De Wenninkmolen is een korenmolen in Lintelo, in 1860 gebouwd voor de familie Wennink, hetgeen de naam van de molen verklaart. De molen bleef tot 1920 in handen van deze familie. Sinds 1973 is de molen eigendom van de familie Nijland. In 1984 is de molen gerestaureerd. Op 27 december 2007 werd de molen overgedragen aan de Stichting tot Behoud van de Wenninkmolen te Lintelo.
Omstreeks 1860 was er in Lintelo een soort wedstrijd om op twee plaatsen een molen te bouwen. H. Wennink won de race en had een klantenvoorsprong op wat later de ‘Moezemölle‘ werd genoemd. Wellicht is dat ook de reden dat de Wenninkmolen er nu nog staat en de andere niet. Wennink bleef tot 1890 eigenaar.
Nadat de molen in de vorige eeuw vanuit particuliere handen overgegaan was naar de coöperatieve landbouwvereniging, kon er geïnvesteerd worden om makkelijker te werken: de molen kreeg een wiekenkruis met het systeem Van Bussel en een Ten Haveklep. Ook werden de koppels stenen van de steenzolder gehaald; molenmaker Kreeftenberg stelde een maalstoel onderin de molen op, met aandrijving vanaf het spoorwiel, zodat de molen ook op die plek de steen kon aandrijven. Op de horizontale maalas onder de molenstenen kwam een riemschijf voor aandrijving vanuit de machinekamer, waar een zuiggas- en later een elektromotor stonden. Door deze opstelling zijn er acht wielen tussen wieken en maalsteen. De kammen zijn steeds van hout; enkele wielen zelf zijn van gietijzer. Naast de stenen heeft de molen een graan- en een meelelevator.
Op een metselsteen boven de kleine deur aan de noordzijde staat vermeld: E.F.A. 1860
Bij de zeer zware storm van 3 april 1973 raakte het wiekenkruis in zodanige staat dat er niet langer sprake was van een maalvaardige molen. Het heeft even geduurd voordat men overging tot herstel: in 1984 werd een nieuwe binnenroede gestoken, speciaal bestemd voor de Ten-Haveklep.
Technische details
De roeden van de molen hebben een lengte van 23,88 meter. De door Groot-Wesseldijk gemaakte binnenroe is een in 1984 gelaste, ijzeren roede, die voorzien is van het Van Busselsysteem met Ten Have-kleppen. De 23,88 m lange buitenroede is een ingekorte potroede en heeft Oudhollands hekwerk met zeilen. De molen heeft één koppel maalstenen op de begane grond. Dit omdat er in 1936 namelijk een machinekamer gebouwd werd voor een zuiggasmotor, welke later vervangen werd door een elektromotor.
De 5 meter lange, gietijzeren bovenas is in 1867 gemaakt door ijzergieterij De Prins van Oranje te ’s Gravenhage en heeft nummer 500.
Sinds 1980 is alleen de windkracht (door middel van enkele extra overbrengingen) weer de enige bron van aandrijving. Verder zijn er nog enkele andere werktuigen in de molen aanwezig. Vrijwillig molenaars stellen de molen regelmatig in bedrijf.
Inmiddels is er geen motor meer aanwezig: het overgebleven koppel stenen op de begane grond wordt, net als luiwerk en mengketel, uitsluitend door de wind aangedreven.
De Prins van Oranje is een ronde stenen walkorenmolen met een met dakleer gedekte kap voor het malen van graan. De molen staat op een belt van 3,5 meter hoogte, maar daaronder zit ook nog het zes meter hoge Bastion Welgemoed dat ooit deel uitmaakte van de vestingwerken van Bredevoort.
Omstreeks 1644/45 werd door de prins van Oranje, als heer van Bredevoort, toestemming verleend voor de bouw van een standerdmolen op het bastion Welgemoed. Nadat deze in 1869 afbrandde werd in 1870 op dezelfde plaats de huidige molen gebouwd. De bouw duurde langer dan gebruikelijk, omdat de Duitse metselaars moesten dienen als soldaat in de Frans-Pruisische Oorlog. De molen is in 1968 gerestaureerd en nogmaals in 1991 en 1992 voor wat betreft het technische gedeelte.
Adresgeschiedenis
Adresboek 1934
Landstraat 32
Molen
Adresboek 1967
Landstraat 34
Pakhuis
Eigenaren
Overzicht is niet volledig.
Jaar
Perceel
Eigenaar
Omschrijving
1832
B-121
Gerrit Willem Heusinkveld, molenaar
25 m² korenmolen
Afbeeldingen
Molen Bredevoort, door Piet te Lintum (bron: Dagblad Tubantia, 7 februari 1961)Graafschapbode, 20 maart 1940
In 1845 verrees aan de toenmalige Melkertsweg (nu Varsseveldsestraatweg) in Aalten een achtkante houten beltmolen met de naam De Eendracht. De molen diende zowel als koren- als houtzaagmolen en groeide later uit tot de zagerij van W.A. (Wim) van Gaans. In 1967 was het grootste deel van de molen verdwenen.
Op 26 maart 1844 besprak de gemeenteraad het verzoek van timmerman J.B. van Eerden aan Z.M. Koning Willem II“tot de oprigting eenen KoornWindmolen in den zoogenaamde Aaltensche Esch aan de melkertsweg bij het dorp”. Er lag een bezwaarschrift van E. Roerdink c.s., eigenaren van de Oude Molen aan de Koningsweg, dat stelde dat er geen behoefte was aan nog een molen en dat hun inkomsten zouden dalen. De raad achtte het laatste argument aannemelijk, maar het eerste niet, en verleende de vergunning.
