Burchard Diederik Gerhard Muller (1802–1873) was eigenaar van twee manufacturen-, ijzer- en galanteriewinkels. Ook dreef hij een graanhandel en had hij een kruidenierszaak. Hij was getrouwd met Elisabeth Manschot en zij woonden aan de Lichtenvoordsestraatweg in Aalten.
In 1870 startte hij een stoomblekerij op het Geurken aan de Haartseweg. Twee jaar later werd het bedrijf uitgebreid met een ververij en een drukkerij. Enkele jaren daarna breidde de firma Muller verder uit met een stoomweverij.
Het benodigde water onttrok men aan de nabijgelegen beek. Drie broers van deze familie hebben nog geprobeerd de watermolen op de Pol te kopen, nadat deze op 1 mei 1853 was afgebrand. De watermolen met stuw werd echter door de gemeente aangekocht en rond de eeuwwisseling gesloopt.
Na het overlijden van Burchard Diederik Gerhard Muller in 1873 zetten zijn kinderen het familiebedrijf voort.
Brand
Op 6 mei 1902 brandde de fabriek van Muller af en werd niet meer herbouwd of voortgezet.
Aalten, 6 Mei – Hedenmiddag omstreeks 4 uur ontstond er brand in de fabriek van de hh. Gebrs. Muller op ongeveer 10 minuten buiten de kom van ’t dorp gelegen. Van de verschillende gebouwen zijn geheel in de asch gelegd: de drukkerij, stoomdrogerij en het magazijn met vele goederen. De oorzaak is onbekend. Het oude gedeelte is afgebrand. De gebouwen voor de weverij zijn behouden gebleven.
Dinsdagmiddag tegen 4 uur werden we plotseling opgeschrikt door het luiden der brandklok. Het was spoedig een buitengewone drukte op de straat en de brandspuiten trokken achter elkaar in de richting van den Haartschen grintweg, want al spoedig wist men dat de brand woedde in de fabriek van de heer Muller, aan dien grintweg gelegen.
Het hooge gebouw, waar de weverij, drukkerij en drogerij was, is geheel door het vuur vernield en de machines zijn natuurlijk onbruikbaar geworden, terwijl ook het magazijn met vele goederen een prooi der vlammen werd. De weverij heeft niet geleden, terwijl de machinekamer, door het flink optreden der brandweer, die daar ook voldoende water had, eveneens kon behouden blijven. Dat er overigens veel waterschade is aangericht, spreekt van zelf.
De firma Ten Dam & Manschot was de eerste en enige fabriek in Nederland die kammen maakte: witte, zwarte, naturel gekleurde sierkammen, Mexicaanse kammen, luizenkammen en snorrenkammen. De boveneinden of holle gedeelten van horens, hoofdzakelijk buffelhoorn, vormden de grondstof voor het vervaardigen van de kammen. Deze horens werden ingevoerd uit onder andere Brazilië, India en het toen nog Siam geheten Thailand.
Oprichters waren Abraham (Bram) ten Dam en zijn zwager Barend Johannes (Bernard) Manschot. Ten Dam was daarvoor werkzaam geweest bij een hoornverwerkende industrie, ook in Aalten, geleid door B.G. Vaags. Daar werden voornamelijk Duitse pijpen gemaakt, waarvoor de massieve punten van Indische runderhoorns als grondstof dienden.
Naarmate dit soort pijpen geleidelijk aan verdrongen werd door houten pijpen en er bovendien in bepaalde kringen al sigaren werden gerookt, zochten Ten Dam en Manschot (de heer Vaags was inmiddels overleden) naar een andere activiteit. Ten Dam geloofde dat er goede kansen lagen voor een haarkammenfabriek in Nederland.
D’n Kamstoom
In 1868 begon Ten Dam met een werkplaats in zijn huis aan de Kerkstraat. Al snel bleek deze werkplaats ontoereikend. In 1871 richtten Ten Dam en zijn zwager Manschot een nieuwe fabriek op aan de Damstraat in Aalten, uitgerust met een stoommachine, waardoor de productie kon worden opgeschaald.
De zaken werden meteen flink aangepakt. Er werd een Duitse werkmeester aangesteld, machines werden aangeschaft en weldra was er sprake van grootschalige productie van een artikel dat vrijwel ieder mens dagelijks gebruikte. In de beginjaren werkten er ook veel Duitse meisjes en mannen.
Onder de bekwame ‘kaufmannische’ leiding van Ten Dam en de hoogstaande technische leiding van Manschot ontwikkelde de fabriek zich tot een grootbedrijf, waar talloze arbeiders hun brood verdienden. Er waren jaren waarin wel tweehonderd mensen werkten in het bedrijf. Het bedrijf werd in de volksmond d’n Kamstoom genoemd.
De gezinnen Ten Dam en Manschot woonden tegenover elkaar aan de Bredevoortsestraatweg, Bram in het huis waar nu Fysiotherapie van Panhuis is gevestigd en Bernard in de witte villa er tegenover. De zoon (en opvolger) van Bram, Herman, heeft rond 1900 de woning aan de Bredevoortsestraatweg 52 laten bouwen.
Wereldspeler
Er werden in hoofdzaak (althans tot aan de Eerste Wereldoorlog) Braziliaanse buffelhoorns verwerkt. Die kwamen met de trein in Bocholt aan en werden dan met paard en wagen afgehaald. Zo ging het ook met de vervaardigde producten. Die werden met paard en wagen naar het station in Bocholt vervoerd om daarna per trein verder te worden vervoerd. Later werd aanvoer en afvoer gemakkelijker doordat de spoorlijn Winterswijk–Zutphen en Winterswijk–Zevenaar in gebruik werden genomen.
Naar alle delen van de wereld werden de kammen verzonden: Ned. Indië, Centraal Azië, Rusland, Scandinavië, Noord- en Zuid-Amerika. Ook maakte men veel (heel fijne) stofkammen (ook wel luizenkammen genoemd), die vooral aftrek vonden in Polen.
Stof en krul
Een kam onderging dertien behandelingen van hoorn tot eindproduct. Na elke behandeling vond een kwaliteitscontrole plaats, want kwaliteit stond voorop. Niet voor niets had de Aaltense Kammenfabriek zich een plaats op de wereldmarkt veroverd!
Het afval van het hoorn, het zogenaamde ‘stof en krul’, werd gebruikt als meststof voor het aardappelland. De krul werd zelfs geëxporteerd naar België als mest voor de druiventeelt. Het afvalwater van de sliepraderen stroomde via een buis en vervolgens door een goot dwars over de Stegge naar de tuin van de familie Manschot aan de overkant van de straat. Nergens stonden de groente en het fruit er zo goed bij. Op den duur kreeg de grond echter te veel stikstof, zodat men moest stoppen met deze vorm van bemesting.
Arbeidsomstandigheden
De werktijden waren van ’s morgens zes uur tot twaalf uur en ’s middags van half twee tot half zeven. ’s Morgens om acht uur werd er door de vrouwen van de arbeiders pannenkoek gebracht, die staande achter de werkbanken werd opgegeten.
De verwerking van hoorn bracht, behalve veel lawaai, ook veel stof en stank met zich mee. De horens lagen soms weken te wachten op verwerking en vooral in de zomer was de geur die daarmee gepaard ging niet aangenaam. Toch deden de fabrikanten er alles aan om de ongezonde atmosfeer te verbeteren. Zo werd de fabriek in 1904 zelfs een week gesloten om een stofafzuigsysteem te installeren.
Hoge lonen
Er werd in hoofdzaak op stukloon gewerkt, behalve de machinist-stoker en de smid, die beiden een vast loon hadden. De branders verdienden het meeste. De 13-jarige meisjes die na schooltijd in de jaren omstreeks 1900 begonnen, hadden een beginloon van 2 Mark (ca. ƒ 1,30) per week. De jongens kregen 3 Mark. Als ze wat ouder waren, kregen ze ook stukloon en konden ze 6 á 7 Mark per week verdienen. Later werd dit zelfs 10 Mark. Dit was een hoog loon, dat heel wat hoger lag dan de lonen in de textiel. De lonen werden tot vlak voor de Eerste Wereldoorlog in Marken en Grosschen uitbetaald.
