Inhoudstype: Verhaal

  • Het verhaal van Willem en Janna Manschot

    Het verhaal van Willem en Janna Manschot

    Aalten Vooruit, woensdag 30 mei 1990

    Door J.G. ter Horst

    Het oude huis in de Prinsenstraat, naast het gebouw van de Nederlandse Protestantenbond, is afgebroken. Een zeer oud huis, waarin zich veel lief en leed heeft afgespeeld. Het stond wat scheef ten opzichte van de straat. De ene hoek van de woning stond wel meer dan een halve meter dichter op de straat dan de er tegenover liggende hoek.

    Nu is er een nieuw pand voor in de plaats gekomen. De straat heeft door deze nieuwbouw ongetwijfeld een aantrekkelijker gezicht gekregen. Het oude huis was in zeer vervallen staat. Dat moest er al zo’n twee eeuwen gestaan hebben en werd vanaf het einde van de achttiende eeuw door de smedenfamilie Manschot bewoond.

    Daar in de Achterstraat woonde, toen nummer 193, Jacob Manschot met zijn gezin. Zijn vrouw, Elizabet Arentzen, was een zuster van Roelof Arentzen, de latere assessor van Aalten. Hun zoon Gerrit Willem, geboren in 1802, in het dagelijkse leven aangesproken met de laatste naam, leerde al vroeg het smidsvak van zijn vader en kwam toen bij zijn vader in de smederij. Een oudere zoon uit het gezin, Hendrik Jan, die eveneens grofsmid was, had een smederij elders in het dorp.1 Dan was er nog een dochter, Elisabeth geheten.

    Dubbel huwelijksfeest

    Op 17 december 1833 wordt er feest gevierd in het huis. Zoon Willem trouwt met Johanna Geertruijt Becking, kortweg Janna geheten. En Elisabeth treedt eveneens op die dag dag in het huwelijk en wel met B.D.G. Muller. Muller was koopman en zijn handel was veelomvattend. Behalve manufacturen en galanterieën betrof dit ook graan, verf, ijzerwaren, godsdienstige boeken, muziekinstrumenten, hooi en stro.

    Behalve de familie Manschot, waren ook de Beckings en Mullers verwant aan de meest vooraan-staande ingezetenen, die als assessor, gemeenteontvanger of “mede-regter” veel invloed konden uitoefenen.

    De herberg van Schaars

    Elisabeth verliet het huis aan de Achterstraat en Janna trouwde bij haar schoonouders in. Het is dan nummer 228. Janna Becking werd geboren op 24 november 1809. Zij was een dochter van Lourens Becking, een uit Varsseveld afkomstige landbouwer en van Willemina Geertruijd Schaars, de dochter van een Aaltense herbergier. Na zijn huwelijk in 1799 was Lourens Becking daar herbergier geworden.

    De herberg van Schaars was gelegen aan het begin van de Peperstraat, op de hoek van de Markt, de welke reeds in 1748 door ene Schaars werd gedreven en thans, na bijna tweehonderdvijftig jaar, nog eenzelfde functie heeft. Daar groeide Janna op. Zij zal de dorpsschool naast de kerk hebben bezocht, waar meester Schotman onderwijs gaf.

    Organisten in de kerk

    Jacob Manschot was, zoals gezegd, grofsmid, maar op zondag bespeelde hij tijdens de diensten in de kerk aan de Markt het orgel. Wanneer in 1829 de Zelhemse gemeente een nieuwe organist moet benoemen wordt Jacob aangesteld om als jury te fungeren. Hij moet het spel van de drie sollicitanten beoordelen. In zijn rapport daarover schrijft hij: “…na dezelven ieder de zelve Psalm en gezang opgegeven te hebben is het mij voorgekomen dat de laatst spelende de meeste geschiktheid bezit. gedaan te Zelhem den 24 July 1829. J. Manschot”.

    Maar in 1842 wil hij er mee ophouden, hij is dan ook al 73 jaar. In een adres aan koning Willem II verzoekt hij dat zijn zoon Gerrit Willem hem als organist zal opvolgen. En sindsdien is Willem Manschot organist.

    Het gezin

    Vreugde en droefheid wisselden elkander af in het leven van Willem en Janna. Het oudste zoontje Jacob komt op tweejarige leeftijd te overlijden. Hun oudste dochter Louiza was in 1836 geboren. Elisabeth (Betje) volgt in 1838. Twee jaren later aanschouwt Willemina Geertruijda (Mina) het levenslicht en in 1842 volgt een zoon die weer de naam Jacob krijgt. In 1844 wordt Hendrika Johanna (Heintje) geboren en in 1847 Hendrik Jan, die met de laatste naam wordt aangesproken. De jongste was Barend Johannis in 1850, oftewel Bernard in het dagelijkse leven. Janna’s vader was reeds in 1830, dus nog voor haar huwelijk, overleden. Haar moeder overleefde haar man twaalf jaren en stierf in 1842.

