorisch gezien herinneren de gebouwtjes aan de elektrificatie van de gemeente Aalten. Nieuwere trafohuisjes (vanaf omstreeks begin jaren tachtig?) hebben meestal een puur functioneel ontwerp en zijn daarom uit cultuurhistorisch oogpunt niet interessant.

    Veel historische transformatorhuisjes in Nederland zijn aangemerkt als (gemeentelijk) monument. Op de monumentenlijst van de gemeente Aalten staat (nog) geen enkel trafohuisje.

    Lijst met trafohuisjes in Aalten

    Hieronder volgt een lijst met alle transformatorhuisjes in de gemeente Aalten, zover bij ons bekend (april 2025). Een aantal oudere huisjes zijn mogelijk van cultuurhistorisch waarde en zouden wellicht in aanmerking kunnen komen voor een beschermde status. De huisjes tot en met bouwjaar 1980 worden tevens weergegeven op de landkaart.

    AdresKern/BuurtschapBouwjaar
    Admiraal de Ruyterstraat 1 TRAalten1978
    Ambachtsstraat 1 TRAalten1982
    Andromeda 32 TRAalten1972
    Bevrijding 1 TRAalten1977
    Bodendijk 54 TRAalten1975
    Boomkampstraat 1 TRAalten1966
    Bredevoortsestraatweg 65 TRAalten1978
    Bredevoortsestraatweg 94 TRAalten1939
    Bredevoortsestraatweg 118 TRAalten1976
    Broekstraat 17 TRAalten1988
    De Hare 5 TRAalten1981
    Dennenoord 7 TRAalten1970
    Dinxperlosestraatweg 44 TRAalten1964
    Dinxperlosestraatweg 54 TRAalten1980
    Dinxperlosestraatweg 62 TRAalten1971
    Dinxperlosestraatweg 79 TRAalten1930
    Frankenstraat 6 TRAalten1966
    Grevinkweg 2 TRAalten1975
    Grote Maote 170 TRAalten1983
    Haartsestraat 6 TRAalten1923
    Het Verzet 28 TRAalten1981
    Karel Doormanstraat 14 TRAalten1969
    Keizersweg 51 TRAalten1963
    Kemenaweg 50 TRAalten1972
    Koopmanstraat 85 TRAalten1984
    Lage Blik 26 TRAalten1983
    Lage Veld 32 TRAalten1974
    Meiberg 23 TRAalten1960
    Mercurius 5 TRAalten2011
    Mercurius 7 TRAalten1972
    Molenkamp bij 35Aalten1963
    Neptunus 16 TRAalten1972
    Nijverheidsweg 42 TRAalten2011
    Nijverheidsweg 61 TRAalten1985
    Nijverheidsweg 87 TRAalten1966
    Oranjelaan 7 TRAalten1940
    Orion 31 TRAalten1971
    Piet Heinstraat 46 TRAalten1927
    Prinsenstraat 31 TRAalten1966
    Ringweg 19 TRAalten1952
    Rondweg Zuid 1 TRAalten2011
    Stationsstraat 8 TRAalten1974
    ’t Slaa 31 TRAalten1990
    Tramstraat 1 TRAalten1968
    Tubantenstraat 2 TRAalten1971
    Varsseveldsestraatweg 82 TRAalten1965
    Vierde Broekdijk 19 TRAalten1997
    Vlierbeslaan 22 TRAalten1979
    Vondelstraat 11 TRAalten1968
    Barloseweg 6 TRBarlo1977
    Lichtenvoordsestraatweg 83 TRBarlo1934
    ’t Villeken 9 TRBarlo1952
    Bekendijk 12 TRBredevoort2011
    Izermanstraat 2 TRBredevoort1972
    Kleine Gracht 1 TRBredevoort1950
    Landstraat 1 TRBredevoort1952
    Prins Mauritsstraat 13 TRBredevoort1925
    Stadsbroek 71 TRBredevoort1994
    Boterdijk 7 TRDale1970
    Romienendiek 7 TRDale2018
    Buninkdijk 4Haart1967
    Griesdijk 2Heurne1960
    Hondorpweg 7 TRHeurne1967
    Dinxperlosestraatweg 102 TRIJzerlo1966
    Dinxperlosestraatweg 122IJzerlo1970
    Klokkemakersweg bij 1IJzerlo1980
    Kruisdijk 35 TRIJzerlo1940
    Gendringseweg 4Lintelo1980
    Gendringseweg 23 TRLintelo1950
    Heuvelweg 1 TRLintelo1933
    Kolenbroekweg 1Lintelo1950
    Schooldijk 7 TRLintelo1950
    Sondernweg 21 TRLintelo1952
    Varsseveldsestraatweg 126 TRLintelo1931
    Brussendijk 2 TRDe Heurne1939
    Caspersstraat 10 TRDe Heurne1965
    Giebinkslat 6 TRDe Heurne1966
    Lage Heurnseweg 29 TRDe Heurne1980
    Aaldersbeeklaan 53 TRDinxperlo1970
    Aaldershuuslaan 2 TRDinxperlo1972
    Aaldershuuslaan 56 TRDinxperlo2011
    Aaltenseweg 61 TRDinxperlo1973
    Alfred Mozerhof 7 TRDinxperlo1966
    Anholtseweg 6 TRDinxperlo1952
    Anholtseweg 38 TRDinxperlo1993
    Beggelderdijk 16 TRDinxperlo2011
    Bernard IJzerdraatstraat 30 TRDinxperlo1973
    De Klumpender 10 TRDinxperlo1982
    De Maten 9 TRDinxperlo1979
    De Ruiterij 20 TRDinxperlo1975
    Ds. van Dijkstraat 15 TRDinxperlo1968
    Europastraat 2 TRDinxperlo1971
    Helmkamp 25 TRDinxperlo1988
    Het Slat 5 TRDinxperlo1966
    Hogestraat 32 TRDinxperlo1950
    Industriestraat 1 TRDinxperlo1951
    Industriestraat 3 TRDinxperlo1958
    Industriestraat 8 TRDinxperlo1957
    Industriestraat 12 TRDinxperlo1978
    Julianastraat 43 TRDinxperlo1966
    Keminksweide 68 TRDinxperlo1972
    Kerkhofplein 3 TRDinxperlo1939
    Keupenstraat 17 TRDinxperlo1972
    Meniststraat 7 TRDinxperlo1971
    Nassaustraat 20 TRDinxperlo1970
    Nieuwstraat 8 TRDinxperlo1980
    Nieuwstraat 52 TRDinxperlo1979
    Terborgseweg 94 TRDinxperlo1970
    Welinkweg 39 TRDinxperlo1957
    Weversstraat 3 TRDinxperlo1939
  • Gevallen in het georganiseerde verzet