Sociale regelingen
In vergelijking met andere bedrijven waren de fabrikanten hun tijd ver vooruit. Voor eventuele ziektekosten werd iedere week 6 cent van het loon ingehouden; in geval van ziekte kreeg de arbeider dan f 3,- per week uitgekeerd. Voor ernstige en langdurige zieken uit het bedrijf werd er door de families Ten Dam en Manschot voor deze mensen gekookt en de zieken werden trouw bezocht.
Bij geboorte kreeg de kraamvrouw, in de periode dat ze het bed moest houden, driemaal een goede maaltijd. De eerste bestond altijd uit de traditionele wijnsoep, waarin ook echte wijn verwerkt was. De andere bestonden o.a. uit soep, kalfsvlees, groenten en aardappelen.
De arbeiders konden van hun loon ook iets laten staan, dus al een spaarregeling. Aan het eind van het jaar kregen ze dit bedrag plus rente weer uitbetaald. Wilden ze graag een eigen huisje bouwen of kopen, dan konden ze op steun van de fabrikanten rekenen.
Er is zelfs een paar maal een winstuitkering geweest! Vermoedelijk tijdens of vlak na de Eerste Wereldoorlog. De gehuwden kregen f 200,- en de ongehuwden wat minder.
Nieuwe grondstof
Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog kwam de invoer van buitenlandse horens volledig tot stilstand. Bovendien werden ervaren arbeiders van hun posten weggeroepen vanwege de mobilisatie. Deze waren niet zo spoedig te vervangen.
De brandstoftekorten konden door de betrekkelijk grote houtrijkdom van Aalten nog ondervangen worden. De fabrikanten kochten de nog aanwezige hoornvoorraden in Europa op, waardoor ze voorlopig nog konden blijven produceren. Toch moest er op korte termijn een alternatieve grondstof worden gevonden, om de productie van lange kammen te kunnen blijven voortzetten.
Vóór de Eerste Wereldoorlog was in Duitsland galalith (melksteen) uitgevonden, een materiaal gemaakt van caseïne, een bestanddeel van koemelk. Gedurende de oorlog moest de productie hiervan in Duitsland worden gestaakt omdat melk nodig was voor andere doeleinden. De fabriek van Ten Dam ging daarom zelf experimenteren en ontwikkelde een materiaal dat qua sterkte en elasticiteit niet onderdeed voor het origineel. Dit product werd geregistreerd onder de naam ‘Lactiet’ (melkivoor) en de kammenproductie was hiermee weer verzekerd.
Sluiting
De Eerste Wereldoorlog had een zware impact op het bedrijf. Desondanks deden de fabrikanten hun uiterste best om hun arbeiders aan het werk te houden. Echter, de exportmogelijkheden werden ongunstiger en er ontstond sterke concurrentie van fabrieken in Tsjecho-Slowakije. De personeelssterkte daalde tot slechts een derde van wat het ooit was, maar het bedrijf had tenminste kunnen doorwerken.
In 1932 werd besloten om het bedrijf te sluiten, waarmee voorgoed een eind kwam aan een unieke Aaltense industrie. De inventaris werd verkocht en de bedrijfsruimte werd verhuurd aan Elsinghorst Fornuizenfabriek te Bocholt.
In 1945 werden ook de gebouwen verkocht aan de NV van Katwijks Papier- en Cartonverwerkende Industrieën, kortweg ‘Spinkat’, fabrikant van spinhulzen voor de textielindustrie. Spinkat werd later TPT en nog later Sonoco. Nadat Sonoco naar het industrieterrein was verhuisd (Vierde Broekdijk 2), verrezen er op dit voormalige bedrijfsterrein woningen en appartementen (Damstraat en Manschotplein).
Op de splitsing van de Bredevoortsestraatweg en Haartsestraat, waar vroeger bloemenmagazijn ‘Flora’ stond en tegenwoordig ‘Effen Anders bloembinderij’ gevestigd is, bevond zich ooit het ‘Stiemenshuus’. Blijkens een haardplaat dateerde het Stiemenshuus uit het jaar 1687.
Het huis werd niet altijd Stiemenshuus genoemd. Oorspronkelijk stond het bekend als het Manschotshuus, later als Penningshuus en daarna als Stiemenshuus.
De eerste bekende bewoners waren de familie Manschot, smeden en landbouwers van vader op zoon. De laatste Manschot die in het huis woonde was smid Hendrikus Manschot. De in Utrecht geboren vrederechter Joseph Gerard van der Schaaf woonde erbij in. Na het overlijden van Hendrikus Manschot bleef zijn weduwe, Anna Maria Martens, in het huis wonen tot ook zij in 1834 overleed.
Na haar dood verkochten de erfgenamen het huis aan Christiaan Apollos Penning (1794-1873) uit Zutphen. Penning was in 1817 getrouwd met de Aaltense Johanna Berendina van Herwaarden, dochter van koperslager Jacobus van Herwaarden uit de Peperstraat. Penning werd benoemd tot Rijksontvanger der belastingen in Aalten en hij en zijn vrouw vestigden zich in het Manschotshuis.
Na het overlijden van Christiaan Apollos Penning in 1873, en vijf jaar later van zijn vrouw, kreeg het huis, dat inmiddels bekendstond als het Penningshuus, nieuwe bewoners: Hendrik Stiemens (1842-1929) en zijn vrouw Christina Penning (1837-1920), de jongste dochter van Christiaan Apollos Penning. Onder hun bewoning kreeg het huis de naam Stiemenshuus.
Puttegang
Achter het huis liep een gängeske, dat bekend stond als de ‘Puttegang’, waar ook het Smidshuisje en de Oorman als kleine kamertjes waren aangebouwd. In de Oorman gaf juffrouw Penning pianoles.
Verkoop en sloop
Kort voor zijn dood verkocht Hendrik Stiemens het huis, maar hij bleef er wonen tot zijn overlijden in 1929. In 1954 kocht Johan Wikkerink het vervallen Stiemenshuus en liet het afbreken om er zijn bloemenwinkel ‘Flora’ en woonhuis te bouwen. De nieuwe winkel opende in november 1955.
Tijdens de bouwwerkzaamheden werd een mooie Romeinse pot opgegraven, die nog steeds in het bezit is van de familie Wikkerink. De magnoliaboom die in de voortuin van het oude Stiemenshuus stond, werd verplaatst naar het plein voor de Magnoliaschool.
Archieven
Liberale Gifte 1748
Eigenaren
Overzicht is niet volledig.
Jaar
Perceel
Eigenaar
Omschrijving
1832
I-1101
wed. Hendrik Manschot, landbouwer
290 m² huis & erf
1837
I-3017
Christiaan Apollos Penning, ontvanger
290 m² huis & erf
1871
I-3017
Derk Willem Koskamp, landbouwer
252 m² huis, erf
1922
I-3017
Hendrik Stiemens, zaakwaarnemer
252 m² huis, erf
1930
I-3017
Gerrit Jan Wevers
252 m² huis, erf
1957
I-8061
Johannes Theodorus Wikkerink, bloemist
233 m² winkelhuis, erf
Bewoners
Eerst bekende bewoners:
Herman Manschot, weduwnaar van Enneken Brussen trouwt op 24-06-1666 in Aalten met Jenneken Navis, d.v. Jan Navis in Lintelo
Volgende bewoners:
Hendrik Manschot (Aalten, ged. 27-05-1667) trouwt op 22-04-1694 in Aalten met Jenneken te Lindert (Aalten, ca. 1670)
Volgende bewoners:
Hendrik Manschot (Aalten, ged. 14-08-1698) trouwt op 16-03-1727 in Aalten met Aaltje Welpshof (Aalten, ged. 04-02-1703)
Volgende bewoners:
Hendrikus Manschot (Aalten, ged. 15-12-1743) trouwt op 11-10-1772 in Aalten met Anna Maria Martens (Aalten, ged. 10-02-1754)
Kadaster 1832Fragment kadastrale kaart, 1871 (perceel I-3017)Stiemenshuus met oormanDe zogenoemde ‘Puttegang’, achter het StiemenshuusHet Stiemenshuus, geschilderd door Piet te Lintum (foto van Ron Kuiperij)Nieuw Amsterdamsch Handels- en Effectenblad, 16 mei 1863
De Joodse begraafplaats van Aalten, gelegen aan de Haartsestraat, heeft een rijke geschiedenis die teruggaat tot het begin van de 19e eeuw. Hoewel het terrein in 1852 officieel eigendom werd van de Joodse gemeenschap, zijn er aanwijzingen dat de begraafplaats al vanaf circa 1820 in gebruik was.