In 1845 kwam De Eendracht gereed als houtzaag- en korenmolen. Later kreeg de molen het huisnummer B 207 in de serie huisnummers van de Hogestraat. Via een pad naar boven, later bekend als ‘het pad van Gaans’ kon men de Varsseveldsestraatweg bereiken.
In 1934 kreeg de molen het officiële adres Varsseveldscheweg 31. In 1967 stond ter plaatse de zagerij van Wilhelmus Antonius (Wim) van Gaans. In de loods van de zagerij was nog een opgemetseld deel van het achtkant van de onderbouw zichtbaar.
Huisnummering
1838
1850
1860
1870
1880
1890
1900
1910
1934
1967
–
–
–
–
140
–
158
A203
B207
Varsseveldschestraat 31
Afbeeldingen
Fragment kadastrale kaart, 1889 (perceel I-4330)Dagblad Tubantia, 30 september 1955
In 1856 werd door Harmen Jan Huisstede een stuk grond gekocht van Wessel Veerbeek. Huisstede bouwde op dit stuk grond een achtkantige molen van het type grondzeiler. De wieken gingen dus vlak langs de grond en ongelukken zouden dan ook niet uitblijven.
Eén van de eerste molenaars was Hendrik Jan te Kotte. Na zijn dood werd de molen in 1887 verkocht aan Jan Teube Westerveld.
Antoon Brunsveld
Kort daarna raakte de molen in onbruik. Op 8 september 1891 werd de molen verkocht aan Antoon Brunsveld. Brunsveld kwam van de Kruisberg bij Doetinchem en had het molenaarsvak geleerd bij de Benninkmolen in IJzevoorde en op de molen in Doetinchem. Later werkte hij ook nog bij de Kempermolen in Breedenbroek. Deze molens bestaan allemaal nog.
Aanvankelijk bleef hij als een forens in Doetinchem wonen. De weg naar IJzerlo werd lopend op de klompen afgelegd. Maar op de zondag moest hij terug zijn in Doetinchem, om daar zijn kerkbezoek af te leggen.
Buurtsuper
In 1893 trouwde hij met Gesina Johanna Pennings van Thijs en toen gingen ze bij de molen wonen. Zijn schoonvader had daar een woning voor hen laten neerzetten. Antoon begon nu ook brood te bakken en in de molen werden ook rookwaren en andere producten verkocht. Dit vormde de grondslag voor de huidige buurtsuper Brunsveld, één van de laatste buurtwinkels in de Achterhoek.
Sloop
In oktober 1924 is de molen onttakeld. Het bedrijf Brunsveld & Zonen werd verder door stoom aangedreven. De sloopvergunning werd in 1965 afgegeven, maar pas in 1979 werd het restant van de molen gesloopt.
Huize Sint Bernardus is een karakteristiek pand aan ’t Zand, het centrale plein van Bredevoort. Het gebouw kent een rijke geschiedenis, waarin het dienstdeed als woonhuis, sanatorium en rusthuis. Het pand is een gemeentelijk monument.
Het pand werd oorspronkelijk gebouwd in opdracht van Jan Satink, luitenant-kolonel in het Staatse leger, Regiment Nationalen. Het verrees op de plek waar ooit de voorburcht van het kasteel Bredevoort heeft gestaan. In 1800 kwam het huis door vererving in bezit van de familie Roelvink. Arnoldus Florentinus Roelvink, telg uit deze familie, was vanaf 1813 burgemeester van Bredevoort.
In 1897 werd het pand gekocht door pastoor Bernardus Mulders. De pastoor was een bemiddeld man en verwierf het voormalige rentmeestershuis uit eigen middelen. Zijn doel was, zo schreef hij: “zijn arme kinderen” katholiek onderwijs aanbieden. Omdat katholieke scholen in die tijd geld kostten, bedacht hij een slimme oplossing: hij haalde nonnen naar Bredevoort die in het rentmeestershuis een klooster en een sanatorium vestigden. Zusters waren goedkoop, want zij ontvingen geen loon; zij hadden immers hun leven aan God gewijd.
Onder beheer van de Zusters Franciscanessen van Thuine werd het ‘R.K. Sanatorium St. Bernardus Gesticht’ opgericht. Het klooster-sanatorium noemde hij naar zijn eigen patroonsheilige, Sint Bernardus van Clairvaux. Met de winst van het sanatorium begon de pastoor een lagere school: de Sint Joannesschool.
Het sanatorium was bedoeld voor welgestelde patiënten want de verpleegkosten waren hoog: variërend van f 1,50 tot f 2,20 per dag. Voor medische kosten en apotheek werd 10 gulden per maand in rekening gebracht. Patiënten uit de zogenoemde tweede klasse betaalden f 7,50.
Vanaf 1907 kwamen mensen uit het hele land naar Bredevoort om in het sanatorium te herstellen. Zij verbleven er vaak maandenlang. Overdag lagen zij in bed in een lighal, ook in de winter; helemaal ingepakt. In de tuin van Sint Bernardus, nu het Vestingpark, stonden minstens tien van deze lighallen met hun open zijde naar de zon gericht. Twee daarvan zijn bewaard gebleven en hebben de status van rijksmonument.
Het sanatorium bleef in gebruik tot 1933. Daarna werd het pand herbestemd tot bejaardentehuis. In 1938 werden de zusters van Thuine opgevolgd door de zusters van St. Jozef uit Amersfoort. De laatste zusters vertrokken in 1985 uit Bredevoort.
In 1988 volgde een grootschalige renovatie en uitbreiding van het gebouw door Stichting Verzorgingstehuis St. Bernardus. Het bejaardentehuis verhuisde uiteindelijk in 2008 naar het nieuwgebouwde Ambthuis.
Het Feestgebouw in Aalten stond op de plek waar tegenwoordig de parkeerplaats is van De Hofnar, voorheen activiteitencentrum De Pol.