    Als grootvader Jacob 78 jaar wordt, komt zijn tienjarige kleindochter Louiza bij hem met een gedicht: “U te groeten met mijn beden, Op den blijden dag van heden. Dag op welken gij verjaart, Grootvader, mij zoo lief en waard! Dag waarop ik na moet denken, Wat de Hemel mij bleef schenken In ’t bezit van u, die mij Steeds zoo liefderijk staat ter zij.” Zo gaat het vers nog even verder en dan volgt de ondertekening: “Uw liefhebbende Kleindochter Louiza”.

    Het meisje maakt ook een gedicht ter gelegenheid van haar moeders verjaardag: “O welk een vreugde, lieve Moeder, Daar gij heden jarig zijt. Dankbaar aan den Albehouder, Ben ik op deez’ dag verblijd.” Ook met nieuwjaar weet deze dochter haar wensen in dichtvorm uit te drukken, want dan dicht zij een “Nieuwjaarwensch aan onze hooggeachten Grootvader en dierbare Ouders”. Zij versiert haar wensen met omlijstingen van ranken, bloemen, slingers of ornamenten.

    De oude Jacob Manschot overlijdt in 1850 op 82-jarige leeftijd, nadat hij zes jaar weduwnaar was geweest, Willems broer was toen ook reeds overleden.

    Ten tijde dat de Manschots in de Achterstraat woonden, had het huis (onder het donkergele vlekje) een spitse kap. (Collectie E.M. Smilda).

    De smederij van Willem

    Willem Manschot wijdt zich met ijver aan zijn werk in de smidse. Voor Kobus Prins maakt hij “een blat aan de hakke”. Hij smeedt een “haar”, dat is zo’n klein aambeeldje om een zicht of zeis te scherpen, haarspit genoemd. Hij maakt een “grepe”, repareert de “achterassche van een wagen” en legt ijzeren banden om de velgen van wagenwielen. Hij levert een “mes om brood te snijden”, klinkt “een ijzer op een plaat aan den haard” en vervaardigt voor L. Prins “een oven deure”.

    En tussen al die smederijwerkzaamheden door heeft Willem tevens de zorg voor zijn bezittingen aan gronden en boerderijen, die hij verhuurd heeft. Daar moeten ook nu en dan reparaties plaats vinden. Hier worden “4 koperen krukken met zijn toebehoor” aangebracht, daar de “sluttinge gerepareerd, aan de vensters een nieuwen plaatgrendel met een nieuwe knip” gemaakt.

    Soms wordt hij door klanten betaald met wederdiensten, zoals Kobus Prins die, ten behoeve van Willems vee, een paar voer hooi uit de Ruiterij, het weiland bij De Pol, ophaalde. Anderen vervoerden de geoogste rogge “uit den Esch”. Want Willem had ook zelf een boerderij-bedoening en bezat aan de overzijde van de straat een schuur voor zijn vee. Evenals iedere ingezetene hield hij één of twee koeien, mindervermogenden hadden een geit, ‘de koe der armen’. In de slachtmaand kwam een eigen gemest varken op ‘de leer’ te hangen, dat een dag later in stukken gesneden in de pekelton terecht kwam en nog weer later aan de zoldering in de keuken, de ‘wieme’, kwam te hangen. Voor de dagelijkse daaraan verbonden werkzaamheden zal hij wellicht een knecht of daghuurder hebben gehad. Gezeten burgers hielden tevens een paard en hadden een rijtuig als vervoermiddel, wanneer men op visite ging.

    Paarden waren ook Willem niet vreemd. Hoe vele had hij er in zijn smidse al niet van nieuwe hoefijzers voorzien. Maar eens werd hem dat noodlottig, toen hij een trap kreeg van een paard. Het kwam heel hard aan. Zwaar gekwetst werd hij in bewusteloze toestand in zijn bedstede gelegd. Zijn vrouw verpleegde hem twee weken, toen stierf hij. Janna was weduwe geworden, de kinderen halfwees en de kerkeraad moest omzien naar een nieuwe organist.

    Gerrit Willem (Willem) Manschot (1802-1853)
    De grofsmid en kerkorganist G. Willem Manschot, die in 1853, na de klap van een paard, overleed. (Collectie H. ten Dam).
    Johanna Geertruijt (Janna) Manschot-Becking (1809-1892)
    J.G. (Janna) Manschot-Becking (1809-1892) woonde bijna zestig jaar in de Achterstraat. (Collectie H. ten Dam).

    Veel bezittingen

    Nu stond Janna plotseling alleen met haar zeven, nog jonge kinderen. De oudste dochter Louiza is nog maar zeventien jaar en de kleine Bernard slechts drie jaar. Aanvankelijk werd nog getracht het bedrijf met behulp van een knecht voort te zetten, maar dat bleek niet mogelijk. Janna werd genoodzaakt de smederij op te heffen.

    Het is goed dat er heel wat bezittingen zijn. Dat stelt haar in staat uit de opbrengst daarvan in haar levensonderhoud te voorzien en bovendien haar kinderen onderwijs te laten volgen. Niemand van de jongens was in de gelegenheid geweest het smidsvak van hun vader te leren. En sindsdien kwam dit beroep dan ook niet meer in de familie voor.