De begraafplaats ligt in een bosrijk gebied en wordt omgeven door een stevig hekwerk. Het oudere gedeelte bestaat uit een lage en rijkbeboste heuvel met verspreide grafmonumenten. Ten oosten daarvan bevindt zich het jongere gedeelte dat wordt gekenmerkt door een orthogonale aanleg.
Op het terrein staan ongeveer zeventig grafstenen, die variëren in ouderdom en ontwerp. Bij de ingang aan de Haartsestraat staat een metaheerhuis (lijkenhuis), een ritueel gebouw dat gebruikt wordt voor de reiniging van overledenen volgens Joodse tradities.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de begraafplaats beschadigd, maar na de oorlog is deze hersteld. Ter nagedachtenis aan de Joodse kinderen uit de gemeente die tijdens de oorlog zijn gedeporteerd en omgebracht, is er een plaquette aangebracht op de gevel van het metaheerhuis.
Begin 20e eeuw raakte de Oude Begraafplaats aan de Varsseveldsestraatweg steeds meer omsloten door de oprukkende bebouwing van het dorp Aalten. Dit maakte de aanleg van een nieuwe algemene begraafplaats noodzakelijk.
In 1920 kocht de gemeente boerderij Oosterman bij ’t Walfort, met het idee om hier een nieuwe algemene begraafplaats te realiseren. Dit plan is uiteindelijk niet doorgegaan. In plaats daarvan werd een geschikt terrein aan de Romienendiek gevonden, waar in 1923 begraafplaats ‘Berkenhove’ in gebruik werd genomen.
Het oorspronkelijke gedeelte van Berkenhove ligt ingesloten tussen de Romienendiek, de Barloseweg en de Koningsweg. Door de jaren heen is de begraafplaats regelmatig uitgebreid. In 1960 werd een katholiek gedeelte toegevoegd, omdat de RK-begraafplaats aan de Piet Heinstraat vol was. De nieuwe RK begraafplaats werd ingewijd door pastoor Kerkhofs. De pastoor vond er in 1964 zelf zijn laatste rustplaats.
Het oudste deel van Berkenhove heeft een orthogonale aanleg, met grafreeksen langs een centraal pad, omgeven door een rijke beplanting van bomen en heesters. Later werd de begraafplaats uitgebreid naar de noordzijde van de Koningsweg.
Uitvaartcentrum en crematorium
Bij Berkenhove bevindt zich een modern uitvaartcentrum en crematorium, beheerd door GUV. Sinds 2015 werd naast de begraafplaats een strooiveld ingericht, genaamd ‘De Akker’, dat ruimte biedt voor de verstrooiing van as, urnengraven en een urnenmuur.
Oorlogsslachtoffers
Een blijvende herinnering aan hun offer voor onze herkregen vrijheid zijn de 18 uniforme grafstenen op deze begraafplaats voor vijf Britse vliegers die in IJzerlo zijn neergestort en 12 Britse militairen van de grondtroepen die sneuvelden bij de bevrijding van Aalten in april 1945. Bij de graven van de Britse oorlogsslachtoffers bevindt zich ook het graf van verzetsstrijder Cornelis (Kees) Ruizendaal.
Daarnaast zijn er op Berkenhove nog tientallen andere graven van oorlogsslachtoffers te vinden. Veel van deze graven zijn als zodanig gemarkeerd.
Aan het Nannielaantje, op het voormalige landgoed ’t Smees, ligt een bijzondere grafheuvel. Het landgoed was ooit eigendom van Christiaan Caspar Stumph en zijn vrouw Jeanne Lesturgeon. Stumph was de eerste burgemeester van Aalten, van 1811 tot 1818. Ook de gemeentesecretarie was gevestigd op het landgoed.
Stumph had als wens hier zijn laatste rustplaats te vinden. Hij ergerde zich aan wantoestanden van het begraven in of bij de kerk. In 1818, de tijd van de romantiek, regelde hij een ‘buitenbegraafplaats’ voor zichzelf en zijn verwanten.
Zijn wilsbeschikking luidde als volgt:
“Na mijn dood wens en begeer ik voor mijne evenmenschen onschadelijk te zijn. Daar ons landelijk gouvernement achterlijk blijft om – zoals in Frankrijk, Duitsland, Italie en elders – begravingen binnen de kerken en op kerkhoven binnen de plaatsen te doen ophouden, en naar ruime begraafplaatsen naar buiten te verwijzen, zo heb ik (…) doen vervaardigen in een der Smeesweiden, en wel die tegen Smees Hoflanden. Dit plekje grond, mijn eigendom, wil en begeer ik, dat na mijn overlijden als een heiligdom wordt gerespecteerd en geerbiedigd.”
Begravenen
Op de buitenbegraafplaats werd op 28 juli 1818, ’s morgens om 5 uur, zoon Abraham Antonij Stumph begraven. Hij was 34 jaar oud en van beroep notaris. Hij was in de Slingebeek verdronken. In de volksmond werd gezegd dat zijn dood met liefdesverdriet te maken had. Een jaar later trouwde Christiaan Caspar Stumph, 74 jaar oud, met Caatje Weversborg, 30 jaar, dochter van de pachtboer op het Smees. Acht maanden na dit huwelijk in januari 1820 werd ook Stumph zelf volgens zijn wilsbeschikking op het Smees begraven.
Vervolgens begroef men op deze plek in het weiland: vriend en VOC-kapitein Johan Christiaan Rost met zijn echtgenote (een Bredevoortse Stumphdochter), hun dochtertje en twee kleinzoons. De laatst bekende eigenaar van de heuvel overleed in 1913. De gemeente Aalten heeft Stichting Vrijwillig Landschapsbeheer Achterhoek bereid gevonden het onderhoud van de grafheuvel te verzorgen.
Voor een overzicht van de personen die in de grafheuvel begraven liggen, kijk op Findagrave.
De Aaltensche Courant schreef op 1 juni 1948:
De geschiedenis van de oude grafheuvel aan het Nannielaantje te Aalten
Wanneer we vanaf de Haartsestraat het „Nannielaantje (bij de oudere ingezetenen van Aalten beter bekend als „Smeeslaantje”) inwandelen en het smalle bruggetje gepasseerd zijn, zien we links, ongeveer tegenover de bank van „Aalten’s Belang” in de weide een vierkante heuvel, begroeid met enige zware eiken en omringd door sloten, welke langzamerhand haast met de omringende grond gelijk gemaakt zijn.
De meeste Aaltenaren zullen niet weten wat het feitelijk voor een vierkante heuvel is en maar weinigen is het bekend, dat het een oude grafheuvel is, zonder er verder bijzonderheden van te kennen.
Toen we toevallig dezer dagen de „Stichtingsakte” van deze begraafplaats onder de ogen kregen, leek het ons wel interessant onze lezers hierover het één en ander mede te delen, want inderdaad is de bekende „bulte” in het Nannielaantje een begraafplaats.
Een vroegere burgemeester van Aalten, C. C. Stumph, was het er n.l. helemaal niet mee eens, dat er nog steeds in en om de kerken begraven werd, en zo maakte hij voor zich zelf in de „Smeesweiden” een eigen begraafplaats. In de „Stichtingsacte”, gedateerd 2 Mei 1818 staat een en ander nauwkeurig omschreven. Het onderhoud van deze begraafplaats werd geregeld en de beloning hiervoor vastgesteld.
Het zou te veel plaatsruimte vragen deze „Stichtingsacte” in haar geheel op te nemen. We laten daarom enkele passages hier volgen :
„Na mijn dood wensch en begeer ik voor mijne evenmenschen onschadelijk te zijn. Dan, daar ons Landelijk Gouvernement agterlijk blijft, om, gelijk in Duitsland, Vrankrijk, Italien en elders de begravingen binnen de Kerken en op Kerkhoven binnen de plaatzen te doen ophouden en naar ruimere begraafplaatsen naar buiten te verwijzen: zo hebbe ik, ten einde mijn stoffelijk overschot ongestoord aan de Aarde kan worden toevertrouwd! en mijne Beenderen in Vrede mogen rusten, voor mij zelve, reeds sinds enige Jaeren, ene Buitenbegraafplaats in een der Smeesweiden en wel in die tegens Smees Hoflanden, doen vervaardigen.
