De textielnijverheid in Aalten wortelde diep in de eeuwenoude traditie van huisweverij en vlasbewerking. In de 19e eeuw groeide dit ambacht uit tot een bloeiende industrie, mede dankzij de vestiging van Duitse textielfamilies zoals de Driessens.
Eeuwenlang werd in de Achterhoek en het aangrenzende Westfalen vlas verbouwd, waarvan op boerderijen linnen werd geweven. Deze huisnijverheid leidde tot een levendige grensoverschrijdende handel in geweven stoffen.
Tal van Aaltense boerderij- en straatnamen herinneren nog aan deze tijd, bijvoorbeeld: de Weversborg, de Pellewever, de Bleeke, de Vlasspreideweg en – vanwege het zuivere water – de Zilverbekendijk.
De komst van de Driessens
De invoerrechten op buitenlandse stoffen werden in 1823 verhoogd om de Nederlandse industrie te beschermen. Duitse textielbedrijven, waaronder de firma’s Gebrüder Driessen en Peter Driessen & Sohn in Bocholt, weken uit naar de Achterhoek. In 1826 vestigden zij zich in Aalten.
Met hun komst arriveerden er in 1826 ook 56 weefgetouwen en ongeveer twintig gezinnen uit Pruisen mee naar Aalten. De meesten vestigden zich hier permanent.
Groei van werkgelegenheid
Het aantal thuiswevers groeide gestaag. Bedroeg het aantal in 1828 nog 292, een jaar later was dit gestegen tot 352 en over 1833 wordt vermeld: ‘De bombazijnfabrieken sterk voortgezet, houdende de fabrieken in Aalten volgens opgaaf gewoonlijk bezig ongeveer 630 wevers. Zo in deze als in de omliggende gemeenten Winterswijk. Dinxperlo, Varsseveld, Lichtenvoorde, enz.’
Het spinnen van vlas op het spinnewiel
De eerste fabrieken
In 1829 waren er in Aalten twee katoenspinnerijen ‘welke omstreeks 40 menschen werk verschaffen’, waaronder die van de gebroeders Driessen. In 1830 waren het er drie, met ongeveer zestig werknemers.
Op 15 augustus 1829 had Jan Gerard Kraak ten Houten ‘gepatenteerd winkelier en koopman te Aalten’ aan de gouverneur van Gelderland te kennen gegeven in zijn woonplaats te willen oprichten ‘een bombazijnfabriek, spinnerij, verwerij en bleekerij’ waarvoor hij toestemming vraagt. De gemeenteraad heeft geen bezwaren tegen deze vestiging, ‘in aanmerking nemende dat het voornemen van den rekwestrant is om alleen bombazijn te doen fabriceeren door de wevers aan de huizen, zonder een spinnerij, bleekerij of verwerij op te rigten. Daardoor wordt genoegzaam werk aan den ambachtsman verzekerd’, terwijl er geen andere belangen worden geschaad. Uiteindelijk moest de koning daarover beslissen. Door alle raadgevers was een gunstig advies gegeven. Hoe lang dit bedrijf heeft bestaan en waar het was gevestigd, is niet bekend.
Bronnen
Geweven goed, de textielgeschiedenis van Aalten en Bredevoort H. de Beukelaer, J.G. ter Horst – Fagus, 1992
GROENLO — De Groenlose kantonrechter, mr. H. J. Steenbergen, werd gistermiddag geconfronteerd met een moderne Robin Hood. De jeugdige J. P. uit Bredevoort had de geschiedenis eeuwen teruggedraaid en was met pijl en boog gewapend op jacht geweest in Aalten. Maar aangezien de dagen van Robin Hood al lang vervlogen zijn en de wetgeving er tegenwoordig geheel anders uitziet, kwam hij in conflict met de jachtwet.
Met het primitieve wapentuig had P. een perceel bos tussen de Walvoortweg, de Stationsstraat en de Bredevoortsestraat onveilig gemaakt. Het bos heet Het Zwarte Woud. Een naam, die wonderwel paste bij de avontuurlijke sfeer, waarin de historieschrijvers de wakkere volgelingen van koning Richard Leeuwenhart hebben gehuld.
De Bredevoortse boogschutter had het gemunt op dieren, die op twee- of vier pootjes door het leven gaan en op hetgeen gevleugeld door het luchtruim zweeft, maar hij werd van jager wild toen de politie hem in het vizier kreeg. Toen bleek ook, dat P. geen echte volgeling van de grote held uit het spannende verhaal is. Hij liet de boog vallen en maakte zich uit de voeten. Hem ontbraken echter de sluwheid en de snelheid van Robin Hood, die zijn belagers telkens te glad af was, en dus liep P., nadat hij zijn pijlen aan een vriendje had gegeven, in de fuik. Zijn avontuur was uit.
P. keek de kantonrechter bedremmeld aan toen deze hem aan het verstand bracht, dat hij zich schuldig had gemaakt aan verboden jacht. Dat zijn spel dergelijke verstrekkende gevolgen zou hebben en ook financiële consequenties overviel hem. Een beetje beteuterd bracht hij eruit, dat het hem niet was begonnen om het jagen maar puur om de sport. De sensatie, die het schieten met pijl en boog hem verschafte, drongen de ge- en verboden ver op de achtergrond. Je hebt er toch mee op dieren geschoten, vroeg mr. Steenbergen. Wel geprobeerd, maar het lukte slecht, antwoordde P. Hij had de boog in Duitsland gekocht.
De kantonrechter had de proef op de som genomen en was daarbij tot de conclusie gekomen, dat het een gevaarlijk wapen was. De zware pijlen, voorzien van een metalen punt, zoefden hard door de lucht, zei hij. Mr. Steenbergen informeerde ook waarom P. er vandoor gegaan was. Voelde je je niet erg lekker? vroeg hij. Weet ik niet, stamelde P.
De officier van justitie, mr. J. Punt, was van mening, dat iemand, die met dergelijk jachttuig in het veld loopt, duidelijk aan het jagen is. Hij vond, dat dit geen aanmoediging verdient en om andere Wilhelm Tell-figuren af te schrikken, eiste hij een boete van f 60 of 6 dagen hechtenis en verbeurdverklaring van boog en pijlen. De kantonrechter verklaarde, dat P. verstandiger had gedaan aansluiting te zoeken bij een boogschuttersvereniging en als die gelegenheid in Aalten aanwezig was, was hij genegen P. in het bezit van pijl en boog te laten. Die mogelijkheid is er echter niet en daarom achtte mr. Steenbergen het noodzakelijk het wapen in beslag te nemen. Hij veroordeelde P. tot een boete van f 30,- of 3 dagen.
Klompen mogen dan niet meer zo heel veel worden gedragen, ze worden nog steeds gefabriceerd. Het uitstervende beroep wordt hier en daar in Twente en Oost-Gelderland nog met heel veel toewijding en vakmanschap beoefend, steeds meer machinaal uiteraard, maar ook nog met de hand. Zo’n handwerker in het klompenmakersvak is de heer H. Hoefman, wonend aan de Gasthuisstraat in het Achterhoekse stadje Bredevoort. Om precies te zijn – hij is ritser.
Dat zegt u waarschijnlijk net zoveel als het ons tot vanmorgen heeft gedaan, niets. Welnu dan. Ritsen houdt in het snijden van sierfiguurtjes op klompen en dat gebeurt veelal nog met de hand. De heer Hoefman is misschien wel een record-ritser. Dat is zaterdag gebleken, toen hij vijftig jaar in dienst was van een en dezelfde baas, de klompenfabriek Lichterink in de Aaltense buurtschap Barlo.
Op de jubileumreceptie, die de directie de heer Hoefman aanbood, rekende de heer Lichterink in de gauwigheid uit dat de heer Hoefman („een ware vriend en medewerker”, zei de baas hartelijk) in vijftig jaar tijds zo’n slordige twee miljoen paar klompen heeft geritst. Een onvoorstelbare stapel. Omdat velen op die jubileumreceptie, waar ook burgemeester E.S. van Veen verscheen, nou wel eens wilden zien hoe dat ritsen in z’n werk gaat, gaf de jubilaris ter plaatse een demonstratie.
Ergens werd een klomp vandaan gehaald en de heer Hoefman ging aan de slag. Een paar minuten later was de klomp geritst. Hij ging van hand tot hand en het fijne siersnijwerk van de trotse jubilaris oogstte terecht veler bewondering. Het was misschien wel het mooiste moment van de dag voor de jubilaris.
… een van de vier miljoen …
In 1957 werd de heer Hoefman al onderscheiden met een bronzen eremedaille in de Orde van Oranje Nassau.
Elk jaar worden in Nederland drie en een half miljoen paar klompen gemaakt. Daarvan zijn er tien à vijftien procent bestemd voor de export. Die exportklompen gaan niet als een curiositeit het land uit maar krijgen de bestemming die de klomp tenslotte van oorsprong heeft: ze worden gedragen.
Die drie en een half miljoen paar klompen worden in Nederland gemaakt door ongeveer honderd bedrijven. Vlak na de oorlog waren er nog 550 bedrijven die klompen maakten. Maar dat was een onnatuurlijke toestand die in de loop der jaren verdwenen is. Die honderd bedrijven zijn allemaal modern van opzet.
Tussen de enorme wolkenkrabbers laat de heer Houwer uit Bredevoort de Amerikanen zien hoe men vroeger in Nederland klompen maakte.
De tijd dat een klompenmaker aan zijn werkbank stond en bijna twee uur nodig had om een paar klompen te maken, is al lang voorbij. En toch worden er in Nederland nog wel klompen op de ouderwetse manier, met de hand dus, gemaakt. De heer G.J. Houwer uit Bredevoort kan daar een heleboel over vertellen. Zelf behoort hij tot een der weinigen in het land die nog klompen met de hand kunnen vervaardigen.
Om zijn bedrijf op gang te houden heeft hij het aloude handwerk al lang afgeschaft. Maar als er iemand komt die, b.v. door voetafwijkingen, speciale maatklompen moet hebben, dan kan die nog bij de heer Houwer terecht. Hierdoor houdt hij het ambacht, zoals dat vroeger werd beoefend, nog in ere. En kan hij zich meteen trainen voor de talrijke demonstraties die hij jaarlijks in binnen- en buitenland geeft. Waar het door komt, is moeilijk te zeggen. Maar de heer Houwer is op het gebied van klompen maken een internationaal bekend figuur geworden.
Zo is hij al een aantal keren in Amerika geweest. Dan eens op uitnodiging van de ANVV, de Algemene Ned. Vereniging voor Vreemdelingenverkeer, soms op uitnodiging van de K.L.M. of voor de Holland-Amerikalijn. En altijd was dat om goodwill voor ons land te kweken. Als er Amerikanen zijn die menen dat de Nederlanders alleen maar op klompen lopen, dan heeft de heer Houwer daartoe het zijne bijgedragen.
Hij heeft in tal van wereldsteden in Amerika zijn klompen op de ouderwetse manier gemaakt. En altijd had hij voor zijn demonstraties veel belangstelling. Van het publiek, maar ook van de televisie, de radio, de film. Soms geeft hij zijn demonstraties in de buitenlucht, ergens in een straat. Soms ook op een tentoonstelling.
Hij moet er zich wel een ander costuum voor aantrekken, want de Amerikaan ziet nu eenmaal graag dat de Nederlanders een rode zakdoek om de hals hebben en een ouderwetse pet op het hoofd hebben. Hoewel de heer Houwer weinig geeft om de show die er om zijn ambacht wordt geweven, zijn dat toch zaken waaraan hij moet toegeven.
Soms duurt zo’n demonstratie maar twee dagen en daarvoor moet de heer Houwer dan heen en terugvliegen. Hij is ook wel eens met een der grote passagiersboten van de Holland-Amerikalijn geweest. Dat vindt hij nog mooier dan vliegen, want onderweg wordt hem dan gelegenheid geboden zijn demonstraties te geven.
Al vijf jaar gaat de heer Houwer elk jaar een week naar Birmingham om daar tijdens een feestweek demonstraties te geven. Hij is daar zogezegd ’n vaste klant en elk jaar weer trekken zijn demonstraties daar veel belangstelling.
De heer Houwer weet zich nog goed te herinneren dat hij eens in Glasgow op een tentoonstelling stond. Naast hem stond een Helmondse textielfirma en de directeur daarvan vond het maar vervelend dat de houtspaanders op zijn mooie stoffen vielen. Dat gaf een beetje gekrakeel. Maar niet lang want na een uur was die directeur er al van overtuigd dat hij de beste plaats van de tentoonstelling had omdat de heer Houwer een grote trekpleister bleek te zijn. Toen was de vrede natuurlijk gauw gesloten.
Wie een vak goed kent, heeft er liefde voor. Dat is met de heer Houwer ook het geval, „Belangrijk is dat je het gereedschap goed in orde hebt”, zegt hij. Volgens hem mankeert het daar bij sommigen nog wel eens aan. Zelf zit hij al een kleine veertig jaar in het vak. Hij weet er alles van. Hij heeft het idee dat sommige doktoren zijn gaan inzien dat in sommige gevallen klompen beter zijn dan schoenen. Vandaar ook dat de vraag naar kinderklompen de laatste jaren wat groter is geworden. De heer Houwer weet ook wel dat de schoen ’n ernstige concurrent is en dat het moeilijk is tegen die concurrentie op te boksen. Maar zegt hij: „Het gaat ons er om om de klompen te laten dragen daar waar ze geschikter zijn dan schoenen”.
De 50-jarige klompenmaker Gerrit Jan Houwer uit Bredevoort demonstreert zijn ambacht in het KLM-kantoor in New York. Hij mocht zich verheugen in een overweldigende belangstelling van het publiek (1964).
Klompenmaker Houwer is terug uit New York
VORIGE WEEK om deze tijd verbaasde klompenmaker G.J. Houwer uit het Achterhoekse stadje Bredevoort in het hartje van het New Yorkse Manhattan nog honderden nieuwsgierige Amerikanen door de wijze waarop hij met vaardige hand uit een blok hout een echte hollandse klomp beitelde en sneed. Sinds maandagmorgen staat hij in zijn eigen bedrijf weer bij de machines, die daar het handwerk al lang overbodig hebben gemaakt.
