Inhoudstype: Verhaal

  • Aaltens dialect

    Aaltens dialect

    “Elk dörpken hef zien eigen klinkers, zien eigen spreuken en woordenschat.” Deze zin prijkt op de gevel van de Aaltense bibliotheek. Het is een regel uit het lied “Hier in de Achterhoek”, van Rocco Ostermann en Matthijs Stronks. En het klopt helemaal.

    Het Achterhoekse dialect, een variant van het Nedersaksisch, wordt van oudsher gesproken in het noordoosten van Nederland en het noorden van Duitsland. Binnen de Achterhoek heeft elke gemeente, en soms zelfs elk dorp, zijn eigen nuances in het dialect, dat ook wel ‘plat’ wordt genoemd.

    A’j plat könt praoten, mo’j ’t neet laoten

    Old Aalten | A'j plat könt praoten, mo'j 't neet laoten

    Het Aaltens dialect kent vele oude woorden en uitdrukkingen die in het Standaardnederlands niet voorkomen.

    Dialect in het dagelijks leven

    In Aalten speelt het dialect nog steeds een belangrijke rol in het dagelijks leven van veel inwoners. Thuis, op straat, in winkels en tijdens lokale evenementen hoor je het Aaltens nog vaak klinken. Veel inwoners van Aalten zijn tweetalig opgevoed, met het dialect thuis en het Standaardnederlands op school.

    Hoewel het Aaltens dialect nog steeds wordt gesproken, beheersen jongere generaties het in steeds mindere mate. Vaak spreken zij een Achterhoekse versie van het Nederlands, waarin veel van de typische oude woorden en uitdrukkingen die hun voorouders dagelijks gebruikten zijn verdwenen. Deze ontwikkeling vormt een uitdaging voor het behoud van het dialect.

    Cultureel Erfgoed

    Het Aaltens dialect is een belangrijk onderdeel van het lokale cultureel erfgoed en vormt een levendige schakel met het verleden. In verhalen, liederen en gedichten die in het dialect zijn geschreven, komt de geschiedenis en het dagelijks leven van Aalten tot leven. Het Aaltens dialect draagt daarmee bij aan de unieke identiteit van de gemeenschap.

    Om te voorkomen dat het Achterhoekse dialect verdwijnt, probeert men het door te geven aan nieuwe generaties. Dit gebeurt bijvoorbeeld via streektaalprojecten op scholen en in culturele verenigingen. Deze initiatieven zijn belangrijk om het dialect levendig te houden en ervoor te zorgen dat het, ondanks de invloed van het Standaardnederlands en andere moderne talen, niet verdwijnt.

  • Noord-Zuidlijn

    Noord-Zuidlijn

    Aalten ligt aan de spoorlijn Arnhem-Winterswijk, die de gemeente doorkruist van west naar oost (of andersom, zo u wilt). In de tweede helft van de 19e eeuw waren er echter ook diverse plannen voor de aanleg van andere tracés in (min of meer) noord/zuidelijke richting.

    Hieronder volgt enige informatie over deze plannen. Het is wellicht overbodig om te vermelden dat geen van die projecten tot uitvoer is gekomen.

    Zutphen–Aalten

    Midden 19e eeuw waren er nog geen spoorwegen in de Achterhoek. In 1865 werden er echter plannen gemaakt om een spoorlijn aan te leggen van Zutphen naar de ‘pruisische grenzen’. De lijn zou lopen via Vorden, Hengelo, Zelhem en Aalten. Dit traject zou het kortst zijn en bovendien als voordelen hebben dat de grond ‘vast, effen en weinig kostbaar is en geene groote kunstwerken noodig zullen zijn’. Waarom deze plannen niet zijn uitgevoerd is ons onbekend.

    Gelsenkirchen–Aalten–Zutphen

    In het voorjaar van 1872 meldde een ingenieur van de Duitse Eisenbahn-gesellschaft uit Berlijn zich op het Aaltense gemeentehuis om informatie in te winnen voor de mogelijke aanleg van een spoorlijn van Gelsenkirchen, via Bocholt en Aalten, naar Zutphen. Blijkens nevenstaand krantartikel waren er op hetzelfde moment ook al plannen voor een spoorlijn van Winterswijk in westelijke richting, langs Aalten.

    „Komt een dezer lijnen tot stand, dan zal dit dorp, een der grootste van het graafschap, zeer spoedig een hoogen trap van bloei bereiken, vooral omdat hier bij de kern van ’t volk een ongeëvenaarde zucht naar vooruitgng op elk gebied wordt waargenomen.”

    Echter, deze plannen kwamen niet tot uitvoer. Dit had er wellicht mee te maken dat op dat moment zojuist de Nederlandsch-Westfaalsche Spoorweg-Maatschappij (NWS) was opgericht, welke op 27 maart al de concessie had gekregen om de spoorlijn Zutphen–Winterswijk aan te leggen. Een jaar later kreeg de Bergisch-Märkische Eisenbahn Gesellschaft de concessie voor de spoorlijn Winterswijk–Borken–Gelsenkirchen, die zou aansluiten op de Nederlandse lijn.

    Rees–Aalten

    In 1885 was er wederom sprake van de mogelijke aanleg van een spoorlijn die Aalten in noord-zuidelijke richting zou passeren. Ditmaal liep het geplande tracé van Rees, via Isselburg en Dinxperlo naar Aalten. Later vonden we ook Groenlo nog aan dit lijstje toegevoegd. Het zou overigens ook een stoomtram kunnen worden. Aan het eind van het jaar meldt de Graafschapbode echter dat de voorbereidende werkzaamheden zijn gestaakt wegens onenigheid tussen Duitse en Nederlandse zijde over de plaats van het station Dinxperlo-Suderwick.

  • Rookwedstrijden

    Rookwedstrijden

    We kunnen het ons tegenwoordig nauwelijks meer voorstellen, maar in de vorige eeuw werden er wedstrijden georganiseerd waarbij deelnemers het tegen elkaar opnamen in diverse disciplines op het gebied van het roken van sigaren en sigaretten.

    De Arnhemsche Courant schreef op 6 maart 1908:

    In den katholiekenkring te Aalten is een rookwedstrijd gehouden in het langzaam en snel rooken. De heer J. Betting kreeg den eersten prijs met snel rooken en rookte zijn sigaar in 7 minuten op en in het langzaam rooken werd de 1e prijs behaald door H. Weijkamp, die over zijn pijp tabak een uur en 45 minuten deed. Ook een nuttige tijdpasseering!

    In de jaren 60 organiseerde Dick Fries rookwedstrijden in Aalten. Hieronder ziet u een foto van het onderdeel “Peuk in de lucht gooien en met de mond opvangen”.

    Op 21 maart 1961 schreef Dagblad Tubantia:

    Aalten heeft weer een rookkampioen

    De heer E. Jentink, Lintelo 67, is maandagavond, voorlopig voor een jaar, kampioen-sigarenroker van Aalten geworden. Hij veroverde deze titel tijdens de in de Sociëteit aan de Hofstraat gehouden jaarlijkse rookwedstrijd. Zoals bekend gaat het bij deze wedstrijd om de langste askegel op een sigaar van 110 mm. De heer Jentink wist er een te produceren van maar liefst 104 mm, echter 1 mm korter dan de kampioen van vorig jaar.

    De belangstelling voor dit rookfestijn wordt elk jaar groter en was gisteren reeds uitgegroeid tot ruim 200 deelnemers. Het sprak dan ook vanzelf dat, toen omstreeks half negen het commando „vuur” werd gegeven en in de ruim 200 sigaren gelijktijdig de brand werd gestoken, allen weldra in dichte nevelen werden gehuld.

    Het kostte de deelnemers moeite om te zien hoever zijn buurman met de askegel vorderde. Het duurde echter niet zo lang voor de uitroepen van „o, wat jammer, ik bun ’m kwiet” door de zaal klonken.

    Na ongeveer een uur zaten er nog slechts enkelen die voor het kampioenschap in aanmerking konden komen. Heel voorzichtig werd dan nog geprobeerd een laatste haaltje te doen om zodoende nog een millimeter te rekken. Het resultaat was echter meestal een paar „gloeiende” vingers en een lawine van as over de kleding.

    Toen de laatste kegel was gesneuveld en de balans kon worden opgemaakt, bleek dan de heer Jentink met 104 mm kampioen te zijn geworden. De heer A. Pokhuizen bezette de tweede plaats met een kegel van 103 mm. Voor de derde prijs waren twee kandidaten, t.w. de heren A. Driessen en W. Winkelhorst, met elk een kegel van 102 mm.

    Na deze strijd werden de deelnemers onthaald op een wat „luchtiger” programma, n.l. met het optreden van Rudi Carell en Dick Harris.

    Dagblad Tubantia, 19 maart 1963:

    Kampioen-roker produceerde askegel van 100 millimeter

    Geert had het niet gemakkelijk

    Met een askegel van precies 100 mm. is de heer G. te Lindert, Lankhofstraat 23, gisteravond kampioen-sigarenroker geworden van Aalten. Het was voor Geert bepaald geen gemakkelijke opgave want meer dan 200 gegadigden dongen met hem naar deze titel. Het was voor de tiende keer in successie dat deze wedstrijd werd gehouden.

    Grote spanning en “lawines”

    Weinig is er echter veranderd in de loop der jaren. Dit was dan ook nauwelijks mogelijk want sedert de eerste keer dat deze wedstrijd werd gehouden heeft deze ontmoeting in het middelpunt van de belangstelling gestaan. Alleen de gelegenheid waarmee talrijke deelnemers in het strijdperk treden is jaarlijks groter geworden. Voor velen is het nu geen “gokje” meer, want maanden tevoren wordt reeds druk geoefend en laten velen de nagels langer groeien om hiermee het “peukje” zo lang mogelijk vast te kunnen houden.

    De gezelligheid van de avond en de spanning zijn er zeker niet minder om. Vanaf het moment dat de ruim 200 sigaren in de “fik” gaan heerst er een doodse stilte in de zaal. In “nevelen gehuld” bewegen zich de juryleden tussen de tafels door om waar nodig, de schuifmaat te hanteren.

    “Scheefbranders en kromtrekkers zijn er halverwege de wedstrijd al genoeg. Bekende verschijnselen waren ook gisteren weer de lawines as waaronder vaak een gelaat, revers of jas werden bedolven.