    Sedert het overlijden van haar man heeft Janna de administratie gevoerd van de verhuurde gronden en bouwplaatsen. Die administratie hield ze bij in een “Landhuur”-boek van folio-formaat. Daarin werden de gronden onderscheiden in hofland, bouwland, weiland en onontgonnen percelen.

    Hofland voor moestuinen

    Met hofland bedoelde Janna de betrekkelijk kleine stukjes, die vlak bij het dorp lagen en als moestuin werden gebruikt. In haar administratie vermeldt zij namen van percelen waarvan sommige nog bekend zijn. Van het hofland waren de meeste stukken in diverse kavels verdeeld en elke kavel had zijn huurder.

    Op de “Boskerhof” lagen vier kavels. Mogelijk is dat nabij ’t Boske geweest, aan het eind van de Richterinkstraat en aan de Varsseveldsestraatweg. Het perceel in “den Kraayenboom” bestond eveneens uit vier kavels. Die naam is thans nog bekend voor de grond tegenover de landbouwschool aan de Lijsterbeslaan. Hendrik Jan Meinen was huurder voor ƒ 3,50, evenals Lammert Prange. Willem Kasseler en Lammert Klompenhouwer hadden kennelijk een kleiner stuk, want zij betaalden ƒ 2,-, respectievelijk ƒ 1,50. Later had Janna zelf daar een tuin in gebruik evenals Willem Huls, vrouw Hoftijzer en Abraham ten Dam.

    Dan is er sprake van de Knibbelweide, dat op de Kemena zal hebben gelegen. Daar waren zes kavels. De totale opbrengst hiervan was ƒ 14,20 per jaar, wat evenwel na 1883 gestegen was tot ƒ 19,70. Verder lag er nog een kavel in de Paardeweide, die ene Laak had gehuurd. De Paardeweide lag eveneens op de Kemena, waar nu het gebouw van de Christelijke Scholengemeenschap staat.

    Tenslotte vermeldt Janna’s boekhouding dertien kavels hofgrond op het Smees. Daar tuinierden onder anderen Berend Prins, Jan Kappers bijgenaamd “Hompele”, Hendrik-Jan Schaapveld. Later waren onder anderen huurder Jan de Wikker, Kris Veldboom, Jan te Hoonte en “de vrouw van de Wildeboer”.

    De tuinen op het Smees veranderden vaak van huurder. We komen ook de namen tegen van Willem Walvoort, Jan Neerhof, H.H. ter Beest, later aan Fles verhuurd, D.J. Hoitink, G.J. Rots en Hendrikus te Hennepe.

    Tot 1862 bracht de hofgrond ieder jaar een bedrag van ƒ 81,70 aan pacht op. Van 1863 tot 1882 wordt dit door bemiddeling van notaris mr. B.A. Roelvink verhuurd. De opbrengst is dan beduidend hoger, namelijk ƒ 98,05. Wanneer deze notaris in 1882 overlijdt, wordt hij opgevolgd door notaris Maitland, maar Janna gaat voortaan weer zelf de huurafspraken maken. De opbrengst is dan echter wel enkele guldens minder per jaar.

    Niet iedereen betaalde de huur op tijd. Overeengekomen was betaling met Sint Maarten, dat is 11 november, maar sommigen kwamen het geld pas in het volgende jaar brengen. Janna moest wel eens tot mei wachten. In een aantal gevallen, als de huurschuld steeds opliep, werd betrokkenen de huur opgezegd. Sommigen hadden drie jaar achterstand.

    Het verhuurde bouwland

    Maar behalve hofland bezat Janna ook bouwland, dat ze verhuurde. Dat waren veelal percelen van één of meer schepelzaad grootte. Dat bouwland was gelegen “voor op de Esch”, waarmee bedoeld wordt het perceel waar nu de fabriek van Sonoco staat aan de Damstraat. Op het Smees lag 64.50 are, op de Boskeres 55.10 are. In de Giezenbos “een molderszaad”, verder lag daar 50.90 are, het bouwland Draaiom was 28.70 are, dat zij in 1872 verkocht aan de “Hervormde Armen”, het Holland 58 are, de Neerhoffer Delle 42.50 are, Smachtschot 65.10 are, alsmede nog een “molderszaad”. Dan was er sprake van Langevoren, negen schepelzaad groot, oftewel 1.27.70 ha. Achter de Linde had Janna nog bouwland evenals het stuk Peereboom, groot 38.40 are en vier stukken Kempink, vijf schepelzaad op Prinsenkamp en nog een perceel “op den Nes” gelegen.

    Verschillende van deze gronden bezat Janna samen met haar beide broers. De meeste percelen waren voor een geldbedrag verhuurd, maar ook waren er enige tegen de derde garf verpacht. Dat wil zeggen dat de huurder het derde deel van de opbrengst als pachtprijs verschuldigd was in natura. Voor de huurder had het dit voordeel dat, als de oogst weinig opleverde, ook de pachtprijs minder was.