Het was in elk opzicht een hele overgang: van de KLM-etalage op de hoek van de beroemde 5th Avenue en 49th Street in de metropool New York terug naar het machinale werk aan de Ganzenpoelendijk in het rustige Bredevoort. En het valt niet zo heel moeilijk te begrijpen, dat de heer Houwer met een nog ietwat afwezige blik eerlijk bekent: Het was eerst wel een beetje moeilijk hier weer gewoon aan de slag te gaan. Maar nou loopt het wel weer.
Mister Brevoort
Op een gegeven dag kreeg de heer Houwer het verzoek of hij in zijn etalage-werkplaats wilde poseren met een Amerikaan. Uiteraard werd het verzoek ingewilligd. Nadat de foto was gemaakt stelde de geportretteerde heer zich voor als Brevoort! Hij moet wel een verre nazaat zijn geweest van emigranten, die indertijd Houwer’s woonplaats Bredevoort verlieten om zich in Amerika te vestigen. Mister Brevoort, directeur van een grote bank in New York sprak overigens geen woord Nederlands meer, maar dat deed aan de zeer goede verstandhouding nauwelijks afbreuk.
Zweden moeten niet denken dat we land van boeren zijn
Trouw, 3 maart 1966
KLOMPENMAKER G.J. HOUWER (51) uit Breedevoort zal de Zweden eens laten zien hoe er in Nederland vanouds klompen worden gemaakt. Dinsdag is hij vertrokken naar Stockholm. Met een heleboel andere mensen uit Nederland, die naar de Zweedse hoofdstad zijn gegaan voor een „Hollandse week”, waarmee de Zweden duidelijk gemaakt moet worden dat er in Nederland niet alleen boeren wonen.
Morgen gaat die „week” open. Maar dan heeft klompenmaker Houwer zijn materiaal al uit de bagage. „Ik neem een rond blok hout mee, kloof dat en dan kunnen ze daar eens zien hoe er uit een brok hout een klomp groeit”, vertelde hij me voor het vertrek. Van de heer Houwer, al van zijn twaalfde jaar af in het klompenmakersvak, hoorde ik ook, dat in het Breedevoortse bedrijf de klompen gewoonlijk machinaal worden gemaakt. Maar de heer Houwer kent nog het handwerk. „Van de ruim vijfhonderd klompenbedrijven van kort na de oorlog zijn er nog een negentig over”, vertelde hij me. „Die hebben een produktie van 3,5 miljoen klompen per jaar. De produktie loopt de laatste tijd weer op. De klomp wordt herontdekt. Want je kunt er vaak afwijkingen aan voeten en benen mee corrigeren …”
Zoals ik al zei, de heer Houwer zit in een groep Nederlanders die naar Stockholm is gegaan. Mevrouw Ria Viegen-Pieffers, stadsbeiaardier van Doetinchem en Hengelo is er ook bij. Want natuurlijk moet er ook een carillon bespeeld worden. De Holland-week wordt morgen geopend door Nederlands ambassadeur in Zweden, mr. J. Visser. De Zweedse prinses Christina zal bij die gelegenheid in het Stockholmse winkelcentrum dertig vlaggenstandaards inwijden.
Op het programma van deze week, die als motto heeft „Holland är här” („Holland is hier”, als U geen Zweeds kent) staat ook een tentoonstelling. Die zal vooral het accent leggen op de „groene kustweg”, de toeristische route langs de Noordzeekust van Nederland, Duitsland en Denemarken. En verder zijn er natuurlijk vele andere zaken, die moeten helpen het beeld van ons land te verbeteren. En die klompen? „Hoewel er dan een klompenmaker meegaat, is de week vooral bedoeld om de image van Nederland als het land van de boeren de kop in te drukken”, zei me Gronings VVV-directeur H. Braber. En dat is de moeite van zo’n reis naar Zweden natuurlijk wel waard. Of niet soms?
Reizende goodwill ambassadeur
Nieuwe Winterswijksche Courant, 3 januari 1968
Aan de Misterstraat te Bredevoort staat de klompenmakerij van de heer G.J. Houwer. Wie echter de heer Houwer persoonlijk een bezoek komt brengen komt vaak tevergeefs. Want in 9 van de 10 gevallen is de heer Houwer op wereldreis. We vroegen de heer Houwer naar de aanleiding van die reizen. „Deze reizen worden me aangeboden door verschillende zakencentra, jaarbeurzen, tentoonstellingen, enz. Ik ben net terug vaneen trip van drie weken naar San Francisco. Daar stond ik ook op een tentoonstelling. Het gaat daar meestal om specifieke beroepen uit verschillende landen, die dan op zo’n tentoonstelling een speciale attraktie vormen. En voor Nederland komt dan de klompenmaker in aanmerking. Hoe die organisatoren in zo’n geval aan mijn naam komen is mij volslagen onduidelijk.
De eerste keer dat het gebeurde stond ik op de „Ahoy” in Rotterdam. Dat was in 1958. Daarna werden mij van alle kanten aanbiedingen gedaan. Ik ben bijna heel Europa door geweest, was in Amerika, Afrika en weet ik wat nog meer. Elk jaar sta ik in Arnhem een week in het openluchtmuseum. En verder geef ik zo hier en daar een demonstratie. Maar de meeste reizen zijn naar het buitenland. Die worden geheel voor me verzorgd. Meestal vlieg ik met de KLM en de ticket wordt mij dan thuisbezorgd. Ook ben ik drie maal met de Holl. Am. lijn vice versa Rotterdam-New York geweest. Dat was op de zg. „Festival Trips”. Dan was ik een speciale attraktie aan boord. Op zo’n manier zie je een heel stuk van de wereld.
In september was ik nog drie weken in Johannesburg. Gelukkig heb ik goede vakmensen op de zaak, die me die tijd volledig vervangen kunnen. Anders was dat alles natuurlijk niet mogelijk. Ik heb één keer mijn vrouw meegenomen op een reis. Maar altijd kan niet. Zou onbetaalbaar zijn. Op demonstraties worden de klompen geheel met de hand gemaakt, zo dat vroeger ook gebeurde. Op de zaak doen we het machinaal, want handwerk zou veel te duur worden.
Volgens mij is er nog zeker een markt voor klompen. Er zijn speciale plaatsen en gelegenheden waar de klomp de beste voetbedekking is. B.v. in de landbouw, in de kassen, enz. Toevallig ben ik nu bezig aan een paar maatklompen voor een negerin uit Kaapstad. Ik had ze graag ter plaatse gemaakt, maar de tijd ontbrak me. Ik heb een voetomtrek van haar gemaakt, en maak nu thuis de klompen af. Ze worden t.z.t. wel naar haar opgestuurd.
Tegenwoordig is de klompenproduktie 3½ miljoen paar per jaar. Hiervan is 80% voor de export. Dat aantal kon nog veel hoger zijn, als men geen vooroordeel tegen de klomp had. Nu beginnen de mensen met te zeggen: „op klompen kun je niet lopen”. Dit is beslist onjuist. Voor elke voet is een passende klomp. Juist voor mensen, met voetkwalen zijn klompen uitermate geschikt. Met klompen horen likdoorns, eksterogen, eeltknobbels, enz. voorgoed tot het verleden. En om dat het publiek bij te brengen houd ik mijn demonstraties. Om hen met eigen ogen te laten zien met hoeveel geduld er aan elk paar klompen gewerkt wordt, om ze passend te maken voor elke voet.
Elke Kerst ontvang ik tientallen kaarten en pakjes van dankbare klanten over de hele wereld. Hieronder zijn burgemeesters, bankdirekteuren en gewone mensen. En dat is het prettige wat van die reizen overblijft. De vriendschap met mensen over de hele wereld. Daarom voel ik me wel een reizende good-will ambassadeur voor ons land. Dit vind ik het aantrekkelijke van mijn werk.”
Bronnen
Nieuwe Winterswijksche Courant, 29 oktober 1965 (Delpher)
In 1965 had Aalten een landelijke primeur. De Rabobank aan de Hofstraat werd in dat jaar geopend en had als eerste in Nederland een autoloket.
“Dat onze bank met haar tijd mee weet te gaan blijkt wel uit deze foto, waarop het moderne volautomatische buitenloket – of zo men wil: autoloket – staat afgebeeld.
Dit loket bevindt zich in de voorgevel onder een luifel. Automobilisten behoeven niet meer uit hun auto te stappen om naar binnen te gaan voor het afdoen van geldzaken. Zij kunnen via een microfoon en een vernuftig schakelsysteem in hun auto zittend hun geldzaken behandelen.
Hier geldt met recht: de een z’n microfoon, de ander zijn stuurwiel en tussen hen in het loket. Zo doet men zaken aan een buitenloket. Uit de aard der zaak kan ook een niet-automobilist van dit buitenloket gebruik maken.”
Autoschalter
Uit een gesprek met oud-directeur J. Beun in april 2014, door Ina Brethouwer:
“Bij mijn komst in 1959 werd de Coöperatieve Boerenleenbank groter maar de locatie Kerkstraat was een oud gebouw. Er moest verbouwd worden of er moest nieuwbouw komen. Er waren plannen voor een fusie met de Middenstandsbank maar we hadden te maken met twee felle tegenstanders. Aan deze klanten van de Middenstandsbank is veel aandacht besteed.
Achter de oude bank, gezien vanaf de Kerkstraat, lagen heel veel kleine volkstuintjes. Dat is het terrein waar nu de Rabobank in de Hofstraat staat. Er volgde een lange rij gesprekken met alle eigenaren en alle tuintjes zijn opgekocht.
De ontwikkelingen volgden zich op en begin jaren zestig begon de bouw van de nieuwe bank. In Nederland konden we die typische vloerbedekking die we zochten voor het nieuwe bankgebouw niet krijgen. We zijn daarom ettelijke keren naar Duitsland geweest. Daar kwamen we steeds weer die Autoschalter tegen.
Zo kreeg ook Aalten in Nederland de primeur van de “Autoschalter”, het buitenloket voor auto’s. Je reed voor met de auto en dan werd je via een la bediend. Je deed je spullen in de la, er was een spreek-luister-verbinding, de la werd naar binnengehaald en het gevraagde werd vervolgens toegeschoven.
Het nieuwe bankgebouw was acht meter vanaf de weg naar achteren gebouwd met het oog op toekomstige uitbreiding. Ook was er bij de nieuwbouw rekening gehouden met een tweede automatisch loket ondergronds in de kelder. Maar die ontwikkeling ging niet door, ook niet in Duitsland, vanwege bankpassen en andere apparatuur.
De fusie van de twee Aaltense banken werd doorgezet. De nieuwe naam werd: Coöperatieve Aaltense Boerenleenbank Middenstandsbank. Het ging allemaal goed, het was een evenredige verdeling en het werd geen prestigekwestie.”
AALTEN – Vrijdagmiddag half twee stapte de 24-jarige Theo Megens voor zijn ouderlijke woning, Patrimoniumstraat 6 te Aalten, van de fiets. Voor Theo betekende dit het einde van een 6000 km lange fietstocht, waaraan hij op 29 mei was begonnen.
Theo aan de Poolcirkel
Theo, die het fietsen wel echt in het bloed zit, had zijn doel bereikt. Het was hem begonnen om de Poolcirkel te bereiken en om de middernachtszon te zien. Hiervan is hij zeer onder de indruk geweest, hoewel hij natuurlijk op zijn lange fietstocht wel meer bezienswaardigheden is tegen gekomen. Daarvan getuigen de honderden kleurendia’s die Theo op deze trektocht heeft gemaakt, en die het bekijken zeker waard zijn.
Over zijn ervaringen in de Scandinavische landen vertelt Theo graag. Veel waardering heeft hij voor de gastvrijheid der bewoners van het noordelijk halfrond. „Natuurlijk was ik in hoofdzaak op mijzelf aangewezen: slapen in een tentje en zelf eten koken, maar daarnaast is de steun van de bevolking toch wel erg plezierig”, zegt Theo.
In Narvik (Noorwegen) ontmoette Theo een paar landgenoten die per auto op trektocht waren. Moeilijkheden wanen er natuurlijk ook wel al waren die in hoofdzaak van technische aard. Zo heeft hij in totaal zes fietsbanden versleten: vier achter- en twee voorbanden. Deze moesten uit Nederland gestuurd worden omdat hij ze in het hoge noorden niet kon krijgen.
Onder de vele souvenirs die hij op moeders tafel uitstalde, was een echte rendierenhuid. Plannen voor een volgende tocht heeft Theo momenteel nog niet, maar het is wel zeker dat dit de laatste niet is geweest.
Onder toezicht en bescherming van vier man rijkspolitie hebben gisteren werklieden van de dienst gemeentewerken te Aalten op het erf van de landbouwer G.J. Neerhof in de buurtschap Dale een varkensschuur afgebroken, welke deze daar enkele maanden geleden zonder gemeentelijke vergunning had gebouwd en die hij ondanks herhaalde lastgevingen had geweigerd te slopen.
Daarmee is dan (voorlopig) het laatste woord gezegd in een van die onvermijdelijke geschillen, welke voortvloeien uit de botsing van wat de enkeling zijn persoonlijke vrijheid noemt en een complex van ambtelijke maatregelen, die weliswaar democratisch tot stand zijn gekomen maar bepaald niet steeds als zodanig worden gewaardeerd.
Dat conflict loopt al van het begin van dit jaar. De heer Neerhof wilde op zijn grond een kippenhok bouwen met een varkensschuur. De vergunning werd hem door b. en w. geweigerd, omdat op die plek volgens het uitbreidingsplan van de gemeente de bestemming „bos” was gelegd.
Noabers plaatsten schimpscheuten
Neerhof lapte die hem onjuist en onlogisch lijkende bepaling aan z’n klompen en bouwde toch. Dat is in Aalten op zich zelf bepaald niet revolutionair, want in heel de gemeente zijn wel bouwsels verrezen waarvan de competente ambtenaren echt geen weet hebben. Neerhof deed wat vele anderen voor hem hadden gedaan met dit verschil dat hij zo netjes was wel eerst een vergunning te vragen. Zijn „geval” was dus op het gemeentehuis bekend, het werd geleidelijk zelfs berucht.