In 1906 vonden de arbeidersbeweging, onder anderen vertegenwoordigd door de heren Joh. Obrink en G.J. Winkelhorst, en de schuttersvereniging ‘Eendracht Maakt Macht’ elkaar in een groots en gedurfd plan tot oprichting van de ‘N.V. Feestgebouw’.
Prominente plaats in de gemeenschap
Financiële middelen vond men door het uitgeven van aandelen. Er werden 750 aandelen van elk 10 gulden uitgegeven. Op deze manier kwam er 7500 gulden binnen. Voor die tijd een flink bedrag. De ‘rijkeren’ onder de Aaltense bevolking kochten een vel met liefst tien aandelen, een zogenaamd ’talon’ (coupon of dividendblad van aandelen). Deze kon men later verzilveren. Er zijn aandeelhouders geweest die dit niet hebben gedaan. Het bedrag werd als het ware geschonken om de bouw van het feestgebouw mogelijk te maken.
Nog in datzelfde jaar kwam het plan van de grond en medeoprichter Theodoor Driessen werd de eerste president. Het indrukwekkende grote gebouw, zeker in verhouding tot een kleine plaats als Aalten toen was, paste geheel in die tijd. Het ontwerp kwam van architect J.J. Post uit Winterswijk. September 1907 nam men het gebouw in gebruik. Het zou het bijna zeventig jaar lang een prominente plaats innemen in de Aaltense gemeenschap.
Onderdak voor Franse vluchtelingen
Tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog kwam er vanuit Noord-Frankrijk een vluchtelingengolf op gang van voornamelijk Franse, maar ook Belgische burgers. Op 26 oktober 1918 ontving de burgemeester van Aalten bericht dat in zijn gemeente, evenals in andere plaatsen in Gelderland, een groot aantal vluchtelingen moest worden ondergebracht.
Besloten werd dat de mannen in gebouw ‘Elim’ en de vrouwen en kinderen in het Feestgebouw zouden worden ondergebracht. Voorts werden de nodige maatregelen getroffen, om de vluchtelingen van eten en drinken te voorzien. Het Feestgebouw werd voor de gelegenheid omgedoopt in ‘Salle Maréchal Foch‘, naar Frankrijk’s befaamde opperbevelhebber.
Films en muziek
Vroeger werd er kermis gehouden achter het Feestgebouw. In de jaren dertig van de vorige eeuw werden er al films vertoond in het Feestgebouw. Dit was toen niet zonder gevaar. Het filmmateriaal bestond uit nitrocellulose, een zeer brandbaar materiaal. Bij de vertoning van films waren daarom altijd een aantal brandweerlieden aanwezig in het Feestgebouw.
Het Feestbouw was ooit ook de poptempel van Aalten. Vanaf de jaren zestig werden er in het Feestgebouw vele legendarische concerten georganiseerd door onder andere Fly In, Nirwana en Attica. Bands als Earth Wind and Fire, Herman Brood en His Wild Romance, Kayak en de popgroep Normaal hebben er opgetreden.
Het Feestgebouw werd in 1977 gesloopt, om plaats te maken voor activiteitencentrum De Pol, inmiddels omgedoopt in De Hofnar.
Foto’s
Aandeel Feestgebouw AaltenFeestgebouw Aalten, 1912“Réfugiés Français et Belges, Salle Maréchal Foch, Aalten (Hollande), 22-11-1918”Draaimolen op de kermis achter het Feestgebouw, jaartal onbekendSloop Feestgebouw Aalten, 1977
Krantenberichten
Aaltensche Courant, 31 januari 1903
Aaltensche Courant, 9 december 1905
Nieuwe Winterswijksche Courant, 24 maart 1906Aaltensche Courant, 13 juli 1907
De Westerkerk in Aalten werd in 1891 gebouwd, enkele jaren na de Doleantie van 1886. Het gebouw diende als gereformeerde kerk en stond bekend als Kerk B, terwijl de Oosterkerk de naam Kerk A kreeg. De kerk is ontworpen door architect H. van der Brand, die er een zogeheten schuurkerk van maakte: een eenvoudig, functioneel kerkgebouw.
In 1928 werd aan de straatzijde een portaal toegevoegd, omdat de ruimte in de kerk onvoldoende was. De kerk is gebouwd in neoclassicistische stijl, met in de voorgevel diverse rondboogvensters. Op het dak staat een kleine torenspits.
Oorlogsjaren
Op 30 januari 1944 hielden Duitse SS’ers een razzia in twee Aaltense kerken, waaronder de Westerkerk. De bezetters wisten dat kerkdiensten druk bezocht werden, ook door jonge mannen en onderduikers die zich onttrokken aan de arbeidsinzet of niet terugkeerden van verlof. Meer dan veertig mannen werden hierbij opgepakt.
Latere geschiedenis
In 1999 werd de Westerkerk verkocht aan de Euregio Christengemeente Euregio Christengemeente Aalten-Bocholt, die het gebouw sindsdien in gebruik heeft. De Westerkerk is aangewezen als gemeentelijk monument.
De statige villa ‘Zonneheuvel’ in Aalten was decennialang het karakteristieke woonhuis van burgemeester Monnik (1879-1951), die van 1910 tot 1945 burgemeester van de gemeente Aalten was. De villa werd circa 1911 gebouwd en in 1968 afgebroken.
In 1910 werd Monnik benoemd tot burgemeester, een functie die hij 35 jaar vervulde. Het gezin Monnik woonde in villa Zonneheuvel aan de Bredevoortsestraatweg. Voor de woning liep de tramlijn van de G.W.S.M. (Lichtenvoorde–Bredevoort–Aalten–Bocholt).
