Category: Biography

  • Mayor Ruurd Faber

    Mayor Ruurd Faber

    Burgemeester (1971-1975)

    Ruurd Faber (Veenhuizen, 28-08-1912 – Assen, 07-07-1992) was een Nederlands politicus van de ARP. Hij werd geboren als zoon van Anne Faber (1875-1948; vanaf 1932 directeur van het eerste gesticht van de Rijkswerkinrichtingen te Veenhuizen) en Hermina Klein (1879-1973). Op 15-05-1941 trouwde hij in Assen met Aukje Fokje Wijngaard (Den Haag, 27-05-1918).

    In het begin van zijn loopbaan was Faber inspecteur van een levensverzekeringmaatschappij. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij betrokken bij het verzet en daarop werd hij gearresteerd en opgesloten in het huis van bewaring in Assen. Na de bevrijding kwam hij vrij en vervolgens werd hij hoofd van de Politieke Opsporingsdienst (POD) te Assen. Na enige tijd werd Faber Officier-fiscaal bij de Asser Kamer van het Bijzonder Gerechtshof te Leeuwarden. Later is hij ook nog werkzaam geweest in een andere functies bij het ministerie van Justitie en het ministerie van Maatschappelijk Werk.

    In 1960 werd hij burgemeester van Ulrum en daarnaast was hij ook nog van 1962 tot 1963 waarnemend burgemeester van Leens. In 1965 werd Faber burgemeester van Dantumadeel. Daar genoot hij naam als “groot formaat maatschappelijk werker”.

    In 1971 volgde hij Hendrik Haverkamp op als burgemeester van Aalten en bekleedde deze functie tot 1975.

    In 1992 overleed Ruurd Faber op 79-jarige leeftijd.

    Faber werd als burgemeester van Aalten opgevolgd door Doeke Bekius.

    Burgemeester Faber lost het eerste schot op het Schuttersfeest van 1971
    Burgemeester Faber lost het eerste schot op het Schuttersfeest van 1971

    Leestip


    ‘Van Maire Stumph tot Burgemeester Stapelkamp’, door Leo van der Linde

  • Willem te Gussinklo sr. (1852-1920)

    Willem te Gussinklo sr. (1852-1920)

    Pijpenfabrikant

    Willem te Gussinklo sr. (1852-1920) was één van de hoofdrolspelers in de geschiedenis van de hoornindustrie in Aalten. Hij maakte aanvankelijk Duitse pijpen en handvatten voor wandelstokken en paraplu’s. Later legde hij zich toe op de productie van knopen.

    Willem te Gussinklo werd geboren op 13 november 1852 op huisnummer 284 (Markt 3) in Aalten, zoon van winkelier Willem te Gussinklo en Josina Aleida Mierdink. Op 26 mei 1887 trouwde hij met Maria Jacoba Gangel (een zuster van dominee Gangel). Rond 1890 betrokken zij een statige villa aan de Willemstraat.

    Willem leerde het vak van hoorn bewerken van zijn zwager Gerrit Peters. Samen met Wessel Becking begon hij een pijpenfabriek. Echter, in 1884 scheidden hun wegen en gingen zij apart verder. Na de mislukte samenwerking met Becking maakte Willem te Gussinklo Duitse pijpen en handvatten voor wandelstokken en paraplu’s.

    Knopen

    In Duitsland en Engeland waren rond 1900 bedrijven ontstaan die uit hoorn knopen produceerden. Met dat voorbeeld voor ogen begon Willem in het jaar 1905 met het maken van hoornen knopen, een primeur voor Nederland. Al snel kwam zoon Willem te Gussinklo jr. (Piepkes Willem) in de firma, die zich ontwikkelde als innovatief ondernemer.

    De eerste fabriek van Te Gussinklo stond aan ‘t Dal in Aalten, de tegenwoordige Willemstraat.

    Willem te Gussinklo sr. overleed op 21 juni 1920 en ligt begraven op de Oude Begraafplaats aan de Varsseveldsestraatweg te Aalten.

    Willem te Gussinklo sr. (1852-1920)
    W. te Gussinklo - De Nederlander, 26-06-1920
    De Nederlander, 26 juni 1920

    Bronnen


  • Willem te Gussinklo Jr. (Piepkes Willem), approx. 1943

    Willem te Gussinklo Jr. (Piepkes Willem), approx. 1943

    Knopenfabrikant

    Willem te Gussinklo jr. (1888-1969), bijnaam ‘Piepkes Willem’, was één van de hoofdrolspelers in de geschiedenis van de hoornindustrie in Aalten. Hij was directeur van Dutch Button Works in Bredevoort.

    Willem te Gussinklo jr. werd geboren op 18 mei 1888 op huisnummer 239a in Aalten, dat is ongeveer waar tegenwoordig vakgarage JAWI zit. Hij was een zoon van pijpenfabrikant Willem te Gussinklo (sr.) en Maria Jacoba Gangel (een zuster van dominee Gangel). Op 7 juli 1914 trouwde Willem jr. in Zwolle (O) met Engelina Arriana van Houte.

    Hij was directeur van Dutch Button Works (DBW) in Bredevoort en hij woonde op Slingesteyn in Aalten.

    Willem te Gussinklo jr. overleed op 5 juni 1969 en ligt begraven op de Oude Begraafplaats aan de Varsseveldsestraatweg te Aalten.

    Willem te Gussinklo Jr. (Piepkes Willem), ca. 1943
    Willem te Gussinklo jr. ca. 1943

    Bronnen


  • Luutenshuus, Haartsestraat, Aalten

    Luutenshuus, Haartsestraat, Aalten

    Rond 1960 leefde er in Aalten een vrouwtje met de bijzondere bijnaam ‘Knonnepoetse’. Zij woonde in het Luutenshuus, een eeuwenoude boerderij op de hoek Polstraat/Haartsestraat die in 1962 is afgebroken om plaats te maken voor de doortrekking van de Polstraat.

    Op weg naar school daagden kinderen elkaar uit om daar op de ramen te kloppen. Er kwam dan een woedend oud vrouwtje naar buiten gestormd die half Duits sprak. Kinderen waren doodsbang voor haar.

    Guste Mina

    In de volksmond werd ze ook wel Guste Mina genoemd. Van oorsprong zou ze Poolse zijn en rond de oorlogsperiode uitgeweken naar Duitsland. Ze trouwde met een zekere Koskamp uit Aalten.

    Luutenshuus, Haartsestraat, Aalten
    Het ‘Luutenshuus’, in 1962 gesloopt

    Deze Koskamp was in de oorlog ‘fout’. Hij liep met een geweer om zijn nek rond door het dorp. Dit geweer noemde hij ‘seine Kanone’. Hij poetste zijn geweer dikwijls. Vaak zei hij dan: “Ik moet nog even mijn ‘Kanone’ poetsen”. Na zijn dood hield het vrouwtje er de bijnaam ‘Knonnepoetse’ aan over. De naam was dus oorspronkelijk toebedacht aan haar echtgenoot.

    Het echtpaar woonde aanvankelijk op de hoek van de Stationsstraat en de Admiraal de Ruyterstraat in Aalten, in de oude woning van Lurvink. Later is deze woning afgebroken en vestigde zich daar Nijman met zijn tankstation, later tankstation Veneman en tegenwoordig cafetaria ‘De Admiraal’. Het echtpaar Koskamp verhuisde vervolgens naar het Luutenshuus.

    Wie was zij?

    Haar echte naam was Auguste Koskamp-Schürmann. Zij werd geboren in Sterkrade (D) en in 1919 te Aalten getrouwd met Bernardus Gerhardus Koskamp. Ze woonden omstreeks 1920 in het dorp Aalten op adres A211a, later omgenummerd naar B215a. Vermoedelijk werd dit adres later/tegenwoordig Hogestraat 60a.

    In het Adresboek der gemeente Aalten uit 1967 staat zij vermeld op het adres Polstraat 17a. Op 18 augustus in datzelfde jaar overleed Auguste in een verpleeghuis te Zevenaar. Zij werd begraven bij haar man op begraafplaats Berkenhove.