    De derde garf betrof het gewas rogge, terwijl soms de landheer-/vrouw (verhuurder/ster) recht had op wat vruchten uit de boomgaard. In latere jaren werd de derde garf afgeschaft op het “Smachtschot”, dat onder die voorwaarden gehuurd was door Lievers. Deze heeft toen “de garven gekogt voor 8 gulden”.

    Janna maakt ook meermalen van wederdiensten gebruik. In 1880 heeft “Derk Hoftijzer een nieuwe wateremmer meegebragt van Bocholt” en een jaar later zaaide deze voor haar “een schepelzaad spurje … een schepelzaad knolzaad… twee schepelzaad rogge… een Dag en twee kar aarde gevaren”. Voor al dat werk werd ƒ 7,77 van de pachtprijs in mindering gebracht.

    Ene Heuzinkveld vervaardigde in 1866 voor Janna 23 el grof linnen laken. Waarschijnlijk had zij het vlas (of garen) bijgeleverd. De dienst was ƒ 2,75 waard, zodat Heuzinkveld de rest van het huurbedrag, zijnde ƒ 1,75, nog moest betalen.

    Weilanden

    Zoals reeds werd opgemerkt, behoorde een weiland achter de Pol, Ruiterij geheten, tot het bezit van de Manschots. Ook had Janna 1.14.84 ha weiland op het Smees, dat in 1870 (waarschijnlijk) verkocht werd voor ƒ 1390,-.
    Ook aan de Boterdijk in het Goor lag een weiland ter grootte van 1.82.40 ha, dat eveneens in 1870 werd verkocht. De opbrengst daarvan was belangrijk minder, namelijk ƒ 600,-. Uit de erfenis van haar broer Jan verkreeg Janna een weide “op het Broek”, terwijl ze ook nog wei- en bosgrond bezat in de Giezenbos.

    Plaggen-en schaddengrond

    De bos- en veengronden werden niet verpacht. Wel kon de opbrengst daarvan onderhands of openbaar aanbesteed worden, zoals bomen die op stam verkocht werden. Dat gebeurde ook met veengronden. Het veld werd dan eerst afgemaaid en de bovenste zode met rietstoppels en wortels afgestoken. Dat waren schadden, die gedroogd werden en als brandstof gebruikt. Ook van de met heide begroeide percelen werden plaggen gestoken die veelal in de potstal of paardestal terecht kwamen en vermengd met de uitwerpselen van de dieren als mest op de akkers werd gebruikt.

    Janna bezat bosgrond in het Goor, hetwelk voor de helft eigendom was van haar schoonzuster Elisabeth, die met Muller was getrouwd. Later, na het overlijden van deze ouders, ging het halve eigendom naar de vijf kinderen, de Erven Muller.

    Dan is er nog sprake van twee stukken bosgrond in de Schaarsheide, van bosgrond op de Kieftsheide, op de Hollenberg, bij de Smeesweide (dennenbos, hakhout en heide), en “bosjes in den Barloschen Esch”, veengrond in Varsseveld en schaddengrond in ’t Goor alsook in “Stapelkamps Bosch” dat ze van haar overleden broer Jan had geerfd en delen moest met haar broer H.J. Becking.

    In het jaar 1880 verkocht Janna voor ƒ 17,90 aan plaggen en schadden. Kort tevoren had zij “aan de Prange uit Lintelo verkogt voor 260 Gulden hout” van één van haar bouwplaatsen.

    De bouwplaatsen

    Tot het bezit van Janna c.s. behoorde ook een aantal bouwplaatsen. Als eerste wordt genoemd het Neerhof in Dale, waarvan D.J. Neerhof de pachter was. De pacht werd in 1866 beëindigd, toen de boerderij verkocht werd.

    Dan is er de bouwplaats Lubbers in Barlo (Meinenweg), die aanvankelijk aan J.H. Lubbers was verhuurd, maar vanaf 1867 aan G.J. Mierdink voor “zestig gulden en 96 Eijeren”. In 1877 wordt de boerderij aan de huurder verkocht voor ƒ 13.370,-.

    Vervolgens de bouwplaats Pennings (Hofstedeweg). Gerrit Jan Pennings is de pachter, die daarvoor jaarlijks moet opbrengen “de som van 48 gulden, 8 pacht hoenders, 96 eijeren en 4 ponden vlas”. In 1872 is Pennings “na Amerika vertrokken” en wordt de boerderij verpacht an Roelof Somsen voor “56 gulden en 96 eijeren”. Zo nu en dan verleent Somsen wederdiensten door voor Johanna schadden op te halen, waarmee hij ƒ 7,65 verdient hetwelk op de pachtprijs in mindering wordt gebracht.