De villa stond op een ruim terrein. Bij zijn afscheid als burgemeester bepaalde Monnik dat deze gronden ter beschikking moesten worden gesteld aan de Aaltense bevolking. Zo werd er kort na de oorlog een gezondheidscentrum gebouwd met badhuis.
In 1957 kwam de woning in eigendom van de stichting ‘Protestants-Christelijk Verpleeghuis Aalten’, met de bepaling dat de weduwe Monnik er tot het eind van haar leven mocht blijven wonen. Na haar overlijden in 1963 ging men aan de slag met plannen om er een verpleeghuis te vestigen. De provincie gaf hiervoor echter geen toestemming omdat er al verpleeghuizen waren in Varsseveld en Winterswijk.
In 1969 besloot men een overdekt zwembad op het terrein te realiseren. In 1972 opende het zwembad onder de naam ‘Zonneheuvel’.
Het huis werd gebouwd in de zogenaamde um 1800-bouwstijl in opdracht van August Sevink. Hij was een zoon van Herman Albert Sevink uit Warnsveld, en Catherina Poulina van Eijck, dochter van textielfabrikant Van Eijck. Daarmee is het huis een zichtbaar onderdeel van de sociaal economische textielgeschiedenis van Bredevoort.
Het huis heeft aan de voorzijde opvallende ramen die met een katrolsysteem te openen zijn. Zo kon men niet zoals bij “gewone huizen” uit het raam hangen, dat vond men ordinair. Ook nog aanwezig is het originele belsysteem waarmee dienstbodes opgeroepen konden worden. Boven de ingang van het huis is in glas in lood het wapen van Rotterdam aangebracht, dit verwijst naar de Rotterdamse wortels van Henriette van der Meulen, waarmee August Sevink in 1915 trouwde.
Piet en Fenny de Heus werden in 2004 eigenaar van het pand, en hebben het bijna volledig in eigen beheer het pand in oude stijl teruggebracht, inclusief het behang, en wonnen daarmee in 2008 de monumentenprijs van de gemeente Aalten.
Villa Beekhuize herinnert aan de bloeiperiode van de textielnijverheid in het dorp Aalten.
Textielfabrikant Anton Driessen woonde sinds zijn komst in Aalten aanvankelijk bij Meijerink in de Kerkstraat. Later kocht hij een pand aan de Landstraat. In 1833 wilde Anton Driessen een nieuw woonhuis bouwen. Hij had daartoe aan het einde van de Landstraat – de tegenwoordige Dijkstraat – van de erven Degenaar een huis gekocht. Hij wilde dat huis afbreken en op die plaats een nieuw modern huis bouwen met pakhuis, schuur en stalling. Daarvoor had hij echter meer ruimte nodig dan de bestaande huisplaats bood. Anton Driessen diende vervolgens een plan in bij het gemeentebestuur.
Voor dit plan moest zowel de beek als de straat worden verlegd. Bovendien moest er een nieuwe brug komen. Omdat de palen van de oude brug bijna waren vergaan, was de bouw van de nieuwe brug niet alleen hoogst noodzakelijk maar de verplaatsing volgens Driessen ook minder kostbaar. Naast de verlegging van de beek en de bouw van een nieuwe brug had Driessen voor zijn plannen ook grond nodig. Hij ruilde daartoe een stuk grond met de gemeente. De onderhandelingen over bovengenoemde zaken duurden enige jaren. In maart 1835 ging de bouw van start.
Behalve Anton Driessen bouwde ook zijn neef Heinrich een huis aan de toenmalige Landstraat. Heinrich Driessen plaatste meer richting centrum een royaal woonhuis, waarvoor zijn oudste zoon Theodoor op 29 juni 1837 de eerste steen legde. Sindsdien werd er in de volksmond gesproken over ‘d’n veursten’ en ‘d’n achtersten Dreessen’.
De Ds. Stegemanschool werd in 1922 opgericht en heette aanvankelijk Nederlands Hervormde school. In 1955 werd de school vernoemd naar Ds. J.D. Stegeman. De school werd gesloopt in december 2005. Tegenwoordig staat hier woonzorgcentrum Stegemanhof.
Het pand aan de Landstraat 13-15 in Aalten kent een rijk horecaverleden: al in 1823 werd het vermeld als logement De Roskam. In datzelfde jaar stond Evert van Eerden er geregistreerd als kastelein. Na het overlijden van zijn ouders in 1837 en 1839 nam zoon Abraham van Eerden het stokje over.
Volgens een lijst van 1850-’60 overnachtten in De Roskam veel zakenmensen. Vaste passanten waren bijvoorbeeld de Zwolse azijnfabrikant Schaapman uit Zwolle en meelfabrikant Van der Lande uit Deventer. Ook Duitse zakenlieden kenden het adres.
In 1870 nam Pieter Oosthout uit Rotterdam het logement over. Deze bleef echter niet lang, want in 1876 wordt De Roskam overgenomen door Karel Gustaaf Avenarius. In een advertentie beveelt hij het logement “minzaam aan in de aandacht van het reizend publiek”.
Voorderman
Eind april 1890 vertrok Avenarius en vestigde zich hier Martinus Voorderman uit Brummen.
Hotel De Roskam, vanaf dan ook wel kortweg ‘Voorderman’ genoemd, was een plek waar niet alleen overnacht en vergaderd werd. Er werd ook goed geborreld. Vooral met de Meimarkt, de Kermis en de Sint-Nicolaasmarkt op 6 december was het er erg vol. De veemarkt in Aalten werd destijds gehouden tot één uur in de middag, waarna de boeren naar Voorderman gingen. ’s Middags gingen de jongelui naar de warenmarkt. Op alle hoeken in de cafés klonk muziek. De jongens trokken in groepen langs de kramen, evenals de meisjes en men probeerde tot elkaar te komen voor afspraakjes.