    ‘Knonnepoetse’ heeft geen gemakkelijk leven gehad; ze kon snel kwaad worden. De jeugd wist dit en maakte daar misbruik van. Pesten was iets dat in die tijd ook al voorkwam.

  • Anton Driessen

    Textile manufacturer

    Johan Bernard Anton (known as Anton) Driessen (Bocholt, December 5, 1797 – Aalten, March 7, 1879) was a prominent textile manufacturer in Aalten. Anton descended from a textile dynasty in Bocholt. His father Herman (1765–1817) was also a textile manufacturer, as was his brother Peter Driessen (1756–1843), who also served as an alderman and second mayor of Bocholt.

    After their father’s death, Anton and his younger brother Joseph founded the textile company ‘Gebrüder Driessen‘. In 1826, Anton and Joseph Driessen submitted a request to King William I to establish a textile factory in Aalten. The motives for the Driessen brothers’ request were the increased import duties in the Netherlands. They had chosen Aalten ‘as this place was best suited for this purpose‘.

    They requested permission to establish a fustian weaving mill and bleachery, as well as a cotton spinning mill and dye works. The Driessen brothers were granted permission for the establishment on the condition that it be located within the village center of Aalten.

    Not long after, their cousin Heinrich Driessen also requested permission from the King, which was likewise granted.

    In Aalten

    Anton moved to Aalten in 1826. He initially lived with Meijerink in the Kerkstraat. His brother Joseph remained in Bocholt, where they maintained a branch office.

    The company started “in the Barn and Garden Room of Mr. Bonninghoff”. This most likely referred to the house at Markt 18 belonging to the justice of the peace G.J. te Gussinklo, who had purchased the Borninkhof farm in 1804. Owners were often referred to by the name of their farm.

    For the processing of the yarn, Anton Driessen relied on the many home workers living in the area. Furthermore, the municipal report of 1826 mentions, among other things: “Several households have settled here, primarily from Bocholt“. The report for 1827 mentions for the first time that, alongside agriculture as the primary source of livelihood, much fustian was woven for the manufacturers from Bocholt. There were approximately 218 fustian weavers at that time, “performing the work in their homes“.

    On November 22, 1827, Anton Driessen married Isabella Dees in Bocholt.

    In that same year, the cotton spinning mill was moved from Bonninghoff’s barn and garden room to a better-equipped building in the center of the village. Driessen had purchased a house there from Manus Scholten, located at the site of the current address Landstraat 25.

    However, the relocation did not proceed without incident. Two neighbors, the schoolmaster H. Schotman and the farmer W. Obrink, submitted a formal objection to the municipal council, fearing noise nuisance and fire hazards. The municipality, however, rejected their objections. The two neighbors did not leave it at that and subsequently addressed their grievances to the Governor of the province of Gelderland. However, the Governor also saw no reason to give “any follow-up” to their objections.

    At the end of 1827, Anton Driessen was able to begin converting the house into a spinning mill. The new premises had an upper floor, which, along with the ground floor, was designated as workspace. Machines were installed on both levels.

    Beekhuize

    In 1833, Anton wished to build a new residence. To this end, he had purchased a house from the Degenaar heirs at the end of the Landstraat—now called Dijkstraat. He intended to demolish that house and build a new, modern residence with a warehouse, barn, and stables on the site. For this, however, he required more space than the existing plot. Anton Driessen submitted a plan to the municipal council with the request, “since the beautification of a Village is always one of the most pleasant duties of a Local government, to kindly grant the same, and consequently to support the undersigned in his intention as much as possible”.

    To realize Anton’s plans, both the stream and the street had to be diverted. Furthermore, a new bridge was required. Because the piles of the old bridge had almost decayed, the construction of the new bridge was not only highly necessary, but according to Driessen, the relocation was also less costly. In addition to diverting the stream and building a new bridge, Driessen also needed land for his plans. To this end, he exchanged a piece of land with the municipality. Negotiations regarding these matters lasted several years.

    In March 1835, Driessen was able to begin construction. For the production of the necessary bricks, he had meanwhile requested permission to establish a brickyard on the Schaarsheide and to excavate a three-hectare site. Due to the poor state of the roads in East Gelderland at that time, it was more practical and economical to set up a field kiln near the construction site than to purchase bricks elsewhere.

    The stately villa that Anton Driessen had built on the current Dijkstraat is known to every resident of Aalten as Beekhuize.

    Grave

    Anton Driessen is buried in the old Roman Catholic cemetery on Piet Heinstraat in Aalten.

    Sources


    • Delpher
    • ‘Geweven goed. De textielgeschiedenis van Aalten en Bredevoort’ (Woven Goods: The Textile History of Aalten and Bredevoort), H. de Beukelaer and J.G. ter Horst
  • Adriaan Pieter Slicher van Bath

    Adriaan Pieter Slicher van Bath

    Notable

    Adriaan Pieter Slicher van Bath (Middelburg, 1838-06-07 – Aalten, 1933-11-18) was a local notable and benefactor who contributed significantly to the Aalten community. He had resided in Aalten since 1867 and married Johanna Geertruida (‘Nannie’) van Hopbergen (1849–1924) here in 1874. She was a daughter of the local landowner Major J.W. van Hopbergen (1817–1913).

    A street and a lane in Aalten are named after this couple. On the corner of the Slicher van Bathstraat and the Bredevoortsestraatweg, we still find their former residence, villa ‘Welgelegen‘. Furthermore, every resident of Aalten is familiar with the Nannielaantje, which runs across their former estate, the ‘Smees’ property.

    Offspring

    Their son Willem Antonie (‘Toon’) Slicher, born in 1881, and Anna Becking, born in 1883, married in Aalten in 1908 and were the parents of Professor B.H. Slicher van Bath in Wageningen. The title ‘Van Bath’, a small seigniory at Rilland-Bath in Zeeland, was intended to be inherited by B.H. Slicher’s uncle, but was transferred to his grandson by the grandfather for personal reasons.

    In memoriam

    On November 20, 1933, the Zutphense Courant published this report from Aalten:

    “After an illness of several months, our oldest resident, Mr. A.P. Slicher van Bath, passed away here on Saturday evening at the advanced age of 95.

    Mr. Slicher van Bath, who had already lived here for a normal lifetime, sailed a large part of the world’s oceans on a sailing ship in his younger years. After initially working at the Greenwich Observatory, he was sent out on behalf of English interests to conduct meteorological observations for the benefit of sailing. During these voyages, he visited St. Helena, the Cape of Good Hope, India, Australia, and Cape Horn, among others.

    After settling here, Mr. A.P. Slicher van Bath was very active in the interests of this region. Among other things, he provided the initial impetus for the establishment of the Geld. Overijselsche Mij. van Landbouw, the Coöp. Zuivelfabriek (Cooperative Dairy Factory), the gasfabriek (gasworks), and the Geld.-Overijs. Locaal Spoorweg (Local Railway). ‘Floralia’, which has now existed for over 50 years, owed its origin to Mr. Slicher. No effort or expense was too much for him when it concerned ‘Floralia’, and when he was no longer able to involve himself in its management, this association received his significant donations every summer.

    For many years, Mr. Slicher was chairman and later honorary chairman of the local department of ‘t Nut, and as such, the bewaarschool (nursery school) was his great passion. This institution also benefited from his substantial financial support every year.

    Mr. Slicher was also a member of the Provincial Council of Gelderland for several years. Furthermore, until his 90th year, the deceased was an observer for the Meteorological Institute in De Bilt and, until the present, a correspondent for ‘Arti et Amicitiae’.

    It is certainly noteworthy that Mr. Slicher’s memory remained excellent until the very end and that he continued to take an interest in all major world events.

    With the passing of Mr. Slicher van Bath, a very well-known Aalten personality is gone, and numerous associations and institutions will deeply miss his great support.

    The interment will take place on Wednesday afternoon at 3:00 PM at the Oude Begraafplaats (Old Cemetery) here.”