    Het Slaa in de Heurne behoorde ook, samen met haar broers, tot Janna’s bezit. Tot 1868 was G.J. Huitink de pachter, vervolgens Jan de Breukelaar “Welke jaarlijksch moet betalen 40 Gulden en 60 eijeren”. Vanaf 1880 werd het Slaa verpacht aan Wensink, die daarvoor ƒ 48, moest neertellen en zestig eieren. In die jaren noteert Janna ook: “aan Wensink een Kalf verkogt voor ƒ 5,50”.

    Dan is er nog de Slaa Schoppe, dat van 1852 tot 1867 door J. Weggelaar was gepacht, daarna door Evert Jan Beernink. De pachtprijs was ƒ 20,-. In 1874 heeft Beernink voor Janna vlas gebraakt hetwelk hem 75 cent opleverde.

    Wanneer haar broer Jan kinderloos overlijdt, laat deze aan Janna aandelen in drie bouwplaatsen na, namelijk “Brijzak” door bouwman Smees gepacht, “De Scheper” op de Haart, dat aan Hendrik Jan Rensink was verhuurd voor ƒ 65,-. Deze boerderij werd echter in 1890 verkocht. De derde bouwplaats is Bekker op de Haart, die voor ƒ 40,- verhuurd was. Ook deze boerderij werd verkocht en bracht, samen met De Scheper, ƒ 12.600,- ор. Tenslotte wordt genoemd het Grevengoed in Barlo, hetwelk voornamelijk uit bouwland bestond. Het moet een groot goed geweest zijn, gelegen “naast Zwietink” en “bij Wolterink“, dus aan de Markerinkdijk.

    Tot besluit

    Tenslotte nog iets over de kinderen van Janna. Mina trouwde met J.G.H. Martens in Eibergen. Zij werd al vroeg weduwe en trok later met haar kinderen, voorzover deze nog thuis waren, in bij haar moeder in de Achterstraat, nadat zij een zenuwinzinking, als gevolg van de dood van haar man en daarop van haar twee jongste kinderen, na zes jaren was te boven gekomen.

    Na het overlijden van haar moeder verhuisde ze naar een pand aan de Markt, thans nummer 12. Louiza trouwde met Hendrik Beukenhorst, goud- en zilversmid in Winterswijk. Gelijktijdig treedt ook Betje in het huwelijk en wel met Abraham ten Dam, de latere kammenfabrikant. Haar zoon Jacob kreeg, vermoedelijk als gevolg van een onbeantwoorde liefde, een zeer diepe depressie, waarvoor hij jarenlang in Zutphen opgenomen moest worden. Hij stierf ongehuwd in 1873. Zijn broer Jan werd arts in Winterswijk en trouwde met A.G. Tenkink van “Meenk” in Miste. Dochter Heintje werd de echtgenote van haar achterneef B.H. Becking, die een hammenrokerij had en in zout grossierde. Hij stond zodoende bekend als “Salt-Becking”.

    De jongste zoon Bernard voerde met zijn zwager de directie van de kammenfabriek Ten Dam & Manschot. Hij liet aan de Bredevoortsestraat een huis bouwen, thans nummer 51. De Ten Dams woonden aan de overkant, op nummer 40.

    Janna bleef tot haar dood in de Achterstraat wonen en overleed op 22 januari 1892. Zij werd 82 jaar.

    Het bovenstaande is een samenvattende bewerking van een familiekroniek, voor een belangrijk deel ontleend aan het “Landhuurboek”, samengesteld door Henk ten Dam te Zwolle, getiteld “Johanna Geertruyt Manschot-Beckings Landhuurboek vertelt (1799-1892)”, deel I en II, 1985, te raadplegen in het archief van de gemeente Aalten.

    Voetnoot


    1. Wij denken dat dit niet klopt. Gerrit Willems oudere broer Hendrik Jan (*1799) werd inderdaad ook grofsmid, maar overleed in 1839 als vrijgezel in het huis aan de Prinsenstraat, destijds nummer 228 (bronnen: ecal.nu en wiewaswie.nl). Er was wel een andere grofsmid die Hendrik Jan Manschot heette en die woonde aan de Kerkstraat, maar dat was een broer van Jacob en dus een oom van Gerrit Willem. ↩︎
  • Het Jeruzalem van de Achterhoek

    Het Jeruzalem van de Achterhoek

    Kolossale pilaren ondersteunen in Aalten het gewelf van de NH St. Helenakerk, die met zijn gigantische omvang het centrum van het dorp moeiteloos beheerst. Koster A.J. Heusinkveld gaat mij voor naar het koorgedeelte en wijst naar de plafondschilderingen hoog boven hem. Ik zie Maria met het Kind, het hoofd van Christus, engelen, koningen en een voorstelling van de Heilige Geest. Ze sluiten niet op elkaar aan.

    Grote stukken wit onderbreken de rond 1900 ontdekte en toen blootgelegde schilderingen die er, meent Heusinkveld, in 1471 werden aangebracht. Hij wijst opnieuw naar boven: „Kijk daar staat weliswaar 1411, maar laat je daardoor niet van de wijs brengen. De man die dat schilderde was op dat moment waarschijnlijk dronken en maakte toen in plaats van een ’7’ een ’1’. Dat zei mijn voorganger tenminste altijd.”