Wie voor de Meimarkt of Kermis al een afspraakje had weten te maken om er samen naar toe te gaan, had “d’n schadden al dreuge”. Op de markt deden ook de kwakzalvers en kiezentrekkers goede zaken. De meisjes die geen aanzoek hadden gekregen trokken alleen huiswaarts. Een verstokte vrijgezel en een late feestganger wipten dan nog even bij Voorderman binnen.
In september 1891 werd in Aalten een Landbouwtentoonstelling gehouden. In Hotel De Roskam konden de aanwezigen deelnemen aan een open tafel à ƒ 2,25 per couvert, inclusief een halve fles wijn. De Roskam was naast hotel ook een stalhouderij. In 1919 verscheen een advertentie waarin de mogelijkheid tot het stallen van paarden werd aangeboden.
Einde van Hotel De Roskam
Martinus Voorderman overleed in 1912. In april 1919 verkocht zijn weduwe de volledige hotel-inventaris, inboedel en stalhouderij. De veranda werd in mei van datzelfde jaar gesloopt en het pand werd verbouwd tot twee winkelhuizen: Landstraat 13 en 15.
Op nummer 13 vestigde zich vervolgens G.J.J. Degenaar met een drogisterij. In 1930 opende hij er tevens een lunchroom (modern woord!), ingericht als “Oud-Hollandsche taveerne”. Op de verdieping erboven werd het museum van de Oudheidkamer ondergebracht en de drogisterij kreeg zijn ingang aan de Hogestraatzijde. In 1934 werd de drogisterij overgenomen door C. van Nood. Begin jaren 70 werd het drogisterij Kwakkel en tegenwoordig is het een restaurant/pizzeria.
Op nummer 15 vestigde zich B.A. Veldhuis, manufacturier. In 1933 vinden we er het delicatessenhuis van G.A. Wieland en in 1967 de delicatessenzaak van B. Buesink. Tegenwoordig is het deel van modezaak Klein Entink (Landstraat 17).
Muurschilderingen
In 1988 ontdekten Marianne Kiwitz en Martin Finkenflügel muurschilderingen op de eerste verdieping van het pand Landstraat 13 (destijds drogisterij Kwakkel). Bij het verwijderen van behang kwamen in meerdere kamers wandversieringen tevoorschijn, waaronder in de woonkamer aan de Landstraat twee prachtige en goed bewaarde natuurtaferelen. Deskundigen van het Museum Frerikshuus concludeerden dat de decoraties dateerden uit de tijd dat het pand een hotelfunctie had.
De twee schilderingen in de woonkamer waren gesigneerd met “W.J. Rave”, en op één van de decoraties stond de toevoeging “Bred”. Dit wijst vermoedelijk op de schilder W.J. Rave uit Bredevoort, die Hotel De Roskam destijds van wandversieringen voorzag.
Gerrit Jan Johannes Degenaar, schilder Gerhard Flint, manufacturier
211 m² huis & erf 159 m² huis & erf
1934
I-6629 I-6628
Gerrit Jan Johannes Degenaar, schilder Gerhard Flint, manufacturier
220 m² huis & erf 155 m² huis & erf
1957
I-8121 I-8122
Cornelis van Nood, drogist Bernard Buesink, kruidenier
196 m² huis & erf 141 m² huis & erf
1982
I-8121 I-8122
Jan Kwakkel, drogist vof “Firma Klein Entink”
196 m² huis & erf 141 m² huis & erf
Afbeeldingen
Fragment kadastrale kaart, 1884 (perceel I-3882)Nederlandsche Staatscourant, 19 juli 1823Zutphensche Courant, 19 september 1876De Graafschapbode, 3 december 1881De Graafschapbode, 9 september 1891Briefhoofd Hotel De Roskam, jan. 1919Museum ‘Oudheidkamer’, lunchroom ‘De Geldersche Keuken’ en beddenzaak ‘De Duif’Interieur van lunchroom-restaurant “De Geldersche Keuken”Nieuwe Aaltensche Courant, 2 december 1921Marianne Kiwitz en Martin Finkenflügel bij één van de muurschilderingen van het voormalige hotel De Roskam‘Drogisterij van Nood’
De voormalige pijpenfabriek Becking & Vaags in de Hoekstraat was van 1885 tot 1925 actief in de voor Nederland unieke hoornindustrie in Aalten. Het bedrijf produceerde pijpenstelen en later ook messenheften.
De fabriek vindt haar oorsprong bij twee vakmannen: Wessel Becking en Willem te Gussinklo leerden het pijpendraaien bij Gerrit Peters. Beiden vertrokken op ‘Wanderschaft’ naar Duitsland zich in hun vak te verdiepen.
Na hun terugkeer in 1880 begonnen zij een eigen zaak, eerst in een huis op de Kattenberg en vanaf 1883 in het gebouw naast de meubelzaak van de heer Vreede. Dat pand met het karakteristieke klokgeveltje is rond 1959 gesloopt.
Op onderstaande kadastrale kaart is te zien dat de twee percelen aan de Landstraat en de Hoekstraat in elkaars verlengde liggen.
Becking en Te Gussinklo werkten korte tijd samen, maar gingen in 1884 ieder hun eigen weg.
In 1885 startte Becking met Bernardus Gerhardus Vaags, neef en naamgenoot van Bernard Vaags, de firma Becking & Vaags. De fabriek maakte pijpenstelen en later ook messenheften. Toen de verkoop van Duitse pijpen terugliep, ging de fabriek korte bruyèrepijpen produceren.
In 1907 kreeg de fabriek haar huidige aanzicht: naar ontwerp van gemeentearchitect Jan Brill. werd het gebouw uitgebreid met een machinekamer, bergplaats, werkplaats, kleedkamer en privaat.