    Geert te Lindert, een echte liefhebber van de sigaar, slaagde er in de askegel op 100 mm. te brengen, alvorens deze sneuvelde. Hoe spannend de strijd is geweest bewijst wel de 99½ mm. askegel die zijn concurrent, tevens bekerhouder van vorig jaar, de heer D.A. Driessen wist te produceren. Met een kegel van 99 mm. bezette de heer L.C. Rodenburg, die vorig jaar ook al in de prijzen viel, de derde plaats.

    Na deze spannende strijd werd er een gezellig avondje van gemaakt met medewerking van Lubbert van Gortel en Kees Schilperoort. De NCRV-omroep heeft de wedstrijd opgenomen voor uitzending in de radiokrant.

    Dagblad Tubantia, 9 maart 1965:

    Rookwedstrijd werd succes

    Met een askegel van precies 100 mm. is de heer A. Driessen maandagavond winnaar geworden van de jaarlijkse en 12e rookwedstrijd, die onder grote belangstelling in de sociëteit is gehouden. Toen om kwart voor acht het startsein werd gegeven werd in ruim 200 forse sigaren tegelijk de brand gestoken.

    Binnen enkele minuten was de rook te snijden en konden de deelnemers nauwelijks hun buurman onderscheiden. Uiteraard was dat ook niet nodig omdat ieder genoeg aan zich zelf had. Vooral als de askegel in lengte toeneemt, en dan vaak ook nog neigingen krijgt om scheef te gaan trekken, heeft niemand er behoefte aan om zich met buurmans rokerskunst te bemoeien.

    Anders wordt het als met een half uur de eerste „slachtoffers” met een gezicht van „och, wat jammer”, hun askegel in diggelen hebben zien vallen. Dan scharen de uitvallers zich in grote getale om de overblijvenden die, vaak ten koste van een brandblaar en zich in allerlei bochten wringend, proberen door nog enkele haaltjes een paar millimeter aan de wankele kegel toe te voegen. Muisstil wordt het dan in de zaal en de spanning is op de gezichten te lezen.

    Zo ook gisteravond toen aller aandacht werd gericht op de rokerskunst van de heer Driessen, die er tenslotte in slaagde om als winnaar uit het rookgordijn te voorschijn te komen. Vorig jaar won hij ook de 1e prijs. Slaagt hij er ook volgend jaar in om het kampioenschap te behalen dan wordt hij definitief eigenaar van de wisselbeker.

    Op de tweede plaats eindigde de heer H. Arentsen met een kegel van 99½ mm. De heer J. Pluimers, kwam met een kegel van 99 mm op de derde plaats.

    Nadat het rookgordijn enigszins was opgetrokken werden de deelnemers getrakteerd op een vrolijk programma, verzorgd door een cabaretgezelschap uit Apeldoorn, onder het motto: „Lachen is troef”.

  • Volksfeest / Kermis

    Volksfeest / Kermis

    Het Aaltense Volksfeest is een evenement waar vele Aaltenaren ieder jaar weer naar toeleven. Tegenwoordig wordt het gevierd in het derde weekend van september. In vroeger jaren werd het ook op andere data gevierd. Het volksfeest wordt ook vaak ‘kermis’ genoemd. De eigenlijke kermis, dat wil zeggen de attracties, noemt men tegenwoordig echter ‘lunapark’.

    Vele decennialang waren het koningsschieten en de kermis op het terrein bij het Feestgebouw / ‘De Pol’. Tegenwoordig vinden deze activiteiten echter plaats in het centrum, voornamelijk op de Markt en het Hoge Blik.1

    De oudste vermelding over de kermis in Aalten dateert uit 1835. Dat jaar vermeldde de ‘Geldersche Volks-almanak’ dat de kermis in Aalten op 19 oktober zou plaatsvinden.2

    In het ‘Elfde verslag van den toestand en de verrigtingen der Nederlandsche vereeniging tot afschaffing van sterken drank’, gepubliceerd in 1855, schrijft men: “de kermis te Aalten is onbeduidend, meest kindervreugd”.3

    Volksfeest 1876 – zilveren penning

    Penningen zijn vaak een materiële herinnering aan een gebeurtenis in het verleden. Dat geldt ook voor het hier afgebeelde penninkje:

    De penning bestaat uit een zilveren plaatje met een diameter van 22 mm, waaraan een oogje is gesoldeerd. De voorzijde is gegraveerd met de tekst: AALTENS VOLKSFEEST, met een lint omgeven door een rand van strepen. Op de keerzijde staat de datum 16 Aug 1876, binnen een rand van streepjes en strepen. De rand van de penning is gekarteld; het plaatje is vermoedelijk een afgeslepen muntstuk. Opvallend is dat de gravering vrij amateuristisch is uitgevoerd.

    Over de aanleiding voor het volksfeest bericht de Zutphensche Courant van 12 augustus 1876: de opening van het Telegraafkantoor in Aalten. De precieze reden voor de vervaardiging van het penninkje is onbekend, mogelijk werd het uitgereikt als prijs bij het sterschieten.4

    Stichting Volksfeest Aalten

    In september 1973 werd een ‘Comité Volksfeest’ opgericht, ontstaan door samenvoeging van het Feestgebouw, de Schuttersvereniging en het Kermiscomité. Later werd dit de ‘Stichting Volksfeest Aalten’. Tien jaar later verschijnen Wout Delleman (1927), Jan Willem Bilderbeek (1920) en Johan Diederik Beskers (1918) voor notaris Obbink voor de oprichting van Stichting Volksfeest Aalten (SVA).

    De kernactiviteiten van Stichting Volksfeest zijn in 50 jaar nauwelijks veranderd. Ook lang voordat SVA in het leven werd geroepen werd elk jaar een feest, destijds kermis genoemd, georganiseerd. Kinderspelen, lampionoptocht, koningsschieten en de Allegorische optocht zijn traditiegetrouw onderdeel van het ‘feest voor iedereen’. De locaties zijn een aantal malen veranderd, ook is het Volksfeest van juni naar het derde weekend van september verhuisd.

    Voorheen werd het Volksfeest van donderdag tot en met zaterdag gehouden. Sinds 2014 is de zondag aan het programma toegevoegd met Frühshoppen.

    De traditie van het koningsschieten is in Aalten al sinds ver in de vorige eeuw bekend. Naast het koningsschieten, heeft Aalten ook het fladder- en schijfschieten gehad en het vogelknuppelen voor dames. Daarnaast kon men begin vorige eeuw ook deelnemen aan het ringrijden te paard of rijwiel.

    De winnaars van de schietwedstrijden op vrijdag mogen zich een jaar lang koning, koningin en jeugdkoning(in) van Aalten noemen. De volgende dag worden zij tijdens de allegorische optocht rondgereden in een koets of cabrio om het publiek te kunnen begroeten. Daarna volgt op de Markt de vaandelhulde door de vendeliers van St. Helena.

    Koningsschieten

    Een traditioneel onderdeel van het volksfeest is het koningsschieten of vogelschieten. Koningsschieten is een oud gebruik dat voorkomt in grote delen van Europa. Het koningsschieten komt voort uit het schuttersfeest, het jaarlijks terugkerende feestelijk volksvermaak van de plaatselijke schutterij.

    Krantenberichten

    (klik om te vergroten) 5

  • Diny en Wim

    Diny en Wim

    Zangduo

    Diny Jansen-Kempers (1940) en Wim Scholten (1936) uit Bredevoort vormden vanaf 1955 het zangduo Diny en Wim. Het tweetal kende elkaar van de jeugdvereniging. Scholten speelde gitaar, zong en schreef de liedjes.

    Diny was 18 jaar toen het duo Diny en Wim werd ontdekt door Johnny Hoes, destijds de man van de lichte muziek. Snel daarna stond het duo in de studio van Phonogram in Hilversum. Er kwamen twee singles, een Nederlandstalige en één in Achterhoeks dialect, wat destijds al hun voorkeur had.

    Na vier jaar ging het duo uit elkaar, om eind jaren 70 de draad weer op te pakken. Vanaf dat moment nam het koppel de ene na de andere plaat op. Ook Diny schreef toen liedjes in het dialect. Het door hen gezongen lied, “A’j plat kõnt praoten mo’j ’t neet laoten”, werd wekelijks gedraaid in het dialectprogramma van Arie Ribbers voor Omroep Gelderland.

    Begin jaren 80 werd het duo Diny en Wim opnieuw ontdekt, ditmaal door platenlabel Ivory Tower. Meteen werd een langspeelplaat gemaakt met 12 zelfgeschreven Achterhoekse liedjes. Tussen 1983 en 1993 maakten Dini en Wim drie LP’s en een CD. Ook werkte men mee aan vijf LP’s in de serie “Achterhoek Plat” en diverse verzamel-LP’s. Ook werd in die tijd nog een single op de markt gebracht van het liedje: “A’j plat könt praoten mo’j ’t neer laoten”.

    Wegens gezondheidsproblemen van Wim Scholten stopte het duo in 1993 definitief. Dirkjan Jansen, de zoon van Diny, nam daarna korte tijd de plaats in van Wim Scholten. Vanaf 2007 was Diny actief als koorleidster van twee smartlappenkoren, de Aladna’s uit Aalten en Het Dinxpers Smartlappenkoor.

    Diny Jansen is op 27 september 2017 op 76-jarige leeftijd overleden in Aalten. Ze was zeker 60 jaar actief in de muziek.

    Discografie

    Singles 7″:

    • “Vaarwel mijn zeeman / Marianne” (1959)
    • “Duuzende sterren / De tralala-polka” (1959)
    • “A’j plat kõnt praoten mo’j ’t neet laoten” (198?)

    LP’s samen met anderen:

    • “Duuzende sterren” (1983?)
    • “Achterhoek plat 1” (19??)
    • “Achterhoek plat 2” (19??)
    • “Achterhoek plat 3” (19??)
    • “Achterhoek plat 4” (1983?)
    • “Achterhoek plat 5” (19??)

    CD:

    • “Diny en Wim (?)” (1993)

    CD samen met anderen:

    Wie heeft er meer informatie over het duo Diny en Wim? Ook zijn wij benieuwd naar informatie over andere Oud-Aaltense artiesten, vooral als zij in de streektaal optraden.

  • De Heikneuters

    De Heikneuters

    Cabaretgezelschap

    Het kleinkunstensemble ‘De Heikneuters’ uit Aalten verzorgde avondvullende programma’s met liedjes, humoristische sketches, voordrachten, pantomime en parodieën, deels in dialect. Het gezelschap trad succesvol op vanaf de late jaren vijftig tot aan de jaren tachtig van de vorige eeuw.