Neerhof probeerde de raad mee te krijgen. Maar dit college had zich in een moeilijke positie gemanoeuvreerd doordat het indertijd het uitbreidingsplan met die bos-bestemming op de grond van Neerhof had goedgekeurd. Heel de raad zag dat later als onjuist en voor de betrokken boer nadelig. Maar men kon niet meer terug: de planologische dienst te Arnhem vond die bestemming namelijk wel juist en er restte de raadsleden niets anders dan zuchtend te berusten.
Het varken moet verhuizen; het heeft al te lang zonder vergunning gewoond
Neerhof’s bezwaarschrift werd ongegrond verklaard. Hij kreeg aanzegging het bouwsel af te breken. Neerhof sloeg haar in de wind. Als om de zaak op de spits te drijven bouwde hij bij het clandestiene kippenhok ook nog een varkensschuur.
Tezelfdertijd richtte hij zich in een adres tot de gemeenteraad, die inmiddels al te kennen had gegeven het uitbreidingsplan in voor Neerhof gunstige zin te willen herzien. Maar de raad vergat dat hij al niet meer het laatste woord had, dat lag bij gedeputeerde staten in Arnhem.
Urenlang boomde de raad op 21 september j.l. over de kwestie en daarbij werden soms harde woorden gericht aan het adres van b. en w. Maar de raad kon niet anders dan b. & w. volgen in hun advies om met Neerhof vele anderen in de gemeente nu eindelijk eens te laten zien dat democratisch tot stand gekomen wetten en verordeningen dienen te worden nageleefd.
Wat deed Neerhof? Hij verving het kippenhok door verscheidene verplaatsbare hokjes, waarvoor geen vergunning nodig is. Maar het varkenshok liet hij staan, ondanks een nieuwe gemeentelijke lastgeving, dat het moest worden afgebroken.
Koffie
Het sloopwerk vordert gestaag
Neerhof keek dan ook heus niet vreemd op, toen gistermorgen een viertal gemeentewerklieden, een paar ambtenaren en twee mannen van de rijkspolitie zijn erf opkwamen om recht en wet hun loop te doen hebben. In de noaberschap was het nieuws al gauw bekend geworden en naarmate het slopen vorderde werd de kring van mopperende en schimpscheuten plaatsende buurtgenoten rond dat trieste tafereel groter. Misschien was dat de oorzaak dat het aantal politiemannen in de loop van de morgen verdubbelde. Hetgeen een der boeren sarcastisch deed opmerken: „Wat verwachten jullie eigenlijk? Wi’j bunt geen Koekoekboeren!”
Zo nuchter zagen de boeren de zaak overigens nog wel dat ze de politie niets verweten. Maar zonder een blad voor de mond te nemen zeiden ze hoe ze dachten over de burgemeester („Woarum is dèn noo neet hier!”) en de ambtenaren van gemeentewerken. En dat was bepaald niet vleiend.
Pas helemaal op het laatst, toen het hok al niet meer bestond, verloor een huisgenote van Neerhof, die met een kan koffie kwam aan dragen, haar zelfbeheersing. Luidkeels slingerde zij de ambtenaren, die zich juist opmaakten te vertrekken, verwijten en verwensingen naar het hoofd. Daarna schonk ze, kennelijk opgelucht, alle omstanders een kop warme koffie in. Neerhof bood ook de politiemannen koffie aan, maar die bedankten beleefd. De werklieden, die het hok hadden afgebroken, moesten of ze wilden of niet, hun gereedschap even aan de kant leggen, om ook een slok te drinken. Die waren per slot van rekening ook niet voor de lol gekomen, vonden de boeren.
„Kwestie Neerhof”
De eerste gemeenteraadsvergadering in het nieuwe jaar, op 16 januari 1962, was voor een groot deel gewijd aan de zo langzamerhand overbekend geworden „kwestie Neerhof”. Zoals bekend, heeft de heer Neerhof zonder vergunning kippenhokken gebouwd op een perceel grond, waarop de bestemming „bos” ligt. Drie keer heeft de raad zich reeds bezig gehouden met dit geval, maar een voor beide partijen bevredigende oplossing werd niet gevonden. Ter tafel was ditmaal een voorstel van de heer H.A.J. Luiten (A.R.). mede ondertekend door zijn fractiegenoten G.J. Luiten en G.J. Navis, tot partiële herziening van het uitbreidingsplan in hoofdzaak.
Het college van b. en w. was van mening dit voorstel ten sterkste te moeten ontraden, aangezien de onrechtmatige daad van Neerhof, welke niet alleen door de voorsteller maar door de overgrote meerderheid van de raad meermalen ten zeerste was afgekeurd, door de bedoelde wijziging van het uitbreidingsplan zou worden gesanctioneerd. Tevens zou het de indruk vestigen, dat de raad er toe meewerkt, dat de overtreder van de door hem vastgestelde voorschriften, in strijd met alle rechtsbegrip, toch in het gelijk wordt gesteld.
Over deze mening heerste nogal verdeeldheid. De heer H.A.J. Luiten was van mening, dat het pre-advies erg getrokken is in het persoonlijke vlak en van weinig zakelijke aard is. Spr. wees op de fout, die indertijd is gemaakt bij de goedkeuring van het uitbreidingsplan en vroeg zich voorts af of Neerhof op deze manier gestraft moet worden door de toen gemaakte fout te laten voortbestaan. De C.H.U.-fractie stelde zich bij monde van de heer H.L. Obbink achter het advies van b. en w.
„Wettig maken”
De heer B. Huinink erkende de fout van Neerhof. Nu echter de zaak zo ligt vroeg hij zich af of het niet anders kan, door b.v. van de onwettige een wettige daad te maken. Neerhof is volgens hem al voldoende gestraft (afbraak varkensschuur) en voor de gevolgen bij de aanvaarding van het voorstel zei spr. niet bang te zijn. „Na al deze „trammelant”, zo stelde spr. vast, „zal niemand het meer gemakkelijk in zijn hoofd halen een dergelijk geval op touw te zetten”. Bovendien was hij van mening dat door het uitblijven van maatregelen van de zijde van ’t college de verwachting is gewekt dat het nog wel in orde zou komen.
Nog lang werd van gedachten gewisseld over deze zaak waarbij veelal, zoals voorheen, de bosbestemming „onrechtmatig” werd genoemd. Zo voerde de heer H.W. Luimes nog aan dat zowel de raad bij de goedkeuring van het uitbreidingsplan als de heer Neerhof met de bouw van de kippenhokken volkomen te goeder trouw hebben gehandeld.
In zijn antwoord merkte de heer Van Veen op niet veel lust meer te hebben hierover nog eens weer langdurig te debatteren. Nog steeds zei hij er van overtuigd te zijn dat het bewuste perceel grond rechtmatig de bestemming „bos” heeft gekregen. Derhalve ziet spr. dan ook geen andere oplossing dan een volledige wijziging tezijnertijd van het uitbreidingsplan in hoofdzaak. Hierna werd het voorstel tot partiële herziening in stemming gebracht; het werd met acht tegen zes stemmen aangenomen.
Precies drie weken nadat in Aalten de Vaags-reünie is gehouden komen in deze gemeente nazaten van een andere typisch Aaltense familie bijeen: de Te Gussinklo’s. De opzet van deze familiereünie is enigszins anders dan bij die van maandag j.l. Toen immers waren er in Aalten slechts Vaagsen of daarmee getrouwden aanwezig. Bij de Te Gussinklo-reünie is er evenwel sprake van de nazaten van één bepaalde tak, maar die is voor deze gelegenheid dan ook bij wijze van spreken helemaal afgebladerd, zodat er ook familieleden met heel andere namen present zullen zijn.
Stamboom reikt tot jaar 1562
De basis voor deze reünie is gelegd door wijlen de heer K.B. te Gussinklo in Scheveningen, een man die al jong met pensioen uit Ned. Indië terugkwam en die toen heel veel van zijn ruim beschikbare vrije tijd heeft besteed aan het nasnuffelen van oude archieven, doopboeken e.d. om een stamboom van de familie Te Gussinklo te kunnen opzetten.
De oorsprong van deze stamboom gaat terug tot het jaar 1562, toen een zekere Goeken ten Gussinkloe werd geboren in de toenmalige heerlijkheid Lintelo. In die heerlijkheid lag zoiets als een oud kasteel (later zijn daar ook restanten van blootgelegd) dat de Te Gussinklo’s, zoals ze gingen heten, tot woonstee heeft gediend. Deze stamboom kon worden samengesteld uit de zgn. Volontaire Protocollen der Stadt Breedevoort, zoals die zich bevinden in het rijksarchief te Arnhem, en voor de periode van 1665 tot 1811 uit het „reghister van houwelijcken in den Kerspele van de Heerlijkheid Aalten”. Voor de gegevens van de laatste anderhalve eeuw kon uiteraard een beroep worden gedaan op de gemeentelijke archieven.
Stamvader
Deze stamboom telde zes takken. Voor de komende reünie is maar een van die takken grondig nagezocht. Men is daarbij uitgegaan van de in 1807 geboren Willem te Gussinklo, die op de Markt te Aalten heeft gewoond en die gehuwd was met Josina Aleida Mierdink. Uit dit huwelijk zijn zes kinderen geboren. Nagegaan is nu welke nazaten van deze kinderen met hun aanverwanten nog in leven zijn. Van hen bleek een honderdtal te achterhalen en die zijn uitgenodigd op Tweede Pinksterdag in Irene te Aalten te komen kennismaken of de kennismaking te hernieuwen.
Vast staat nu reeds dat velen elkaar zelfs niet van naam kennen, laat staan weten dat zij familie van elkaar zijn. Zij zullen komen uit alle delen des lands, want hoewel de Te Gussinklo’s in wezen een oer-Gelders geslacht zijn, hebben vele telgen blijk gegeven van grote reis- en ondernemingslust. Tot de genodigden behoren afstammelingen van wat men zou kunnen noemen de landbouwerstak, de horlogemakerstak, de ondememerstak, maar ook de nazaten van twee naar Amerika geëmigreerde Te Gussinklo’s, die daar carrière hebben gemaakt; of de laatsten zullen verschijnen op de reunie is overigens twijfelachtig.
Een driemanschap, bestaande uit de heren W. te Gussinklo, de senior van de onderhavige tak, G.B.K. Peters en T.M. Schelling te Delden is al maanden doende deze bijeenkomst voor te bereiden. Dat zij zo kort na de Vaags-reünie wordt gehouden is louter toeval.
De reünisten worden Pinkstermaandag tussen 10 en 11 uur in Irene verwacht, waarna zij gezamenlijk zullen aanzitten aan een Gelderse koffietafel. Daar zal de heer W. te Gussinklo uiteenzetten hoe de familiedag tot stand gekomen is en daarna zal er uiteraard ruimschoots gelegenheid zijn na te gaan in hoeverre wie van wie familie is. ’s Middags zal er een rondrit door Aalten worden gemaakt o.m. langs hofsteden die in de historie der Te Gussinklo’s een rol hebben gespeeld. Een diner zal deze familiedag besluiten.
Maandag komt in de sociëteit te Aalten een gezelschap dames en heren bijeen, die, hoewel volslagen onbekend zijn voor elkaar en uit diverse windstreken van het land komend, zich niet aan elkaar behoeven voor te stellen. Om de eenvoudige reden dat hun namen gelijkluidend zijn. Kort en goed: Vaags. Na jarenlang sibbekundig speurwerk en maanden van administratieve voorbereiding zal dan namelijk eindelijk de Vaags-reünie een feit kunnen worden. En waar zou die beter gehouden kunnen worden dan in Aalten, waar de stamvader aller Vaagsen het levenslicht aanschouwde?
Geleense scheikundige zette stamboom op
Dat is inmiddels een kleine tweehonderd vijftig jaar geleden. We mogen dat aannemen op gezag van iemand, die het allemaal haarfijn heeft uitgezocht. Een Vaags, uiteraard. En wel een zekere P.B. Vaags uit Geleen, een 35-jarige scheikundige bij de staatsmijnen. Deze Limburgse Vaags heeft bij de opbouw van een familiestamboom dankbaar gebruik kunnen maken van de oudste gegevens, zoals die in het begin van de laatste oorlog waren verzameld door wijlen de heer A.A. Vreede, wiens dochter thans woonachtig is in Dinslaken.
Hij is er jarenlang druk mee geweest, heeft in binnen- en buitenland navraag gedaan, heeft officiële gegevens voor zover aanwezig van gemeentesecretarieën verkregen en verwerkt, ging eens een praatje maken met deze en gene. En zo is geleidelijk een boekwerkje ontstaan, dat niet alleen voor de Vaagsen interessant is. Een in het kort beschreven familiegeschiedenis, die eeuwen terugreikt.
Stamvader Voogedes
De stamvader aller Vaagsen woonde oorspronkelijk in Bocholt, waar hij op 8 april 1693 werd geboren. Na zijn huwelijk met de Aaltense schone Hanna Degenaar vestigde het paar zich in Aalten. Die stamvader heette overigens Voogedes. Hun op 23 januari 1718 geboren Jannes Petrus ging uiteindelijk na naamswijzigingen in Voegts, Vaegts e.d. Vaags heten. Van deze latere assessor en kerkmeester stammen alle nu levende Vaagsen af.
Van deze Nederlandse stamvader en zijn huwelijk met Berendina Lankhof leiden zeven takken door de eeuwen heen naar de huidige generatie. Twee ervan zijn al afgevallen. Er zijn er derhalve nog vijf over. Maar daarvan zal er naar menselijke berekening op korte termijn weer een verdwijnen, daar de laatste telg van de zgn. G-tak een ongehuwd man in Den Haag is.
Dan resten nog de P-tak, de H-tak, de J-tak en de B-tak. Uit die takken is blijkens het onderzoek van de heer Vaags uit Geleen een respectabel aantal takken of twijgjes voortgekomen. Thans zijn er nog 232 levende Vaagsen, van wie er 153 in Gelderland wonen (voor 63,4 pct in de Achterhoek) en de rest verspreid over alle delen des lands, alsmede nog 14 in Canada, 7 in Rhodesia, 4 in Noorwegen en 1 in Zuid-Afrika. Het zijn mensen uit alle rangen en standen.