    Slichter van Bathstraat, Aalten – De Graafschapbode, 21 December 1934
    De Graafschapbode, 21 December 1934
  • Heinrich Driessen

    Heinrich Driessen

    Textile manufacturer – “den veursten Dreessen”

    Johann Heinrich Joseph (known as Heinrich) Driessen (Bocholt, 10-07-1794 – Aalten, 04-07-1879) was a prominent textile manufacturer in Aalten. Heinrich descended from a Bocholt textile dynasty. He was the only son of Peter Driessen and Maria Hölscher. His father held a distinguished position in the Prussian town, just across the border from Aalten. In addition to being a textile manufacturer, he served there as a magistrate and, from 1797 to 1811, as deputy mayor.

    Heinrich received a thorough education at the Jesuit College in Amsterdam and spoke excellent French, so that in 1812, when Napoleon’s troops passed through Bocholt, he was the only one capable of acting as an interpreter between the municipal authorities and the French generals.

    Peter Driessen & Sohn

    In 1810, Heinrich joined his father’s business. On December 2, 1820, he married Lisette Sträter in Rheine (Germany), a descendant of another prominent textile family. They had nine sons and two daughters. In 1826, he was entrusted with the management of the firm Peter Driessen & Sohn.

    In that same year, his cousins Anton and Joseph Driessen submitted a request to King William I to establish a textile factory in Aalten, which was granted by William I. Not long after, Heinrich Driessen also requested permission from the King to settle in Aalten. The firm Peter Driessen & Sohn also received the requested establishment permit.

    In Aalten

    His father Peter continued to live in Bocholt while his son Heinrich settled in Aalten. He initially lived with the Meijerink family on Kerkstraat, one of the few remaining Catholic families in Aalten, in the same building as his cousin Anton Driessen.

    In Aalten, Heinrich established a branch of his father Peter Driessen’s fustian trade and hand-spinning mill. They already owned the necessary land in Aalten and Varsseveld, and in 1826 he expanded his activities to Groenlo. There, Heinrich had purchased a house from De Heyder. That house was converted into a spinning mill. He made the yarn spun there available to home weavers who processed it into cloth.

    Heinrich was an enterprising man. By 1832, he had approximately 500 linen weavers in Aalten and the surrounding area working for him, and three years later, along with Blijdenstein in Enschede, he was among the largest fustian manufacturers in the eastern Netherlands. He was one of the first in the Netherlands to utilize steam in his bleachery.

    ‘Den veursten Dreessen’

    In 1837, he had a grand residence built at the beginning of Dijkstraat. For this reason, he was popularly known as ‘den veursten Dreessen’ (the front Driessen), while his cousin Anton, who built Beekhuize a little further along, was called ‘den achtersten Dreessen’ (the back Driessen). Heinrich’s eldest son, Theodoor, laid the first stone on June 29, 1837. Business premises were also located at the residence, primarily serving as storage for yarns and woven fabrics. These fabrics were transported by a wagon, often pulled by an ox, to the bleachery in Dale. The driver bore the fitting nickname Ossen Willem (Oxen William). After Heinrich’s death, the house was repurposed as a convent.

    Following his father’s death in 1843, Heinrich became the sole owner of Peter Driessen & Sohn. His eldest son Theodor (1821-1878) was then placed in charge of the management in Bocholt. In 1851, King William III granted Heinrich Dutch nationality.

    In 1849, Heinrich established a steam spinning mill on Hogestraat in Aalten, the first of its kind in the Achterhoek region. This was soon expanded with several ‘power looms’ (steam-driven weaving looms). After this factory burned down on the night of August 19 to 20, 1859, he did not rebuild the business.

    To Leiden

    Heinrich shifted his focus to Leiden. There, in 1846, together with his nephew (his sister’s son), the soap boiler Ignatz van Wensen, he had purchased the declining textile printing and dyeing works De Heyder & Co., later known as the Leidsche Katoenmaatschappij (Leiden Cotton Company). He had his second son Louis (1823-1904) come over from England to take charge in Leiden. With the knowledge he had acquired in Manchester, Louis soon managed to make the company profitable.

    Heinrich’s son Eduard (1824-1895) continued to look after the company’s interests in Aalten. Initially, the bleachery there remained operational, but over time Eduard primarily focused on the trade in cotton and yarns. The branch in Bocholt, managed by Theodor, was closed after he and his brother Peter (1832-1895) started a blue-dyeing and printing works there in 1854, named the firm Theodor and Peter Driessen.

    Catholic

    The Driessen family was also of great significance to the Aalten Catholic community, which had been a minority in the Reformed village since the Reformation of 1596. Not only through their prestige and influence, but also through various donations from the Driessens, the Catholic church in Aalten was able to grow into a fully-fledged church community. Both Heinrich and his cousin Anton played important roles as churchwardens and overseers of the poor, roles that were continued by their descendants.

    Heinrich Driessen was very strong-willed in his conduct and often followed his own path in ecclesiastical matters as well. For instance, during the disputes between the Catholics and the Reformed in 1842 regarding the ringing of the bells. Pastor G.H.J. Wansing of Aalten wrote a letter about this to the Archpriest of Gelderland, M. Terwindt, which was co-signed by the churchwardens Th.W. Meijerink, H. Vulting, and A. Driessen. Heinrich Driessen, although a member of the church board, had not signed this letter and addressed two personal letters to Terwindt himself.

    What stands out in these letters is that he stated, among other things, that the pastor seemed a priori prejudiced against Aalten and expressed the hope that the Aalten parish would receive a new shepherd who would be to everyone’s liking. He requested Terwindt to take his reflections into consideration when making his choice and assured him that he preferred to employ everything that was conducive to the honor of their holy religion. But at the same time, Driessen wrote that—because the old pastor showed him the greatest respect and because he himself esteemed the pastor as a man whose moral conduct could serve as an example to an entire province—he trusted that it would also please the Archpriest that the contents of the letters never be disclosed to others.

    New church

    A subsequent problem arose when it was decided around 1853 to build a new church. This led to serious disagreements within the church board. For instance, churchwarden Heinrich Driessen again found it necessary to act independently by contacting the Archbishop behind the backs of the other board members. In a letter to the Archbishop, he referred to the approval the latter had given to the plans for the construction of the church, on the condition that the confessional or confessionals be placed inside the church and not in the sacristy or in separate extensions on the side walls. Based on that condition, a plan had been sent to the King for approval.

    However, during Driessen’s absence, the tendering for the church had taken place, in which an extension was nevertheless planned, contrary to the archiepiscopal approval. An extension to the church for the purpose of the confessional would, according to Heinrich, only disfigure a church. He had tried to convince the pastor of this, but had not succeeded. Driessen preferred to see the confessional inside the church, as was common in the Münsterland, rather than in an extension. According to him, the error could still be rectified, even though the masonry on that side was already in full swing. In his letter to the Archbishop, he therefore requested that instructions be given to the church board as soon as possible. The outcome of the matter is unknown. This action, however, is characteristic of Heinrich Driessen, who was apparently accustomed to getting his way and took the necessary steps on his own initiative to achieve it.

    Wealthy

    At the end of his life, Heinrich was a wealthy man. He held shares in spinning mills in Enschede, Gronau, and Rheine. Rheine was his wife’s birthplace, and her relatives managed textile enterprises there. Furthermore, he owned many lands and farms in the vicinity of Aalten, Varsseveld, and Bocholt.

    Heinrich reached the advanced age of nearly 85 years. Several of his children and grandchildren entered the textile industry.