    De Heikneuters genoten niet alleen in Aalten bekendheid. Men trad tot ver in de regio op zoals in Holten, Oosterbeek, Vaassen en Apeldoorn. De groep bestond in de jaren vijftig oorspronkelijk uit vijf personen. In de jaren zestig telde de groep nog vier personen.

    Op de foto rechts staan afgebeeld: Wolter Jetten, Karel Peter, Tonnie Jetten en Annie Meijboom-Peter. Karel Peter had in later jaren een snackbar aan het begin van de Landstraat.

    De Heikneuters traden jaarlijks op in het Feestgebouw en verzorgden vele jaren met veel succes de jaarlijkse ‘Bonte Avond’ van voetbalclub AZSV. Vele dagen voor de uitvoering van deze avond waren de kaarten al uitverkocht.

    Wie heeft er meer informatie over De Heikneuters? Ook zijn wij benieuwd naar informatie over andere Oud-Aaltense artiesten, vooral als zij in de streektaal optraden.

  • Johannes de Gladstrieker

    Johannes de Gladstrieker

    Conferencier

    Johannes de Gladstrieker (Johan Bennink)

    Onder deze naam trad Johan Bennink uit Aalten decennia geleden op als conferencier. Tegenwoordig zouden ze hem wellicht een ‘stand-up comedian’ noemen. Zijn artiestennaam was een verwijzing naar zijn eigenlijke beroep: stukadoor.

    Een bezoeker van onze Facebook pagina wist te melden:

    Johan Bennink kwam regelmaotig zien auto laoten wassen in de wasstraote be-j Kempers. De meeste auto’s kreggen un goeie beurte, sommige auto’s hadden extra aandacht neudig. Zien auto veel altied onder den letsten cattegorie. Johan had een groot uutgevallen goldkleurigen Fiat sedan den nogal deur de vering hing vanwaege zien inhold. Hee gebroeken um veur zien wark as stukadoor. E-j könt ow waarschijnluk wal veursteln dat d’r duftige kladden drek van de bouwplaatse an en onder de wagen können zitten. Veur mien, as jonge, was dat altied weer un uutdaging um ziene wagen d’r weer mooi uut te laoten zeen as Johan de garage uut rae. An ut interieur könne we-j neet völle eer behaaln. Dat hoovn dan ok neet. Pikkepakke vol met un trepken, gereedschap, ovveralls en allerlei emmers met spul wat hee dan in de waeke op muurn of plafonds strek. Hee zei dan altied: “Laot dat maor an mien, ut is mien eigen schuurken”

    Achterhoek Plat

    Op Youtube vonden we een opname van Johannes de Gladstrieker uit de bekende serie ‘Achterhoek Plat’:

    Wie heeft er meer informatie over Johan Bennink alias Johannes de Gladstrieker? Ook zijn wij benieuwd naar informatie over andere Oud-Aaltense artiesten, vooral als zij in de streektaal optraden.

  • Onderduikers

    Onderduikers

    ‘Verbergt de verdrevenen en meldt den omzwervende niet’. Deze tekst (Jesaja 16:3) gebruikten verschillende dominees aan het begin van de Tweede Wereldoorlog. Hiermee werden de gemeenteleden opgeroepen een bijdrage te leveren aan het helpen van mensen op de vlucht voor het Naziregime. En met succes: op een gegeven moment was één op de vijf inwoners van Aalten een onderduiker, relatief meer dan waar ook in Nederland.

    De inwoners van Aalten speelden een belangrijke rol bij het beschermen van onderduikers tijdens de oorlog. Hun moed en vastberadenheid hebben het leven van velen gered. De kerkelijke betrokkenheid, hechte familiebanden en de landelijke ligging worden wel gezien als redenen voor de grote bereidheid hulp te bieden. Op een afgelegen boerenerf is het relatief eenvoudiger mensen te verstoppen dan in een stad. Maar ondanks dat heeft het helpen van onderduikers en andere vluchtelingen veel moed gevraagd en soms levens gekost.

    Onderduik en Verzet

    Gedurende de oorlogsjaren waren er verschillende redenen waarom mensen ervoor kozen om onder te duiken. Joden probeerden bijvoorbeeld te ontsnappen aan deportatie naar concentratiekampen. Daarnaast waren er mensen die de Arbeitseinsatz wilden ontlopen of die zich wilden verzetten tegen de Duitse bezetter.

    Heleen Kuipers-Rietberg uit Winterswijk, beter bekend als tante Riek, zorgde voor schuilplaatsen voor veel werkweigeraars en Joden. Samen met Ome Jan Wikkerink, een aannemer uit Aalten en leider van de plaatselijke verzetsorganisatie, en met dominee Slomp stond zij aan de wieg van de Landelijke Onderduikorganisatie (LO).

    Onderduikers werden vaak verstopt op zolders, in schuren, in geheime kamers of op afgelegen plekken in het landschap. Hoewel er altijd een risico bestond op verraad en arrestatie, zijn er relatief weinig onderduikers in Aalten ontdekt door de Duitse bezetters. De lokale bevolking had een sterke onderlinge solidariteit en het verzet was goed georganiseerd. Bovendien was er een actief netwerk dat onderduikers hielp om de grens over te steken naar veiliger gebieden in het buitenland.

    In 1947 schonken oud-onderduikers de Aaltense bevolking een monument als dankbetuiging voor hun gastvrijheid en aan de verzetsmensen die de stuwende kracht waren bij het onderbrengen van de onderduikers. Het monument bevindt zich in de Stationsstraat, tegenover het treinstation.

    Op 9 juni 1945 schreef Dagblad Trouw:

    Aalten een record?

    Zeer vermoedelijk is het mooie dorp in den Gelderschen Achterhoek Aalten het plaatsje geweest dat verhoudingsgewijze de meeste onderduikers heeft geherbergd in den oorlogstijd. Het dorp heeft slechts 11.000 inwoners en er waren niet minder dan 2500 onderduikers geplaatst. Voorloopig zullen wij wel mogen aannemen dat dit een record is in Nederland.

    Aalten’s taak is hiermede niet af geweest. Boven dit getal zijn er nog honderden kinderen, vooral uit Rotterdam en omgeving, geweest die daar hun zomervacantie hebben doorgebracht. We overdrijven verder niet dat duizenden in den lande in den voedselnood geprofiteerd hebben van de honderdduizenden roggebrooden, zakjes meel en havermout, spek en eieren, die vanuit dit dorp het land zijn ingezonden. De directeur van het Aaltensche postkantoor droeg den naam onder zijn collega’s van roggebrood-directeur.

    Wij zullen Aalten voor deze oorlogsactiviteit dankbaar blijven. De 2500 onderduikers zijn dat ook. Ze hebben een request aan H.M. de Koningin gezonden en Haar verzocht bij een tocht door bevrijd Nederland ook Aalten te bezoeken. Wij hopen van harte dat het geschiedt. Aalten verdient het.

    Bijna een kwart eeuw na de bevrijding, op 14 maart 1970, schreef Dagblad Trouw in een artikel over een geplande reünie van voormalig onderduikers en oud-strijders:

    Er was in de jaren, dat de Duitsers Nederland bezet hadden, in het kleine, agrarische Aalten, bijna geen huis waarin zich geen onderduikers bevonden. Het volk, dat daar woont, is van nature gesloten. De Hagenaar en de Amsterdammer, die er onder water gingen, moesten er wel aan wennen. De Duitsers trouwens ook, en eens sprak een SD-officier in woede van ‘abscheuliche Leute’ en hij voegde er aan toe: ‘Wir sind Luft, Luft!’ De zwijgzaamheid van de Aaltenaar is echter menige onderduiker ten goede gekomen.

    In de oorlogsjaren stonden in Aalten ds. J. Klijn (van De Open Deur), ds. P. Kuyper en ds. J. van Dijken resp. als hervormd, gereformeerd en christelijk-gereformeerd predikant. Op een avond kwamen twee boeren, die er een verre fietstocht voor hadden gemaakt, bij een van de drie pastorieën aan. Het doet er weinig toe welke. Zij vertelden de predikant over een naober, die onwillig was onderduikers op te nemen. In sommige huizen zitten er acht, waarom wil hij er niet één herbergen? Kan dominee niet eens met die man gaan praten en hem op zijn verantwoordelijkheid wijzen? Ze krijgen de toezegging van de predikant dat hij met de bewuste broeder een hartig woordje zal wisselen. Het bleek niet nodig. Op de dag dat de geallieerde tanks Aalten binnen dreunen, staat de boer, waarover geklaagd is, lachend en wuivend voor zijn stee. Hij staat er met zijn vrouw en zijn gezin, maar ook met een stel joden. Hij herbergde hen, zonder dat ook de naaste buren er enig vermoeden van hadden.

    Niet alle joden, die in Aalten onderdak kregen, hebben de bezettingsjaren overleefd. Een aantal van hen werd ontdekt, naar Polen gestuurd en daar geliquideerd.

    Kerkdiensten

    Aalten zou Aalten niet zijn als het de onderduikers alleen maar materieel had verzorgd. De kerken hielden speciale onderduikers-kerkdiensten, meestal op afgelegen boerderijen, waar men in kleinere groepen bijeenkwam. De gemeente Gods ging hier als schuilkerk functioneren, ’s Zomers werden de diensten gehouden op de deel, ’s winters in de grote Achterhoekse keuken. Men ‘ging’ niet in grote aantallen ‘op’, maar kwam met twee of drie personen tegelijk. Er werden vaak wachtposten uitgezet om attent te zijn op onraad. Speciale onderduikers-catechisaties waren er ook. Zelfs aparte joden-catechisaties. Een aantal joden kwam tot het geloof in de Messias.

    Begin ’44, tijdens een gewone dienst in de gereformeerde Westerkerk, omsingelden de Duitsers de kerk. Eén jongeman die in Scheveningse vrouwenkleren de kerk verliet, ontkwam. Hoe die knaap aan dat Scheveningse gewaad kwam? Tussen neus en lippen door had Aalten ook nog een flinke groep Scheveningers, die uit de kuststreek weg moesten, gastvrij opgenomen. 48 Onderduikers werden in een vrachtauto geladen en naar Amersfoort getransporteerd, en van daaruit voor een groot deel naar Duitsland. Ook werd de christelijke gereformeerde kerk op een zondag overvallen. Hierbij werd een dozijn onderduikers gepakt.