Bomen planten
Zeer gemêleerd zal zeker ook ’t gezelschap reünisten zijn, dat maandag a.s. om 11 uur ’s morgens ter begroeting en kennismaking zal samenkomen. Uiteraard komen ze lang niet allemaal. Overdag zullen het er zo’n 90 zijn, ’s avonds ongeveer 120. Na een gezamenlijke koffietafel zullen er ’s middags op het landgoed ’t Walfort vier Vaagsen-bomen worden geplant, voor elke nog groei- en bloeikrachtige tak één: deze bomen zullen in onderhoud aan het gemeentebestuur worden overgedragen. Daarna zal er gelegenheid zijn om wat in Aalten rond te wandelen en bijvoorbeeld eens een kijkje te gaan nemen bij de oude „stamhuizen”, ’s Avonds is er dan een meer feestelijk samenzijn.
Wie de lust zou bekruipen om als buitenstaander via een simpel kennismakingsgemompel: „Vaags, aangenaam” in deze reünie binnen te dringen, die zij er op gewezen dat alle reünisten een keurig strikje dragen, verschillend in kleur al naar gelang de tak waartoe zij behoren. Bovendien heeft de heer Vaags uit Geleen nog zoiets als een code gevonden om de stamboom overzichtelijk te maken. En die code is werkelijk alleen te ontcijferen als je in het bezit bent van zo’n Vaagsen-familieboek. Maar daarvoor moet je natuurlijk een Vaags zijn.
Een week later schrijft Dagblad Tubantia over het verloop van de reünie:
Vaags-reünie werd een gezellig familiefeest
De reünie van de Vaags-familie in Aalten is gisteren geworden tot een blij en gezellig samenzijn. De meeste Vaagsen en semi-Vaagsen kenden elkaar vanwege hun diverse Achterhoekse woonplaatsen wel, doch er waren toch ook nog verscheidene stamverwanten van verre gekomen. Maar die waren al gauw na de ontvangst, gistermorgen om elf uur in de Sociëteit wat men noemt „en famille”. Honderd en een keer is bij de onderlinge kennismaking het woord „Vaags” gevallen. Dan was er wat gezoek en getast tussen het lover van de stamboom om uit te maken of men misschien nog rechtlijnig familie van elkaar was. De strikjes, die de reünisten droegen, in de kleuren oranje, rood, wit en blauw waren daarbij een puik werkend hulpmiddel.
Vier bomen geplant op ’t Walfort
Een van de vier Vaags-bomen, die van de oranje tak, wordt bij het restant van het kasteel ’t Walfort geplant.
Er is gisteren zo in onderlinge gesprekjes aan tafel of bij de borrel flink gegrasduind in de stamboom, die de animator van deze reünie, de heer P.B. Vaags uit Geleen, zo soliede heeft opgezet. Dat iedereen familie van iedereen was vermocht lang niet iedereen te bevredigen. Men wilde wel eens weten in hoeverre die stamverwantschap ging. En daarbij was het boekwerkje van de Limburgse Vaags met zijn handige codering onmisbaar.
Zeer terecht heeft de voorzitter van het werkcomité, de (Winterswijkse) heer J.B. Vaags, in zijn begroetingswoord de verdiensten van dat werk geschetst. En daarbij bleef het niet. Een der Aaltense reünisten had een keurig miniatuur-stamboompje geknutseld met de vier hoofdtakken in kleuren en dat werd de heer Vaags uit Geleen als een blijvend aandenken aan zijn werk en de reünie, die eruit voortvloeide, aangeboden.
Een bijzonder woord van welkom gold de heer en mevrouw Brinkmann-Greeve, het predikanten-echtpaar uit Dinslaken. De heer Greeve heeft namelijk in het begin van de oorlog de eerste genealogische gegevens over de familie Vaags verzameld en op deze gegevens heeft de heer Vaags uit Geleen bij zijn latere onderzoek voortgeborduurd. Mevr. Vreede zei in haar antwoord, mede namens haar man, het een hele eer te achten deze reünie te mogen bijwonen.
Daarmee was dan voorlopig het officiële gedeelte ten einde. Men praatte nog wat en ging toen aan de koffietafel.
In vier groepen
De middag begon met het tweede officiële gedeelte, het planten van vier Vaags-bomen op het landgoed ’t Walfort. Daarmee hopen de Vaagsen de herinnering aan hun reünie symbolisch gestalte te hebben gegeven voor zeer lange tijd. De ongeveer honderd reünisten begaven zich te voet, per bus of per auto naar het (nu) gemeentelijke landgoed. Een betere plaats had men moeilijk kunnen kiezen, per slot van rekening is de bewoner van wat er nog rest van het oude slot ook nog verwant aan de Vaagsen.
Daar hebben dan de van een oranje, rood, wit of blauw strik voorziene boompjes (voor elke nog levenskrachtige tak van de familie één) hun bestemming gekregen, omgeven door de bijbehorende stamgenoten. Voor even viel het grote Vaags-gezin in vier groepen uiteen. Maar nadat burgemeester Van Veen de boompjes met enkele vriendelijke woorden had geaccepteerd in de gemeentelijke hoede, was de eenheid weer snel hersteld. Men heeft daarna nog gezellig in Aalten rondgewandeld, is hier en daar een oud „stamhuis” gaan bezoeken en gezamenlijk gaan eten. En ’s avonds hebben de Heikneuters de toen nog wat talrijker geworden familie met een liedje, een praatje en wat muziek een paar uur prettig geamuseerd.
„Een kleine moeite, dacht ik….”
P.B. Vaags uit Geleen
De man, die in wezen de reünie van de Vaags-familie heeft mogelijk gemaakt door zijn sibbekundig speurwerk, de heer P. B. Vaags, woont weliswaar in het Limburgse Geleen maar is van huis uit een echte Achterhoeker. Zijn grootvader was Aaltenaar, zijn vader en hijzelf komen uit Eibergen.
„De naam Vaags heeft me al lang geïntrigeerd, vooral omdat je hem elders in het land vrijwel niet tegenkomt. Ik dacht dat ’t een kleine moeite zou zijn om alle familieleden na te speuren. Maar daar heb ik me toch op verkeken. Ik begon met eenvoudig een serie oude giro- en telefoonboeken op de naam Vaags te onderzoeken – je moet toch ergens beginnen – en toen bleek al gauw dat de boom al dikker en dikker werd. Ik heb deze en gene geschreven, ben in Aalten eens met bakker Vaags gaan praten en toen ik eenmaal zover was wilde het werk me niet meer loslaten”.
Het heeft al met al een anderhalf jaar in beslag genomen voor de stamboom, compleet met alle takken en twijgjes, kloek overeind stond. Toen kon het organisatorische werk voor de reünie beginnen. Maar daarmee heeft de Geleense Vaags zich niet bemoeid. Dat is meer het werk geweest van de in dat soort zaken zeer bedreven VVV-secretaris.
Zaterdagmiddag heeft de padvinderij te Aalten de beschikking gekregen over een eigen gloednieuw clubhuis. Hiermede is een einde gekomen aan een jarenlange worsteling van dit gilde om een eigen bescheiden, doch degelijk onderdak te krijgen.
Padvindersgebouwtje aan de Haartsestraat
Verschillende behuizingen heeft de Aaltense padvinderij gekend, doch meestal waren het „krotten” die na enige tijd alleen nog voor afbraak in aanmerking kwamen, met het gevolg dat dit stuk jeugdwerk herhaaldelijk „op straat stond”. De meisjes en jongens in het bekende uniform gaven echter de moed niet op. Vastberaden ging hun werk voort, met uiteindelijk als resultaat, dat dankzij veler medewerking nu een eigen home kon worden betrokken.
Weg ging niet over rozen
Half verscholen in het Veldhuisbosje aan de Haartsestraat staat een gebouwtje waar menige jeugdclub jaloers op zou worden. Dat de weg naar de totstandkoming van het clubhuis echter niet altijd over rozen heeft geleid, bleek overduidelijk uit de openingstoespraak van de voorzitter van het stichtingsbestuur, de heer B. Garretsen.
Zeer veel moeilijkheden moesten overwonnen worden, doch, zo stelde de heer Garretsen het, is dit niet bij alle gebouwen die door particulier initiatief tot stand komen hetzelfde? Het zou echter verschrikkelijk jammer zijn geweest, zo vervolgde de voorzitter, dat we deze 80 jongens en meisjes geen onderdak konden geven, want zonder dit gebouw zou de gehele padvinderij van het N.P.V. en N.P.G. in Aalten opgedoekt moeten worden.
Er moest dus iets gebeuren, en er is iets gebeurd. Het gebouw staat er, het ziet er keurig uit, maar er wordt nog veel gemist, zoals water en licht, terwijl voorts de binnenbeschildering nog veel te wensen overlaat. Het bestuur staat echter op het standpunt dat men eerst uit de schulden moet voor er verder gewerkt wordt. Zover het gebouw er nu staat heeft het ƒ 7000 gekost. Er zal dan ook op verscheidene portemonnaies nog een beroep worden gedaan.
Medewerking van velen
Van de vele prettige dingen noemde de heer Garretsen de medewerking van het gemeentebestuur. Dank bracht hij deze voor de beschikbaarstelling van het terrein en het bedrag van ƒ 2500. Dank bracht hij voorts aan de directeur van de Chr. Technische school te Aalten, de leer S.J. v.d. Oever, die het gebouw heeft ontworpen en laten uitvoeren door de leraren Schuijtemaker en v.d. Woestijne met een aantal 15-jarige leerlingen.
Met het overhandigen van de sleutels aan hopman W. Prinsen droeg de heer Garretsen tenslotte het gebouw over aan de padvinders. Hierna voerden verschillende sprekers het woord. Burgemeester E.S. van Veen die met beide wethouders aanwezig was, feliciteerde namens het gemeentebestuur, mevr. Hartsuiker namens het hoofdkwartier van het Ned. Padvindsters Gilde, districtscommandant Bosman namens ’t district Winterswijk, Akela Strating te te Borculo, assistente van het hoofdkwartier, en verder vertegenwoordigers van de Aaltense geestelijkheid. Voorts waren aanwezig padvindersgroepen uit omliggende gemeenten zoals Doetinchem, Neede, Ruurlo, Varsseveld, Eibergen, enz. De Enschedese Padvinders Marsband verzorgde de muzikale omlijsting, en gaf zaterdagavond nog een taptoe op het Marktplein.
Rest zij nog vermeld dat de officiële openingsplechtigheid werd verricht door burgemeester E.S. van Veen. Hiertoe hadden de „Burchtlanciers”, zoals de groep Aalten heet, voor het gebouw een ophaalbrug gebouwd. Nadat deze was neergelaten, begaven de heer van Veen en de talrijke genodigden zich over de brug naar het gebouw.
Zondag 7 juli 1957 was een smoorhete dag. Veel inwoners van Aalten wilden daarom graag een verkoelende duik nemen in zwembad ’t Walfort. Het was destijds echter niet toegestaan het zwembad op zondag te openen. Honderden inwoners waren het daar niet mee eens en togen die middag naar het bad. De jeugd klom over de omheining en ouderen forceerden toegang tot het zwembad. Even later dook de menigte het verfrissende bad in, en de ijlings ontboden politie kon er niets tegen doen!
Stormloop op ’t Walfort
Nieuwe Winterswijksche Courant, 8 juli 1957
Aalten heeft een mooi natuurzwembad, ’t Walfort. Maar op zondag mag er niet gezwommen worden. De overwegend rechts-Christelijke gemeenteraad heeft met enkele stemmen meerderheid onlangs besloten, dat het zwembad op zondag gesloten moet blijven. Dit besluit heeft een groot deel der Aaltense bevolking, dat de motieven van dit besluit niet delen kan, zeer geprikkeld. Een geprikkeldheid, die zondag j.l. nog bevorderd werd door de enorme warmte, die deed snakken naar een verkoelend bad.
In grote getale trokken oud en jong zondagmiddag naar het Walfort, waar men aanvankelijk voor de gesloten poort bleef staan en protesteerde tegen het gemeentebestuur, dat het meer vrijzinnige protestantse volksdeel en ook de katholieken, joden enz. dit bad onthield, terwijl het smoorheet was. Al spoedig begon de jeugd over de omheining van het zwembad te klimmen en al spoedig waren er ouderen, die de houten schuttingen in trapten en zo de toegang tot het bad forceerden. En even later dook de hele menigte – ’t waren er vele honderden – het verfrissende bad in.
Toen de ijlings ontboden politie en enige bestuursleden van het Bad kwamen, stond men voor een voldongen feit! De politie kon weinig beginnen; er was voor haar geen doen aan, al die mensen uit het water te krijgen. Tenslotte heeft de A.R. wethouder Obbink een toespraak gehouden, die evenwel aan dovemans oren gericht was. Men dacht er nu eenmaal principieel anders over dan het gemeentebestuur en zwom rustig door.
De Volkskrant, 8 juli 1957
Na enkele uren zwemmen deed het zwembadbestuur nog eens een beroep op de zwemmers: ze hadden nu hun kans gehad en het bad moest toch weer gesloten worden. Dit beroep had succes: sportief verlieten allen het bad en even later was de zondagsrust in het zwembad hersteld. Maar het gemeentebestuur van Aalten zit met een probleem; het weet nu duidelijk dat, hoe men deze zaak principieel ook stelt, een groot deel van de bevolking het hiermede niet eens is en van oordeel is, dat de bemoeienis met haar vrijheid op zondag te ver gaat.
Natuurlijk heeft het gemeentebestuur zijn besluit, om het zwembad op zondag gesloten te houden, genomen op voor vele Raadsleden ernstige gronden. Maar wethouder Obbink beloofde deze kwestie „nog eens te zullen bezien” voor hen, die de principiële overwegingen van de Raad niet kunnen delen.
Zwembad Aalten blijft op zondagen gesloten
Tubantia, 9 juli 1957
Archieffoto zwembad ’t Walfort, ter illustratie
Op voorstel van B. en W. van Aalten heeft dit college vergaderd met het zwembadbestuur van „’t Walfort” ter bespreking van de incidenten van jl. zondag toen de jeugd van Aalten het zwembad heeft bestormd. Het zwembadbestuur heeft hierbij te kennen gegeven, het raadsbesluit om het zwembad op zondagen gesloten te doen zijn ten volle te eerbiedigen én dat het de actie van zondag afkeurt; dit laatste in tegenstelling tot geruchten, als zou het zwembadbestuur aan de demonstratie hebben meegewerkt.