    Laatste Oordeel

    Eind november van het vorig jaar werden ook de eeuwenoude schilderingen op de wand van de Consistorie blootgelegd en gerestaureerd. Ze beelden het Laatste Oordeel uit en dat liegt er niet om: engelen leiden de goede mensen naar Jeruzalem, terwijl de slechteriken onder ons naar het vagevuur worden gebracht. Daar zitten sommigen al te zweten in enorme ijzeren kookpotten.

    De kerk, met mooie kroonluchters, staat barstens vol banken. „Die zijn zondags — wanneer we 3 diensten hebben — vaak alle bezet”, aldus de koster. „Er is plaats voor 1000 man. Jawel, in Aalten met 3 gereformeerde kerken, 1 roomskatholieke kerk, onze Nederlands Hervormde kerk en een synagoge wonen veel gelovigen. Ons dorp wordt ook wel het Jeruzalem van de Achterhoek genoemd.” „Het is hier soms voller dan vol”, beaamt Evert Smilda, voorzitter van de Vereniging Oudheidkamer Aalten, die mij rondleidt. „Ik was eens een keer aan de late kant en vroeg de man bij het gangpad om wat op te schuiven. Hij deed het wel, maar met tegenzin. “Wie bunt zuunig in schoeven”, zei hij.”

    Koster bellen

    Het in 1100 gestichte en in gotische stijl veranderde gebouw is te bezichtigen. Wie de koster belt — 05437-72896 — of bij hem aanklopt op Kerkstraat 2, wordt geholpen. „Als de mensen mij maar niet tijdens het eten bellen.” Aalten (11000 inwoners) is best een aardig dorp, met een door auto’s vergeven Markt die als eerste in Gelderland tot beschermd dorpsgezicht werd verklaard. Dat dankt het plein vooral aan de St. Helenakerk en aan twee oude panden, die nu het gemeentehuis vormen, met een weinig opwindend stuk nieuwbouw ernaast.

    Oud in jaren is het restaurant Stegers aan de overkant. In het terrasmuurtje aan het trottoir is een eeuwenoude steen gemetseld die oorspronkelijk in de gevel zat. Er valt, vaag, een hert op te zien op zijn achterpoten. Een woord van 26 letters staat erbij. Niemand weet wat het betekent. „We staan hier voor het raadsel van Aalten”, zegt Smilda. „We weten overigens wel dat zo’n opstaand hert een symbool voor de rechtspraak was. Welnu, hier in de herberg is vroeger wellicht recht gesproken.” We lopen verder door het dorp (een echt streekcentrum) met enkele oude panden zoals Huize Ahof en het mooie 19e eeuwse herenhuis (nu pension) Beekhuize.

    Frerikshuus

    We belanden tenslotte in het boeiende museum Frerikshuus aan de Markt, dat vol staat met gebruiksvoorwerpen: kostuums, zilverwerk, porselein en wat al niet. Eén kamer is geheel gewijd aan de hoornindustrie die hier een eeuw lang, tot in de jaren 70, een unieke plaats innam. Prachtige pijpen, kammen en wat maar van buffelhoorns te maken viel, zijn er te zien.

    In de grote schuur achter het prachtige huis worden o.m. ambachten uitgebeeld, zoals de radmakerij. Het museum is in deze tijd open op maandagen, woensdagen en vrijdagen van 14-17 uur. Van 31 maart tot en met 12 mei is er een speciale expositie over de bezettingstijd en de bevrijding. Vele onderduikers hielden zich hier in Aalten tijdens de Tweede Wereldoorlog met succes schuil.

    Het dorp ligt in de eeuwige charme van de Gelderse Achterhoek met veel bos, bosschages, besloten akkers en weilanden, stille weggetjes.

    Bredevoort

    Twee kilometer van Aalten droomt het duizendmaal mooiere stadje Bredevoort met zijn mij al van verre toewinkende walkorenmolen, zijn aloude St. Joriskerk, zijn stille straatjes, zijn bejaarde aandoenlijke pandjes, zijn weemoed. Ik hernieuw op de valreep de kennismaking met bakker Ben Helmink, de voorzitter van de VVV, die vertelt dat er nog steeds wordt gerestaureerd. Huize St. Bernardus, zegt hij, „dat grote gebouw uit 1764 aan ons plein ’t Zand, is net klaar. Je gelooft je ogen niet. Het is nu werkelijk prachtig. En zo waardig! Bredevoort wordt elk jaar mooier. Dat is het.”

    Sint-Joriskerk, Bredevoort
    Sint-Joriskerk, Bredevoort
  • Zelfs politie tankt nu bij onze oosterburen

    Zelfs politie tankt nu bij onze oosterburen

    door Charles Sanders

    De gezichten van de pomphouders in Aalten, twaalf kilometer van de Duitse grens, worden er niet vrolijker op. Nu rijden zelfs de surveillancewagens van de rijkspolitie hun tankstations voorbij om bij de oosterburen benzine in te slaan. En voorbeeld doet volgen, want verscheidene groepscommandanten van de rijkspolitie hebben al bij de collega’s in Aalten geïnformeerd hoeveel besparing dat tanken in den vreemde oplevert.