Na de Eerste Wereldoorlog liep de handel met Duitsland terug. In 1921 werd de fabriek enige tijd stilgelegd; later werd de productie hervat, zij het slechts nog drie dagen per week. In september 1925 was de firma Becking & Vaags nog te vinden als exposant op de Leipziger Messe. Niet lang daarna werd het bedrijf geliquideerd.
In de jaren vijftig deed het pand enige tijd dienst als kleuterschool, totdat de nieuwe Beatrixschool aan de Oosterkerkstraat gereedkwam.
Het gebouw aan de Hoekstraat staat er nog steeds en is aangewezen als gemeentelijk monument. De schoorsteen is wel verdwenen.
Adresgeschiedenis
Adresboek 1934
Aalten B265 > Hoekstraat 8
Fabriek
Telefoonboek 1950
Adresboek 1967
Hoekstraat 8
Magazijnruimte
Eigenaren
Overzicht is niet volledig.
Jaar
Perceel
Eigenaar
Omschrijving
1891
I-3707
½ Bernardus Gerhardus Vaags, pijpenfabriekant ½ Wessel Johannes Becking, fabriekant
230 m² pijpenfabriek, erf
1909
I-5311
½ Bernardus Gerhardus Vaags, pijpenfabriekant ½ Wessel Johannes Becking, fabriekant
346 m² fabriek & erf
1934
I-6619
Hendrik Jan Vreede e.c., meubelmaker
405 m² huis, fabriek & erf
1946
I-7458 I-7459
Hendrik Jan Vreede, meubelmaker Hendrik Willem Vaags, bakker
355 m² huis, fabriek, erf 105 m² schuur, erf
1984 1967
I-11203 I-7459
Hendrik Jan Meerdink, horlogemaker Janna Hermina te Paske e.c., wed. H.W. Vaags
195 m² schuur, tuin 105 m² schuur, erf
Afbeeldingen
Pijpenfabriek Becking & Vaags, met schoorsteenFragment kadastrale kaart, 1909 (perceel I-5311)De Graafschapbode, 21 januari 1903Algemeen Handelsblad, 21 februari 1925Arnhemsche Courant, 18 april 1921De Tijd, 14 juli 1925De Graafschapper, 17 juli 1925Aaltensche Courant, 22 mei 1931
Voormalige borstelfabriek, rond 1950 opgericht aan de zuidzijde van de Hogestraat, op het terrein van het boerderijtje Hogestraat 69 II. Dit boerderijtje en het omliggende terrein waren in bezit van borstelfabriek Luva (Luvink –Aalten).
In de bedrijfsruimte achter de boerderij werden tot 1970 borstels gemaakt. Het bedrijf verhuisde naar het industrieterrein en de fabriek aan ’t Dal heeft jarenlang leeggestaan. Inmiddels is voormalige fabriek verbouwd tot woning, waarbij de oorspronkelijke hoofdvorm en karakteristieke industriële uitstraling grotendeels behouden bleef. Mede door de forse bouwmassa neemt het een prominente plaats in binnen het beeld aan dit gedeelte van ’t Dal.
’t Dal 6 is het huidige adres. Vóór 1955 hoorde de fabriek bij het toenmalige adres Willemstraat 1 (tegenwoordig Hogestraat 69-II).
De geschiedenis van borstelfabriek Lurvink
Borstelfabriek Lurvink is een familiebedrijf in Aalten met een geschiedenis die minstens twee eeuwen teruggaat. Uit archiefonderzoek blijkt dat er al vanaf het begin van de 19e eeuw allerhande soorten borstels werden gemaakt.
Jan Lurvink (1747–1823), een kleermaker uit Aalten, had samen met zijn vrouw Willemina Wenderink (1763–1832) tien kinderen. Uit diverse aktes van de burgerlijke stand en notarissen blijkt dat vijf van hun zoons het beroep van borstelmaker kozen. De eerste officiële vermelding is te vinden in de huwelijksakte van Arnoldus Lurvink (1789–1876), die in 1813 trouwde met Johanna Geertruid Feldkamp. Hij werd op de akte aangeduid als borstelmaker. In 1820 trouwde zijn jongere broer Frederikus Reinirus Lurvink (1793–1842) met Maria Wilhelmina Joanna Balster. Ook hij werd in de huwelijksakte vermeld als borstelmaker.
Familiebedrijf aan huis
Toen Jan Lurvink in 1823 overleed, woonden nog drie zoons thuis: Gerhardus (1796), Bernardus (1799) en Henricus Bernardus (1805). Zij oefenden allen het beroep van borstelmaker uit. Vermoedelijk waren zij hiermee al vóór het overlijden van hun vader begonnen. In mei 1823 verkochten Jan en Willemina hun huis aan hun zoon Gerhardus. In de notariële koopakte werd Gerhardus aangeduid als borstelmaker. Ook op zijn huwelijksakte uit 1828 met Joanna Oostendorp werd dit beroep vermeld.
Registratie en generatiewissel
In 1823 begon Aalten met de aanleg van een bevolkingsregister. Willemina woonde toen met haar drie zonen op het adres ‘Aalten 136’, tegenwoordig Hoekstraat 4. Alle drie stonden geregistreerd als borstelmaker.
Gerhardus Lurvink (1796) was de eerste die stopte met het ambacht. In 1836 droeg hij zijn bedrijf over aan zijn broer Bernardus (1799), die in datzelfde jaar trouwde met Hendrika Scheerder (1801). Zij kregen geen kinderen. Op de huwelijksakte van 10 februari 1836 traden de broers Henricus Bernardus, Arnoldus en Gerhardus op als getuigen, allen aangeduid als borstelmakers.