Dit plekje grond, mijn eigendom, wil en begeere ik, dat na mijn overlijden, in zekeren opzigte, door wien ook, ’t zij mijn Erfgenaam of Erfgenamen, of regtverkrijgende, als een Heiligdom zal worden gerespecteert en geëerbiedigt! Verklarende hetzelve bij dezen voor altoos inalienabel en onvervreemdbaar.
En teneinde die Begraafplaats, in die order zo die thans is, of bij mijn overlijden zijn zal in vervolg van tijd voortdurende jaarlijks worde onderhouden, zo atacheer en verbinde ik daaraan (voor en ter goedmaking der kosten van dat onderhoud) dien dach grasmaayens grond, waarin hetzelve gelegen is.
Met welker onderhoud en in orde houding na mijn overlijden, de bewoners of bewoners van ’t op Smees staande woonhuis, zullen zijn en blijven belast ! die ook daarvoor het jaarlijks provenu van dien Dachmaayens-grond of wel het (…), en ’t weiland beiderzijds langs de tot dien dachmaaiens-gehoorende gravens en langs de beek tegen dien grond groeyende weekhout-gewas, onontgeldelijk zal of zullen genieten; tevens met promissie om ’t gras op die Begraafplaats, en ook der daartoe en tot dien dach dachmaayens-gehoorende gravens tweemaal ’s jaars te mogen afsnijden en benuttigen echter met besparing der daar op zijnde
treurwilgen of ander struik- of blomgewassen, als een uitzondering van ’t vorenomschreven weekhout zijnde en bovendien nog het regt om twee koeijen in die weide nadat het gras zal gemaaid zijn, in het Et- of nagras, met de Beesten, door of namens den Eigenaar dier weide daarin gebragt wordende, alsmede onontgeltelijk te mogen inrijven en doen weiden”.
In het verdere deel werd de predikant der Hervormde kerk met het toezicht belast. „Wordende de Predikant of Predikanten der Hervormde Gemeente van Aalten in der tijd uitgenoodigt en dringende verzogt, zig wel met het Oppertoezigt te willen belasten ! Verlenende ten dien einde daaraan de faculteit, om, in val van geen behoorlijk onderhoud en toezigt: zonder enigerhande ruggespraak of kennisgeving, aan temporalen onderhouden of Toezigter die onderhouding met het daaraan en daarvoor geatacheert genot, aan een vlijtiger en meer vigileerend sujet aantevertrouwen !”
Na nog enige verdere bepalingen eindigt deze acte als volgt : „Aldus gedisponeerd en opgemaakt dezen tweden Mei 1800 achttien, cirkende zijne ondertekening, was get.: C. C. Stumph.” Deze burgemeester Stumph, die een paar jaar later overleed, is echter niet de enige, die hier begraven is.
Van een der familieleden, die nog in het bezit is van de oude Bijbel en andere familiepapieren, kregen we hierover de volgende inlichtingen:
Een zuster van burgemeester Stumph, Christina Petronella, geb. in 1786, was gehuwd met een zekere Johan Christiaan Rost, geb. 15-12- 1766. (Deze Rost kwam oorspronkelijk uit Duitsland. Hij woonde op „’t Smees”, dat later verkocht werd aan de heer Slicher van Bath). Deze stierven resp. in 1827 en 1835 en werden ook beiden op „’t Smees” begraven.
Het echtpaar Rost-Stumph had 4 kinderen:
Henriette Willemina Christina Theodora, geb. 21-6-1817 (deze trouwde later met Dr. Servaas van Leuven, de vader van wijlen Dr. Adriaan van Leuven).
Willemina Johanna, geb. 11-6-1819
Louisa Benjamina
Elisa Charlotte, geb. 13.3.1823
Twee van deze kinderen, nl. Willemina Johanna en Elisa Charlotte sterven resp. in 1835 en 1826 en werden ook beiden op ’t „Smees” begraven. Dr. Servaas van Leuven had 10 kinderen. Hij woonde in het pand Bredevoortsestraat, waar nu de Volksslagerij gevestigd is. Van deze 10 kinderen stierven er twee op zeer jeugdige leeftijd en werden ook weer op „’t Smees” begraven. Dit waren:
Johannes Adrianes, geb. 23.3.1839 en overleden 6.4.1840
Karel, geb. 10.1.1861 en overleden 18.8.1862
Dit waren dus twee broertjes van Dr. Adriaan van Leuven.
Met zekerheid is dus bekend, dat op de begraafplaats „’t Smees” 7 personen begraven zijn. Naar we vernemen bestaan er plannen om deze oude grafheuvel, die nu vaak als speelplaats van de jeugd gebruikt wordt, van een omheining te voorzien.
De Landbouw Aalten werd in 1898 opgericht als de Coöperatieve Landbouw Vereniging (CLV). In het jaar van de oprichting ging het de plattelandsbevolking van Aalten slecht. Door zeer zuinig te zijn en sober te leven kon men het hoofd boven water houden. Geld was er bijna niet in omloop zodat de afzet van producten als eieren, boter en varkens plaats had door ruilen tegen kruidenierswaren, veevoer (raapkoeken en lijnzaad) en kunstmest.
De heer A.P. Slicher van Bath werd de voorzitter van de in 1878 opgerichte Onderafdeling van de Gelderse Maatschappij van Landbouw. Het doel van deze vereniging was om alles te doen wat in het belang van de ontwikkeling van de landbouw gedaan kon worden.
Oprichting
Op 22 augustus 1898 werd de Coöperatieve Landbouw Vereniging (CLV) opgericht. H. Navis werd voorzitter, Joh. Obbink secretaris en E. Scheffer penningmeester. Doel was de kracht van onderlinge samenwerking van landbouwers in Aalten en buurtschappen te bevorderen. In de nabijheid van het station Aalten bouwde men vervolgens een loods. In 1900 telde de CLV reeds 123 leden.
De periode 1903-1914 kenmerkte zich door een gestage groei en een toenemende belangstelling van de boeren. Er was sprake van groei en bloei. Er ontstonden filialen in Barlo, Haart, Lintelo (’t Halt), Lintelo (Wisselink), IJzerlo en aan de Molenstraat in Aalten (Klomps). De CLV ging per 1 januari 1964 een bedrijfsmatige samenwerking aan met de Coöperatieve & Verbruiksvereniging Varsseveld in het coöperatieve productiebedrijf AaVaCo.
Fusie
Op 12 december 1967 werd een fusie opgestart met de CLV Dinxperlo-Breedenbroek en de CLV De Volharding te Dinxperlo, waarbij de CLV Varsseveld zich aansloot met ingang van 1968. Daartoe werden de statuten van AaVaCo gewijzigd, waarbij men AaVaCo omdoopte tot de coöperatieve vereniging Verenigde Landbouw Coöperaties ‘Slingeland’. G.A. De ‘Slingeland’ vestiging te Aalten bleef als rayonkantoor.
1993
Opgeblazen
In 1995 kwam er een eind aan het ‘Landbouwtijdperk’ Aalten met het opblazen van de 35 meter hoge, betonnen silo van de Landbouw. Dit gebeurde met een springlading dynamiet. Een spectaculair gebeuren, waar half Aalten voor uitliep. Omdat er woningen in de omgeving van de Landbouw stonden moest men voorzichtig zijn, anders zouden de ruiten van deze woningen sneuvelen.
Het opblazen van de silo verliep niet geheel volgens plan. Het Landbouwcomplex gaf zich niet snel gewonnen. Uiteindelijk werd het met machines gesloopt en verrees hier jaren later de nieuwbouw van Christelijk College Schaersvoorde, locatie Stationsplein.
1995
Eigenaren
Overzicht is niet volledig.
Jaar
Perceel
Eigenaar
Omschrijving
1903
I-4948 I-4949
Coöp. Landbouw Vereeniging te Aalten
810 m² bergplaats, pakhuis, bouwland & erf 2.390 m² huis, pakhuis & erf
Aan het begin van de twintigste eeuw groeide de behoefte aan een moderne energievoorziening in Nederland. Tot dan toe waren veel huishoudens en bedrijven afhankelijk van olie- en petroleumlampen voor verlichting en van hout of steenkool voor verwarming en koken. Gasverlichting werd gezien als een grote vooruitgang.