    Sources


    • Biografisch Woordenboek Gelderland
    • Annex to De Graafschapbode, 23 July 1937
    • Delpher
    • Nijver in het groen. Twee eeuwen industriële ontwikkeling in Achterhoek en Liemers, H. de Beukelaer
    • St.-Helena’s ommegang. De geschiedenis van de Aaltense katholieken, H. de Beukelaer
    • Geweven goed. De textielgeschiedenis van Aalten en Bredevoort, Aalten 1992, H. de Beukelaer en J.G. ter Horst
    • Stammbuch und Chronik der Familien Driessen, Giessing, van Wensen, Schwartz, Sträter, Hölscher, F. Schwartz
  • Wim Mateman

    Wim Mateman

    Politician

    Willem Antoon (Wim) Mateman (Aalten, 07-05-1945 – Rijswijk, 08-06-2019) was a Dutch politician. On behalf of the CDA, he was a member of the House of Representatives of the States General from 1979 to 1998. From 2003 to 2018, Mateman served as an alderman, municipal councillor, and parliamentary group leader for the CDA in the municipality of Rijswijk.

    Mateman completed teaching qualifications (MO) in civics and political economy. He subsequently studied sociology at the Catholic University of Nijmegen. During his student years, he was a co-founder of the Student Union (SVB) in Nijmegen. After his studies, Mateman became a teacher of economics, civics, and social studies at the Christian secondary school in Zutphen. From 1970, he was a member of the Provincial Council of Gelderland and a member of Aalten Municipal Council on behalf of the Christian Historical Union (CHU). He also served as an alderman in Aalten.

    During the 1977 general election, Mateman stood as a candidate for the CDA but was not directly elected. Later that year, he was offered the opportunity to take a seat in the House, but he declined. Two years later, Mateman entered parliament as an interim member after all. He was sworn in on 28 August 1979. In the House, his focus included trade policy, defence, and domestic governance.

    Wim Mateman belonged to the conservative wing of the CDA. He was greatly disappointed when he had to leave the House because the new party leadership sought to renew the parliamentary group. Mateman did not stand for re-election in the 1998 general election.

    In 2003, he became the CDA alderman for Finance and Land Affairs in the South Holland municipality of Rijswijk. In May 2014, the CDA left the Rijswijk municipal executive, and he returned to the municipal council, becoming the leader of the CDA parliamentary group. In 2018, he retired from local politics.

    Mateman was married and had two children. In 1992, he was appointed Knight of the Order of the Netherlands Lion, and in 1998, Knight of the Order of Orange-Nassau. In 1992, he was named Pipe Smoker of the Year.

    Headstrong ‘right-winger’ of the CDA – NRC Handelsblad, 13 April 1992

    Bronnen


  • Doeke Bekius

    Doeke Bekius

    Burgemeester (1976 – 1988)

    Doeke Bekius (Gauw, 14 november 1922 – Haart, 8 juni 2013) was een Nederlands politicus voor achtereenvolgens de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en het Christen-Democratisch Appèl (CDA).

    Bekius werd geboren en groeide op in het Friese dorp Gauw, nabij Sneek. Na de ULO trad hij op zestienjarige leeftijd in dienst bij de gemeente Wymbritseradeel, een plattelandsgemeente rond Sneek met 28 dorpen. In 1946 maakte hij de overstap naar de gemeente Zutphen. Met de daar opgedane ervaring aanvaardde hij in 1951 de functie van chef Algemene Zaken bij de gemeente Apeldoorn. In juli 1961 werd hij burgemeester van Westdongeradeel, waarna in december 1966 zijn benoeming volgde tot burgemeester van Kollumerland en Nieuwkruisland.

    Burgemeester in de gemeente Aalten

    Medio 1976 aanvaardde Bekius het burgemeesterschap van de gemeente Aalten, als opvolger van burgemeester Faber. Het stadje Bredevoort beschouwde hij als een geschenk, een enthousiaste taak. In 1988 werd hij daar benoemd tot ‘eredrost’.

    Na zijn pensionering bleef hij in de gemeente Aalten wonen. Hij bleef lid van zowel Bredevoorts Belang als Haarts Belang. Daarnaast zette hij zich in voor de Vereniging van Kleine Kernen (VKK) Gelderland. Eind 1987 begon hij daar als adviseur van het bestuur; al snel trad hij toe als bestuurslid en vervolgens was hij jarenlang voorzitter.

    Bekius woonde en overleed in de buurtschap Haart, in de gemeente Aalten. Op 14 juni vond zijn begrafenis plaats in zijn geboorteplaats Gauw.

    Hij werd als burgemeester van Aalten opgevolgd door Tijme Bouwers.

    Leestip


    ‘Van Maire Stumph tot Burgemeester Stapelkamp’, door Leo van der Linde

  • Evert Sickens van Veen

    Evert Sickens van Veen

    Burgemeester (1946-1967)

    Mayor of Aalten from 1811 to 1844.

    Hij werd geboren als zoon van Jan van Veen (1855-1917; landbouwer) en Matje Prins (1867-1943). Hij zat op het gymnasium maar had gezondheidsproblemen en verliet voortijdig die opleiding om in Zwitserland een kuur te volgen. Na later nog enige tijd in Frankrijk in de agrarische sector werkzaam te zijn geweest, kwam hij in 1926 terug naar Nederland. Hij werd volontair bij de gemeente Schoonebeek en midden 1930 volgde zijn benoeming tot ambtenaar ter secretarie bij de gemeente Stad Hardenberg. Twee jaar later maakte hij de overstap naar de gemeente Gramsbergen waar hij het bracht tot eerste ambtenaar.

    Op 25-03-1931 trouwde Evert Sickens van Veen in Oosterhout (NB) met Johanna Jacoba Strating.

    Eind 1937 werd Van Veen benoemd tot burgemeester van Nijeveen. In september 1943 ging hij met ziekteverlof waarbij de Meppelse burgemeester Geert Wisman tevens waarnemend burgemeester van Nijeveen werd. Begin 1944 volgde ontslag voor Van Veen maar later keerde hij terug als burgemeester van Nijeveen. Bovendien was hij eind 1945 enkele maanden waarnemend burgemeester van Ruinerwold.

    In 1946 werd Van Veen benoemd tot burgemeester van Aalten als opvolger van burgemeester Monnik. Van Veen ging daar in november 1967 met pensioen en overleed in 1976 op 73-jarige leeftijd. Hij ligt begraven op Berkenhove.

    Van Veen werd als burgemeester van Aalten opgevolgd door mr. Hendrik Hieltje Hans Haverkamp.

    Leestip


    ‘Van Maire Stumph tot Burgemeester Stapelkamp’, door Leo van der Linde

    Bronnen


  • A.J.W. Monnik

    A.J.W. Monnik

    Burgemeester (1910-1945)

    Adriaan Johannes Willem Monnik werd op 19 november 1879 geboren in Vorden, zoon van Adriaan Johannes Wilhelmus Monnik, geneeskundige, en Anna Hendrika Blotkamp. Op 22 mei 1913 trouwde hij in Den Haag met Louise Wilhelmina de Waal Malefijt (Zeist, 17 augustus 1881), dochter van Jan Hendrik de Waal Malefijt, minister van koloniën, en Frederica Sophia Wilhelmina Couvée.

    Monnik werd in 1910 benoemd tot burgemeester van Aalten. Hij volgde Willem Carel Tack op.

    Hij was maar liefst 35 jaar burgemeester van Aalten. Het gezin Monnik woonde in villa Zonneheuvel aan de Bredevoortsestraatweg in Aalten, waar later het overdekte zwembad zou komen.

    In 1944 krijgt burgemeester Monnik opdracht er voor te zorgen dat 500 mannen uit Aalten in Zevenaar aanwezig zijn, om ingezet te worden voor het graven van militaire verdedigingswerken. Bij hem en zijn ambtenaren valt dan het besluit te weigeren en met zijn allen onder te duiken. Het bevolkingsregister wordt in veiligheid gebracht.

    Tijdens zijn onderduikperiode werd Monnik vervangen door I.A. de Moor, voormalig burgemeester van Breskens en vandaar met vele andere NSB’ers gevlucht. Na de bevrijding keerde Monnik terug als burgemeester en ging op 1 november 1945 met pensioen.

    In 1946 werd Monnik benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

    Op 2 augustus 1951 overleed hij in het Bronovo-ziekenhuis in Den Haag, na een operatie. Hij werd begraven op begraafplaats Berkenhove.