    Sommige jongens keerden niet terug. ln een nummer van De Open Deur, dat het jaar daarop verscheen, vertelt ds. Klijn van een dienst die op kerstavond ’44 gehouden werd op een Aaltense boerderij. Wij citeren enkele passages: „Het Kerst-Evangelie is op vele wonderlijke plaatsen gelezen verleden jaar, in dien tijd van nood en ellende, van schuilplaatsen en onderkomens. Maar het was overval op zijn plaats. Ook hier in deze eenvoudige boerenkeuken met zijn internationale kring van verzetsstrijders, uit de hele wereld bijeengedreven; Achterhoeksche boerenjongens, zwaar gezochte illegalen, ondergedoken marinemensen en secretarie-personeel, en geallieerde piloten uit San Francisco en Florida. Brighton en Plato Sask, Canada. Het was stil als in een kerk, toen de vertrouwde woorden van Lukas 2 gelezen werden, eerst in het Nederlands en toen uit de Moffat-vertaling in het Engels. En er ging over sommige van die stoere koppen een schemer van ontroering, toen in hun eigen taal de oude Kerstboodschap tot hen kwam, hier, zo ver van huis, toch Kerstfeest, toch de Kerstboodschap: Today you have a Saviour born in the town of David, the Lord Messiah. En aan hun harten, vervuld van oorlogsgedachten bij dag en bij nacht, klopte in de stilte van de Kerstnacht een andere vrede aan, dan waarvoor zij streden, den vrede, waarvan de Engelsen zongen: Glory to God in high heaven, and peace on earth for men whom the favours! Bij raadselachtige prestatie had de ondergrondse uit den Achterhoek ook nog een paar Engelse kerkboeken bijeen gesnord en zo werden daar de Kerstliederen tweetalig gezongen: Eere zij God, Nu sijt wellecome en het over de ganse wereld bekende Stille Nacht, Heilige Nacht…”

    Nationaal Onderduikmuseum

    Om de herinnering aan dit deel van de geschiedenis vast te leggen en levend te houden is in Aalten het Nationaal Onderduikmuseum opgericht. Het museum richt zich op het tonen en documenteren van de verhalen van onderduikers en de mensen die hen hielpen. Het laat zien hoe gewone mensen in buitengewone omstandigheden moed en medemenselijkheid kunnen tonen.

    Het museum is deels gevestigd in een pand met een bijzondere onderduikgeschiedenis: Markt 12. Dit was indertijd het woonhuis van een gezin met kinderen, maar op zolder werden onderduikers (tijdelijk) verstopt en de kelder was de schuilplaats voor buurtbewoners tijdens bombardementen. Extra opmerkelijk: de grote woonkamer was door de bezetter gevorderd en in gebruik als ‘Ortskommandatur’.

    Meer informatie over (een bezoek aan) het Nationaal Onderduikmuseum: nationaalonderduikmuseum.nl

    Escape Room

    Het Nationaal Onderduikmuseum heeft ook een escape room. Spelers worden geconfronteerd met vraagstukken en dilemma’s die iedereen zal tegenkomen wanneer men moet vluchten. Als je kiest om te vluchten uit jouw wereld moet je afstand doen van wat je kent en weet. Je zult alles op alles moeten zetten om je staande te houden in je nieuwe situatie.

    Het komt er nu op aan dat je inzicht hebt in die nieuwe situatie, een scherp zicht hebt, zodat je tekens kan herkennen, besluiten durft te nemen en afstand neemt van wat je tot op heden wist. “Krijg je het voor elkaar om onder de radar te duiken, onzichtbaar te worden, onhoorbaar te worden voor de vijand?”

    Meer informatie: escaperoom-aalten.nl

  • Woonwagens

    Woonwagens

    Aanvulling gewenst! Graag zouden wij meer (historische) informatie en foto’s ontvangen over woonwagens, families, standplaatsen en dergelijke in de gemeente Aalten. Kunt u ons helpen? Reageer dan hieronder of stuur ons een bericht!

    In 1928 publiceerde de gemeente Aalten een ‘Verordening op Woonwagens’. Hierin werd een terrein aan de Tolhuisweg aangewezen als enige locatie waar woonwagens mochten staan.

    Wereldreizigers te Bredevoort

    De Graafschapbode, 22 febuari 1935:

    “Onze Geld. Achterhoek geniet momenteel de eer van het bezoek van een tweetal „Wereldreizigers”, die gehuisvest zijn in de afgebeelde zeer practisch en doelmatig ingerichte woonwagen. In het voorste gedeelte is de slaapplaats van het tweetal geborgen, zooals begrijpelijk is primitief van opzet, doch net voldoende. Zij voorzien in hun levensonderhoud door het verkoopen van prentbriefkaarten.

    Uit een praatje met de reizigers bleek ons, dat hun afkomst stamt uit Zuid-Slavië, één der Balkanstaten. Reeds vanaf 1928 zijn zij bezig hun „Reis om de Wereld” te volbrengen. Een groot gedeelte van de vaste landen van het Europeesche Contingent werden reeds „afgepletterd”, terwijl momenteel de Hollandsche in casu Achterhoeksche bodem het doel van het bezoek geldt.

    Het woonvertrek in de wagen bevat het „meubilair” van zegge en schrijve een tafel en twee stoelen. De wandversiering bestaat uit een uitgebreide en alleszins bezienswaardige verzameling prentbriefkaarten van vrijwel de meeste landen en grootere plaatsen van Europa. Op de vraag: „Hoe is het reizen hier in Holland?” kregen we in gebroken Nederlandsch ten antwoord dat dit hier verre te verkiezen is boven de meeste andere landen. Er komt ’s nachts wel eens een politieman bij je aan ’t bed, maar last van overvallen van baldadige jeugd of zooals soms gebeurd is van bandieten die hun slag trachten te slaan, hebben zij hier vrijwel niet gehad. Wij vernamen nog dat nog een viertal jaartjes noodig zullen zijn, alvorens de tocht als geheel beëindigd te beschouwen is.”

    Wat te doen met woonwagenbewoners?

    Standplaats woonwagens Bredevoort - Graafschapbode, 15-10-1937
    Graafschapbode, 15 oktober 1937
    Wat te doen met woonwagenbewoners - Nieuwe Winterswijksche Courant, 21-10-1964
    Nieuwe Winterswijksche Courant, 21 oktober 1964

    Woonwagenwet 1968

    In 1968 verbood de Rijksoverheid het rondtrekken van woonwagenbewoners als uitvloeisel van een nieuwe woonwagenwet. Zij werden gedwongen in grote, regionale, woonwagencentra te gaan wonen. Op 1 mei 1970 werd het regionale kamp Dennenoord in Winterswijk geopend.

    Alle woonwagenbewoners, van Winterswijk tot Zevenaar, werden verplicht op dit kamp te wonen. Het kamp beschikte over een lagere school, een clubgebouw en een sloopterrein. Er waren verharde wegen en iedere woonwagen had zijn eigen wc.

    Door afschaffing van de woonwagenwet in 1999 zijn woonwagenbewoners qua woonbeleid afhankelijk geworden van de gemeenten. In de gemeente Aalten zijn tegenwoordig nog slechts enkele standplaatsen voor woonwagens aan de Singelweg.

    Krantenknipsels

    Als woonwagenbewoners in het Aaltense nieuws werden genoemd, was het vaak in een negatieve context. Een zoektocht op Delpher leverde onder andere de volgende berichten op:

  • Verscholen in Aalten

    Verscholen in Aalten

    Tekst: Ad Ermstrang

    Tijdens de laatste jaren van de Tweede Wereldoorlog vonden veel onderduikers een schuilplaats in de Achterhoek. Aalten spande de kroon met naar schatting 2400 door de Duitsers opgejaagde mensen. „De inwoners waren niet alleen gelovig, maar koppelden dat ook aan het verlenen van onderdak aan verdrevenen.’”

    Hij woont nu in een keurig appartement, midden in Aalten. Pieter Schaap (84) en zijn bijna 80-jarige echtgenote kochten het pand een aantal jaren geleden. „We woonden iets verderop, maar het huis was te groot en we konden de tuin niet meer bijhouden.”

    Dat wil niet zeggen dat de Aaltenaar en zijn vrouw niet kras zijn. Regelmatig bezoekt het stel zijn kinderen in het westen en gaat het per vliegtuig naar een zoon in Noorwegen. Pieters vrouw vindt het jammer dat dat niet meer met de auto en de boot kan. „Dan zie je veel meer.”

    De met een forse grijze haardos getooide Aaltenaar rijdt in Nederland wel met de auto. Hij bezorgt onder meer maaltijden voor Tafeltje Dekje. „Maar de gebreken komen wel. Ik ben pas aan staar aan mijn ene oog geopereerd. En m’n handen trillen een beetje, ik kan niet meer fatsoenlijk schrijven. Ik denk erover om dit jaar met die maaltijden te stoppen.”

    Bedorven boter

    Vijfenzestig jaar geleden kwam Pieter Schaap voor de eerste maal naar de Achterhoek. De geboren en getogen Hagenaar moest zich eind 1942 in Winterswijk melden na een oproep van de Duitsers, die jongemannen dwongen om voor hen arbeid te verrichten. „Ik heb me netjes bij kamp Vosseveld gemeld. Het was er erg Duits, heel streng. Wel mochten we op zondag naar de kerk.”

    Schaap groeide op in een hervormd gezin, maar ging later over naar de gereformeerde kerk. „Na de dienst werden we door de dominee uitgenodigd op de koffie. We mochten regelmatig blijven eten. Ze dachten daar dat we in dat kamp verhongerden. Dat was niet zo, maar als jonge kerel lustte je wel wat extra.”

    Het beviel hem slecht. „We repareerden binnenwegen en vervingen stukken spoorlijn. Alles ging met de hand. Je had alleen een spa en een kruiwagen. Ondertussen werd je gedrild. We moesten allerlei nare liederen zingen. Het regiem beviel me niet. Ik had het daarover en toen zei de dominee: Waarom duik je niet onder? Hij kon wel een adres regelen. We werden echter goed in de gaten gehouden, er was voortdurend appèl, zodat je niet weg kon komen. Tot het moment aanbrak dat we bedorven boter te eten kregen. Dat was begin 1943, de datum weet ik niet meer. Bijna iedereen had diarree en er was geen appèl. Toen ben ik ertussenuit geglipt. Samen met Henk Bossemeijer, een jongen uit de omgeving van Alphen aan den Rijn.”