    Gevallen in het georganiseerde verzet

    Köstersbulte, Aalten

    Op het gazon van de Oude Helenakerk aan de Markt in Aalten staat een bijzondere gedenksteen. De bronzen plaat op de steen vermeldt de namen van zeven verzetsstrijders binnen het georganiseerde verzet in Aalten.

    Het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) ontwikkelde zich pas in de loop van de oorlog. Naarmate de maatregelen van de Duitse bezetter strenger werden, ontstonden er kleine groepjes die zich, aanvankelijk met beperkte middelen, tegen de bezetting verzetten. Naarmate de oorlog vorderde, kwamen steeds meer mensen in moeilijkheden. De kleine verzetsgroepen groeiden in kracht door de toename van het aantal leden, maar ook door de netwerken die ontstonden tussen de verschillende verzetsgroepen.

    Binnen het verzet waren er twee belangrijke stromingen te onderscheiden. De eerste groep was de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers (LO). Deze groep organiseerde onder andere onderduikadressen voor joden, voor mannen die weigerden in Duitsland voor de vijand te werken, en voor verzetsmensen die zich schuil moesten houden. De LO was voor de voedselvoorziening aan de onderduikers afhankelijk van voldoende distributiebonnen. Daarvoor zorgde de tweede groep, de Knokploegen (KP). Deze bewapende groep verrichtte overvallen op distributiekantoren, probeerde de vijand op vitale punten te saboteren en bereidde zich in de laatste fase van de oorlog voor op de assistentie van de geallieerde troepen bij de bevrijding van Nederland.

    In de Achterhoek, met name in de regio Aalten, Lichtenvoorde en Winterswijk, was het verzet bijzonder actief. Een deel van de verzetsmensen verloor tijdens de oorlog het leven. Zij die de barre tijd overleefden, voelden zich geen helden. Velen getuigden van de angst die ze hun leven lang mee zouden dragen. De moedige daden van het verzet staan opgetekend in verschillende boeken.