    Hij werd als burgemeester van Aalten opgevolgd door Evert Sickens van Veen.

    Interview 25-jarig ambtsjubileum

    Ter gelegenheid van het 25-jarig ambtsjubileum van burgemeester Monnik publiceerde de Graafschapbode op 8 maart 1935 een interview met de jubilaris, hieronder enigszins verkort weergegeven:

    Wanneer we in de ruime burgemeesterskamer zitten, is vanzelf onze eerste vraag: Wilt U ons eens iets vertellen over uw allereerste jaren, schoolopleiding, enz.? We vernemen dan, dat Adriaan Johannes Willem Monnik den 19en November 1879 te Vorden geboren werd. De eerste twee schooljaren werden op de Chr. school in zijn geboorteplaats doorgebracht. Toen kwam er een gouvernante in huis. Eén kamer werd tot schoollokaal ingericht en hier werd de jeugdige leerling met nog één medeleerlinge, klaargemaakt voor het gymnasium.

    Na dit lager onderwijs werd gedurende 3 jaar het Chr. gymnasium van Ds. van Lingen te Zetten bezocht. De studie moest toen om gezondheidsredenen onderbroken worden en werd later voortgezet aan de H.B.S. te Zutphen. Dan werden een jaar de colleges gevolgd van Prof. Hugo de Vries aan de Gem. Universiteit te Amsterdam.

    Benoemd tot Burgemeester van Aalten

    Het was altijd mijn streven,” vertelt ons de heer Monnik, “om ook nog eens burgemeester te worden, en toen Aalten openkwam werd ik op 23 Febr. 1910 benoemd tot burgemeester van Aalten.” Na de beëediging op 2 Maart werd op 15 Maart 1910 de heer Monnik hier als burgemeester geïnstalleerd. De oudste wethouder, Z.G. van Eerden, hield de installatierede. De burgemeester besloot zijn antwoordrede o.a. met de mededeeling: “lk zal doen wat des burgemeesters is.

    Toentertijd was de heer B.H. Vaags gemeente-secretaris, wethouders waren de heeren Z.G. van Eerden en W. te Gussinklo. De Raad was als volgt samengesteld: F.H. Somsen, Th.A.M. Driessen, Sal. Gussinklo, L. Heusinkveld, H.A.J. Luiten (Sondern), J.P. Obbink, H.J. Veldhuis (Vels), Wander Nijhof, J.H. Veldkamp (Breedev.), A.P. Slicher van Bath.

    Tot zijn huwelijk was de heer Monnik in pension bij de dames Vaags, op de Kattenberg.

    Belangrijkste besluiten, enz.

    De burgemeester meent zich te herinneren, dat het eerste besluit geweest is. de aankoop van het oude huis van Heijmans op den hoek van de Koelmansteeg, voor de verbreeding van de ingang der Koelmansteeg (nu Stationsstraat). — De oude notulenboeken worden er bij gehaald, en ja, het klopt (het geheugen van onzen burgemeester is, tusschen twee haakjes, bijzonder goed): dit hoekhuis werd aangekocht voor ƒ 3500, waardoor er een behoorlijke ingang van de Stationsstraat kon komen.

    Dan volgt op 27 April 1910 de opening van de tram, de G.W.S.M. lijn B (Lichtenvoorde, Breedevoort, Aalten, Bocholt).

    Dadelijk in 1910 komt zijn liefde voor de volksgezondheid naar voren, eenige woningen worden onbewoonbaar verklaard. “Met de politiek heb ik me nooit veel bemoeid: ik voel veel meer voor volksgezondheid, woningbouw en dergelijke,” zegt de burgevader zoo en passant.

    In 1910 krijgen we dan verder nog den bouw van de Koembrug, de eerste betonbrug in Aalten. De openbare school-verbouwing, de reorganisatie van het politiecorps (de heer Blom werd toen chef-veldwachter). Ook dateert de aanstelling van een voorwerker voor de gemeente-arbeiders van dezen tijd.

    In 1911 kwam ter sprake: de afschaffing van het Duitsche geld, maar het duurde nog tot Juli 1914 voor het ingevoerd werd. Door het groote getal arbeiders dat destijds naar de Bocholtsche fabr. gingen werken en die allemaal bij een Duitsche ‘Krankenkasse’ waren aangesloten, was hier een moeilijke ‘Krankenkasse-quaestie’ ontstaan, die ook nu opgelost werd.

    In Maart 1911 werd hier een wekel. markt voor groenten, kippen, eieren en visch ingevoerd. De verbetering van de afwatering van het Goor kwam ook een groote stap verder door de stichting van het Waterschap der Baaksche Beek. Bij een oud convenant was bepaald, dat de Veengoot niet uitgediept mocht worden, zoodat afwatering van het Goor onmogelijk was. Door de stichting van het Waterschap kon er nu verandering komen. In 1911 werden ook de Lankhofstraat en de Ormelstraat aangelegd.

    Het zou ons te ver voeren, om zoo jaar voor jaar uitvoerig te behandelen. We zullen de volgende jaren met een beetje ‘versnelde pas’ doorwandelen en meer als jaartal memoreeren. We krijgen dan in: 1912 de pensionneering van veldwachter Heersink.

    Den 22en Mei 1913 treedt de heer Monnik in het huwelijk met L.W. de Waal-Malefijt. Het pension van de dames Vaags wordt verwisseld voor ‘Zonneheuvel‘.

    Den 21en Febr. 1914 besluit de Raad nieuwe scholen te bouwen in IJzerlo en op de Haart. 13 Maart van hetzelfde jaar volgde de onderwijzerswoning in Aalten. In Febr. werd ook begonnen met den woningbouw aan den Haartschen weg.

    1 Augustus krijgen we dan het begin van den grooten wereldoorlog, die tal van moeilijkheden meebracht. Langzamerhand werden alle levensmiddelen, enz. schaarscher en krijgen we ‘t tijdperk der distributie. Wat ‘n drukte en moeilijkheden bracht die mee! Wij leverden in dien tijd 1.000.000 K.G. rogge en waren één van de grootste roggeleverende gemeenten van het land.

    In Sept. 1914 wordt de verordening op de herbergsluiting van kracht en krijgen we de ‘zwarte lijst’. Den 31 October wordt de post ‘nachtwakers‘ geschrapt en op 1 Januari 1915 behoort de nachtwaker te Aalten tot het verleden.

    In het laatst van 1917 sprak de Raad zich in principe uit voor overname der Gasfabriek. Het besluit tot overname werd genomen op 19 Dec. 1918. De Raad nam toen de gasfabriek over voor ƒ 115.000 plus ƒ 29.602,87 voor de leidingen, gasmeters, enz. De dag van overname was 2 Mei 1919.

    Na den wapenstilstand, toen de krijgsgevangenen naar de grens kwamen, heette het, dat er 30.000 hier naar toe zouden komen. Gelukkig namen ze in Bocholt een andere richting. Toch kregen we ook hier ons deel in November 1918, n.l. Franschen en Italianen, die in het Feestgebouw en in de fabriek der N.V. Textiel Mij. werden ondergebracht. Uitgehongerd waren de menschen. “Met die Italianen beleefden we nog wat eigenaardigs,” vertelt ons de burgemeester, “we hadden ze allemaal wat van onze prachtige zeep, waarvan we toen een heelen voorraad hadden, gegeven om zich eens frisch te kunnen wasschen, maar den volgenden dag was alle zeep door de Italianen opgegeten!

    26 Febr. 1920 werd den ‘Oosterman‘ aangekocht met de bedoeling hier de nieuwe begraafplaats te maken. Dit plan is niet doorgegaan. Later in 1922 werd een ander terrein hiervoor bestemd, het tegenwoordige ‘Berkenhove‘.

    In Aug. 1920 werd een begin gemaakt met de straatnamendoop. De eerste is de ‘Oranjestraat’ te Breedevoort. Ook had in Augustus de aanbesteding plaats van den Gendringschen weg.