In 1843 kreeg Henricus Bernardus Lurvink een zoon, die hij Bernardus noemde. Op diens geboorteakte werd zijn vader als borstelmaker vermeld. Zoon Bernardus, geboren in 1843, kwam rond 1862 als leerling-borstelmaker in dienst bij zijn oom Bernardus (1799), zoals blijkt uit het bevolkingsregister.
Een nieuwe locatie voor de fabriek
In 1861 kocht Bernardus Lurvink (1799) via een veiling een pand aan de splitsing Willemstraat/Hogestraat voor 960 gulden. Hier vestigde hij zijn borstelfabriek. In zijn testament benoemde hij zijn neef Bernardus (1843) als erfgenaam en vermeldde hij dat deze als borstelmaker bij hem werkzaam was.
In 1876 droeg Bernardus (1799) het bedrijf over aan zijn neef Bernardus (1843). Deze was in 1872 getrouwd met Johanna Wilhelmina Berendsen. In 1880 werd hun zoon Martinus Johannes Joseph Lurvink geboren. Ook op diens geboorteakte werd de vader aangeduid als borstelmaker.
Op 18 november 1897 werd het bedrijf ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.
20e eeuw
In het bevolkingsregister van 1900-1910 werd Bernardus (1843) vermeld als “borstelmaker baas”, en twee van zijn zoons, Martinus Johannes Joseph (1880) en Wilhelmus Gerhardus Johannes (1886), als borstelmakers in dienst bij hun vader.
Op een wisselbrief uit 1905 en een betaalbewijs uit 1911 stond de naam ‘B. Lurvink en Zonen’. In een briefkaart uit 1913 werd die naam nog steeds gebruikt.Wanneer Martinus Johannes Joseph Lurvink (1880) de leiding van zijn vader overnam is niet exact bekend, maar uit een orderbevestiging uit 1926 blijkt dat de fabriek toen werd aangeduid als ‘M.J.J. Lurvink – Machinale Borstelmakerij’.
Martinus richtte later de ‘Vennootschap onder firma M.J.J. Lurvink’ op. Op 2 januari 1961 trad zijn kleinzoon, Martinus Johannes Joseph Lurvink (1945), in dienst. Hij was de zoon van Gerhardus Johannes Bernardus Lurvink (1913).
Aaltensche Courant, 14 november 1947
Verhuizing en voortzetting
In 1972 verhuisde de Fa. M.J.J. Lurvink naar de Tweede Broekdijk, op bedrijventerrein ’t Broek in Aalten.
In 1975 werd de Besloten Vennootschap “Borstelfabriek M.J.J. Lurvink B.V.” opgericht. Bij de oprichting werden onder anderen Gerhardus Johannes Bernardus Lurvink (1913) en zijn zoon Martinus Johannes Joseph Lurvink (1945) als comparanten vermeld.
Op 3 juli 1987 werd Martinus Lurvink (1945) benoemd tot directeur. Zijn zoon, Martinus Johannes Gerhardus Lurvink (1984), trad in 2010 toe als eigenaar van de fabriek. Daarmee is hij de jongste generatie uit de Lurvink-stamboom die het familiebedrijf voortzet.
Eigenaren
Overzicht is niet volledig.
Jaar
Perceel
Eigenaar
Omschrijving
1959
I-8266
vof M.J.J. Lurvink
1.239 m² huis, fabriek, erf
1987
K-1636
Martinus Wilhelmus Johannes Lurvink, borstelfabrikant
1.190 m² fabriek, erf
Afbeeldingen
Fragment kadastrale kaart, 1959 (perceel I-8266)Telefoongids Aalten, 1958
In dit dubbele woon/winkelpand waren ooit boekhandel ‘De Graafschap’ (links, nr. 19) en sigarenmagazijn Dick Fries (rechts, nr. 21) gevestigd. Tegenwoordig zit Pearle opticiens op nummer 21 en staat nummer 19 leeg.
Sigarenmagazijn Dick Fries
De sigarenwinkel van Dick Fries (1924-2002) en zijn vrouw Leis (1931-2004) aan de Landstraat was een begrip in Aalten. De winkel lag centraal en het echtpaar was nauw betrokken bij het wel en wee van het dorp. Velen kwamen er om rookwaren te kopen, maar ook voor een praatje. Jarenlang organiseerden Dirk en Leis Fries rookwedstrijden, waarbij het er om ging wie de langste askegel rookte. Prins Bernhard ontving jaarlijks op zijn verjaardag een doos goede sigaren. Daarom kreeg de winkel het predikaat ‘hofleverancier van Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard’.
Zoals in vele middenstandsgezinnen bepaalde de winkel het ritme van de dag en de week. De zaak was zes dagen in de week en op koopavonden geopend. Ook buiten de officiële openingstijden kon een klant bij Fries terecht. ’s Avonds werd de administratie gedaan.
Gedurende het 65-jarig bestaan van de sigarenwinkel was er in de inrichting en het assortiment vrijwel niets veranderd. Dit kwam omdat Dick Fries blind was. Omdat alles op dezelfde plek bleef, kon hij de weg goed vinden. Zijn visuele handicap belette hem niet om in de jaren zestig nog een kruidenierswinkel en een restaurant aan de Duitse grens te openen. Deze zaken, waarin familieleden werkten, werden na een aantal jaren weer afgestoten. Tot kort voor zijn overlijden stond Dick Fries in zijn sigarenwinkel. De zaak bleef nog bestaan tot 2004.