Net als in veel andere plaatsen besloot men in Aalten daarom een gasfabriek te bouwen, waarmee huishoudens, bedrijven en straatverlichting van gas konden worden voorzien. De komst van de fabriek betekende een belangrijke stap in de modernisering van de lokale infrastructuur, maar bracht ook de nodige uitdagingen met zich mee.
Het productieproces
In 1905 werd besloten tot de bouw van een ‘steenkolen-gasfabriek’ in Aalten. Twee jaar later, in 1907, werd deze in gebruik genomen. De fabriek produceerde gas door middel van droge destillatie van steenkool. Dit proces hield in dat steenkool werd verhit in afwezigheid van zuurstof, waardoor gas vrijkwam dat kon worden opgevangen voor distributie.
Het ruwe gas bevatte diverse onzuiverheden, zoals teer, ammoniak en zwavelverbindingen. Deze werden verwijderd via condensatie en chemische zuivering. Het gezuiverde gas werd vervolgens opgeslagen in een grote gashouder en via een netwerk van ondergrondse leidingen naar woningen en bedrijven geleid, waar het werd gebruikt voor verlichting, koken en verwarming.
Aanleg van het gasnet
De aanleg van het gasnet bracht echter de nodige overlast met zich mee. Voor de plaatsing van de leidingen moesten de straten regelmatig worden opengebroken, wat leidde tot veel klachten van inwoners.
Tot eind 1908 klaagde men over de slechte toestand van de wegen en het ongemak dat de werkzaamheden veroorzaakten. Toch werd het gebruik van gas al snel steeds populairder, en groeide de gasfabriek uit tot een belangrijke voorziening binnen de gemeente.
In 1919 nam de gemeente Aalten de gasfabriek over voor een bedrag van ƒ 115.000, plus ƒ 29.602,87 voor de infrastructuur, zoals leidingen en gasmeters.
Gaspenningen
Tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw hadden sommige huishoudens een gasmeter die werkte met speciale gasmuntjes. Dit systeem, bedoeld om betalingsachterstanden te voorkomen, werd ook in Winterswijk gebruikt. De Aaltense gaspenning was een zinken muntje met een waarde van 10 cent. Was het gas op, dan moest men weer een nieuw muntje in de meter stoppen.
Met de komst van de geiser raakte dit systeem in onbruik. De waakvlam van deze apparaten moest continu branden, en dat was niet toegestaan in combinatie met een muntmeter. Rond 1955-1958 verdwenen de gaspenningen volledig, mede door de invoering van het landelijke aardgasnet.
Het einde van de gasfabriek
De ontdekking van de aardgasbel in Slochteren betekende het einde van de lokale gasfabrieken, waaronder die in Aalten. Het gebouw kreeg daarna verschillende tijdelijke functies, zoals een technische school en later een meubelfabriek (Fa. Hervo), tot het pand in 1964 door brand werd verwoest.
Na de sluiting bleek de bodem ernstig vervuild met gevaarlijke stoffen zoals zwavel en cyanide. De sanering van het terrein werd pas tientallen jaren later, in 2009, volledig afgerond.
Gasfabriek Aalten met in het midden de gashouder, ca. 1920Fragment kadastrale kaart, 1908Het Vaderland, 16 augustus 1904Aaltensche Courant, 19 december 1906 (Ormelstraat 382a)Zutphensche Courant, 26 juni 1907Nieuwe Winterswijksche Courant, 7 augustus 1964
Het Luutenshuus was een dorpsboerderij daterend uit 1680, op de hoek Haartsestraat-Polstraat in Aalten. Het werd in 1963 afgebroken.
Het was een zeer markant pand, met z’n grote dubbele deur, houten voorgevel, z’n stoep van kleine veldkeitjes en de oude lindeboom. Op de toogbalk boven de ‘enddeure’ van de boerderij stond de tekst: “O Godt laet ons beerven een eerlick leven en een salich sterven Anno 1680 den 11 juni 8“. De toogbalk is voor het nageslacht bewaard gebleven en is te vinden in de Freriksschure, nu onderdeel van het Nationaal Onderduikmuseum aan de Markt in Aalten.
Het Luutenshuus werd, samen met nog vier andere woningen, in 1963 afgebroken om de Haartsestraat te kunnen verbreden en Polstraat recht door te trekken richting Bredevoortsestraatweg. Op het vrijkomende terrein werd in 1965 Garage Langwerden gebouwd.
Sloop
In een krantenbericht uit het begin van de jaren 1960 lezen we het volgende:
Oude Aaltense plekjes gaan verdwijnen. “Luitenhuis wordt afgebroken”
… Een belangrijke verkeersverbetering kan in Aalten op het kruispunt Prinsenstraat-Haartsestraat tot stand komen nu het erg in de weg staande pakhuis bij cafe Prins-schiller is verdwenen. De Haartsestraat zal nu verbeterd worden, en er zal meteen een oplossing worden gezocht voor een ander probleem, de aansluiting op de Haartsestraat vanaf de Polstraat, waar ook de Ormelstraat op hetzelfde punt op de Haartsestraat aansluit. De Polstraat zal nu verlegd worden. Voor de daartoe benodigde grondaan- en verkopen heeft inmiddels de gemeenteraad toestemming gegeven.
Het resultaat zal zijn dat de Polstraat zal worden verlegd, en dat het op de hoek van de Haatsestraat-Polstraat staande oude boerderijtje, het zogenaamde ‘Luitenshuis’ zal verdwijnen. Hiertoe is besloten nadat monumentenzorg een rapport over dit boerderijtje was opgemaakt, waarin duidelijk werd gesteld dat er zoveel aan dit gebouw is veranderd dat het op de achtergevel na geen enkele historische waarde meer heeft. Monumentenzorg heeft dan ook de raad gegeven tot afbraak over te gaan daar herstel in de oude toestand bijna ondoenlijk is en geweldige bedragen zal gaan kosten.
Als begin 1963 met de vernieuwing van de Haartsestraat zal worden begonnen zal ook op dit punt Aalten een geheel nieuw gezicht krijgen.
Eigenaren
Overzicht is niet volledig.
Jaar
Perceel
Eigenaar
Omschrijving
1832
I-173
Gerrit Hendrik Smalbraak
220 m² huis & erf
1860
I-2603
Jan Steven Schaars Prins, Rijks-Veldwachter
290 m² huis & erf
1895
I-2603
Johanna Elisabeth Prins
290 m² huis & erf
1898
I-2603
Gerrit Jan Luiten, timmerman
290 m² huis & erf
Bewoners
In de jaren dertig van de vorige eeuw heeft de heer Stoltenborg er gewoond en vandaar uit handel gedreven op Duitsland. Dat deed hij met paard en wagen. Hij handelde in groente en fruit. Nadat hij verhuisd was naar de Bodendijk 36 is het pand nog bewoond geweest door verschillende families, onder andere aan de linkerzijde door de familie Horn, die in de jaren vijftig naar Canada is geëmigreerd.
Eerst bekende bewoners:
Jan Lui(j)ten / Lutten (Aalten 15-07-1708 – Aalten 08-02-1793), trouwt op 20-05-1735 in Aalten met Henderske(n) Schurink / Schuijring (Aalten 26-01-1710 – Aalten 11-04-1789)
Luutenshuus, aquarel door Piet te LintumLocatie Luutenshuus – bron: hisgis.nlFragment kadastrale kaart, 1966 (oude + nieuwe situatie)De toogbalk boven de ‘enddeure’Tubantia, 3 maart 1956Dagblad Tubantia, 6 augustus 1963
Deze forse vrijstaande villa genaamd „de Hoekskamp‟ ligt aan de zuidelijke zijde van de Hofstraat, prominent op de zuidwestelijke hoek met de Polstraat.
Het pand is in 1931 gebouwd naar een ontwerp van de regionaal zeer bekende architect J.J. Post uit Winterswijk in opdracht van textielfabrikant Clemens V.M.J. Driessen, directeur van de naastgelegen textielweverij. Later woonden er in deze villa o.a. tandarts Van Ewijk en huisarts Wielink.
De villa valt op door zijn forse bouwmassa met in elkaar geschoven bouwdelen en de hoge kap. Hoewel de ramen zijn vernieuwd, is de indeling van de gevels ongewijzigd gebleven. De karakteristieke uitstraling van deze beeldbepalende Interbellum villa is dan ook goed behouden gebleven. De hoeksituering en ligging direct naast de voormalige textielfabriek van Herman Driessen en Zn en tegenover de markante middenstandswoningen Hofstraat 15-17 en 19-21 versterken deze uitstraling.