    19 Mei 1922 wordt de veemarkt naar de binnenmarkt verplaatst. In de laatste jaren is echter de veemarkt weer in eere hersteld. In dit jaar werd ook de keuringsdienst ingevoerd. Dr. Rexwinkel werd keuringsveearts. Den 11en April werd het slachthuis overgenomen.

    Dan krijgen we de laatste jaren, die ons allen nog versch in het geheugen liggen. Diverse wegen werden in deze jaren verhard: Sondernweg in ’29. Haartscheweg in 1929. Een Ringweg werd aangelegd, 24 Aug. 1928 en nu het Natuurbad ‘t Walfort, een werk van de allerlaatste jaren.

    De Wethouders in deze 25 jaren

    Het is wel interessant ook even na te gaan welke wethouders we in deze 25 jaren gehad hebben. In 1910 waren er, zooals we reeds vermeldden Z.G. van Eerden en W. te Gussinklo. Na den dood van Van Eerden werd in Mei 1916 de heer Theod. Driessen wethouder, die in 1918 weer is afgetreden. We krijgen dan voor een kort poosje den heer F.H. Somsen. Van 2 Sept. 1919 tot 4 Sept. 1923 zijn wethouders de heeren H.J.J.G. ten Dam en Joh. Obbink. Dan neemt de heer F.H. Somsen de plaats in van den heer ten Dam (4 Sept. 1923) en op 8 Maart 1926 volgt de heer A. Brethouwer den heer Obbink op. De heeren Somsen en Brethouwer zijn heden nog als wethouders in functie.

    Als secretaris volgde op 1 Febr. 1930 de heer S. Bijlsma zijn voorganger, den heer B.H. Vaags op. Op 29 Jan. 1924 ging de gemeente-ontvanger, de heer F.H. Freriks, met pensioen. De heer F. Heisterman werd toen als ontvanger benoemd. Bij Gemeentewerken kwam na het overlijden van den heer J. Brill, de heer Tilbusscher als gemeente-architect, die door den heer H. Rollman wordt bijgestaan.

    Andere functies van den jubilaris

    Naast zijn eigen drukken werkkring stelt de burgemeester vooral belang in het onderwijs. De heer Monnik is penningmeester van den Bond van schoolbesturen, onderwijzers en voorstanders van het Chr. onderwijs in den Geld. Achterhoek en omgeving.

    Ook is hij bestuurslid van de Groen van Prinsterer Kweekschool te Doetinchem. Verder nog commissaris van de N.V. Waterleiding Oostel. Gelderland en Lid van den Raad van Toezicht der N.V. ‘De Graafschap‘, Drukkerij en Uitgeverij.

    We zijn ten slotte nog nieuwsgierig naar de meening van den burgemeester over de vooruitzichten van onze Gemeente in de naaste toekomst.

    Deze voorbijgegane 25 jaren,” zegt de heer Monnik, “zijn zeker niet gemakkelijk geweest. Eerst de oorlogsjaren en nu de misschien nog moeilijker na-oorlogsche periode met haar groote achteruitgang op ieder gebied, haar groote werkloosheid, met de werkverschaffing en alles wat daar aan vast zit. Mijn vrouw is mij bij deze moeilijkheden steeds tot zeer grooten steun geweest.

    Wat de werkverschaffing betreft kunnen we nog vermelden, dat op 24 Nov. 1916 ‘Patrimonium‘ om werkverschaffing verzocht. De eerste werkverschaffing was het grintgraven in 1918. Op 30 Mei 1917 ging Aalten, als één van de eerste gemeenten over tot werkloosheidsverzekering.

    De burgemeester vervolgt dan: “Wij als Gemeente, staan er niet zoo slecht voor. Dit is een zeer zwaar jaar, zeker, maar ik zie aankomen, dat het langzamerhand beter wordt. We zullen met vertrouwen voortgaan, één oog naar boven, één oog naar binnen. De hand aan de ploeg, dan zal het einde goed zijn. We moeten zoeken niet wat verdeelt, maar wat samenbindt!

    Burgemeester Monnik - Aaltensche Courant, 27-05-1927
    Aaltensche Courant, 27 mei 1927
    Burgemeester Monnik opent Bazar - Graafschapbode, 13-04-1934
    Graafschapbode, 13 april 1934
    Burgemeester Monnik opent zwembad 't Walfort, 25 juni 1934
    Graafschapbode, 25 juni 1934
    25-jarig jubileum burgemeester Monnik - Sumatra Post, 08-06-1935
    Sumatra Post, 8 juni 1935
    Serenade burgemeester Monnik - De Graafschapper, 24-05-1938
    De Graafschapper, 24 mei 1938
    Burgemeester Monnik - De Graafschapper, 07-11-1938
    De Graafschapper, 7 november 1938

    Leestip


    ‘Van Maire Stumph tot Burgemeester Stapelkamp’, door Leo van der Linde

    Bronnen


  • Johan Hora Adema

    Johan Hora Adema

    Burgemeester (1886-1888)

    Johan Hora Adema (Leeuwarden, 24 april 1843 – Velp, 15 maart 1938) was burgemeester in drie verschillende gemeenten. Daarnaast diende hij als kapitein bij het regiment Grenadiers en Jagers. In 1870 trad hij in het huwelijk met de Friese Lucia Aurelia Bergsma Fruitier de Talma, met wie hij vier kinderen kreeg.

    Feestelijke intocht in Aalten

    In 1886 werd Hora Adema, als opvolger van burgemeester mr. L. Roelvink, benoemd tot eerste burger van Aalten. Ter gelegenheid van zijn komst werd een feestelijke intocht georganiseerd. Er was een wedstrijd voor de mooiste ereboog, en op veel plaatsen in het dorp werkte men hard om de nieuwe burgemeester een waardige ontvangst te bereiden.

    De dag van zijn intocht verliep buitengewoon hartelijk en feestelijk; vrijwel iedereen was op de been. In een rijtuig werd de nieuwe burgervader door Aalten gereden. Bij elke ereboog hield men halt zodat hij de daarop aangebrachte spreuken kon lezen. De ereboog in de Dijkstraat sprong er bijzonder uit. Daarop stond te lezen:

    Wees welkom J. Hora Adema,
    Voor U is deze boog geplant.
    Bestuur, beheer voor aller eer
    Dit dorp in ons vaderland.”

    Mayor of Aalten from 1886 to 1891.

    Burgemeester in drie gemeenten

    Hora Adema was achtereenvolgens burgemeester van de gemeenten Aalten (1886–1888), Hengelo (1888–1891) en Harlingen (1896–1914).

    Als burgemeester van Aalten werd hij opgevolgd door jonkheer Georg Ludwig Carl Heinrich Baud.

    Bronnen


  • Hendrik Hieltje Hans Haverkamp

    Hendrik Hieltje Hans Haverkamp

    Burgemeester (1968-1970)

    Hendrik Hieltje Hans Haverkamp (Doetinchem, 28-04-1927 – Arnhem, 19-06-2011) was een Nederlands politicus van de CHU.

    Hij werd geboren als zoon van Johan Hendrik Wilhelm Haverkamp (1900-1953), ambtenaar bij de gemeente Doetinchem en later burgemeester van Dinxperlo, en domineesdochter Louisa Petronella Ynzonides (Obergum, 12-08-1901). Hij is afgestudeerd in de rechten en was plaatsvervangend chef van het kabinet van de commissaris van de Koningin in Overijssel voor hij in april 1963 benoemd werd tot burgemeester van Staphorst.

    In januari 1968 volgde hij Evert Sickens van Veen op als burgemeester van Aalten. Al tweeënhalf jaar later, in augustus 1970, stapte hij op als burgemeester om de tweede secretaris van de Rijnmondraad te worden. Haverkamp overleed in 2011 op 84-jarige leeftijd.

    Haverkamp werd als burgemeester van Aalten opgevolgd door Ruurd Faber.