    Pieter en Henk verwisselden hun uniformen bij een familie in Winterswijk, trokken burgerkleren aan die voor hen waren klaargelegd en stapten op de trein naar Aalten. „De dominee had gezegd dat we zouden worden opgevangen. En inderdaad, we werden opgewacht door leden van het verzet. Via ome Jan, de leider in Aalten, kregen we ’s nachts onderdak. De volgende dag gingen we naar boerderij ’t Paske in de buurtschap Dale.”

    Al direct vond Schaap de aanwezigheid van hem en Bossemeijer te belastend voor de boerenfamilie. „De verantwoordelijkheid voor twee onderduikers was te groot. Weet je voor één van ons geen andere plek, heb ik gevraagd. Na een paar weken kon ik terecht op boerderij ’t Heegt in Lintelo, eveneens een buurtschap. Daar, bij de familie Rensink, ben ik tot het einde van de oorlog geweest.”

    Hol boven de paardenstal

    De westerling met een technische achtergrond werd er in korte tijd omgeschoold tot boer. Hij ploegde en egde het land met behulp van de paarden, maakte stallen schoon en voerde de koeien. „Ik leerde zelfs melken. Dankzij de oudste dochter van de familie, die net een cursus daarvoor had gevolgd.”

    In het begin sliep Schaap in de opkamer van de boerderij. Later arriveerde in Aalten een groep van 500 Scheveningers, door de Duitsers uit hun dorp verdreven in verband met de bouw van de Atlantikwall. Schaap herinnert het zich nog goed. „De gereformeerden gingen naar Aalten, de hervormde Scheveningers evacueerden naar Winterswijk. Dat was zo afgesproken met de plaatselijke kerken. Ook op ’t Heegt werd aan enkele Scheveningers onderdak geboden.”

    Hij sliep de rest van de oorlog in een hol boven de paardenstal. „Boven de zomp, waar de paarden uit aten. Als ik daarop ging staan kon ik precies bij een luikje dat je van beneden af niet kon zien. Ik had er een bed. Er viel door een glazen dakpan wat licht naar binnen.”

    Hij verbleef er niet vaak. Het grootste deel was Pieter op het land te vinden. Echt gevaarlijk vond de onderduiker het niet. „Van de Duitsers hadden we weinig last. Wel van landwachters, maar die werden in deze omgeving altijd ruim tevoren gesignaleerd. Ik ging dan meestal naar een stuk land verderop, enigszins verscholen achter de bomen. Of ik kroop weg. Ik bleef nooit op de boerderij als er problemen waren.”

    Wagen vol knäckebröd

    Hij bleef twee en een half jaar op ’t Heegt. Te midden van vele andere onderduikers. Aalten wemelde ervan. „Er kwamen er steeds meer. Ook de Duitsers kregen dat in de gaten en op 30 januari 1944 werd de Westerkerk tijdens een dienst omsingeld door SS-ers. Tevergeefs probeerde een aantal onderduikers langs het orgel te ontsnappen. De kerkgangers werden gecontroleerd, ze kregen een boete wanneer ze hun persoonsbewijs thuis hadden laten liggen.”

    Bekend is het verhaal van onderduiker Gerrit Hoopman (19), die van een Scheveningse in het gedrang werd voorzien van haar overrok, schouderdoek en hoofdijzer en op die manier uit het Godshuis wist te ontsnappen. Dat gold niet voor een grote groep andere onderduikers. Meer dan veertig mannen werden opgepakt.

    Schaap, een trouwe bezoeker van de Westerkerk, was er die dag niet. „We vonden het toch wel gevaarlijk worden en organiseerden die zondag voor een van de eerste keren een dienst op een geheime plek. We noemden dat de onderduikerskerk. We deden dat bij boeren, steeds weer op andere adressen. Vaak ging een van de jongens voor, soms hadden we een predikant.”

    Later werden op de boerderij Duitsers ingekwartierd. „Het waren jonge jongens, valschermjagers die geen vliegtuigen meer hadden en daarom bij de infanterie dienst moesten doen.” Hij had er weinig last van. „Voor hen behoorde ik bij de familie. Toen ze op een gegeven moment van de boer een paard en wagen vorderden en het commando Bauer mit gaven, ben ik op de bok gesprongen. We gingen richting Bocholt, maar tijdens een bombardement verdwenen mijn passagiers snel. Ze zochten op een andere plek dekking. Ik heb een tijdje gewacht totdat ik uit een grote loods in de omgeving boeren met paarden en wagens af en aan zag rijden. Ik ging er naar toe en zei dat ik was gestuurd om wat op te halen. Ik kreeg een wagen vol knäckebröd mee, ha, ha. Daar ben ik mee teruggereden.”

    Ook voor anderen was hij onderdeel van het boerengezin. „Al die jaren was ik Piet van ’t Heegt. Sommigen kennen me nu nog zo. Pas waren we op een bijeenkomst waar we een kennis uit die tijd ontmoetten. Die woont nu in Zeeland. Hé, daar heb je Piet van ’t Heegt, zei ze.”

    Honger heeft hij in de Achterhoek niet geleden. „Om de veertien dagen stuurde ik zelfs een groot roggebrood naar mijn ouders. De postbode werd bij hen de bakker genoemd. Hij deelde mee bij het verdelen van het brood.”

    Tot zijn pensionering werkte Schaap als technicus bij de Landmacht. Zijn vooroorlogse ideaal om scheepsmachinist te worden, ging als gevolg van de oorlog niet in vervulling. In de buurtschap ontmoette Pieter zijn latere vrouw. „Ze woonde enkele boerderijen verderop.” De verkering ging niet van een leien dakje, want haar vader vond haar te jong en na de bevrijding meldde Pieter zich aan als vrijwilliger voor Nederlands-Indië. Pas jaren later keerde hij terug naar Aalten, waar de boerendochter nog steeds op hem wachtte. „Nu zijn we al 56 jaar getrouwd. We waren echt voor elkaar bestemd.”

    Pieter Schaap overleed op 11 oktober 2013.

    Meer informatie over de onderduik: Nationaal Onderduikmuseum, Aalten

  • Tolhuizen in Aalten

    Tolhuizen in Aalten

    Tot het einde van de 19e eeuw werd op veel doorgaande wegen in de Achterhoek tol geheven. Reizigers, handelslieden en boeren moesten betalen om bepaalde routes te mogen gebruiken. De opbrengsten hiervan werden gebruikt voor het onderhoud van wegen en bruggen. In Aalten stonden meerdere tolhuizen, waar de tolgaarder woonde. Naast het innen van tol had hij vaak een ander beroep, zoals landbouwer.

    Hieronder volgt een overzicht van de bij ons bekende tolhuizen in Aalten. Dit overzicht is vermoedelijk niet volledig.

    Tolhuizen in Aalten

    Geen berichten gevonden.
  • Veemgericht op ’t Walfort

    Veemgericht op ’t Walfort

    In de nabijheid van havezathe ’t Walfort bij Aalten was in de middeleeuwen een zogenaamd veemgericht gevestigd. Veem is Nedersaksisch voor ‘straf’. Het was een speciale rechtbank waarvan de zittingen in de open lucht plaatsvonden bij een bosje met de naam “Sleehegge”. Hier werd vier maal per jaar rechtgesproken bij opgaande zon.

    Het veemgericht werd voorgezeten door een vrijgraaf, een rechter naar oud-Westfaals model. Een vrijgraaf vertegenwoordigde een zogenaamde vrijstoel. Een vrijstoel besloeg een bepaald gebied, meestal gelijk aan de gouwen uit de Karolingische tijd. De vrijgraaf vindt zijn oorsprong bij de Saksen. Na onderwerping van de Saksen door Karel de Grote bleven de oude veemgerichten nog een lange tijd bestaan.

    Deze vrijgraaf en een aantal vrije veemschepenen of bijzitters oordeelden over de aanklacht, na dagvaarding van de verdachte. Het veemgericht zou zijn opgetreden wanneer men moest vrezen dat een bevoorrecht persoon niet voor een reguliere rechtbank kon worden gebracht, en zo een hiaat in het rechtsstelsel hebben opgevuld.

    De Dücker zal ow halen

    De meest bekende en beruchte vrijgraaf op ’t Walfort was Berend de Dücker, tevens burgemeester van Bocholt. Hij werd in 1430 op ’t Walfort benoemd en was bijzonder gevreesd, want zijn veroordelingen eindigden vaak met de dood. De veroordeelde werd door drie anonieme veemschepenen opgehangen aan een strop van wilgentenen. De Dücker heeft het veemgericht 61 jaar lang voorgezeten. Een bekend dreigement van ouders voor hun kinderen, als zij niet wilden gehoorzamen, was nog tot in de 20e eeuw: “De Dücker zal ow halen”.

    Omdat de veemgerichten het monopolie van de overheid om straffen op te leggen ondermijnden, verbood de hertog van Gelre zijn onderdanen gevolg te geven aan een dagvaarding voor het veemgericht. Aan het einde van de zestiende eeuw verdween het veemgericht op ’t Walfort. Het is de enige plek in Nederland waarvan is bewezen dat er een veemgericht was.

    Het Rotterdamsch Nieuwsblad schreef in 1936 over het veemgericht op ’t Walfort:

    Veemgericht op het Walfort - Rotterdamsch Nieuwsblad, 05-02-1936
    Het veemgericht op het Walfort.

    Ontstaan uit den druk der tijden en als reactie op de tyrannieke overheersching der Pandheeren, vergaderde zij [het veemgericht, red.] des nachts. De burgers, die de rechtbank vormden, kenden elkander soms niet. Zij verschenen gemaskerd. Om te voorkomen, dat de gevangenen zouden verklappen, wat er was gebeurd, en waar de zittingen, of liever de bijeenkomsten werden gehouden, was het vonnis, dat geveld werd, steeds de doodstraf. De gemakkelijkst uit te voeren straf was die van den strop.

    Om aan den langskomenden te laten zien, dat men te doen had met een veemvonnis, werd in den boom, waaraan de gehangene was gevonnist, het teeken van het Veemgericht met een bijl gehakt, een z.g. Wolfshaak [of Wolfsangel, red.]. Dit alles lijkt ons, in, den tegenwoordigen tijd zeer wreed. Maar men moet niet vergeten, dat de verbittering in verband met den nood der tijden tot deze maatregelen heeft geleid.

    Want hoofdzakelijk keerden de veemrechters zich tegen de ontslagen krijgsknechten van de vele legertjes der vele elkander voortdurend bestrijdende Potentaatjes.