    Benzine is in Duitsland tot vijftig cent per liter goedkoper, het ritje naar het oosten is de moeite meer dan waard. Particulieren in de grensstreek tanken sinds november 1986, toen bij ons de accijnsverhoging van 11 cent werd ingevoerd, bijna zonder uitzondering in Duitsland. Maar dat de politie de gewone burger hierin volgt, daar hebben de pomphouders het moeilijk mee.

    De heer H.J. Kobus bijvoorbeeld. Zijn tankstation aan de Bocholtsestraatweg verkoopt nauwelijks nog benzine. „De gewone man kan ik geen ongelijk geven, de prijzen verschillen zoveel. Maar dat de politie naar Duitsland gaat, dat kan toch eigenlijk niet. Die bestaan nota bene van gemeenschapsgeld. Nu komen mijn belastingcenten ten goede aan Duitse pomphouders. Als dat niet krom is…” Adjudant Boesaard van de rijkspolitie groep Aalten denkt daar heel anders over. Voor hem geldt: besparen waar mogelijk en vooral geen dief van de eigen portemonnee zijn.

    De adjudant: „Het idee ontstond spontaan toen wij ons wagenpark vernieuwden. Voorheen reden onze auto’s op lpg en dat is in Nederland voordeliger dan over de grens. Wij moeten onze winkel met beperkte middelen runnen, waarom zouden we vijftig cent per liter meer betalen dan nodig? Die pomp­houders moeten niet overdrijven, omgekeerd komen veel Duitsers naar Aalten om lpg, diesel en sigaretten te kopen. Het is geen eenrichtingsverkeer.”

    De vrouw achter de pomp van tankstation Hameland in Aalten bevestigt dat laatste. Er kómen Duitsers bij haar voor diesel en sigaretten. Maar ook zij heeft er geen vrede mee dat juist de Nederlandse politie klant is bij de Duitse concurrent. „Een particulier, okee. Maar een overheidsinstantie, schande.”

    Dat laatste woord zal de komende maanden door menig pomphouder in Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland, Brabant en Limburg worden uitgeroepen. Want veel groepen van de rijkspolitie die langs de grens zijn gedetacheerd, overwegen te tanken in Duitsland. Groepscommandant Dix van de rijkspolitie in Losser zegt bijvoorbeeld: „Op dit moment rijden wij nog met diesel-auto’s, maar als we die vervangen door benzinevoertuigen, dan gaan ook wij in Duitsland tanken. Alleen de kosten tellen en iedere meevaller is meegenomen.”

    De Algemene Inspectie van de Rijkspolitie in Voorburg juicht het bezuinigen op benzinekosten toe. Dat daarbij Nederlandse pomphouders worden gepasseerd is niet de schuld van de politie, zegt woordvoerder A. Folgerts. „Wij roepen dat probleem niet op, dat doet de overheid,” meent hij. „De overheid heeft de benzine duurder gemaakt en als onze RP-groepen aan de grens zo creatief zijn om in het buitenland te tanken, dan zeggen wij: dóen! De 400 RP-groepen mogen sinds kort hun eigen begroting opstellen. Natuurlijk kan een adjudant geen taarten kopen van geld dat voor brandstof bestemd is, maar er is wel veel vrijheid. Met het geld dat zo bespaard wordt, kunnen mooie dingen worden gedaan. Vaker surveilleren of bureaus automatiseren, het is maar welke prioriteit de groepscommandant stelt.”

  • Aaltenaar Jan Kappers: een leven vol muziek

    Aaltenaar Jan Kappers: een leven vol muziek

    De Graafschapbode, 11 november 1987

    Ondanks en misschien juist doordat zijn vader hem al jong de maat van de muziek bijbracht met een pook op de kachelrand, heeft de Aaltenaar Jan Kappers altijd een groot gevoel voor ritmiek gehad. Vader Kappers heeft zijn zoon veel meegegeven op het gebied van de muziek en daarvoor is Jan nog altijd dankbaar. Nu is hij zelf al weer langer dan veertig jaar bezig met het opleiden van anderen in de muziek en nog altijd heeft hij er niet genoeg van. „Muziek en bloemen geven klank en kleur aan het leven. Beiden zou ik niet kunnen missen” zegt de man die in de regionale muziekwereld een bekende figuur is geworden.

    „Muziek is voor mij belangrijk. Je maakt er vrienden door en het samen spelen en dan te komen tot een harmonieus geheel is het mooiste wat er bestaat. En bloemen en muziek zijn naar mijn mening nauw aan elkaar verwant, zodat ook bloemen mijn liefde hebben” vertelt Jan Kappers in zijn woning aan de Slingelaan in Aalten.