    Burgemeester Hendrik Hieltje Hans Haverkamp

    Leestip


    ‘Van Maire Stumph tot Burgemeester Stapelkamp’, door Leo van der Linde

    Bronnen


  • Georg Ludwig Carl Heinrich Baud

    Georg Ludwig Carl Heinrich Baud

    Burgemeester (1888-1895)

    Mayor of Aalten from 1844 to 1861.

    Per Koninklijk Besluit van 2 februari 1888 werd Baud benoemd als burgemeester van Aalten. Hij volgde Johan Hora Adema op. Op zijn eigen verzoek werd tijdens zijn installatie als burgemeester, behalve het uitsteken van vlaggen, geen openlijk huldebetoon gebracht.

    In 1892 stelde hij zich kandidaat voor de Provinciale Staten namens de Liberale Kiesvereniging. Hij werd gekozen. Op 1 december 1895 vroeg hij eervol ontslag als burgemeester aan. Hij werd als burgemeester van Aalten opgevolgd door mr. Willem Carel Tack.

    In 1898 trad hij af als lid van de Provinciale Staten om te voorkomen dat er een scheuring zou ontstaan binnen zijn partij.

    Op 31 maart 1908 trouwde hij, 50 jaar oud, in Den Haag met de 14 jaar jongere Elisabeth Lamberta van Riemsdijk (Batavia, 10-10-1871). Baud overleed op 4 april 1921 in Den Haag.

    Leestip


    ‘Van Maire Stumph tot Burgemeester Stapelkamp’, door Leo van der Linde

  • Willem Carel Tack

    Willem Carel Tack

    Mayor of Aalten from 1886 to 1910.

    Willem Carel Tack zag op 26 september 1838 in Doesburg het levenslicht als zoon van Benjamin Tack, lid van de stedelijke raad, en Françoise Caroline Madelon baronesse Van Eck. Op 5 juni 1873 trouwde hij in Aalten met predikantendochter Cornelia Johanna Paré (Bredevoort, 2 augustus 1848). Samen kregen zij vijf kinderen.

    Op 4 maart 1880 werd Tack per Koninklijk Besluit benoemd tot burgemeester van Kesteren. Na een eervol ontslag als burgemeester van die gemeente aanvaardde hij met ingang van 15 december 1895 het burgemeesterschap van Aalten. Hij volgde jonkheer Georg Ludwig Carl Heinrich Baud op.

    Feestelijke ontvangst in Aalten

    Op maandagmiddag wachtte een grote menigte Tack en zijn familie op het station Aalten op en heette hen daar welkom. Koetsen, ruiters en een muziekkorps begeleidden de familie vervolgens naar de ambtswoning aan de Gasthuisstraat (het huidige Haartsestraat 10), die later de bijnaam ‘Tackshuis’ kreeg. Die avond trok ter ere van de nieuwe burgemeester een fakkeltocht door het met vlaggen en groen versierde dorp. Bij Koninklijk Besluit van 25 november 1907 werd Tack herbenoemd tot burgemeester met ingang van 15 december 1907.

    Tack overleed op 4 mei 1915 in Aalten op 76-jarige leeftijd en vond op 8 mei in Doesburg zijn laatste rustplaats.

    Na zijn vertrek volgde Adriaan Johannes Willem Monnik hem op als burgemeester van Aalten.

    Leestip


    ‘Van Maire Stumph tot Burgemeester Stapelkamp’, door Leo van der Linde

  • Johannes Paul Hagemann

    Johannes Paul Hagemann

    Fotograaf, kunstschilder, tekenaar en amateur-natuurgeneeskundige

    Paul Hagemann (1882-1960) was een in Duitsland geboren kunstenaar en natuurgeneeskundige die zich rond 1926 in Aalten vestigde. Hij werkte als fotograaf, kunstschilder en tekenaar, en legde veel boerderijen rond Aalten vast. Daarnaast hield hij zich bezig met amateur-natuurgeneeskunde.

    Johannes Paul Hagemann, roepnaam Paul, werd geboren op 3 maart 1882 in Münster (Duitsland). Op 15 november 1923 trad hij in Amsterdam in het huwelijk met Francina Gijsberta (Bep) van Arkel.

    Het echtpaar vestigde zich vermoedelijk rond 1926 in Aalten. In 1934 stonden ze geregistreerd als bewoners van Bodendijk 19a in Aalten; in 1938 woonden ze op het adres IJzerlo 13b, en in 1945 weer in het dorp, aan de Dijkstraat 5.

    Hagemann heeft onder andere veel boerderijen en huizen in en rond Aalten op doek vastgelegd. Naast zijn artistieke bezigheden hield hij zich ook bezig met natuurgeneeskunde. Eén van zijn gezondheidsproducten was een doosje met metaal en iets van elektriciteit.

    Paul Hagemann overleed op 8 augustus 1960. Hij werd begraven op de rooms-katholieke begraafplaats aan de Piet Heinstraat in Aalten.


    Galerij

    Een selectie uit het werk van Paul Hagemann:

  • Piet te Lintum

    Piet te Lintum

    Columnist, illustrator, tekenaar en kunstschilder

    Piet te Lintum (1909-1985) was een veelzijdig kunstenaar uit de Achterhoek. Hij werkte als columnist, illustrator, tekenaar en kunstschilder, en schilderde een groot aantal landschappen en dorpstaferelen van zijn geboortestreek. Hij wordt daarom ook wel de “schilderende ambassadeur van de Achterhoek” genoemd.

    Pieter (Piet) te Lintum werd op 13 januari 1909 geboren in Aalten, als zoon van Jan te Lintum, kruidenier, en Johanna Christina Adolphina te Giffel. Het gezin woonde aan de Dijkstraat 4, het pand waar tot 2022 bakker Van den Dobbelsteen gevestigd was. Op 15 augustus 1942 trad hij in het huwelijk met Elisabeth Maria Schenk, met wie hij twee kinderen kreeg.

    Talent

    Van jongs af aan liet Te Lintum zien dat hij over uitzonderlijk tekentalent beschikte. Al op elfjarige leeftijd maakte hij goed gelijkende portretten. Zijn eerste lessen kreeg hij van een kunstenaar die juist afgestudeerd was van de kunstacademie. Tevens volgde hij een jaar lang schriftelijke cursussen van een instituut in Parijs.

    Op zijn achttiende volgde hij lessen aan de Kunstnijverheidsschool in Arnhem, waar hij les kreeg van Hendrik Valk en Gerard van Lerven. Daarna volgde hij drie jaar lessen aan de Rotterdamse Kunstacademie van David Bautz en Herman Mees. Zijn meest invloedrijke leermeester was echter prof. Johannes Hendricus Jurres, aan de Rijksschool voor Kunstnijverheid in Amsterdam.

    Loopbaan

    Na zijn opleiding bouwde Piet te Lintum een veelzijdige carrière op als illustrator voor diverse uitgeverijen. Hij tekende onder andere de illustraties bij de avonturen van Aornt Peppelenkamp, geschreven door Frans Roes onder het pseudoniem Herman van Velzen. Ook werkte hij voor uitgeverij Misset in Doetinchem (o.a. De Graafschapbode) en maakte hij stripvormige columns voor dagblad Tubantia. Daarnaast ontwierp hij reclamewerk, ansichtkaarten en maakte hij muurschilderingen.

    Piet te Lintum staat vooral bekend om het schilderen van bouwvallige gebouwen. Hij meed het moderne, rechtlijnige. Voor hem gold: hoe ouder en rotter het gebouw, des te mooier het geheel. Hierbij ging het hem niet alleen om het romantische beeld van verwaarloosde huizen en boerderijen. Hij vroeg met zijn werken ook aandacht voor de historie.

    Te Lintum zag destijds al met lede ogen aan dat er steeds meer oude gebouwen met een verleden werden gesloopt voor herinrichting van het Achterhoekse landschap. Het boerderijtje van Bernard Schlüter in het Duitse Südlohn en het Kuupershuusken in Bredevoort zijn om deze reden steen voor steen wederopgebouwd. Allemaal ten behoeve van de rijke, lokale geschiedenis.