Van gemeentewege zal in de loop van deze week ernstig worden gewaarschuwd tegen het betreden van het zwembad op zondag. De nodige maatregelen zullen worden getroffen. Naar we verder vernemen, zullen de raadsfracties van de K.V.P., P.v.d.A. en Gem. Belangen dit seizoen geen nieuw voorstel doen om „’t Walfort” op zondagen open te stellen. Daar uiteraard van andere zijde ook geen nieuw voorstel kan worden verwacht is het vrijwel zeker dat het bad dit seizoen op zondagen gesloten blijft.
Waarschuwing
Tubantia, 11 juli 1957
De loco-burgemeester van Aalten, wethouder W.B. Obbink, heeft naar aanleiding van de zondag op en om het zwembad plaats gevonden betoging bekend gemaakt dat bij herhaling van de ongeregeldheden niet zal worden geschroomd strafrechtelijke maatregelen te nemen. Deze publikatie werd uitgegeven in vervolg op een verklaring van het bestuur van ’t Walfort. Deze luidt als volgt: „Het bestuur van de bad- en zweminrichting „’t Walfort”, in vergadering bijeen op 8 juli 1957, heeft de ongeregeldheden, welke zich zondag jl. op en om het zwembad hebben voorgedaan, besproken. Het betreurt deze reactie op een besluit dat op volkomen wettige wijze is tot stand gekomen, ten zeerste en spreekt unaniem zijn afkeuring uit over dit gezagondermijnend optreden. Het dringt er bij de bevolking speciaal bij de jeugd, met klem op aan het Raadsbesluit te eerbiedigen, vernielingen na te laten en op sportieve wijze het besluit na te leven.”
Aaltense raad herziet besluit
Tubantia, 16 april 1958
De Aaltenaren kunnen de komende zomer op warme zondagen ’s middags vier uur gaan zwemmen in hun eigen zwembad ’t Walfort. De gemeenteraad heeft gisteravond namelijk besloten dat het bad op zomerse zondagen van 15 tot 19 uur geopend zal zijn. Een desbetreffend voorstel, ingediend namens de fracties van de de K.V.P. en Gemeentebelangen, werd na een rustig debat aangenomen met 9 tegen 6 stemmen.
Op zichzelf was dit besluit geen verrassing, wel verrassend was de vrij grote meerderheid die het voorstel kreeg. Anders dan vorig jaar juni, toen een soortgelijk voorstel werd verworpen met 8 tegen 7 stemmen, stemden nu alle drie ch-raadsleden voor. De A.R. bleef onwrikbaar tegen. Zoals bekend is vorig jaar zomer, enkele weken na het afwijzende raadsbesluit, ’t Walfort op een snikhete zondagmiddag door honderden Aaltenaren bestormd en daarna is er gedurende enkele uren gezwommen.
Verstoorde gemoedsrust brengt zondagsrust in gedrang
Het debat van gisteravond opende geen nieuwe gezichtspunten. Het werd vrijwel een herhaling in het kort van de argumenten, die op 30 juni van het vorig jaar uitvoerig en soms vurig ter tafel werden gebracht. Ditmaal was de raad er binnen een half uur over uitgepraat. De heer Luiten, fractievoorzitter van de A.R., noemde het weinig verheffend dat er nu al weer een voorstel komt om het zwembad op zomerse zondagen ’s middags te openen.
Als we nu een ander besluit zouden nemen zou men kunnen gaan denken dat wij toegeven aan de oppositie van de straat. Hij zette nog eens het pro en contra uiteen, moest weliswaar toegeven dat het massale zwemmen in de beek ontoelaatbare toestanden oproept, maar zei niet in te zien waarom in een gemeente als Aalten met haar rijkdom aan natuurschoon zondags ook nog het zwembad geopend moet zijn. Een stuk zondagsrust gaat er z.i. mee verloren.
De heer H.L. Obbink (C.H.) verduidelijkte waarom hij ditmaal een ander standpunt zou innemen dan vorig jaar. Het gebeurde van toen heeft bewezen dat de gemoedsrust van de bevolking zodanig kan worden verstoord als het zwembad gesloten zou blijven, dat de zondagsrust er door in het gedrang zou kunnen komen. Dit had hem doen besluiten zijn standpunt te herzien. De heer Huinink (arb.) kwam weer met het argument van zondagsarbeid in dienst van politie, spoorwegen e.d., die ook wel door anti-revolutionairen wordt verricht.
Archieffoto zwembad ’t Walfort, ter illustratie
(„Alleen noodzakelijke arbeid”, stipuleerde de heer Heinen), en noemde de houding van de A.R. typisch Aaltens. In een gemeente als Varsseveld ligt de situatie heel anders. Wat 50 jaar geleden werd verkondigd gaat nu niet meer op. De zondagsrust zal door de openstelling van het zwembad niet in het gedrang komen, meende hij.
Niet door verzet
De heer Wijkamp (K.V.P.) stelde dat niet de onregelmatigheden van vorig jaar zomer de aanleiding is geweest om het voorstel opnieuw aan de orde te stellen, toen stond direct al vast dat we nog voor het nieuwe badseizoen weer een poging zouden ondernemen.
Nadat de heer Brethouwer (C.H.) had uiteengezet waarom hij zou voorstemmen („het zwemmen in de beek te Lintelo komt de zondagsrust bepaald niet ten goede”), sprak de heer Heinen (A.R.) zijn bevreemding uit over de gewijzigde houding van de heer Obbink en vooral ook van de K.V.P., die enkele jaren geleden zelfs nog tegen het gemengd zwemmen was. De heer Lurvink (K.V.P.) antwoordde dat het zedelijk heil zeker zo belangrijk was als de zondagsheiliging. Na korte replieken, waarin heer Wijkamp een streng optreden van de politie vroeg tegen het zwemmen in de beek werd overgegaan tot stemming.
Nadat burgemeester Van Veen de uitslag had bekend gemaakt richtte de heer Ter Linde (P.v.d.A.) zich over de hoofden van de raad tot de bevolking met het verzoek van het zwembad een gepast gebruik te maken en geen excessen te laten voorkomen. B. en W. zullen ten aanzien van de uitvoering van het besluit nu nader in overleg treden met ’t zwembadbestuur.
Bronnen
Nieuwe Winterswijksche Courant, 8 juli 1957 (via delpher.nl)
Vooruitgang op de gebieden van ’t onderwijs, de sociale zorg en zelfs… de woningbouw.
Aalten vroeger
Een van de grotere gemeenten in de Gelderse Achterhoek is Aalten. Een gemeente, gevormd door twee plaatsen: Aalten en Bredevoort, met ruim 14000 inwoners. Aalten is ouder dan Bredevoort, lezen wij in het onlangs verschenen boekje over Bredevoort van Ds. H.A. Hauer, die op gezag van Dr. B.H. Slicher van Bath aanneemt dat Aalten vóór het jaar 600 en Bredevoort tussen de jaren 800 en 1000 ontstond.
In die oude tijden was Bredevoort belangrijker dan Aalten. De „gezagsdragers” uit die grijze oudheid woonden in Bredevoort. Daar stond een „kasteel”, waar omstreeks 1200 de heer Van Lohn de scepter zwaaide. En Bredevoort was vooral gevreesd, vanwege z’n veemgericht. Ergens tussen Aalten en Bredevoort, op het landgoed Walfort, bevond zich ’n openlucht-gerichtplaats, de veemstoel Slehegge.
Burgemeester E. S. van Veen.
De markt te Bredevoort met de Ned. Herv. Kerk waarvoor Koningin Juliana onlangs een bedrag van ƒ 500,— schonk ten behoeve van het restauratiefonds.
Wie zich aan heiligschennis, afval van het geloof, valsheid, meineed, mishandeling, moord of diefstal had schuldig gemaakt, kon voor dit gevreesde veemgericht worden gedaagd. De „indaging” werd met een dolk aan de deur van de beschuldigde vastgehecht. Verscheen de beschuldigde, na driemaal aldus gesommeerd te zijn, niet, dan werd hij voor schuldig gehouden. En dan wachtte hem de doodstraf, de „veemmoord”… En er schijnen harde heren in Bredevoort geheerst te hebben.
Wie nu het vredige kleine stadje Bredevoort doorwandelt, waarover nog de sfeer van vroegere tijden hangt, die ervaart, hoe deze tijden hun loop nemen en de omstandigheden veranderen. Bredevoort is niet meer het gevreesde centrum van een wijde omgeving, maar wel het aardige, vriendelijke stadje, dat – door de wegverbinding Aalten-Winterswijk – wat buiten het grote verkeer is komen te liggen, doch dat men vooral eens bezoeken moet: er is zo menig mooi plekje!
De gemeente Aalten – dus Aalten en Bredevoort, met de er omliggende Buurtschappen – is een vooruitstrevende gemeente. Dat is aan vele symptomen te merken: wie na gaat, wat er de laatste jaren tot stand is gekomen, wie ook de activiteiten van de industrie, de winkelstand, het boerenleven opmerkt, wie het florerende Verenigingsleven ziet: die weet, dat Aalten werkt en lééft! Burgemeester E.S. van Veen was zo vriendelijk ons een en ander te vertellen van de problemen en de plannen, waarvoor het gemeentebestuur van Aalten zich gesteld ziet.
Het onderwijs: veel vooruitgang!
„Om te beginnen met het onderwijs,” zo begon Burgemeester Van Veen het gesprek, „op dit gebied hebben we het laatste jaar goede vorderingen gemaakt. Daar is in de eerste plaats de mooie, de moderne en de grote Chr. Landbouwhuishoudschool, met heel wat meer lesruimte dan de oude school aan de Haartsestraat. Daar waren we uitgegroeid, temeer waar het Christelijk landbouwhuishoudonderwijs te Aalten van regionale betekenis is; uit de gehele omtrek komen de leerlingen; het zijn er op ’t ogenblik 409. Het nieuwe schoolgebouw is nog niet geheel gereed en dus nog niet officieel geopend, maar reeds zijn er enkele klassen ondergebracht.
Daarnaast kregen we een mooie nieuwe kleuterschool aan de Oosterkerkstraat en werd de restauratie van de R.K. lagere school te Bredevoort voltooid. Barlo stichtte voorts een eigen Chr. Kleuterschool. En dan hebben we onze Chr. HBS gekregen, ook een aanwinst van grote betekenis voor de gemeente. Voorlopig zitten we daarmee in de oude landbouwhuishoudschool, met twee dubbele klassen. Het volgend jaar komen we, wat de ruimte betreft, in de impasse. De gemeente heeft een pand aan de Markt te Aalten gekocht, waardoor een voorlopige uitbreiding dezer HBS mogelijk wordt, zij het dan ook zeer provisorisch, zeker zal er binnen afzienbare tijd een definitieve oplossing voor de huisvesting van de Chr. HBS moeten komen.
Er zijn nog meer verlangens op onderwijsgebied: er moeten een nieuwe openbare lagere school en een R.K. lagere school te Aalten en een Chr. Nationale school te Barlo komen; maar deze bouwplannen zijn nog niet voor elkaar. Ook is een bouwplan voor een nieuwe Chr. Lagere Landbouwschool ingediend bij ’t betreffende Departement; wij verwachten hiervan een spoedige beslissing. Dat wordt een belangrijke school voor onze landbouw uit de gehele omgeving.”
De nieuwe Chr. Landb. Huishoudschool aan de Oranjelaan te Aalten nadert haar voltooiing. Een gedeelte van de school werd reeds in gebruik genomen.
Chr. Technische School Aalten.
Woningbouw: méér bouwvolume gekregen
– „Hoe staat het met de woningbouw in Uw gemeente,” vroegen we, waarop Burgemeester Van Veen ten antwoord gaf:
– „Wij hebben, evenals vele andere Gelderse gemeenten in belangrijke mate voordeel gehad van de nieuwe regeling, die een aanvullend bouwvolume toestaat, wanneer een gemeente kan aantonen, dat ze nog voldoende arbeidscapaciteit over heeft, om meerdere woningen te bouwen. Ons gewone volume, dat we jaarlijks kregen, was ongeveer 50 à 55 woningen; dat hebben we in 1956, met een aanvullend bouwvolume, tot 90 woningen kunnen opvoeren. U begrijpt wel, dat we daar blij mee zijn: want de woningnood is ook in Aalten nog steeds de grote zorg.
Ons woningtekort is ook groot: er zijn 2904 woningen volgens de laatste woningtelling, terwijl de geregistreerde behoefte voor de al wonende gezinnen (dus de trouwlustigen en de nieuwkomers niet meegerekend!) 3431 woningen is. Dus een tekort van 527 woningen; trek van dit aantal af de z.g. traditionele samenwoningen (nl. zij, die toch samen blijven wonen, ook al konden ze een huis krijgen), dan is het nog duidelijk, dat ons woningtekort schromelijk is en het laatste jaar erger werd. Van ’t jaar krijgen we 82 nieuwe huizen klaar: 28 particuliere woningen, 16 duplexhuizen en 28 ééngezins-woningwetwoningen.
Sociaal werk
Op andere gebieden, aldus de Burgemeester, kunnen we optimistischer zijn. Neemt U b.v. de totstandkoming van het nieuwe gebouw der Werkinrichting te Aalten: een regionale stichting van de gemeenten Wisch, Dinxperlo en Aalten. Hier is zegenrijk werk tot stand gekomen voor onze minder valide medemensen. Ook bloeit het Mater Amabiliswerk, het R.K. vormingswerk voor jonge meisjes, terwijl daarnaast een Zonnebloem cursus voor het niet katholieke volksdeel is opgericht. Een en al lofwaardige en ook zo nodige activiteit op dit gebied!”
– „Een onderwerp van gemeentelijke zorg is ook het verkeers- en wegenvraagstuk: hoe staat het daarmede?” vroegen we.
Aan de Dinxperlosestraat verrees het nieuwe gebouw van de Sociale Werkinrichting te Aalten.