Deze directeursvilla is gebouwd in 1893-1894 door textielfabrikant Herman Driessen, gelijktijdig met de voormalige naastgelegen stoomweverij. De statige villa heeft later nog jarenlang dienst gedaan als gezinsvervangend tehuis van Estinea. Achter het huis lag ooit de waarschijnlijk eerste tennisbaan van Aalten.
De villa is opgetrokken in neo-renaissancistische stijl en telt op de eerste en tweede verdieping 10 slaapkamers. Het is een rijksmonument en kent nog vele monumentale detailleringen, waaronder een zeer fraai trappenhuis met originele tegels in Jugendstil-motief en diverse originele glas-in-lood ramen. Het karakteristieke pand is tegenwoordig in particuliere handen en wordt momenteel gerestaureerd.
In 2015 schreef Jalf Flach aan Old Aalten:
“Recent vond ik een tekst terug die ik 25 jaar geleden schreef n.a.v. een interview met Mevr. Bella Driessen. In 1893 heette de Hofstraat nog Het Blik en in dat jaar verrezen daar een stoomweverij en een woonhuis dat de volgende 75 jaar door leden van de familie Driessen zou worden bewoond. Pas in 1953 kreeg het huis de naam ‘Beukenhof’ van één der bewoonsters. Maar toen had het huis al een bewogen historie achter de rug.
Bella Driessen bewoonde het huis vanaf haar prille jeugd tot aan 1969, toen de fabriek sloot en het huis in andere handen over ging. Dat is dus ruim 60 jaar. In die tijd was de Beukenhof een echte patriciërswoning zoals uit de interieurfoto blijkt die ik van haar mocht lenen. In later jaren bewoonde zij het huisje dat aan het grote gebouw gebouwd was en dat tot haar verdriet in 1976 gesloopt werd, toen het huis tot een gezinsvervangend tehuis werd verbouwd. Daarmee kwam een eind aan wat in de volksmond oneerbiedig de ‘puist van Bella’ werd genoemd.
Boeiend waren de verhalen van mevr. Driessen over de oorlogsjaren. In het trappenhuis waren een paar prachtige glas-in-lood vensters. Eén stelde de stuw op het Smees voor en de andere de kathedraal van Malmédy waarvandaan haar moeder afkomstig was. Nadat eerst al eens een Duitse soldaat er doorheen geschoten had omdat er in strijd met verduisteringsvoorschriften gehandeld werd, moesten ze er bij een bombardement op Aalten helemaal aan geloven. De rest van de oorlog waren er planken voor gespijkerd en zochten de bewoners, ingekwartierde Duitse soldaten en evacués, hun weg in het duister.
Na de oorlog werden er weer eenvoudiger glas-in-lood vensters aangebracht die nu nog in het trappenhuis in Jugendstil prijken en samen met de fraaie tegels en smeedijzeren trapleuningen het pand een geheel eigen karakter geven.”
Trappenhuis (foto aangeleverd door Jalf Flach)Eetkamer (foto aangeleverd door Jalf Flach)1920. De familie Driessen speelt een partijtje tennis op de waarschijnlijk eerste tennisbaan in Aalten, achter de Beukenhof. (foto uit “De Slinge(r)bal. 1946-1996. 50 jaar tennisvereniging Altec”)
Het oude café Vultink, met rechts de rijwielhandel van Schaapveld
Het oude Café Vultink aan Plein Zuid, dat tot 1955 Dijkstraat heette, werd tijdens de Bevrijding in 1945 door brand verwoest. Na de Tweede Wereldoorlog werd hier Hotel Vultink gebouwd. Eind jaren ’70 werd het hotel omgevormd tot een Chinees-Indisch restaurant. In 2013 brandde ook dit pand af; tegenwoordig staan er op deze locatie een woning en een kantoorpand.
In 1868 kocht borstelmaker Bernardus Vultink een stuk bouwland aan de Dijkstraat van horlogemaker Wessel te Gussinklo. In 1879 verkocht Bernardus het land aan zijn broer, Franciscus Vultink (1828-1903), eveneens borstelmaker. Franciscus bouwde hier een huis, waar hij met zijn vrouw en zes kinderen ging wonen.
Café Vultink
Rond 1900 besloot Franciscus van beroep te veranderen en werd herbergier. Hij liet een aanbouw aan zijn huis zetten en opende hier zijn café. Na het overlijden van Franciscus in 1903 zette zijn zoon, Johannes Bernadus Vultink (1869-1917), de zaak voort.
In 1910 werd een tramlijn geopend tussen Lichtenvoorde en Bocholt. Deze lijn liep langs café Vultink, met een halte recht voor de deur.
Na het overlijden van Johannes Bernadus in 1917 werd de zaak voortgezet door zijn zoon Franciscus Hendrikus (Frans) Vultink (1908-2002). Zijn zoon Hans zou later internationale bekendheid verwerven als biljarter.
Het café van Vultink was een ouderwets gezellige kroeg waar je de laatste dorpsroddels kon horen. Die werden onder het genot van een pilsje of een borrel uitvoerig besproken.
Bevrijding en brand
Op 30 maart 1945, Goede Vrijdag, werd Aalten bevrijd door de geallieerden. Ter verdediging tegen de oprukkende troepen hadden de Duitsers landmijnen geplaatst op Plein Zuid, dat destijds nog Dijkstraat heette. Toen een Engelse tank op een van deze mijnen reed, volgde een explosie waarbij café Vultink vlam vatte en volledig afbrandde. De familie Vultink was op dat moment geëvacueerd naar een nabijgelegen boerderij en bleef ongedeerd.
Bondshotel en restaurant
Na de oorlog bouwde Frans Vultink op dezelfde plek een hotel, een zogenaamd Bondshotel. Bondshotels boden betaalbare accommodatie voor ANWB-leden en lagen vaak op gunstige locaties voor toeristen, zoals langs fietsroutes of bij stations. Het was tevens een café-restaurant.
Eind jaren ’70 werd het hotel omgevormd tot een Chinees-Indisch restaurant, eerst onder de naam Azië en later Nederchina. Omstreeks 2011 sloot het restaurant definitief zijn deuren.
Opnieuw brand en nieuwbouw
Op maandagochtend 1 april 2013 brandde het inmiddels leegstaande pand volledig uit. Tegenwoordig bevinden zich op deze plek een woning en een kantoorpand, met huisnummers 14 en 14a.
Eigenaren
Overzicht is niet volledig.
Jaar
Perceel
Eigenaar
Omschrijving
1868
I-2058
Wessel te Gussinklo, horlogiemaker
3.144 m² bouwland
1878
I-2058
Bernardus Vultink, borstelmaker
3.144 m² bouwland
1879
I-3492
Franciscus Vultink e.c., borstelmaker
180 m² huis & erf
1885
I-3962
Franciscus Vultink e.c., borstelmaker
180 m² huis, schuur & erf
1902
I-4901
Franciscus Vultink e.c., kastelein
3.178 m² huis, locaal & erf
1934
I-6572
Johannes Bernardus Vultink, kastelein
6.720 m² huis, schuur, erf
1957
I-7006
Franciscus Hendrikus Vultink, caféhouder
3.712 m² huis, wld., noodapotheek, hotel, garage, tuin, golfbaan, kantine
Fragment kadastrale kaart uit 1957, met de contouren van het oude café en het nieuwe hotel van VultinkJ.B. Vultink, café-restaurant ‘De Lindeboom’, tramhalte, met grenswacht1913 (coll. EHDC)Uitstapje Centralverband Chr. Textil-Arbeiter – Aaltensche Courant, 20 mei 1914Aaltensche Courant, 18 februari 1936Het Binnenhof, 3 mei 1952
Aan de Dijkstraat in Aalten, op de hoek met de Stationsstraat, staat het voormalige hotel De Kroon. Het pand werd in 1911 gebouwd als café met woonhuis, naar ontwerp van de Aaltense architect Jan Brill. Het gebouw is uitgevoerd in overgangsarchitectuur met kenmerkende decoratieve elementen. Ondanks latere uitbreidingen en vernieuwde vensters heeft het pand zijn oorspronkelijke karakter grotendeels behouden.