    Nalatenis

    Op 1 mei 1985 overleed Piet te Lintum in Winterswijk. Zijn werk leeft voort in de herinnering van velen, niet in de laatste plaats dankzij het boek Wat ik te zeggen heb… van Hans de Beukelaer, dat een ode brengt aan zijn leven en werk. Voor het boek werden meer dan 500 werken van zijn hand opgespoord. Hoewel een groot deel van zijn muurschilderingen de tand des tijds niet heeft doorstaan, zijn zijn schilderijen van boerderijen, gebouwen en gezichten uit de streek blijvende getuigen van zijn liefde voor de Achterhoek.


    Galerij

    Een selectie uit het werk van Piet te Lintum:

    Leestips

    • Wat ik te zeggen heb…‘, Piet te Lintums schilderrijke reis door de Achterhoek en het nabije grensgebied
      Hans de Beukelaer en Jos Betting
    • Schilders uit de Achterhoek & Liemers, 1850-1950′
      Jan Stap en Jacob Schreuder
    • In het Cultuurhistorisch tijdschrift voor Achterhoek en Liemers, Oer/39 van maart 2021, verscheen een artikel over Piet te Lintum. Dit tijdschrift is nog verkrijgbaar bij het ECAL in Doetinchem.
  • Leonard Roelvink

    Leonard Roelvink

    Burgemeester (1861-1886)

    Leonard Roelvink werd op 30 april 1833 geboren als zoon van Arnoldus Florentinus Roelvink, burgemeester van Aalten, en Elzabé Maria Theodora ten Cate. Op 14 november 1870 trad hij in Winterswijk in het huwelijk met Christina Paschen, geboren aldaar op 27 maart 1848.

    In 1857 publiceerde Roelvink bij uitgeverij Post Uiterweer te Utrecht zijn juridische proefschrift onder de titel Theses juridicae inaugurales. Vier jaar later, in 1861, volgde hij zijn vader op als burgemeester van de gemeente Aalten.

    Roelvink woonde in de villa aan ‘t Zand in Bredevoort die we tegenwoordig kennen als Sint Bernardus. Dagelijks reed hij per rijtuig naar Aalten, net als zijn vader had gedaan. Hij was fel tegen de komst van de spoorlijn naar Aalten, uit angst dat zijn paarden zouden schrikken van het “dampende treinmonster”.

    Leonard Roelvink overleed op 3 maart 1886 aan een beroerte. De gemeenteraad zou juist vergaderen en wachtte op de komst van haar voorzitter toen een arts het treurige bericht van zijn overlijden kwam mededelen. Hij werd begraven op de oude begraafplaats aan de Prins Mauritsstraat in Bredevoort.

    Na zijn overlijden richtten zes vooraanstaande Aaltenaren zich in een brief tot de minister van Binnenlandse Zaken. Ze maakten van de gelegenheid gebruik om hun zorgen te uiten over wat zij als wantoestanden beschouwden binnen de gemeente, die ze toeschreven aan het beleid, of het ontbreken daarvan, van de overleden burgemeester. In hun brief stelden ze nadrukkelijk géén invloed te willen uitoefenen op de benoeming van een nieuwe burgemeester, maar gaven tegelijkertijd aan dat “de treurige toestand” in Aalten volgens hen mede het gevolg was van het feit dat de functie van vader op zoon was overgegaan. Ze klaagden over onder meer gebrekkig onderwijs, slechte wegen, overmatig drankgebruik en ongeoorloofde kinderarbeid. De zes pleitten voor de benoeming van een krachtige opvolger die orde op zaken kon stellen. Hun bezwaren werden serieus genomen door zowel de minister als de commissaris van de Koning.

    Roelvink werd als burgemeester van Aalten opgevolgd door Johan Hora Adema.

    Bronnen


  • Gerard Tebroke

    Athlete

    Gerhardus Franciscus (Gerard) Tebroke was born on 9 November 1949 in Aalten, the second child in a family of four sons and one daughter. His parents, Hendrik Bernard Tebroke (1912–1987) and Grada Johanna Bijvank (born 1916), both came from Eibergen, where they had married in 1944. Gerard passed away unmarried on 19 March 1995.

    As a child, Gerard Tebroke from Aalten was so stiff that he was exempted from gymnastics classes in primary school. Nevertheless, he became one of the best Dutch athletes ever in the 5,000-metre and 10,000-metre events.

    Tebroke achieved many successes, but because he often pushed his body too hard during training, he was frequently injured and missed important sporting events, such as the Olympic Games in 1972 and 1976. However, his speed for that era was unprecedented. He held the Dutch record in the 10,000 metres for over 18 years and in the 5,000 metres for more than 22 years.

    In 1982, he decided to bid farewell to the sport. He retreated to a small farm in Silvolde with his dog and sheep, leading a reclusive life. Gerard Tebroke passed away in 1995 at the age of 45. Since then, the biennial Gerard Tebroke Memorialloop (a memorial run) has been held in Aalten as a tribute to him.

    Sources


  • Hendrickje Stoffels

    Rembrandt’s beloved

    Hendrickje Stoffels, Bredevoort

    Hendrickje Stoffels or Hendrickje Jegers (Bredevoort, 1626 – Amsterdam, July 1663) was a domestic servant and art dealer. For a period, she was the official employer of the Dutch painter Rembrandt van Rijn. She was also Rembrandt’s romantic partner, the mother of one of his three daughters (all of whom were named Cornelia), and possibly one of his models.

    Hendrickje Stoffels was born in Bredevoort in 1626 as the daughter of Stoffel Stoffelse and Mechteld Lamberts and grew up in the Muizenstraat. Her father was a sergeant under a captain from the Ploos van Amstel family. Stoffel was also a hunter for the castle at Bredevoort and was therefore also called Jeger. In common parlance, his children were called ‘Jegers’, but in official documents they were always referred to as ‘Stoffels’ (meaning son or daughter of Stoffel).

    Hendrickje had one sister and three brothers: Martijne Jegers, Hermen, Berent, and Frerick. She may also have had a sister named Margriete.

    Hendrickje’s father almost certainly passed away in July 1646, possibly as an unidentified victim of the gunpowder tower explosion in Bredevoort. It was likely due to this event that Hendrickje left for Amsterdam.

    Rembrandt’s partner

    From that time on, Hendrickje entered service as a maid for the already famous painter Rembrandt van Rijn, in what is now the Rembrandt House on Jodenbreestraat in Amsterdam. On July 16, 1649, Hendrickje was back in Bredevoort; she is mentioned as a baptismal witness in the Bredevoort Baptismal Register. It is possible that Rembrandt made the journey to Bredevoort with her. This may be evidenced by several etchings by Rembrandt from 1649 and 1650, the locations of which are unknown.

    Later, Hendrickje became Rembrandt’s partner, and in 1654 they had a daughter together, Cornelia. In 1658, she started an art shop together with Titus, Rembrandt’s son from his earlier marriage to Saskia van Uylenburgh, where they sold paintings, drawings, copper engravings, woodcuts, and curiosities.

    There are several paintings and prints by Rembrandt in which Hendrickje Stoffels is recognized. However, there is no single documented image of her. Furthermore, some experts believe that the portraits identified as Stoffels exhibit a wide variety of facial features. In any case, there are a number of works by Rembrandt from the period in which Stoffels lived with him that possibly depict the same woman.

    In 1663, a plague epidemic struck Amsterdam. Hendrickje Stoffels was likely also fatally affected by this disease, as she died in July of that year. She was buried on July 24, 1663, in a rented grave in the Westerkerk in Amsterdam.

    Statue on ‘t Zand

    On ‘t Zand in Bredevoort stands a statue of Hendrickje Stoffels, created by sculptor G.J.F. (Truus) Doodeheefver-Kremer. Before creating the statue on ‘t Zand, the artist conducted research, including at the Rijksmuseum, and chose to depict Hendrickje around the age of twenty, the period when she left Bredevoort for Amsterdam. The statue was unveiled on July 7, 1977.

    Hendrickje Stoffels – signboard at her birthplace in the Muizenstraat in Bredevoort