    Deze krijgslieden, die vriend noch vijand ontzagen, stroopten bij grootere of kleinere troepjes het platteland af. Zij stalen vee, kippen en levensmiddelen. Ook geld, dat bij de boerenbevolking van die oude tijden schaarsch was, benevens huisraad en sieraden. En kerkschatten waren van hun gading.

    Schandelijk gedroegen deze lieden zich tegenover vrouwen en kinderen. En wee, den boer die op een eenzame hoeve woonde zich tegen hun misdaden durfde verzetten. Zijn gezin mishandelde men voor zijn oogen, terwijl hij, gebonden, toezag. Zijn hoeve werd in brand gestoken, en hijzelf als laatste, dood geslagen.

    Het Veemgericht, dat was samengesteld uit bewoners van Bredevoort en Aalten, werd naderhand officieel op het Walfort gevestigd, waar uit de familie van Lintelo, de Richter, Vrijgraaf of voorzitter van de Rechtbank werd verkozen. In 1573 treffen we er als zoodanig Arend van Lintelo aan.

    Lees ook “Een veemgericht op Nederlandschen bodem”, door Dr. H. Kits Nieuwenkamp (1938):

  • Popcultuur

    Popcultuur

    Hier komt hopelijk spoedig meer informatie over popcultuur in Aalten.

    Veel kunt u al lezen in de boekenreeks ‘AALTEN IN ROERIGE JAREN’ (5 delen), door H. de Beukelaer en Aad Schepers.

    Daarnaast verwijzen wij u graag naar de Facebook-pagina ‘Aaltense popcultuur in de jaren 60/70

  • Rotten in Aalten

    Rotten in Aalten

    Aalten, Bredevoort en buurtschappen waren vroeger verdeeld in wijken, die ‘rotten’ werden genoemd. Voor elke wijk was een rotmeester aangesteld. Zij hadden tot taak om officiële berichten en andere opdrachten van het centrale bestuur in Bredevoort over te brengen aan de wijkbewoners.

    Veel Aaltenaren zullen de term ‘rot’ associëren met de ‘molen op ’t Rot‘ en diens omgeving. Het dorp Aalten kende echter ooit acht rotten. Naast de officiële zaken die per rot geregeld werden, waren er ook meer informele gebruiken waarbij bewoners zich binnen hun rot organiseerden, zoals bijvoorbeeld de ‘paaschvuren‘.

    Rotmeesters in 1748

    Dorp Aalten: Roelof ten Dam, Jan Cuenink, Salomon te Bokkel, Garrit Brethouwer, Gerrit Jan Rots, Willem Kolenbrander, Gerrit Evers en Roelof Hesselink.

    Bredevoort: Jannes Wenink, Jan Mentink, Berent Helders, Berent Schallenberg, Lammert te Kaveste

    Buurtschappen: nog uit te zoeken…

    Rotmeesters in 1784

    Aalten – 8 rotten

    1. A.A. Stumph
    2. Jan Carlier
    3. J. Hn. Manschot
    4. Isak te Boekel
    5. Harme Jan ten Dam
    6. Jan Evers
    7. Hn. Gr. Degener
    8. Gr. Jan Prins

    Barlo – 4 rotten

    1. Hr. Winkelhorst
    2. Hr. Jan te Bockel
    3. Jan Niehof
    4. Dr. Jan te Boekel op te Neet

    Dale – 3 rotten

    1. Jan Wigers
    2. van den overlede Gert ten Velde
    3. van het afgebrokene Brunink

    Haart – 3 rotten

    1. Arent Jentink
    2. Rijnder ter Haar
    3. Hn. Hunink

    Heurne – 2 rotten

    1. Dr. Goorheus
    2. Hendrik Ongena

    Lintelo – 8 rotten

    1. Rijnder op den Heuvel
    2. Willem Sonder
    3. Derck Marod
    4. Bn. Hendrik Navis
    5. Jan Wolterink
    6. Roulof Oberink
    7. Jan Lisen
    8. Gr. Loman

    IJzerlo – 4 rotten

    1. Gr. Jan Lensink
    2. Jan Prins
    3. Gert Hijdeman
    4. Toni Lensink

    Heeft u meer informatie over de rotten en rotmeesters in Aalten, Bredevoort en buurtschappen? Is er een overzicht van de grenzen van deze rotten?
    Reageer dan hieronder of stuur ons een bericht!

  • Zwem- en Badinrichtingen

    Zwem- en Badinrichtingen

    Vóór de aanleg van formele badinrichtingen zochten Aaltenaren tijdens warme dagen graag verkoeling in de Slingebeek.

    Reeds in 1906 zocht ‘Aaltens Belang‘ naar een geschikte plaats om te zwemmen. De plaats moest betrouwbaar zijn, maar de beek was bij tijden te ondiep. De meest geschikte plaats vond men de kolk bij De Pol, waar de watermolen eens stond. Binnen een bekisting, een soort stuw, is daar ooit gezwommen. Rond 1920 kon men zich “te water laten” in de beek bij het Nannielaantje (Smeeslaantje), het waterschap echter trok de stuwen uit de beek.

    In 1920 kocht de gemeente een terrein tussen Aalten en Bredevoort aan dat bekend stond onder de naam ‘Oosterman’ met de bedoeling daar een nieuwe algemene begraafplaats aan te leggen. Later kwam men op dit plan terug. Op 4 juli 1930 kwam in een vergadering van de gemeenteraad de vraag naar voren of B. en W. genegen waren met voorstellen te komen aangaande de vestiging van een gemeentelijke bad- en zweminrichting.

    In 1933 besloot men om een zwembad aan te leggen op het terrein Oosterman. Zeventig werklozen werd ingeschakeld in het kader van de werkverschaffing en onder leiding van D. Roenhorst van de Nederlandse Heidemaatschappij kwam het werk tot stand. Met houten kruiwagens voorzien van wielen met ijzeren beslag en met de schop werd het zand verplaatst naar de zijkanten en hierdoor ontstond er een aarden wal om het zwembad. De aanlegkosten bedroegen circa 14.500 gulden. Op 23 juni 1934 werd het zwembad ‘Walfort’ geopend met zwem en springdemonstraties verzorgd door de Winterswijkse watersportvereniging en de dameszwemclub ‘Inter Nos’ uit Amsterdam.


    Krantenberichten

  • Oud-Aaltense flessenhalzen

    Oud-Aaltense flessenhalzen

    Door de toename van het gemotoriseerde verkeer in de twintigste eeuw stonden diverse huizen in de oude dorpskern van Aalten op een gegeven moment – letterlijk en figuurlijk – ‘in de weg’. Op deze pagina hebben we een aantal van deze zogenaamde ‘flessenhalzen’ verzameld. Weet u er nog meer?

    Peperstraat

    De Graafschapbode, 5 januari 1934

    Een „Steen des Aanstoots” te Aalten, die zeer binnenkort gaat verdwijnen!

    Het 203 jaar oude woonhuis met smederij van den heer Buesink, te Aalten, gelegen aan den hoek en ingang der Peperstraat aldaar, stond reeds lang de verbreeding der drukke in het hartje van het dorp gelegen Peperstraat in den weg.

    In de laatste raadszitting is nu besloten, in overeenstemming met den eigenaar, dit pand te doen afbreken, waarbij aan den eigenaar een vergoeding van ƒ 2500 gegeven wordt, op voorwaarde, dat de straat aldaar 13 meter breedte verkrijgt en dat binnen 8 maand zijn nieuwe pand verrezen zal zijn.

    Hoewel het zeer prijzenswaardig is, dat de steeds zoo drukke maar aldaar zoo nauwe straat aanmerkelijk verbreed wordt en het nieuwe pand de omgeving en het plein aldaar zal verfraaien, is het tevens, uit oudheidkundig en uit een oogpunt van schilderachtig dorpsschoon beschouwd jammer, dat hier weer een der oudste en meest typische huizen uit het hartje van het dorp gaat verdwijnen ten behoeve van het moderne verkeer. Vermeld zij nog, dat de Peperstraat tot heden wegens haar nauwheid voor alle motorrijtuigen verboden was!

    Varsseveldsestraatweg, ‘Nauw van Calais’

    De Graafschapbode, 29 juli 1930

    Een moeilijk verkeersprobleem te Aalten

    Het schoone dorp Aalten, door vroegere geslachten op heuvelen gebouwd, heeft meerdere sterk hellende, vrij nauwe straten met scherpe bochten, waardoor het dorp als knooppunt in het verkeer vaak moeilijkheden biedt. Speciaal de samenvloeiing van Landstraat, Kerkhofstraat en Veemarktstraat kan als een „gevaarlijk kruispunt” worden” aangeduid, waar schier dagelijks botsingen en aanrijdingen plegen voor te komen en waar bij de ontwikkeling van het hedendaagsche snelverkeer oppassen en uitkijken in dubbele mate geboden is.

    Dit probleem heeft sinds jaar en dag de aandacht van de gemeentelijke overheid en ook de Vereen. „Plaatselijk Belang” en de K.N.A.C. zijn te dezen al vele jaren actief, zonder tastbaar resultaat evenwel. De juiste oplossing schijnt moeilijk te vinden te zijn, doch gezien het groot aantal ongelukken, dat om begrijpelijke redenen eer toe- dan afneemt, wordt het toch werkelijk meer dan tijd, dat hier door de betrokken overheid met kracht wordt ingegrepen, voor en aleer nog ernstiger ongevallen dan tot heden zich voordeden ertoe noodzaken het „dempen van den put” te bespoedigen.

    Oosterkerkstraat

    Dagblad Tubantia, 14 december 1949

    Aalten’s Raad zal oordelen over verkeersobstakel

    De raad van Aalten zal a.s. Donderdagmiddag om half drie in vergadering bijeen komen. De te behandelen agenda is allerminst onbelangrijk. Zo zal men hebben te beslissen over een voorstel van het college van B. en W. betreffende aankoop van het huis op de hoek Oosterkerkstraat—Lichtenvoordsestraat. Dit huis is een grote hindernis voor het verkeer en een doorn in het oog van alle automobilisten, die het ongeluk hebben van de Oosterkerkstraat naar de Lichtenvoordsestraat te moeten.