Voordat Hotel De Kroon werd gebouwd, stond op deze plek het café van Lelivelt. In die tijd reisden bezoekers veelal met paard en wagen; de paarden werden bij het café vastgezet en verzorgd. Ook reizigers per trein wisten de locatie te vinden: het station van Aalten lag slechts enkele tientallen meters verderop.
Tegelijkertijd met het gereedkomen van Hotel De Kroon deed ook de stoomtram zijn intrede in het dorp. De Gelders Westfaalsche Stoomtram Maatschappij verzorgde de tramlijndienst Bocholt – Aalten – Bredevoort – Lichtenvoorde. Het hotel was daardoor goed bereikbaar per trein én per tram.
Oorlogsjaren
In de oorlogsjaren had Hotel De Kroon geen beste naam. In juli 1941 opende hier het derde Moederhuis van Gelderland, een initiatief van de Nederlandsche Volksdienst (NVD), een onderafdeling van de NSB. In het Moederhuis verbleven vrouwen uit grote gezinnen die lichamelijk en geestelijk uitgeput waren. Zij konden hier drie weken herstellen, onder meer in de tuin achter het hotel, voordat zij terugkeerden naar huis.
Na de oorlog
Bij Hotel De Kroon lagen destijds ook de tennisbanen van de Aaltense tennisvereniging Altec, die later zijn verdwenen. In de loop der jaren verloor het gebouw zijn hotelfunctie. Tegenwoordig (2025) is het pand in gebruik als afhaalchinees en pizzeria.
Rusthuis Avondvrede aan de Hogestraat werd in 1885 geopend als ‘Oude Mannen- en Vrouwenhuis’ van de hervormde gemeente in Aalten. Het gebouw kende in de loop der tijd verschillende functies: bejaardentehuis, tijdelijk ziekenhuis en later gezinsvervangend tehuis. Tegenwoordig is het pand in gebruik als woonlocatie van zorgaanbieder Estinea.
Het tehuis werd in oktober 1885 geopend en was deels ingericht als boerderij. Bewoners die daartoe in staat waren, werkten op de bijbehorende landerijen om in hun onderhoud te voorzien. Tot 1904 beheerde de hervormde gemeente ook een Gasthuis / Armenhuis aan de toenmalige Gasthuisstraat (nu Haartsestraat). De bewoners daarvan verhuisden in dat jaar naar het rusthuis aan de Hogestraat.
Ziekenhuis
In 1904 werd de Nederlands Hervormde Vereniging voor Ziekenverpleging opgericht. Deze vereniging nam enkele jaren later het initiatief om een ziekenhuis onder te brengen in het rusthuis. Het ziekenhuis werd in de loop van 1909 geopend. Het was bestemd voor patiënten met niet-besmettelijke ziekten, met name acute aandoeningen. De verplegingskosten varieerden van f 0,80 tot f 1,50 per dag.
In het eerste jaar werden er twaalf patiënten opgenomen, waarvan er vier overleden, samen 166 verpleegdagen. In 1910 waren er acht patiënten met 222 verpleegdagen, in 1911 zeven patiënten met 343 verpleegdagen. Het aantal patiënten nam in de volgende jaren af en het aantal verpleegdagen werd aanzienlijk minder. In 1912 slechts 59 verpleegdagen. Het jaar 1915 telde nog 134 verpleegdagen en 1916 slechts 35 met twee patiënten. Van de tijd daarna ontbreken de gegevens.
Begin jaren dertig werden opnieuw plannen gemaakt om een ziekenhuis in het rusthuis onder te brengen, maar de crisisjaren maakten verdere uitvoering moeilijk. Tijdens de Tweede Wereldoorlog fungeerde het gebouw een periode als noodziekenhuis.
Van Avondvrede naar ’t Hoge Veld
In 1935 werd het gebouw verbouwd en gemoderniseerd en kreeg het de naam ‘Avondvrede’. In 1967 richtten de hervormde gemeenten van Aalten, Bredevoort en Lichtenvoorde gezamenlijk de Hervormde Stichting Bejaardencentrum Aalten op, later omgedoopt tot Stichting Bejaardencentrum ’t Hoge Veld. De laatste bewoners van Avondvrede verhuisden in 1970 naar het nieuwgebouwde bejaardencentrum ’t Hoge Veld in Aalten.
Cederhof
Na het vertrek van de oudjes kreeg het pand een nieuwe bestemming. Op 2 november 1970 werd het officieel geopend als gezinsvervangend tehuis onder de naam Cederhof, de eerste woonvoorziening in Aalten voor mensen met een verstandelijke beperking. Het gebouw wordt tegenwoordig gebruikt als woonlocatie van zorgaanbieder Estinea.
Advertentie voor ‘Huize Avondvrede’, door Piet te LintumAaltensche Courant, 11 juli 1916De Graafschapper, 8 december 1937Bewoners Huize Avondvrede, 1967
Gebouw Irene was een voormalige hervormde ‘School met den Bijbel’ en later verenigingsgebouw aan de Hogestraat in Aalten. Het werd gebouwd in 1884 en afgebroken omstreeks 1980.
Verenigingsgebouw Irene was een begrip in Aalten en vele oudere inwoners koesteren er nog warme herinneringen aan. Het gebouw dateerde uit 1884 en was oorspronkelijk opgericht als hervormde school, op initiatief van Ds. Gangel. Toen de school omstreeks 1935 verhuisde naar de nieuwe Wilhelminaschool in de Stationsstraat, kwam het gebouw beschikbaar voor de ‘Vereeniging tot Stichting en Instandhouding voor Chr. Belangen Irene’ te Aalten.
Tivoli
In de oorlogsjaren moest de naam ‘Irene’ op last van de Duitse bezetter worden veranderd. Er mocht niets naar het Koninklijk Huis worden vernoemd. Het gebouw werd tijdelijk ‘Tivoli’ genoemd. In het gebouw werden na de oorlog uitvoeringen gegeven van christelijke muziek-, toneel- en gymnastiekverenigingen. Eind 1945 werden in gebouw Irene de Aaltense NSB’ers, na een optocht door Aalten, opgesloten.
Sloop
Gebouw Irene werd gesloopt rond 1980, nadat activiteitencentrum De Pol in gebruik werd genomen. Het terrein achter het gebouw werd, vanwege het aanzienlijke hoogteverschil met de oostelijk gelegen Beeklaan en de noordelijk gelegen Varsseveldsestraatweg, het ‘gat van Irene’ genoemd. Tegenwoordig staan hier woningen en appartementen.
Appartementen in ‘het Gat van Irene’ (foto: Google Streetview)Fragment kadastrale kaart, 1911 (perceel I-5425)Opregte Haarlemsche Courant, 10 januari 1884Graafschapbode, 30 september 1938
De Hogere Burgerschool (HBS) aan de Slingelaan in Aalten werd geopend in 1959. De school verving het tijdelijke onderkomen aan de Haartsestraat en bood voortaan plaats aan christelijk middelbaar onderwijs in de eigen gemeente.
De HBS in Aalten bestond sinds 1955, toen de eerste leerlingen hun intrek namen in het gebouw van de voormalige Huishoudschool aan de Haartsestraat. Voor die tijd waren christelijke HBS-leerlingen aangewezen op Arnhem of Zutphen.
Bouw aan de Slingelaan
De bouwkosten van de nieuwe school bedroegen circa ƒ 1.500.000. Een bijzonderheid was destijds dat de school op ruim 400 betonnen palen kwam te staan. De bodem van het terrein was nogal drassig omdat de Slingebeek er had gestroomd.
Architectuur en ontwerp
Het gebouw werd ontworpen in de zogenaamde shake-handsstijl: een zakelijke, sobere bouwstijl waarin moderne materialen als beton, natuursteen en glas gecombineerd werden met traditionele gele baksteen.
De architecten waren Hendrik Geels (1903–1978) uit Arnhem en Willem Hebly (1908–1996) uit Aalten. Hebly had eerder in Aalten de Technische School aan de Ludgerstraat en de Landbouwschool aan de Lijsterbeslaan ontworpen.
Het ontwerp omvatte een middendeel van drie verdiepingen, twee bijna haaks geplaatste vleugels van twee verdiepingen en een half verdiept aangelegde zeshoekige kantine. Het geheel verrees op een ruim perceel, met fietsenstallingen langs de erfgrens.