Landstraat 19-21 (geheel links), ca. 1910. Ansichtkaart uitgegeven door C. van Bennekom.Briefhoofd Boekhandel Ant. Lammers vh. De Graafschap, 1951Dick Fries in zijn winkel
De ‘Ark van Noach’ was een eeuwenoud pand aan de Hogestraat in Aalten. Waar deze naam precies vandaan kwam, is niet bekend. Mogelijk verwees deze naar de vorm van het gebouw en zagen sommigen er iets van een schip in? Een andere verklaring is dat er ooit een kinderrijk gezin woonde. Bij families met veel kinderen werd vroeger wel gezegd: “dat is er eentje uit de Arke Noachs”.
Minder bijbelvaste Aaltenaren spraken ook wel van ‘De Olde Kaste’.
In 1936 werd het pand onbewoonbaar verklaard. Een jaar later namen de padvinders het pand in gebruik als clubhuis voor de net opgerichte ‘Welpenclub’. Het pand is vermoedelijk rond 1950 afgebroken.
Op deze plek kwam daarna de schoenenzaak van Rozema. Tegenwoordig is hier bakker Heyerman gevestigd.
Bewoners
Bevolkingsregister 1823-1837
Aalten 122
Antonij Arnoldus Vreede (Aalten, 28-04-1796), leerloyer 1) Aafke Radsma (Hempens, 30-12-1801), d.v. Tjeerd Radsma 2) Isabella ten Dam (Aalten, 20-02-1802)
Bevolkingsregister 1838-1851
Aalten 125
Antonij Arnoldus Vreede (Aalten, 28-04-1796), leerlooyer Isabella ten Dam (Aalten, 20-02-1802)
Bevolkingsregister 1850-1861
“Hoogestraat”
Aalten, 125
Isabella ten Dam (Aalten, 20-02-1802)
Volgende bewoners:
Henry Wood (Wilmslow/UK, 24-06-1830), fabriekbediende Helena Gaskill (Lancaster/UK, 06-08-1828)
Bevolkingsregister 1860-1870
Aalten, 125
Henry Wood (Wilmslow/UK, 24-06-1830), fabriekbediende Helena Gaskill (Lancaster/UK, 06-08-1828)
Willem Rhebergen (Rekken, 22-10-1861), schoenmaker (1) Mina Berendina te Brake (Aalten, 21-10-1859) (2) Helena Philippina Woerts (Heerde, 23-08-1869)
Adresboek 1934
Aalten B238 > Hogestraat 6
H.J. Oberink
Aalten B238a > Hogestraat 6a
W. Rhebergen
Adresboek 1967
Hogestraat 6
Mevr. A.G. Rozema-Leygraf T. Rozema
Hogestraat 61
A. Prinzen
Eigenaren
Overzicht is niet volledig.
Jaar
Perceel
Eigenaar
Omschrijving
1832
I-1391
Antonij Vreede
157 m² huis & erf
Afbeeldingen
De Graafschapper, 27 maart 1936Graafschapbode, 12 november 1937 – Tekening: Piet te LintumAaltensche Courant, 30 december 1947Aaltensche Courant, 15 april 1949
In het centrum van Aalten bevindt zich een kleine, goed gerestaureerde en mooi ingerichte synagoge, die bijna een eeuw het centrum van Joods leven vormde in deze Achterhoekse gemeente. Het gebouw is thans eigendom van een stichting, Vrienden van de Aaltense Synagoge.
Halverwege de 19e eeuw was de Joodse gemeente in Aalten zozeer in getal gegroeid, dat een woonhuis te klein werd voor de wekelijkse sabbatsvieringen. Men wilde een eigen sjoel, niet alleen voor de godsdienstoefeningen, maar ook voor het onderricht aan de jongeren. Daarom bouwde men in 1857 een synagoge. Het was een eenvoudig rechthoekig gebouw zonder architectonische bijzonderheden, doch functioneel voor de nog steeds niet rijke, maar wel orthodoxe Joodse gemeente in Aalten. Over een architect is niets bekend.
De synagoge werd het centrum van een levendig gemeenschapsleven, dat voortduurde tot de ramp, die alle Joodse gemeenschappen trof in de jaren van de Duitse bezetting. De leden van de gemeente die niet op tijd konden onderduiken werden weggevoerd en vermoord.
Tweede Wereldoorlog
Tijdens de bezetting zijn er twee pogingen gedaan om de synagoge in brand te steken. De synagoge werd grotendeels leeggeroofd en uitgebroken om het gebouw geschikt te maken voor de opslag van munitie. Het interieur van het gebouw was vernield, maar de Tora-rollen en de rituele objecten zijn op tijd verborgen en zodoende behouden. Na de oorlog werden de wetsrollen weer in het gebouw teruggebracht. De synagoge werd hersteld, betaald van de opbrengst van het huis van de chazzan (sinds 1948 kon de gemeente het salaris voor een voorganger niet meer opbrengen).
Een groot deel van de gemeenteleden die de oorlog hadden overleefd verhuisde echter naar elders, waardoor de Joodse gemeente niet meer de kans had om op te bloeien. Het vereiste aantal mannen (minjan) voor het houden van diensten haalde men steeds vaker niet meer. De synagoge raakte in onbruik en dreigde te vervallen.
Restauratie
In 1984 werd het gebouw verkocht aan de Stichting Vrienden van de Aaltense Synagoge. Deze stichting nam de verantwoordelijkheid op zich voor een grondige restauratie. Op 29 december 1986 werd de synagoge met een plechtige chanoekaviering opnieuw ingewijd.
Aan zowel de binnen- als aan de buitenzijde zijn elementen die het bezichtigen waard zijn. Aan de binnenzijde zijn dit onder andere de heilige arke, vier thorarollen, de stenen tafelen, de neer-tamiet, de menora, de chanoekia, de bima, de vrouwengallerij en het mikwe. Aan de buitenzijde zijn dit de tekst boven de deur, de mezoeza en de plaquette aan de rechterzijde op de buitenmuur.