Wegenvraagstuk en verkeer
– „In 1956 hebben we 11 km. zandweg kunnen verharden, maar hier ligt een moeilijkheid, waarvoor in de toekomst toch ook een oplossing moet komen, nl. de kwestie van de financiering. De regeling is thans, dat de C.T.D. (Cultuur Technische Dienst van het Rijk) 40% der kosten betaalt, de gemeente 30% en de aanwonende boeren zelf ook 30%. Wanneer U nu bedenkt, dat één km. wegdek tegenwoordig rond 30.000 gulden kost, dan begrijpt U, dat deze last voor de boeren te bar begint te worden. De van belanghebbenden geëiste bijdrage ad 30% moet heel wat lager worden.
De stichting „Streekbelangen” heeft o.a. hierop onlangs nog aangedrongen. En men kan het werk van de verharding van zandwegen niet stilzetten; er zijn trouwens ook in onze gemeente, niettegenstaande het onderhoud met de wegschaaf veel verbeteringen heeft aangebracht, nog veel te veel wegen, die in de winter onbegaanbaar zijn. De intensivering van de landbouw eist voortgaande modernisering van ons wegennet. De verbindingswegen zijn over het algemeen in goede staat; de laatste jaren werden de Dinxperlose weg en de Sondernweg sterk verbeterd.
De Haartsestraat te Aalten ondergaat een belangrijke verbetering. De z.g. kinderkopjes moeten plaatsmaken voor een modern plaveisel in de vorm van klinkers, terwijl ook de straat aanmerkelijk wordt verbreed. Koortsachtig wordt er gewerkt om voor het invallen van de winter de straat weer vrij te kunnen geven voor het verkeer.
Maar toch zijn er nog een paar doorgaande wegen, die niet af zijn. Ik denk aan de weg Aalten-Varsseveld, die weliswaar recht getrokken werd en daardoor stellig verbeterd, maar die niet voltooid werd, terwijl evenmin rijwielpaden tot stand kwamen. Tevens is er een eindje weg, n.l. van de Dommen Aanleg in Barlo naar de grens Lichtenvoorde, dat – ook door het verdwijnen van de daarlangs gelegen trambaan – nodig gerestaureerd moet worden. De oorzaak, dat dit niet geschied is, ligt in het feit, dat het provinciaal subsidie in de voltooiing en restauratie niet ter beschikking is.
Gelijk U bekend, heeft het provinciaal bestuur alle aandacht geschonken aan vier provinciale hoofdverbindingswegen, die van het grootste belang worden geacht, maar die de provinciale middelen ook zodanig aanspreken, dat andere wegen op grondige verbetering zullen moeten wachten.
Verder zult U in het dorp Aalten zien, hoe we bezig zijn verschillende knelpunten voor het verkeer te verwijden. Wij zitten nog met het probleem, hoe we het veelvuldige en zware vrachtgoederenverkeer uit Bocholt buiten onze nauwe kom houden. Anderzijds hebben we er helemaal geen behoefte aan om een dode tak van ’t grote verkeer te worden; het personenverkeer in auto’s en op motoren en fietsen houden we, als het kan, natuurlijk graag in Aalten.”
Volop werkgelegenheid, maar meer eigen industrie nodig
– „Hoe staat het met de werkgelegenheid in uw gemeente?” vroegen we nog.
– „U weet het: we leven in de hoogconjunctuur, werkloosheid is er practisch niet. We hebben met behulp van de Cultuur Technische Dienst en met rijkssubsidie gepoogd de gracht om Bredevoort uit te diepen en circa 3 ha. grond op te hogen met het slijk uit de gracht. Daarvoor is voorwaarde: zo veel mogelijk mankracht inschakelen. Maar we hadden ze niet: het werk schoot niet op en is nu met zo weinig mogelijk arbeiders en zo veel mogelijk gemechaniseerde arbeid tot stand gekomen. Er is door dit werk goede, nieuwe cultuurgrond beschikbaar gekomen; ik hoop ook nog voor wat mooie beplanting hier en daar te kunnen zorgen, opdat Bredevoort er wederom een stukje natuurschoon vlak bij zijn gracht zal bij krijgen.
De oude stadsgracht te Bredevoort. Steeds een geliefkoosd plekje voor wandelaars en vissers.
Maar al is er dan praktisch geen werkloosheid, wel moeten nog te veel mensen hun brood verdienen in nabij gelegen gemeenten. Daarom ben ik blij, dat er te Bredevoort in de opgeheven fabriek van Van Eijck & Co.’s Bontweverij een nieuw bedrijf gevestigd wordt, nl. de N.V. Delicatessenfabriek Aparta, die met 30 arbeidskrachten begint en hoopt te kunnen uitbreiden tot 50 arbeidskrachten.”
Tot zover de mededelingen van Burgemeester van Veen van Aalten, die met grote voortvarendheid de belangen van zijn gemeente verzorgt. Een mooie gemeente, waar het goed wonen en werken is!
Aalten verloor belangrijke veemarkt, maar de ontwikkeling ging ongestoord haar gang
In een vijftig jaar geleden door prof. dr. H. Blink geschreven sociografische studie over „Nederzettingen in Gelderland” wordt van Aalten gezegd dat deze plaats niet zo goed partij heeft getrokken van de overgang tot de nieuwe tijd als Winterswijk. Meer dralend, niet het initiatief nemend, heeft Aalten, volgens prof. Blink, Winterswijk laten voorgaan bij de ontwikkeling van het spoorwegnet en zijn industrie is daardoor achtergebleven.
„Aalten is, zo schrijft prof. Blink voorts in zijn werk, thans in een stationnaire toestand met geen vooruitgang.” Door een zeker conservatisme bij het bestuur is zelfs de veemarkt, die hier eens aanzienlijk was, gedeeltelijk naar Lichtenvoorde verplaatst, dat geen marktgelden hief, terwijl Aalten die bleef heffen. Evenwel moeten wij ook opmerken, dat ook andere oorzaken tot die verplaatsing medewerken, in verband met de ligging aan de grens. De bevolking, die in 1840 2136 zielen bedroeg, beliep in 1890 niet meer dan 2224, terwijl in 1900 Aalten 2400 inwoners telde.
Veemarkt Aalten, 1934
Bredevoort werd overvleugeld
Pijpendraaien was hand-, voet- en vakwerk. Hier een voorbeeld van een Aaltense trapdraaibank uit 1880.
Prof. Blink schrijft verder in zijn studie in 1904, dat Aalten, een dorp uit de heerlijkheid Bredevoort, het oude stadje in de schaduw heeft gesteld en zelfs de hoofdplaats der gemeente is geworden, waartoe Bredevoort behoort. Hier is, tegen een zuidhelling van een heuvel met keien en leem, die tot 36 meter hoogte gaat, in de oudheid een nederzetting ontstaan, niet ver van de Slinge, aan een weg van Duitsland naar Arnhem. Hier had van ouds een druk verkeer met karren plaats, dat evenwel verminderde in de achttiende eeuw, omdat bij Westervoort een brug over de IJssel werd gelegd en het verkeer zich verder zuidwaarts verplaatste.
Toch bleef het in Aalten nog altijd betrekkelijk druk en had Aalten belangrijke markten, terwijl er zich ook textielnijverheid ontwikkelde. Voor drievierde eeuw – dit werd in 1904 geschreven – vond men er twee katoenspinnerijen, bombazijn- en demietfabrieken, een blekerij, oliemolens, looierijen, branderijen en brouwerijen naast landbouw en destijds was Aalten het belangrijkste dorp in de z.g.n. „Achterhoek”.
Men vindt er, zo schreef dr. Blink, twee fabrieken van katoenen stoffen, ieder met ongeveer zestig arbeiders, doch die uitsluitend voor het binnenland werken. Belangrijk is hier de kammen- en pijpenfabriek van hoorn met pl.m. 130 arbeiders, terwijl er nog vier kleine pijpendraaierijen voorkomen. „De opkomst dezer fabricatie is” aldus prof. Blink, „ten dele toeval. Hier op de grens werden vroeger veel Duitse pijpen gerookt, die men in Bocholt of elders op de markt kocht.
Omstreeks 1850 zette iemand, die in Duitsland het pijpen draaien had geleerd, zich te Aalten neder en zijn bedrijf nam spoedig in omvang toe, zodat er een kleine fabriek uit ontstond. De fabriek breidde zich uit tot de tegenwoordige omvang, men leerde weldra ook het holle gedeelte van de hoornen bewerken tot kammen, die tegenwoordig zelfs het hoofdproduct vormen.Arbeiders, die op de eerste fabriek het draaien van pijpen geleerd hadden, begonnen vervolgens ook voor zichzelf te werken en zo ontstond hier meer pijpenindustrie. Verder vindt men in Aalten veel kleine klompenmakerijen, maar toch is het eigen bedrijf ter plaatse niet voldoende om de voorhanden werkkrachten arbeid te verschaffen en elke dag gaan er veel arbeiders naar Duitsland om daar te werken. Voor dit doel denkt men zelfs een tram- of spoorlijn aan te leggen.”
Trek naar Bocholt
„Uit Aalten gaan”, zo schreef prof. Blink in 1904, „elke dag wel 150 arbeiders naar Bocholt; ruwe, grote wagens, bij regen met witte huiven overdekt en door twee paarden getrokken, brengen elke morgen de arbeiders naar Bocholt en voeren hen ’s avonds terug.” Tot zover schreef prof. Blink een halve eeuw geleden.
Het is ongetwijfeld interessant ook na te gaan hoe de ontwikkeling van de gemeente Aalten in de laatste vijftig jaar is geweest. Eerst wat betreft de bevolking. De cijfers, die prof. Blink in zijn rapport geeft, moeten wel betrekking hebben op het dorp Aalten (zonder de buurtschappen). Immers, volgens de volkstelling van 1748 bedroeg in dat jaar het aantal zielen van het kerspel Aalten 3298. Hiervan woonden er 1163 in het dorp Aalten. In 1819 bedroeg het zielental officieel 4913, waarvan er 692 in Bredevoort woonden en de rest in Aalten en buurtschappen. In de loop van vijftig jaar is de bevolking van Aalten (dorp) bijna verdrievoudigd. Momenteel wonen er in het dorp pl.m. 6500 personen.
De conclusie van prof. Blink dat de bevolking van Aalten van het midden tot het eind der vorige eeuw vrijwel niet is toegenomen, vindt, naar uit oude bescheiden blijkt, voor een niet onbelangrijk deel zijn oorzaak in de grote emigratie, die hier in het midden van de negentiende eeuw plaats vond, meest naar Amerika. Oorzaak hiervan was dat er in Aalten moeilijkheden op kerkelijk terrein waren voorgekomen, welke zich voortplantten naar maatschappelijk terrein. De ingezetenen, die waren meegegaan met de „afscheiding” en uit de Hervormde kerk waren getreden, ondervonden in hun dagelijkse werk moeilijkheden van de anderen en besloten toen voor een gedeelte te emigreren. Van 1853 tot 1879 waren dat liefst 858 personen, deels wonend in het dorp, deels komend van de buurtschappen.
Textielfabriek vh. Gebr. Driessen, 1937
Omstreeks 1826 werd aan de Dijkstraat door de gebroeders Anton en Jozeph Driessen uit Bocholt een bombazijnfabriek (katoenweverij) gesticht, waarbij ook een spinnerij verrees. Het bedrijf in de Dijkstraat, naderhand gedreven door de zoons van de gebroeders Driessen, onderging in 1894 een splitsing doordat Herman Driessen (de zoon van Anton) een nieuwe fabriek stichtte op „het Blik”, nu Hofstraat geheten. In 1929 werd dit bedrijf omgezet in „N.V. Herman Driessen en Zoon”. Het bedrijf van de Gebr. Driessen aan de Dijkstraat werd in 1918 overgedragen aan een Enschedese combinatie en toen ontstond de N.V. Textielmaatschappij v.h. Gebr. Driessen.
In 1885 kreeg Aalten de eerste pijpenfabriek, t.w. van de fa. Becking en Vaags en daarna, in 1863 een pijpenfabriek van de fa. Peters en Gans. De kammenfabriek, hierboven door prof. Blink genoemd, werd in 1872 opgericht onder de naam „Firma ten Dam en Manschot”. De pijpenfabriek van de fa. Becking en Vaags werd kort na 1918 opgeheven, terwijl ook de kammenfabriek hetzelfde lot onderging. In 1884 echter, was de heer W. te Gussinklo sr. een fabriek voor hoornbewerking begonnen, eerst uitsluitend voor pijpen, later tevens voor knopen, wandelstokken, kammen enz., welke fabriek in 1924 – toen onder beheer van de N.V. Dutch Button Works W. te Gussinklo – werd overgebracht naar Bredevoort. De nog te Bredevoort gevestigde fabriek heeft zich in de loop der jaren uitsluitend toegelegd op de fabricage van knopen. Verleden jaar is het fabriceren van wandelstokken stopgezet.
Zoals prof. Blink constateert waren in Aalten enkele leerlooierijen gevestigd. Vlak bij de beek in de Dijkstraat was er een gevestigd, die van de heer G. Peters, die zijn „koemen”, waarin het leer werd gelooid, bij de brug in de Stationsstraat had. Vandaar dat deze brug nu Koembrug heet. Enkele blekerijen, die te Aalten hebben bestaan, zijn ook in de loop der jaren verdwenen, deels door moderner fabricagemethoden.
Hogere lonen in Duitsland
Tramhalte Lurvink, Dijkstraat
Het feit, dat, volgens prof. Blink, velen uit Aalten in het begin van deze eeuw in Bocholt gingen werken, vond o.m. zijn oorzaak in het feit dat in Duitsland de lonen hoger lagen. Die lonen bedroegen toen 6 a 7 Berliner Thaler per week (7 Berliner Thaler was ƒ 12,60 per week). De trek uit Aalten naar de overzijde van de grens is gebleven tot de eerste wereldoorlog uitbrak, in 1914. Toen kwam hier een eind aan. Nadat eerst met de z.g.n. „Bokkeltsen wagen” de arbeiders naar Duitsland gingen, maakte men sinds 1910 gebruik van de tram. In dat jaar werd namelijk de tramlijn Aalten–Bocholt aangelegd. In de dertiger jaren is deze lijn weer verdwenen.