    De namen van de gevallenen (klik op de links voor meer informatie):

  • Afscheiding en Doleantie

    Afscheiding en Doleantie

    De negentiende eeuw was in de Nederlandse kerkgeschiedenis een roerige periode. In 1834 vond in Ulrum de Afscheiding van de hervormde kerk plaats. De afgescheidenen verklaarden met de hervormde kerk te breken, “totdat deze terugkeert tot de waarachtige dienst des Heeren”. Behalve de Ulrumse gemeente verlieten ook vele duizenden gelovigen elders in het land de ‘Nederlandsche Hervormde Kerk’. Men voelde zich daar, onder meer vanwege de vrijzinnige prediking, niet meer thuis.

    In plaats van naar de kerk te gaan, begonnen de afgescheidenen huissamenkomsten te houden. Men las daar samen de bijbel, of preken van zeer orthodoxe predikanten uit lang vervlogen eeuwen, men zong samen psalmen en bevroeg elkaar over het geestelijk leven.

    Afgescheidenen in Aalten

    Ook in Aalten waren in die tijd enkele Afgescheidenen, zoals de hervormde kerkenraadsnotulen van november 1835 weergeven: “In de maanden september en oktober hebben eenige personen goed gevonden om zich van het bestaande kerkgenootschap af te scheijden”. Hun namen zijn ook bekend: Lammert Geurink, Antonia Knuvers, Janna G.E. Navis, Derk Jan Klumpenhouwer, H. Wevers, B. Goorhuis en Hendrik Jan te Kotte. In november 1836 telde het aantal ‘bezwaarden’ tien.

    In Aalten kwamen de Afgescheidenen de eerste jaren voor hun godsdienstoefeningen bij elkaar in boerderij Bouhuis aan de Bolwerkweg, boerderij Sondern aan de Sondernweg en boerderij Navis aan de Brakenweg. Ds. A. Brummelkamp (1811-1888) uit Hattem, een van de eerste Afgescheiden predikanten in ons land, ging vaak in die diensten voor, die overigens meestal door de week plaatsvonden. Het waren lange reizen voor de predikant, die de Achterhoekse Afgescheidenen desondanks met raad en daad bijstond. Bovendien moest hij nogal eens een boete betalen voor het overtreden van de wet: zonder toestemming van de plaatselijke overheid was het namelijk verboden godsdienstige bijeenkomsten van meer dan twintig personen te houden.

    Christelijke Afgescheidene Gemeente

    Vermoedelijk werd de Christelijke Afgescheidene Gemeente te Aalten in juli 1843 geïnstitueerd door de bevestiging van de ambtsdragers. Het waren de ouderlingen G. Bouhuis en A.J. Pennings en de diakenen F. Heijerman en J.H. Kappers.

    De jonge Afgescheiden Gemeente wilde graag een predikant beroepen. Op advies van ds. Brummelkamp vroeg men de jonge Derk Breukelaar (1814-1891) uit Varsseveld of hij predikant van Aalten wilde worden. Deze stemde daarin toe, waarna hij spoorslags naar Ommen vertrok om bij ds. A.C. van Raalte (1811-1876) – ook een van de eerste Afgescheiden predikanten in ons land – te gaan studeren. Ondertussen vroegen de kerkenraadsleden in september 1843 aan de classis of de predikant van Varsseveld, ds. J. Wildenbeest (1808-1852), en die van Winterswijk, ds. J.W. te Bokkel (1815-1888), zoveel mogelijk wilden komen preken in Aalten en Bredevoort.

    De Aaltense kerkenraad ondernam ook stappen om als Afgescheiden Gemeente erkend te worden door de overheid. Ds. Brummelkamp stelde daarvoor een verzoekschrift op, dat men op 10 oktober 1843 aan koning Willem II stuurde (hij was het hoofd van de Nederlandse Hervormde Kerk).

    In het schrijven werd aan de koning meegedeeld dat de Drie Formulieren van Enigheid de belijdenisgeschriften van de gemeente van Aalten vormden, en dat als reglement de Utrechtse Kerkorde van ds. H.P. Scholte (1805-1868) diende. Ze beloofden bovendien geen aanspraak te zullen maken op gelden en goederen van de hervormde kerk noch op gelden uit ‘s Rijks Kas. Ook meldden ze dat ze hun kerkdiensten zouden houden in “een daartoe op te richten kerkgebouw op een stuk Land op den Esch bij het dorp Aalten en wel ten Noord Oosten”. Vijfendertig manslidmaten ondertekenden het verzoekschrift.

    Op 12 januari 1844 erkende koning Willem II de gemeente als zelfstandige Christelijke Afgescheidene Gemeente.