    De laatste tijd heeft men zelfs parkeersborden geplaatst, aangevende dat de laatste vijf meter van de Oosterkerkstraat verboden terrein is voor vierwielige voertuigen. Zo kan men nu bijna dagelijks zien dat auto’s, komende uit de Oosterkerkstraat clandestien over het verboden gedeelte van de weg naar de Lichtenvoordsestraat rijden. Meestal laat men dan vooraf een medepassagier even kijken of er soms een politieman in de buurt is. Het is te gek, zo oordeelt men, dat men de gehele Oosterkerkstraat, achteruit rijdende, want men kan in deze straat niet draaien, uit moet rijden om via een grote omweg op de Lichtenvoordsestraat te komen.

    De heer M. Meijerman, de tegenwoordige eigenaar van het huis dat de oorzaak van alle narigheid is, heeft zich bereid verklaard, het pand voor ƒ 4000 van de hand te willen doen en B. en W. grijpen de gelegenheid grif aan. De raad ongetwijfeld niet minder. Wij weten niet of B. en W. het verantwoord achten het huis binnen afzienbare tijd af te breken. Enerzijds spreekt de huidige woningnood een hartig woordje mee, doch anderzijds is het de vraag of het huis moet blijven staan totdat er, vooral nu het verkeer intensiever wordt, ongelukken gebeuren.

    Meer flessenhalzen

    Bredevoortsestraatweg 2Foto Hubers.

    Landstraat / HogestraatDe Haas manufacturen.

    Landstraat 26Café De Landman.

    Prinsenstraat 44 / VeemarktKoffiebranderij van D.W. Vaags.

  • Bredevoorts volkslied

    Bredevoorts volkslied

    Het Bredevoorts volkslied is het volkslied van het Gelderse stadje Bredevoort. De tekst en de muziek zijn aan het begin van de 20e eeuw geschreven door dichter en organist Gerrit Rijks (24-03-1905 – 17-09-1987). Rijks was van 1921 tot 1984 organist van de Sint Joriskerk. Het lied wordt regelmatig op officiële gelegenheden ten gehore gebracht.

    Tekst

    Tussen natte, lage gronden, Tussen ‘t ruisend korenveld,
    Wordt “de heerlijkheid” gevonden, Die d’ historie vaak vermeldt.
    Daar waar in ’t grijs verleden, Zeer, zeer veel geleden is,
    Daar waar ook om onze vrijheid, Harde strijd gestreden is.

    Daar waar eens mijn ouders woonden, Lief en leed steeds werd gedeeld,
    Daar, waar koning “Eendracht” troonde, En geen wanklank werd verheeld.
    Daar waar men elkander kende, En elkander steeds begreep,
    Open stond voor ieders noden, Samen torste menig leed.

    Buiten dit beminde stadje; met zijn wallen en zijn gracht;
    Zijn de malse groene weiden, En de bossen vol van pracht;
    Daar hoort men de voog’lenkoren, Teder, lieflijk, ongestoord,
    Daar lacht de natuur u tegen, Wat den wand’laar steeds bekoort.

    Is er door de loop der tijden, Zeer veel ouds te niet gegaan,
    De vaak onvolprezen “Eendracht”, Zal gewis niet ondergaan.
    Men waardeert elkanders streven, Men begrijpt elkanders taak,
    En vervult der buren plichten, Als de doodgewoonste zaak.

    Bredevoort, mijn oude stadje, Met jouw grote kinderschaar,
    Blozend, stralend van gezondheid, Altijd lustig helpend klaar.
    Jullie zijn de hoop der toekomst, Maakt uw leven zo ’t behoort.
    Denkt vol trots aan het verleden, Van ons roemrijk Bredevoort.

    Bredevoort, mijn oude stadje, Wat ge aan natuur ons biedt,
    Vindt men zeker, onomwonden, In de grote steden niet,
    Daarom zal mijn hartewens zijn, En van ieder, die het hoort:
    “Leve lang! M’n dierbaar plekje, Leve lang m’n Bredevoort”!

    Bredevoort, m’n oude stadje, Bredevoort, m’n troetelkind,
    Bredevoort, m’n dierbaar plekje, Bredevoort de kindervrind,
    Bredevoort, de vriend van ouden, Bredevoort ons aller oord.
    Bredevoort, m’n oude stadje, Bredevoort, mijn Bredevoort.

    Waar de ambachtslieden werken, En de nijv’re boerenstand
    Onverpoosd en onverdroten, ’t Land bewerkt met vaste hand,
    Waar men in volmaakte vrijheid, Mening en geloof waardeert,
    En de kennis van een ander, Met gepaste eerheid eert.

  • Aaltens Volkslied

    Aaltens Volkslied

    De tekst en de muziek van het Aaltens volkslied werden in 1935 geschreven en gecomponeerd door Johan Herman Janssen (16-02-1896 – 21-11-1966). Janssen werd geboren in Varsseveld en verhuisde op 14-jarige leeftijd met zijn ouders naar boerderij de Hiedtuunte in Lintelo. Later woonde hij in Doesburg.

    Janssen was onder andere politieagent, fotograaf, wasbaas, orgelbouwer en carillonbouwer. Hij speelde trompet, piano, orgel en accordeon. Ook schreef hij revues en operettes en trad op als ‘Het boertje uut den Achterhoek’. Naast het volkslied van Aalten, schreef en componeerde Janssen ook het volkslied van Doesburg, Heelweg en Westendorp.

    Het Aaltens volkslied wordt ook wel gezongen op de melodie van het Gelders volkslied. Maar hoewel dat ook heel mooi klinkt, is het – volgens onze bronnen – niet correct.

    Muziek en tekst

    Waar het oude Slingebeekje door een rustig dorpje vliedt
    waar een golvend heuvellandschap ons een prachtig uitzicht biedt
    waar de schitt’rende omgeving door een ieder wordt geroemd
    daar ligt in de oude Graafschap ’t dorp dat Aalten wordt genoemd.
    daar ligt in de oude Graafschap ’t dorp dat Aalten wordt genoemd.

    Waar in ’t Loohuis en de Wolboom ons ’t natuurschoon tegenlacht
    waar het Walfort ons herinnert aan een vroeger voorgeslacht
    waar het bord “Verboden Toegang” ’t oog des wandlaars niet verstoort
    dat is Aalten, dat veel mensen kennen als hun liev’lingsoord.
    dat is Aalten, dat veel mensen kennen als hun liev’lingsoord.

    Waar de nijvere bevolking ’t werk nog opgewekt verricht
    waar gastvrijheid vele jaren wordt beschouwd als ereplicht
    waar nog burenplicht vervuld wordt ’t zij bij vreugde of bij leed
    dat is ’t nooit volprezen Aalten ’t dorpje dat ik nooit vergeet
    dat is ’t nooit volprezen Aalten ’t dorpje dat ik nooit vergeet

  • Paasvuur

    Paasvuur

    Een paasvuur is een soort vreugdevuur dat tijdens Pasen in delen van Europa wordt aangestoken. Hiervoor wordt hout verzameld en op een grote stapel gelegd, die soms tientallen meters hoog is. Als het duister invalt wordt het geheel aangestoken.

    Het spektakel trekt vaak veel toeschouwers en meestal is het een echt dorpsgebeuren. Van oorsprong was het een Germaans feest, gewijd aan Ostara, de godin van de lente. Na de kerstening kreeg de traditie een christelijke invulling.

    Paasvuur in Aalten

    G.H. Rots beschreef de Aaltense paasvuurtraditie in 1937 als volgt:

    “Ieder voorjaar als Pasen naderde verzamelden zich de jongens uit een ‘rot‘ (= wijk/buurt) om plannen te bespreken voor het “paaschvuur”. Zij benoemden een bestuur, waarvan vooral de penningmeester een gewichtige rol vervulde.

    Er werd langs de huizen gegaan om te vragen of men ook nog wat over had voor ’t paaschvuur. Wie geen hout had, offerde meestal een kleinigheid in klinkende munt, waardoor een ‘kas’ werd gevormd. De penningmeester moest deze kas beheeren, welke soms tot dertig centen kon oploopen. ’t Gebeurde wel eens dat de penningmeester de kas of een gedeelte daarvan voor eigen doeleinden gebruikte. Dan was Holland in last. Er werd soms zwaar gevochten, en onderlinge ruzies waren aan de orde van den dag.

    Maar ’t einde van ’t liedje was toch: er kwam een paaschvuur. Elk rot had zoo’n vuur, en ’t ging er maar om wie het grootste had. Niet zelden gebeurde het dat de eene groep jongens er ’s avonds laat nog op uittrokken om hout van een andere groep te kapen, en hun eigen voorraad daarmee aan te vullen.

    Den eersten Paaschdag werd het vuur ontstoken. In ‘t midden een paal, waarboven een teerton gehangen was, waardoor het vuur hoog oplaaide. En zoo zag men om Aalten eenige vuren branden, welk schouwspel tal van kijkers had.”

    Palmpasen

    “Het eieren gooien werd ’s morgens door kleine kinderen nog veel gedaan. Als men ze mooi bruin gekleurd wilde hebben, werden ze in cichorijpap gekookt. Op Palmzondag kon men de kinderen met mooie versierde dennentakken zien loopen, z.g.n. „palmpaschen”, waarbij de kinderen dan de palmpaaschliederen zongen, oa. dit:

    Eikorij, eikorij,
    As ’t nog eenen Zondag is kriege wi’j een poaschei.
    Eén ei is geen ei.
    Twee ei is een paoschei.

    Dit soort liedjes, werd in andere gemeenten nog wel aangevuld. In folklorische bijdragen over paaschgebruiken zijn die liedjes wel vermeld.”

  • Joden in Aalten en Bredevoort

    Joden in Aalten en Bredevoort

    Na de Unie van Utrecht heerste in Nederland vrijheid van godsdienst. Daardoor kwamen in het begin van de 17e eeuw veel Joden naar Nederland. De eerste Joden in Aalten werden gedocumenteerd omstreeks 1630. Aalten was toen een kleine, geïsoleerde en gesloten agrarisch-ambachtelijke dorpsgemeenschap met een arme en nog in hoge mate bijgelovige bevolking.

    Men keek vreemd aan tegen de Joden met hun afwijkende godsdienst, gebruiken en kleding. De bevolking plaatselijke bevolking beschouwde hen nog lang als vreemdelingen. Tot aan de Napoleonitische tijd bleef het aantal joden beperkt tot vier gezinnen, die in de afgelegen straten van het dorp Aalten woonden. Als beroep werd meestal ‘koopman’ vermeld.