Er vindt nu ook weer een zeer druk grensverkeer plaats tussen Aalten en Bocholt, doch juist andersom dan 50 jaar geleden. Het zijn nu velen uit Bocholt, die naar Aalten komen, niet om hier te werken, doch om te winkelen. Er zijn Aaltense winkeliers, die hun omzet hierdoor de laatste maanden enorm hebben zien stijgen. Zij adverteren zelfs in bladen, die in Bocholt verschijnen.
De industrie in de gemeente Aalten heeft zich nooit zo kunnen ontwikkelen als in Winterswijk, vooral doordat Aalten minder gunstig was gelegen. Men voelde er minder voor in Aalten een bedrijf te vestigen dan in Winterswijk. De markten te Aalten zijn deels achteruit gelopen door de concurrentie van Lichtenvoorde en het niet altijd even gelukkige beleid van het gemeentebestuur, terwijl daarnaast ook niet moet worden vergeten dat in de eerste wereldoorlog er een verbod gold om goederen te vervoeren naar plaatsen, liggend aan de Duitse grens. Men moest hiervoor speciale vergunningen hebben.
Lichtenvoorde viel niet onder die maatregelen en heeft hiervan geprofiteerd. Overigens is het hier ook weer een opstaan, blinken en verzinken, want Lichtenvoorde heeft zijn markt voor een groot gedeelte moeten afstaan aan Doetinchem, een plaats, waarvan prof. Blink in 1904 schrijft dat het een „aardig plaatsje” is met enige handel. Doetinchem heeft, wat de veehandel betreft, nu zelfs Zutphen verdrongen.
Voor markten was geen plaats
De middenstand van Aalten heeft in het verleden steeds een grote hekel gehad aan de markten. Dit heeft echter tot gevolg gehad, dat er nooit een marktvereniging is opgericht in Aalten en het beheer der markt overheidszaak is gebleven. Het in gebreke blijven van het particulier initiatief, door het vrezen van concurrentie, heeft echter ook tot gevolg gehad, dat er geen bepaalde dagen werden geschapen, waarop in Aalten veel vertier was. Het publiek ging dat vertier in een naburige gemeente zoeken en vanzelfsprekend werden daar ook diverse goederen gekocht.
Naast de verschillende textielfabrieken heeft Aalten na de oorlog een spinhulzenfabriek gekregen. Opvallend voor Aalten is, dat in deze plaats zeer veel grossierderijen zijn gevestigd. In vergelijking met Winterswijk, waar de maatschappelijke ontwikkeling vooral in het begin van deze eeuw opvallend was, moet worden geconstateerd dat in Aalten de bedrijvigheid voor een belangrijk deel heeft gelegen op kerkelijk, sociaal en politiek terrein. Nergens in Oost-Gelderland hebben afscheiding en doleantie zulke grote gevolgen gehad als in Aalten.
Markt Aalten, 1920
Er is ook zeer veel verbittering door ontstaan, welke slechts langzaam is verdwenen en welke nog hier en daar sluimert. De activiteit van de Aaltense bevolking heeft zich ook gericht op het bijzonder onderwijs. Het Chr. onderwijs heeft het openbaar onderwijs geheel overvleugeld. Daarenboven werden grote bedragen bijeen gebracht voor het kerkelijk leven, terwijl ook op sociaal terrein veel activiteit werd ontplooid.
De gevolgen daarvan zijn niet uitgebleven: Aalten heeft verschillende mannen voortgebracht, die op kerkelijk, politiek en sociaal terrein een vooraanstaande plaats in ons land hebben ingenomen. Nog werken velen uit Aalten in naburige plaatsen, o.a. in Winterswijk en in Dinxperlo en Ulft. In de toekomst zal Aalten meer industrie moeten hebben. De belangstelling van het gemeentebestuur gaat dan ook in die richting.
Hagelstenen met een doorsnede van 1½ tot 2 cm vielen gisteravond tijdens het hevige onweer, dat zich uit zwarte, onheilspellende wolken boven Aalten ontlastte. Toen de hevigste hagelbui voorbij was, kwam er een wolkbreuk zoals slechts oudere mensen in het dorp zich die kunnen herinneren.
In enkele ogenblikken stonden de straten blank. Van het hoger gelegen centrum van het dorp stroomde het water in wilde vaart naar de lager gelegen gedeelten. De straten waren als woeste bergbeekjes geworden. Ook uit de landweggetjes stroomde het water met grote kracht naar de straten, zand en stenen met zich voerend.
Ontwortelde boom drukte voorgevel van hotel in
Deze watervloed kon de Aaltense riolering uiteraard niet verwerken. Verscheidene straten stonden in een ommezien blank en het water baande zich tomeloos een weg naar diverse kelders. Vooral in de Dijkstraat, bijv. van het Klooster en de fam. Lubberding, kwamen kelders onder water te staan. In de buurt van het dorp viel een deel van de oogst in het water. Doordat de riolering in de Dijkstraat verstopt raakte, spoten op enkele punten het zich in de riolering bevindende huisvuil en andere onwelriekende stoffen omhoog en verspreidden in de straten een afschuwelijke stank.
Rukwinden
Vrij plotseling kwam er toen een sterke wind opzetten, die de vorm van een windhoos aannam. Van diverse huizen werd de schoorsteen afgerukt, zij vielen met donderend geraas omlaag. De grote, eeuwenoude linde voor het hotel van de weduwe Heersink (in de verre omtrek bekend als tante Miena) werd door de rukwinden ontworteld: een deel van het trottoir werd door de wortels losgerukt, een ijzeren hek ging aan diggelen en met een grote zwaai kwam de boom krakend op de gevel van het hotel terecht. De voorzijde van het hotel werd voor een groot gedeelte vernield. Ook de aan de straatzijde gelegen kamers en het dak van het pand werden zwaar beschadigd. Gelukkig waren de bewoners juist in een kamer aan de achterzijde van het hotel, waardoor geen persoonlijke ongelukken voorkwamen.
In andere delen van het dorp werden talrijke kleinere bomen ontworteld. Van een woning aan de Adm. de Ruyterstraat werd de voorgevel ingedrukt, terwijl aan de Bodendijk een kippenhok het moest ontgelden. Ook sneuvelden in het dorp heel wat ruiten. Mevr. Obbink, de echtgenote van de loco-burgemeester, stond op de trap voor een raam naar buiten te kijken. Toen zij tijdens de rukwinden de boom voor hotel Heersink zag vallen, schrok zij zodat zij van de trap viel en een pols brak.
Van de molen van de heer Hakstege aan de Piet Heinstraat werd een gedeelte van de kap afgerukt. Toen het noodweer achter de rug was, ontstond er in een oogwenk een enorme drukte op straat, vooral op de markt voor het hotel van Tante Miena, waar politie de nieuwsgierigen op een afstand hield. Wethouder Obbink stelde zich, daar burgemeester E. S. van Veen met vacantie is, persoonlijk op de hoogte van de aangerichte schade.
Van gemeentewege is men hedenmorgen vroeg reeds begonnen met de opruimingswerkzaamheden: de boom in de voorgevel van hotel de Wed. Heersink zorgt daarbij uiteraard voor niet geringe problemen. De gondelvaart en het vuurwerk op ’t Walfort, die gisteravond zouden plaatsvinden en waarvoor veel voorbereidend werk was verzet, konden natuurlijk geen doorgang vinden.
In Aalten staan op het ogenblik verschillende belangrijke bouwobjecten op stapel. Als plannen doorgang vinden zal de gemeente over enkele jaren drie prachtige gebouwen rijker zijn, t.w. een nieuwe Ambachtsschool, een Gezondheidscentrum en een nieuwe Chr. Landbouwhuishoudschool. De heer W. Hebly, architect te Aalten heeft reeds de goedkeuring verkregen op de door hem bij de betrokken instanties ingediende tekeningen voor de nieuwe Chr. Technische School en het Gezondheidscentrum. Het wachten is nu nog op de goedkeuring van de financiële kant van deze zaak, doch verwacht wordt dat hieromtrent zich geen moeilijkheden zullen voordoen.
Het Gezondheidscentrum
Het gezondheidscentrum zal tot stand komen, dank zij de goede samenwerking tussen de Ned. Herv. en de Chr. verenigingen voor Ziekenverpleging te Aalten. Reeds lang bestonden er plannen voor het stichten van een wijkgebouw. Men heeft het bij dit plan echter niet gelaten. Men wilde namelijk een gezondheidscentrum, waarin verschillende medische diensten kunnen worden ondergebracht en waarin o.a. ook specialisten zitting kunnen hebben. Dank zij de grote offerzekerheid van de Prot. Chr. bevolking van Aalten bleek dit plan voor verwezenlijking vatbaar te zijn.
Het gezondheidscentrum komt te staan achter de villa „Zonneheuvel” van oud-burgemeester Monnik, met de voorzijde naar de Julianastraat en de zijgevel naar de Wilhelminastraat. Over de gehele lengte van het gebouw loopt een gang, die aan de linkerkant geheel uit grote ramen bestaat. Bij het binnentreden vindt men rechts een cursuskamer. In de uitbouw van de gang worden zitjes gemaakt, die als wachtkamer dienst kunnen doen. De gang zal zo breed zijn dat er gemakkelijk kinderwagens kunnen staan. Beneden komen verder een donkere kamer, een kamer voor de arts, voor de dienstdoende wijkverpleegster, een kleedkamer, een hoogtezon-vertrek en een isolatiekamer. In deze vertrekken kunnen de specialisten ook zitting houden. Aan het einde van de gang vindt men een groot magazijn met schoonmaakruimte. Een diensttrap leidt hier naar boven.
Op de verdieping komt de kraamkliniek. O.a. treft men hier aan een verloskamer, keuken, spoelruimte, linnenkamer, zitkamer met kantoor voor de doktoren, een zit- en slaapkamer voor de dienst doende gediplomeerde kraamverzorgster en een slaapzaaltje voor de 4 a 5 leering-kraamverzorgsters die hier een cursus volgen. Voor deze leerlingen is er toch ook nog een zit- en eetzaal. Tenslotte zijn er nog twee zitslaapkamers voor de wijkverpleegsters, toiletten en een doucheruimte. Oud-burgemeester Monnik heeft zijn prachtige tuin voor dit Gezondheidscentrum beschikbaar gesteld. Het ligt in de bedoeling t.z.t. villa „Zonneheuvel” in te richten als verpleeghuis.
Het Badhuis
Het badhuis, dat als een lage vleugel tegen het hoofdgebouw zal worden gebouwd, zal 12 douchecellen en 2 kuipbaden hebben. In de kelder komt een verwarmingsinstallatie.
De Chr. Technische School
De nieuwe Chr. Technische school zal verrijzen aan de Polstraat. Behalve de hoofdingang zal deze school een aparte ingang voor de leerlingen hebben. Door de hoofdingang betreedt men een ruime hal, waarin rechts de garderobe en een kantoortje voor de conciërge. Links komt een theorielokaal, een tekenzaal, leraarskamer, directeurskamer en een kantoor voor de administrateur. In de achtervleugel vinden een praktijklokaal timmeren en een afd. voor de mach. houtbewerking een plaats. Op de binnenplaats zal een rijwielbergplaats worden gebouwd.
Voorlopig zal in de school plaats zijn voor 150 leerlingen, t.w. 2 klassen van pl.m. 30 jongens en een voorbereidende klas. Les zal worden gegeven in de vakken houtbewerking en machinebankwerker T.z.t. hoopt men de dagschool uit te breiden met een afd. Textiel. Momenteel is er een avondcursus textiel.
De school wordt zodanig gebouwd (in U-vorm) dat deze later met een vleugel kan worden uitgebreid.
Nieuwe straten
Tenslotte kunnen wij nog mededelen dat het in de bedoeling ligt aan weerszijden van het nieuwe schoolgebouw straten aan te leggen, uitkomend op de Haartsestraat. Het gemeentebestuur is voorts voornemens aan de Ooster Kerkstraat twee woningen te bouwen ten behoeve van het personeel der school. Dat hiermede nog niet is begonnen is te wijten aan de afgekondigde bouwstop.
De Huishoudschool
Met de plannen voor het bouwen van een nieuwe Landbouwhuishoudschool wil het nog niet vlotten. Men heeft het oog op een terrein aan de Oranjelaan, doch de eigenaresse der grond, de diaconie der Ned. Herv. kerk te Bredevoort vraagt een dermate hoog bedrag hiervoor dat toestemming voor aankoop niet kon worden gegeven. De besprekingen hierover worden nog voortgezet. Mocht dit op niets uitlopen dan zal naar een andere plaats moeten worden gezocht.
Het is op deze door-de-weekse dag rustig in Aalten. Op de Markt, waar onder de bomen voor een hotel de pensiongasten languit liggen te genieten van hun vacantie, heerst een serene rust, die slechts even wordt verstoord, wanneer aan de overzijde een trouwlustig paartje de stoep van het gemeentehuis betreedt. De paarden van de koetsen trappelen en wat nieuwsgierige vrouwen komen op dit middaguur uit hun huizen om de bruid te zien en stof tot praten te krijgen over de kleur en het snit der trouwjapon. Zo is doorgaans het leven in Aalten. Rustig en kalm.
Hotel Keizer aan de Markt
Toch is dit alleen de oppervlakte, want op de 8275 ha., die de gemeente Aalten groot is en waarop, volgens de laatste telling 13460 mensen wonen, gebeurt nog wel het een en ander. Er heeft zich in het verleden rondom de eeuwenoude Ned. Herv. Kerk heel wat afgespeeld, waarvan de echo’s, soms zwak, doch ook wel sterker, nog dagelijks zijn te horen.
In de laatste honderd jaar is de economische positie van de meeste Aaltenaren sterk verbeterd. Vroeger was ’t hier treurig mee gesteld. De neringdoenden in het dorp konden van hun bedrijf alleen niet bestaan. De manufacturiers, de bakkers, de schoenmakers, zij allen hadden behalve hun „zaak” ook een boerderijtje. Daarom werden de huizen veelal met de achterkant naar de weg gebouwd en gaf een brede deur vanaf de straat toegang tot de deel. Ongeveer een eeuw geleden was de kom van Aalten veel kleiner van omvang dan thans.