    Het houden van de kerkdiensten in de verschillende boerderijen van gemeenteleden was in de begintijd een uitkomst, maar het was uiteraard geen ideale situatie. Daarom besliste de kerkenraad, samen met de manslidmaten, in 1844 tot de bouw van een eigen kerk. Als locatie koos men de tegenwoordige Oosterkerkstraat, en wel op de plaats waar tegenwoordig de (inmiddels buiten gebruik gestelde) Oosterkerk staat. “Met grote offers, de een gaf geld, de ander zijn werkkracht, een derde beide”, kwam de kerk uiteindelijk gereed en kon zij in gebruik genomen worden.

    Nadat Derk Breukelaar zijn studie achter de rug had, deed hij op 24 september 1846 zijn intrede in de Afgescheiden gemeente van Aalten. Het zou zijn enige gemeente blijven. Hij werkte er vierenveertig jaar, tot zijn emeritaat in 1888. Toen in 1852 ds. Wildenbeest van Varsseveld plotseling overleed, bracht die gemeente een beroep op hem uit. Aanvankelijk nam hij het aan, maar – zich realiserend dat hij nu de enige Afgescheiden predikant in de Achterhoek was – bedankte hij alsnog en bleef aan de kerk van Aalten verbonden. Al werkte hij ook veel in de omgeving.

    Ds. Breukelaar woonde in een boerderijtje (’t Grotenhuis geheten) aan de tegenwoordige Hessenweg, net buiten het dorp. In ’t Grotenhuis werden ook de catechisaties gehouden, omdat daarvoor in de kerk geen ruimte was. Ook zijn vrouw, Janna Hendrika Pennings, verzorgde de catechisaties soms als de dominee daar zelf in de oogsttijd nauwelijks tijd voor had.

    De Doleantie van 1886

    Na de Afscheiding in 1834 en volgende jaren waren veel orthodoxe hervormden in de hervormde kerk achtergebleven met de bedoeling om, van binnenuit, de hervormde kerk ‘terug te brengen in het gereformeerde spoor der Vaderen’, zoals dat genoemd werd. In Amsterdam was deze ‘strijd voor Kerkherstel’ in 1886 uiteindelijk echter toch uitgelopen op een scheuring, die plaats vond onder leiding van onder meer dr. Abraham Kuyper (1837-1920).

    Dit conflict, dat de ‘Doleantie’ genoemd wordt (van ‘dolere’ = klagen) vloeide voort uit de strijd, die al jarenlang gevoerd was tegen de gewoonte van de hervormde synode om zoveel mogelijk vrijheid te geven aan degenen, die niet met de belijdenis van de Kerk instemden, om op die wijze iedere kerkelijke botsing te vermijden.

    Ds. J.H.F. Gangel was in Aalten een vurig voorstander van deze beweging. De onderlinge tegenstellingen liepen zo hoog op, dat het gemeentebestuur genoodzaakt was de hulp van militairen in te roepen om de openbare orde te kunnen handhaven. Ds. Gangel was namelijk door het classicaal bestuur van de Ned. Hervormde kerk uit zijn ambt ontzet, hetgeen hij aanvankelijk niet wilde accepteren. Opmerkelijk in dit verband is, dat de notulen van de kerkenraad van 26 november en 23 december 1885 uit het register van kerkenraadsnotulen zijn verwijderd. Wel worden lijsten van hen, die wel lid van de Ned. Herv. kerk willen blijven, in het archief aangetroffen. Deze lijsten dateren uit 1887.

    Eindresultaat was, dat de dolerenden evenals de afgescheidenen uit de Ned. Herv. kerk hebben moeten treden. Daarmede moesten zij ook afstand doen van de kerkelijke goederen. Het door de dolerenden tegen de hervormde gemeente van Aalten gevoerde proces over de kerkelijke bezittingen liep in 1888 in hun nadeel af.

    Bij deurwaardersexploit werden Ds. Gangel en de voormalige kerkenraad in 1888 gedwongen de financiële administratie van het rusthuis te Aalten aan Ds. van Oostrum-Soede en de zittende kerkenraad te overhandigen. Uit de godsdienstige samenstelling van de bevolking van Aalten kan men afleiden, welke omvang de doleantie in 1885-1888 had aangenomen: in 1901 bedroeg het aantal hervormden te Aalten 3560 zielen, het aantal gereformeerden 2497, het aantal rooms-katholieken 1287 en het aantal christelijk gereformeerden 118. Dit op een bevolking van totaal 7726 inwoners.