    Bredevoort

    Al in 1631 had Bredevoort Joodse inwoners. Deze woonden destijds met name rondom de Hozenstraat, waar zij ook een eigen begraafplaats hadden, in de volksmond ‘De Timp’ geheten. Omstreeks 1700 richtte een Joodse handelaar in manufacturen in Bredevoort een huissynagoge in. In 1714 verhuisde deze huissynagoge naar een ruimere locatie, een grote stenen schuur op de Ganzenmarkt tussen de Hozenstraat en Gasthuisstraat. Deze schuur staat er nog altijd. Ook Joden uit Aalten en Lichtenvoorde bezochten deze synagoge.

    Tot 1821 viel de gemeenschap nog onder Winterswijk, maar in 1830 werd het een zelfstandige gemeente. Omstreeks 1830 werd dan ook een echte synagoge gebouwd aan de Vismarkt.

    Rond 1800 telde de Joodse gemeente in Bredevoort bijna evenveel leden als de Aaltense gemeente, maar ging in de loop van de 19e eeuw gestaag in omvang achteruit. In 1900 waren er onvoldoende leden om regelmatig diensten te houden en werd de Bredevoortse gemeente bij die van Aalten gevoegd.

    Het gebouw aan de Vismarkt diende nog tot aan het begin van de Eerste Wereldoorlog als synagoge. Omstreeks 1920 werd de synagoge verbouwd tot woonhuis. Tegenwoordig is het gebouw een gemeentelijk monument.

    Aalten

    Pas in 1776 wordt voor het eerst melding gemaakt van een ‘Jodenkerk’ in Aalten. Dat moet ook een huissynagoge zijn geweest. Tussen 1800 en 1850 groeide de Joodse gemeenschap in Aalten in aantal van 39 tot 70, voornamelijk door gezinsuitbreiding in de bestaande Joodse families: het aantal huishoudens nam nauwelijks toe.

    In 1857 nam men de synagoge aan de Stationsstraat in gebruik. De Joodse gemeente verkreeg in 1852 de begraafplaats aan de Haartsestraat in eigendom, maar werd al eerder (we weten niet hoe lang) gebruikt om er de doden te begraven.

    In de periode 1870-1900 nam het aantal Joodse inwoners in Aalten af van 80 naar 50. Dit moet uit plaatselijke omstandigheden verklaard worden: het aantal Joden dat met een kleine nering in zijn levensonderhoud moest voorzien, was door de sterke groei in de daaraan voorafgaande jaren te groot geworden voor de nauwelijks gegroeide (door emigratie zelfs enigszins teruggelopen) Aaltense bevolking. Een deel van de Aaltense Joden trok daarom ook weg, vooral naar de wat grotere steden in Oost-Nederland (Arnhem, Zutphen, Deventer).

    Pas toen de totale bevolking van Aalten weer begon toe te nemen, kon ook het aantal mensen dat in de kleine handel werkte weer groeien. En dat gebeurde ook, niet alleen door geboorteoverschot, maar voor het eerst sinds lange tijd ook door vestiging van nieuwe families.

    Omstreeks 1900

    Begin 1900 telde het kerkbestuur drie leden. Er was een godsdienstschool met één onderwijzer en een ritueel bad. Naast een begrafenisvereniging voor mannen kende Aalten een vrouwengenootschap dat hulp bood bij ziekte en overlijden.

    De Joodse gemeente in Aalten was gelovig, al deed de één er misschien wat meer aan dan de ander. De sociale controle speelde daarbij wel een rol. De sabbatsregels werden echter, om economische redenen, niet altijd even strikt nageleefd.

    De Joodse gemeente in Aalten bestond overwegend uit veehandelaars en slagers. Het feit dat binnen de kleine gemeente velen tot dezelfde beroepsgroep behoorden leidde veelvuldig tot ruzies, die nogal eens in of bij de synagoge werden uitgevochten. Deze spanningen en twisten, tussen rituele slachters die moesten bepalen of een koe koosjer was, en tussen slagers die wilden verkopen, waren evenzeer onderdeel van de Joodse cultuur in Aalten als de onderlinge hulp in geval van ziekte en armoede.

    Integratie

    Werden de Joden in de 17e en 18e eeuw nog als vreemdelingen gedoogd, in de 19e eeuw vond geleidelijk een proces van integratie plaats. Dit leidde ertoe dat de Joden in het begin van de 20e eeuw een geaccepteerde minderheid vormden. Ze vervulden bijvoorbeeld bestuursfuncties in verenigingen als Aaltens Belang, de Oudheidkamer en het Feestgebouw.

    Marcus Gans was medeoprichter van pijpenfabriek Peters en Gans aan de toenmalige Gasthuisstraat. Bij de oprichting van de zuivelfabriek waren Joodse veehandelaren als aandeelhouders betrokken. De openbare school kende Joodse onderwijzeressen, de Aaltense Orkestvereniging, toneelvereniging Thalia en Symphonia telden Joodse leden. Joodse leden maakten deel uit van de Aaltense afdeling van het Nationaal Crisis Comité en de vrijwillige brandweer.

    De meeste Joodse kinderen hadden ook niet-Joodse vrienden en vriendinnen en ook de ouderen gingen doorgaans vriendschappelijk met niet-Joden om. Bij officiële gebeurtenissen in Joodse kring was het gemeentebestuur officieel vertegenwoordigd.

    Vluchtelingen uit Duitsland

    In de jaren na 1933 kwam een vluchtelingenstroom op gang vanuit Duitsland. Na de Reichskristallnacht in 1938 nam die stroom nog sterk in omvang toe. Een klein deel van hen die men toeliet tot Nederland mocht zich in Aalten vestigen. De meesten werden doorgestuurd naar speciale vluchtelingenkampen die op verschillende plaatsen in het land waren ingericht.

    Op 1 januari 1942 telde Aalten 17 inwoners met de Duitse nationaliteit (die ze overigens op 25 november 1941 officieel verloren hadden: de Duitse vluchtelingen waren feitelijk staatloze burgers geworden). In de eerste weken en maanden van de Duitse bezetting bleef in Aalten alles nog rustig. Maatregelen die men tegen de Joden nam, raakten de Joodse gemeenschap in Aalten in het eerste jaar nog niet direct. Wat op den duur wel gevolgen zou hebben was de registratie van alle Joodse inwoners in het najaar van 1940. 63 kaarten werden naar Arnhem gestuurd.

    Keuzes

    In 1941 begon de verdrijving van Joden uit het openbare leven. Eerst verschenen er steeds minder advertenties van Joodse middenstanders in de kranten, daarna kwamen de verordeningen die hen de deelname aan openbare bijeenkomsten en de toegang tot de publieke ruimten verboden. Joodse leerlingen werden uit het onderwijs geweerd. In datzelfde jaar 1941 viel het eerste Joodse slachtoffer uit de Aaltense Joodse gemeente als gevolg van een razzia.

    De lijst van speciaal voor Joden geldende verboden en verplichtingen bleef groeien en in de zomer van 1942 begonnen de deportaties. Men moest besluiten om al of niet onder te duiken. Wie niet koos voor het laatste werd ingezet voor wat heette ‘de werkverruiming in het oosten’ en – zo weten we achteraf – in de gaskamers vermoord.

    Onderduik

    Op 13 juli 1942 werd in vijfvoud het overzicht van de Aaltense Joden opgestuurd naar de Zentralstelle für jüdische Auswanderung in Amsterdam. Dat was het begin van het einde.

    Met uitzondering van de NSB-ers gedroeg de niet-Joodse bevolking van Aalten zich over het algemeen behulpzaam. Wel kan men achteraf zeggen, dat zowel Joden als niet-Joden het gevaar hebben onderschat en de zwaarte van de maatregelen niet hebben ingezien.

    Op 4 oktober 1942 werden 10 Aaltense Joden, familieleden van Joden die uit enkele gesloten werkkampen naar Westerbork waren overgebracht, op transport gezet naar het doorgangskamp en vandaar naar Polen. Kort daarna werden zij ‘wegens vertrek naar het buitenland’ uit het bevolkingsregister afgevoerd.

    Binnen een maand daarna waren 37 Aaltense Joden ondergedoken. Zij werden ook uit het bevolkingsregister geschrapt met de toevoeging v.o.w. (vertrokken, onbekend waarheen). Begin 1943 doken nog eens 15 Aaltense Joden onder. De overige 25 zijn via Vught of Westerbork gedeporteerd. Daarmee was Aalten op 10 april 1943 officieel Judenrein.

    Slachtoffers

    De huizen van de weggevoerde families werden leeggehaald (ten behoeve van Duitse Bombengeschädigte) en opnieuw verhuurd. Openstaande rekeningen en vervoerskosten werden betaald door Lippmann en Rosenthal, de bank in Amsterdam waar alle Joodse vermogens waren ondergebracht.

    Dook men in 1941 nog tijdelijk onder, vanaf oktober 1942 kreeg de onderduik een permanent karakter. Lang niet iedereen keerde terug uit de onderduik.

    Van de 52 ondergedoken Joden zijn er uiteindelijk drie tijdens hun onderduikperiode overleden en zes na verraad opgepakt, weggevoerd en vermoord. Er zijn ook Joden geweest die in Aalten geboren werden, er al of niet een groot deel van hun leven doorbrachten, maar die tijdens de bezetting door verhuizing elders in Nederland woonden. Over hun lot zijn de gegevens niet volledig. Tellen we hen mee, dan is het aantal slachtoffers uit Aalten veel groter dan de 34 van wie we het zeker weten.

    Na de oorlog

    De 46 leden van de Joodse gemeente in Aalten die de oorlog overleefd hadden waren ontredderd. Velen hadden een groot deel van hun familie verloren en bezaten ook niets meer. Hun pogingen om iets van hun vroegere bezittingen terug te krijgen ontmoetten niet altijd medewerking en stuitten vaak ook op onwil.

    Het aantal Joden in Aalten liep na de oorlog gestaag terug. Jongeren vertrokken naar Israël of naar het westen van het land, de ouderen stierven. In 1965 bedroeg het aantal nog 28, in 1981 21, en nu is er nog maar een enkeling.

    Tip


    Het Nationaal Onderduikmuseum in Aalten vertelt met ‘kleine’ verhalen de grote geschiedenis van verzet, onderduiken en vrijheid voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Het museum gaat in op de keuzes en dilemma’s van gewone burgers aan de Nederlands-Duitse grens en gebruikt de verhalen van toen om het gesprek over nu te voeren.

    nationaalonderduikmuseum.nl