Het treft elke vreemdeling, die in Aalten komt, dat, behalve de straten, er achter de huizen heen, door het dorp smalle paden lopen, aan weerzijden waarvan zich heggen bevinden. Deze smalle paadjes („heggetjes” zegt men in Aalten) zijn ontstaan doordat de neringdoenden en trouwens practisch alle dorpelingen in het verleden een boerderijtje hadden. Hun grond hadden zij dan buiten het dorp en deze „heggetjes”, juist breed genoeg voor een kruiwagen, dienden als de verbindingswegen tussen huis en hof.
Vandaag de dag hebben de Aaltense dorpsbewoners geen vee meer en de winkeliers beoefenen ook niet meer de landbouw, maar de heggetjes zijn gebleven en zijn vooral geliefd bij verliefde jongelui.
Overigens, het laat zich aanzien, dat op de duur deze „heggetjes” wel zullen verdwijnen. Zij worden namelijk in de kom van het dorp gevonden en er heerst in Aalten groot gebrek aan grond voor woningbouw. Het mag daarom verwacht worden dat van lieverlede verschillende van deze smalle paadjes verbreed zullen worden tot straten, aan weerszijden waarvan woningen zullen worden gebouwd. In het uitbreidingsplan zijn reeds verschillende „heggetjes” als straten opgenomen!
Het gemeentehuis
Neen, een sieraad is dit gemeentehuis niet. In de gehele omtrek. Winterswijk, Dinxperlo, Wisch en Lichtenvoorde, heeft men doelmatige raadhuizen, maar het Aaltense gemeentehuis kan daar niet bij in de schaduw staan. Er zijn wel heel wat hokken en kamers in, maar het is, kort en bondig gezegd, niet veel bijzonders. Voor de oorlog zijn er wel plannen geweest voor de bouw van een nieuw gemeentehuis, doch daar is toen niets van gekomen. Thans heeft men er het geld niet voor. Behalve de verschillende kamers, waar de burgemeester, de secretaris en de ontvanger zetelen, is er in de gang ook een deur, waarop de folkloristische naam „’t Huusken” is geschilderd. Boven deze deur ontbreekt het rode lampje, dat boven de deur van de burgemeesterskamer brandt, wanneer er belet is.
Kerken
Reeds vanuit de verte doemen drie torenspitsen op, wanneer men Aalten nadert: de Ned. Herv. Kerk, de Oosterkerk en de R.K. Kerk. Behalve deze kerken zijn er nog verschillende kerkgebouwen zonder grote toren, nl. de Westerkerk de Chr. Geref. Kerk, de Israëlitische Synagoge en het gebouw van de Vergadering van Gelovigen. De Ned. Prot. Bond en de Geref. Kerk onderh. art. 31 hebben geen eigen gebouwen.
De bevolking van Aalten bestaat thans uit rond 5000 Ned. Herv., 4800 Geref., 2400 R.K. en 300 Chr. Geref. De andere kerkgenootschappen hebben een gering aantal leden. De spanningen tussen de leden der verschillende kerken was in Aalten in het verleden zeer groot. Tijdens de doleantie in 1886 is er in Aalten, na Amsterdam, het meest gebeurd! Militairen moesten zelfs de orde bewaren.
Oude Helenakerk, Aalten
Van lieverlede worden de verhoudingen beter. De thans opgroeiende generatie is reeds veel verdraagzamer. De kerkelijke verdeeldheid heeft zich in Aalten voortgeplant op allerlei terrein. Zo zijn er Chr. en Herv. scholen, de C.B.T.B., de A.R. Kiesverenigingen, de Chr. Ziekenverpleging, de Chr. Oranjevereniging e.d. halen hun leden practisch alleen uit de kring van Gereformeerden en Chr. Gereformeerden.
Gelukkig wijzigt zich de situatie langzamerhand, daar men algemeen gevoelt dat de kerkelijke gescheidenheid zich op maatschappelijk gebied heeft voortgeplant, waarbij dikwijls persoonlijke sympathieën en antipathieën de doorslag hebben gegeven, terwijl men dit thans voelt als een handicap van vruchtbare arbeid.
Om een bewijs hiervan te noemen: Dank zij samenwerking van personen uit alle kerkgenootschappen zal met September de Chr. Nijverheidsschool te Aalten worden geopend, zal een centrum voor ziekenverpleging verrijzen en wordt gewerkt aan plannen voor de oprichting van een Chr. verpleeghuis, terwijl het verlangen van anderen al weer uitgaat naar de oprichting van een school voor Middelbaar onderwijs.
Aalten en Bredevoort
Het stadje Bredevoort behoort tot de gemeente Aalten. In het begin van de vorige eeuw was de situatie zo dat Bredevoort het hoofdschoutambt was, waarvan Aalten een deel uitmaakte. Beide plaatsen vormden evenwel een aparte gemeente. In 1818 zijn deze gemeenten samengevoegd tot het schoutambt Aalten, thans de gemeente Aalten.
De Bredevoordenaren kunnen het blijkbaar nog moeilijk zetten dat zij een deel van Aalten zijn. Steeds menen ze ten achter gesteld te worden bij Aalten (woningbouw, straatverlichting, wegenaanleg enz.). Het mag dan wel wat eigenaardig klinken, doch inderdaad heeft men in de gemeente Aalten te maken met het probleem stad en platteland.
Belangrijk bericht aan al onze abonné’s en adverteerders
„Als het getij verloopt verzet men de bakens!”
Boven dit bericht plaatsen wij een spreekwoord, dat in dit geval zeer toepasselijk is. Wij zijn namelijk tot de overtuiging gekomen, dat voor de Aaltensche Courant (met kopbladen) het getij verloopt. Het verzetten der bakens zal in dit geval tot belangrijke veranderingen leiden.
Wat er dan wel aan de hand is?
Door belangrijke stijging der papierprijs en verhoging van lonen en sociale lasten zou het noodzakelijk zijn dat de abonnementsprijs van ons blad werd verhoogd.
Daarnaast echter worden ons telkens vragen gesteld, die er op wijzen dat, hoewel gewaardeerd, de Aaltensche Courant toch niet voldoende kan voorzien in de behoefte aan nieuws. Verzoeken bereikten ons regelmatig om b.v. drie keer per week te verschijnen; om uitbreiding van de inhoud met: Radio-programma, beeldverhaal, fotopagina, dialect-stukjes, vragenrubriek, enz.
Zouden wij aan deze verzoeken ook maar ten dele voldoen, dan zou dit nógmaals een verhoging van het abonnementsgeld tengevolge hebben, waardoor deze prijs ongunstig zou komen te liggen tegenover die van grotere bladen uit deze omgeving.
Wij hebben daarom gemeend de belangen van onze lezers beter te dienen door de Aaltensche-, Dinxperlosche-, Varsseveldsche- en Lichtenvoordsche Courant te gaan combineren met een ander nieuwsblad uit deze streek, dat aan de verschillende wensen van onze lezers wèl beantwoordt.
Met de N.V. Uitgevers Mij. C. Misset te Doetinchem hebben wij per 1 April 1950 een belangengemeenschap aangegaan, waarbij onze bladen met de bekende „Graafschap-Bode” worden gecombineerd.
Voor weinig meer dan de Aaltensche Courant zou gáán kosten, krijgen de abonné’s na 1 April dus drie keer per week een krant, die èn door haar uitstekend verzorgde inhoud, èn door haar omvang aan alle redelijk te stellen eisen voldoet.
De verzorging van het nieuws, alsook de aanmelding van abonné’s en het opgeven van advertenties blijft als tot nu toe op het bureau van onze firma geschieden, daar bij ons het Bijkantoor der Graafschap-Bode wordt gevestigd. Ook de plaatselijk redacteur, de heer H. Weidema, blijft zijn gewaardeerde medewerking aan de nieuwe combinatie verlenen.
Drukkerij De Boer, Bredevoortsestraatweg 16 te Aalten
Voor de contract-adverteerders nog dit goede bericht: Het nog niet geplaatste aantal mm. van de lopende contracten wordt desgewenst voor dezelfde prijs in de Graafschap-Bode geplaatst, die met haar grote verspreidingsgebied een veel grotere publiciteit biedt.
Wij vertrouwen dat onze abonne’s deze door ons genomen beslissing zullen begrijpen en waarderen, en dat allen ons trouw zullen blijven als abonné op „de Graafschap-Bode”.
Tot slot een woord van oprechte dank aan allen, die, op welke wijze dan ook, hebben medegewerkt aan de Aaltensche Courant.
Duitse arbeidsters kregen een pond koffie voor de Kerst, Nederlands personeel ontving later een riks…
Was onlangs een der Duitse meisjes, werkzaam in een textielfabriek te Aalten, oorzaak van een opzienbarend incident (zij bekladde de Nederlandse vlag met een hakenkruis), thans zijn opnieuw Duitse textielarbeidsters in Aalten aanleiding geweest tot een voorval dat in het rustige dorp nogal beroering heeft gewekt, daar er twee textielfabrieken mee gemoeid waren.
Bij een textielfabriek in de Dijkstraat zijn 16 Duitse meisjes werkzaam. Tegen Kerstmis gingen zij peinzen over een verrassing waarmee zij haar familieleden over de grens zouden kunnen dienen. Koffie moest het worden, was de algemene opinie!
Meisjes aan het werk bij textielfabriek Driessen, Hofstraat. Foto ter illustratie.
De Duitse meisjes namen een personeelslid uit Aalten in de arm en die wist er wel een mouw aan te passen. Hij ging op zijn beurt naar een zakenman, die in staat en bereid bleek om 16 pond koffie te leveren, voor ieder der Duitse meisjes één pond. ’s Avonds gingen de meisjes opgewekt met hun koffie per bus naar huis. In diezelfde bus zaten evenwel ook 19 arbeidsters van een textielfabriek uit de Hofstraat.
Begrijpelijkerwijs waren die er maar matig over te spreken dat haar vriendinnen wel en zij geen koffie voor „Weihnachten” konden meenemen naar huis. Prompt kwam de volgende dag de kwestie ter sprake bij de directie in de Hofstraat. En die meende weinig ander te kunnen doen dan ieder van haar Duitse arbeidsters ook een pond koffie te beloven. En de 19 ponden koffie kwamen er inderdaad.
Maar daarmee waren de moeilijkheden nog niet ten einde! Want het Nederlandse personeel was iets over het Kerstgeschenk ter ore gekomen en dat ging nu ook koffie eisen. Koffie immers is een artikel dat de laatste tijd ook hier te lande maar zeer schaars te verkrijgen is. De directie van de fabriek in de Hofstraat herstelde de bedrijfsvrede door elk personeelslid een gratificatie van ƒ 2,50 te geven. En daarmee leek het hele geval van de baan te zijn.
Nu er echter zoveel personen bij betrokken blijven, kon het haast niet anders of ook de politie en C.C.D. moesten van het geval horen. Laatstgenoemde instantie heeft inmiddels een onderzoek ingesteld, dat bij de directie van de textielfabriek aan de Hofstraat reeds leidde tot een proces-verbaal. Daar kwam een tweede proces-verbaal bij wegens het verstrekken van een gratificatie zonder toestemming van het college van Rijksbemiddelaars. Ook tegen de betrokken winkelier is inmiddels proces-verbaal opgemaakt.
Dat de Duitse meisjes de koffie hebben kunnen uitvoeren, is, naar wij vernemen, hieraan toe te schrijven, dat de Ned. douane in strijd met gegeven orders de koffie liet passeren, men zou in de veronderstelling hebben verkeerd dat die vrij mocht worden uitgevoerd voor zover zij een waarde had beneden ƒ 15,—. De Duitse douane had de Duitse meisjes reeds toegezegd in verband met het op handen zijnde Kerstfeest een uitzondering te zullen maken.
35 Jaar geleden woonde in Aalten een meisje, Mina Rhebergen geheten1. Zij had een betrekking, waarin zij wekelijks een bepaald bedrag verdiende. Een deel hiervan bewaarde zij thuis in een potje, dat in de zogenaamde ‘glazen kast’ stond. Groot was echter haar schrik en teleurstelling, toen op zekere dag werd bemerkt, dat het geld verdwenen was. Het kon moeilijk anders: er moest sprake zijn van diefstal.
Aangifte bij de politie volgde en ijverig gespeurd, doch de dief bleef onvindbaar. Inmiddels achtte men het steeds meer mogelijk, dat het geld op de een of andere wijze was zoekgeraakt. In ieder geval, Mina Rhebergen was ƒ 15 kwijt en kreeg ze niet terug. De tijd ging echter verder en het leed was spoedig vergeten. Mina Rhebergen stapte in het huwelijksbootje en werd mevrouw Breukelaar, wonende te Varsseveld.
Afbeelding ter illustratie
Aan het geld werd niet meer gedacht, totdat dezer dagen mevrouw Breukelaar ƒ 35 ontving, zijnde de ƒ 15 plus rente. Wat was namelijk het geval? Een familielid van mevr. Breukelaar, wonende te Aalten, kreeg enkele dagen geleden een brief van een weduwe uit een grote stad in het westen van het land. In dit schrijven, dat aangetekend was verzonden, berichtte de weduwe, dat haar man, meer dan 30 jaar geleden in Aalten uit het potje, dat in de glazen kast stond ƒ 15 had weggenomen, omdat hij toen in grote geldnood verkeerde.
Op zijn ziekbed had de man zijn vrouw verteld, dat hij indertijd zich aan het geld van een ander had vergrepen en hij verzocht zijn vrouw de zaak weer in het reine te brengen, omdat hij zonder zijn misdaad te hebben goedgemaakt niet de eeuwigheid in wilde gaan.
Bij de brief die niet was ondertekend, was ƒ 35 ingesloten. De man wist het adres van het meisje, dat hij had bestolen niet meer, doch kende alleen eender familieleden.
Haar volledige naam luidde Wilhelmina Hendrika Rhebergen en zij woonde aan de Hogestraat 6↩︎
Deze website gebruikt cookies voor een optimale ervaring en analyse van bezoekgegevens. Ga je hiermee akkoord? Zonder toestemming werken sommige onderdelen van de site mogelijk minder goed.
Functioneel
Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistieken
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door je Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een site of over verschillende sites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.