Binnen werd veel schoonmetselwerk gebruikt en veel vloeren zijn van leisteen. Het betonskelet is deels zichtbaar en geverfd. De lokalen hebben stalen tuimelramen in houten kozijnen. Tussen de klaslokalen en de gangen zijn glazen vitrines geplaatst. Ook werden kunstwerken in mozaïek en reliëf toegevoegd, waaronder werk van tekenleraar Harry Dercksen.
Uitbreidingen volgden in 1971–1972, 1995–1996 en 2001–2002, steeds met respect voor het oorspronkelijke ontwerp.
Fusies en onderwijsvernieuwing
In 1967 fuseerde de HBS met de MULO tot de Christelijke Scholengemeenschap Aalten (CSA). Een jaar later, in 1968, trad de Mammoetwet in werking. Daarmee verdween de term HBS en werd deze vervangen door HAVO en VWO.
Schoolgebouwen uit de wederopbouwperiode in shake-handsstijl worden steeds zeldzamer. Het gebouw aan de Slingelaan is bijzonder omdat het in hoge mate authentiek is gebleven: latere verbouwingen hebben het oorspronkelijke ontwerp nauwelijks aangetast. Bovendien heeft het gebouw altijd zijn onderwijsfunctie behouden.
In 2025 adviseerde het Gelders Genootschap om het schoolgebouw aan te wijzen als gemeentelijk monument. Op 18 september 2025 sprak ook de Commissie Omgevingskwaliteit van de gemeente Aalten zich positief uit. Het is nu aan de gemeenteraad om een definitief besluit te nemen.
De Christelijke MULO in Aalten ging in 1916 van start in het zogenoemde Tackshuis en kreeg in 1918 een nieuw gebouw aan de Stationsstraat, bekend als de Breukelaarschool. De school ging in 1967 op in de Christelijke Scholengemeenschap Aalten (CSA) en ging uiteindelijk op in Schaersvoorde. Daarna kreeg het gebouw een woonbestemming.
De eerste lessen van de MULO (Meer Uitgebreid Lager Onderwijs) vonden plaats in het zogenoemde Tackshuis aan de Gasthuisstraat (nu Haartsestraat).
Het eerste hoofd van de school was Adriaan Jacobus van Oosten, van 1916 tot 1921. Toen hij met zijn gezin in Aalten arriveerde, waren er noch een schoolgebouw noch een woning beschikbaar. Het gezin werd tijdelijk ondergebracht in het doodgravershuisje bij de begraafplaats aan de Varsseveldsestraat en verhuisde kort daarna naar de bovenverdieping van het Tackshuis.
Men begon het eerste jaar met zes klassen en 36 leerlingen. Dit aantal overtrof alle verwachtingen.
Nieuwbouw aan de Stationsstraat
Al snel bleek een nieuw gebouw noodzakelijk. Aan de Stationsstraat werd voor circa 1400 gulden een terrein aangekocht van de heren Smits Sr. en Bulten, in het gebied dat men destijds ‘Het Rot‘ noemde. Hier verrees een nieuw schoolgebouw, met de voorzijde aan de Piet Heinstraat.
De school kreeg de naam Breukelaarschool, naar ds. Johannes Breukelaar, grondlegger van het christelijk onderwijs in Aalten en zoon van ds. Derk Breukelaar. In juni 1918 verrichtte ds. Breukelaar zelf de officiële opening.
Uitbreidingen en veranderingen
In 1933 werd het schoolgebouw aan de straatzijde uitgebreid met twee lokalen en een hal. Later werd het gebouw nogmaals geheel getransformeerd en gemoderniseerd. Daarbij werd de hoofdbouw aan de straatzijde voorzien van een verdieping.
Fusies en onderwijsvernieuwing
In 1967 fuseerde de MULO met de HBS tot de Christelijke Scholengemeenschap Aalten (CSA). Een jaar later, in 1968, trad de Mammoetwet in werking. Daarmee verdween de term MULO en werd deze vervangen door MAVO.
In 1993 fuseerde de CSA met de andere middelbare scholen in Aalten – de Christelijke Scholengemeenschap Langenhave en de Technische School – tot het Christelijk College Schaersvoorde. Rond 2006 verhuisde de school naar een nieuw gebouw aan de Landbouwstraat.
Herbestemming
Rond de eeuwwisseling voldeed het gebouw niet meer aan de geldende eisen. Samen met de voormalige LTS en huishoudschool werd besloten tot de bouw van een nieuwe VMBO-school aan de Landbouwstraat.
Na de oplevering van de nieuwe school – “locatie Stationsplein” – omstreeks 2006, is de hoofdbouw van het pand aan de Piet Heinstraat omgebouwd tot vier appartementen. Het oorspronkelijke deel aan de achterzijde is daarbij afgebroken en vervangen door een nieuwe achterbouw. Op het achterterrein verrees een klein woonplein dat de naam Breukelaarplein kreeg, als herinnering aan de grondlegger van het christelijk MULO-onderwijs in Aalten.
De Graafschapper, 26 september 1916De Breukelaarschool kort na de opening in 1918, met het personeel.De ‘Chr. Mulo-school’, na de eerste uitbreiding in 1933.Nieuwe Aaltensche Courant, 1 december 1933
De Christelijke Technische School aan de Polstraat in Aalten werd in 1955 officieel geopend. Het markante gebouw, ontworpen door de Aaltense architect Wim Hebly, bood Lager Technisch Onderwijs (LTS). In 2007 werd het gesloopt; op het terrein verrees in 2023/2024 een complex met 56 sociale huurwoningen.
Op 8 december 1948 vond de eerste algemene vergadering plaats van de Stichting voor Christelijk Nijverheidsonderwijs te Aalten. In september 1950 kreeg men toestemming om een technische school te beginnen.
De eerste lessen werden gegeven in de voormalige gasfabriek aan de Bredevoortsestraatweg, waar de afdelingen timmeren en machinebankwerken werden gehuisvest. Het leerlingenaantal bedroeg toen 55. Theorielessen vonden plaats in lokalen van de Christelijke MULO en de Nederlands Hervormde School.
Naar een eigen schoolgebouw
Op 19 december 1950 stelde de gemeente Aalten 4.000 m² grond aan de Polstraat beschikbaar. In 1951 werden de theorielessen ondergebracht in gebouw Irene. In 1952 keurde het ministerie van Onderwijs het schetsplan voor een nieuw schoolgebouw goed, ontworpen door Wim Hebly. De aanbesteding volgde in 1953.
De bouw startte op 5 november 1953 en omvatte onder meer twee praktijklokalen, een bouwloods, twee theorielokalen, een tekenlokaal, een hulpgymnastieklokaal annex kantine, en ruimten voor directie, leraren en administratie. De officiële opening vond plaats op 10 juni 1955.
Glas-in-loodraam
Een bijzonder element van de school waren de glas-in-loodramen, vervaardigd in 1955 door de Amsterdamse glazenier Jan Ooms (1915–1975), in nauwe samenwerking met architect Hebly. Ooms stond bekend om het gebruik van krachtige kleuren en moderne technieken.
Bij de sloop van de school in 2007 werden de ramen behouden. Na restauratie kregen ze een nieuwe plek in de centrale hal van het Christelijk College Schaersvoorde in Aalten.
Uitbreidingen
In 1956 startten de voorbereidingen voor uitbreiding van de school, toen de opleiding werd verlengd van twee naar drie jaar. Hiervoor werd een nieuw lokalenplan opgesteld. In de daaropvolgende jaren werden meer praktijk- en theorielokalen toegevoegd.
Fusie en sloop
In 1993 fuseerde de Technische School met de andere middelbare scholen in Aalten – de Christelijke Scholengemeenschap Aalten (CSA) en de Christelijke Scholengemeenschap Langenhave – tot het Christelijk College Schaersvoorde. Rond 2006 verhuisde de school naar een nieuw gebouw aan de Landbouwstraat, nabij het station. Het oude complex aan de Polstraat werd in 2007 gesloopt.
Het terrein bleef lange tijd braak liggen, tot er in 2023/2024 een nieuwbouwproject met 56 sociale huurwoningen verrees.
Deze website gebruikt cookies voor een optimale ervaring en analyse van bezoekgegevens. Ga je hiermee akkoord? Zonder toestemming werken sommige onderdelen van de site mogelijk minder goed.
Functioneel
Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistieken
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door je Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een site of over verschillende sites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.