    Al heel wat mensen in de regio heeft hij op het muzikale pad geholpen. „Daardoor heb ik een grote vriendenkring opgebouwd. Vroeger was ik er bijna dag en nacht mee bezig, maar de laatste jaren doe ik het toch wat kalmer aan”.

    Als Jan opsomt wat hij nog aan muziek doet, dan blijkt dat niet gering te zijn. Hij heeft een aantal korpsen onder zijn hoede en bijna elke middag en avond komen kinderen en ook volwassenen naar hem toe om de fijne kneepjes van de muziek te leren.

    „Bij mezelf zat de muziek er al vroeg in. Mijn vader was er veel mee bezig en dan leer je het vanzelf. Wanneer ik het nog net zolang wil doen als mijn vader, dan heb ik nog even te gaan” lacht Jan Kappers, wiens vader op 78-jarige leeftijd nog de baspartij meeblies bij de Eendracht.

    Jan vertelt dat hij op negenjarige leeftijd de eerste muzieklessen kreeg van Bram te Loo en daarna van de vermaarde Bredevoortse dirigent Willem Wensink. „Ik weet van Wensink nog, dat hij de trompet aan een touw ophing. Dan moest je, met de handen op de rug, hierop blazen. Eerst na lang oefenen heb ik dat geleerd” voegt hij er aan toe.

    Tijdens en na de oorlog

    Na militaire dienst en de mobilisatie kwam Jan op het Aaltense distributiekantoor terecht. Daar deed hij alles wat van de Duitse bezetter niet mocht. Hij werd opgepakt. Een tijdlang was er geen muziek voor hem. Maar na de oorlog pakte hij de draad weer op en gaf nu zelf de maat aan. Hij begon met de oprichting van een jeugd- en tamboerkorps bij de Eendracht.

    Er was veel animo voor, zo meteen na de oorlog. Men repeteerde in het toenmalige gebouw Patrimonium maar bij mooi weer trok men naar buiten. Het tamboerkorps werd daar niet altijd met evenveel vreugde ontvangen.

    „Het was soms ook niet om aan te horen” bekent Jan Kappers, en hij vertelt dat in het voorjaar het jongvee in de weilanden op de vlucht sloeg als de tamboers voorbij kwamen.

    In deze jaren na de oorlog oogstte Jan veel succes met zijn jeugd- en tamboerkorps. Zijn succes bleef niet onopgemerkt en werd hij een veelgevraagd man. Achtereenvolgens was hij dirigent of instructeur bij korpsen in Dinxperlo, Varsseveld, Silvolde, Groenlo, Zieuwent en Bredevoort.

    Jan studeerde door en behaalde de bevoegdheid als docent. Veel van zijn leerlingen hebben het ook een heel eind gebracht in de muziek, carrière gemaakt als dirigent of instructeur.

    Discipline

    Waar Jan in de muziek grote waarde aan hecht is de discipline. „Vooral in concerten en concoursen is deze noodzakelijkheid. Maar ook nu de jeugd veel vrijer is dan vroeger, moet deze discipline er zijn” vindt hij. Het opleiden van jeugdige musici ligt Jan wel. „Vooral als er aanleg is, komt het plezier vanzelf en dan worden het goede muzikanten”. Jan heeft ook tambour-maîtres opgeleid. „Die hebben een heel eigen en niet gemakkelijke taak” vindt hij.

    De tambour-maître moet zelfbeheersing hebben. Dat schetst Jan met zijn verhaal over een van de eerste keren dat hij met het tamboerkorps van de Eendracht deelnam aan een concours. „Dat was in Ermelo. Er waren drie juryleden, die rond het korps liepen. Er kwam de opdracht om te beginnen. Maar één van de juryleden stond in de weg en de tambour-maître hield zijn mond stijf dicht. Totdat het jurylid uit de weg ging. We haalden wel een eerste prijs”.

  • Zwerftocht langs de grens

    Zwerftocht langs de grens

    NRC Handelsblad, 11 augustus 1986

    Een nieuwe zwervende redacteur stuit op rudimenten van het Achterhoekse nationalisme.

    Door HENRI BEUNDERS — „Bij Arnhem eindigde de wereld! Nog lang nadat wij hier kwamen wonen, in 1969, vroegen vrienden die belden dat ze ons wilden opzoeken: „Kunnen we nog wat voor jullie meenemen?” Mevrouw Pruim zegt het met een spottend lachje, maar er klinkt een nog altijd niet verflauwde verontwaardiging doorheen.

    Sinds twee maanden drijft ze samen met haar man, eens Haags advocaat en sinds jaar en dag kantonrechter te Terborg, een pension in hun, uit 1826 stammende kapitale pand „Beekhuize” in Aalten. Terug naar het westen willen ze nooit. „De Achterhoeker is erg tolerant, hartelijk en gastvrij. Hier eindigen veel zaken in een schikking”, zegt Pruim tijdens het serveren van het ontbijt.

    De IJssel een grotere barrière dan de landsgrens waar ze zo dichtbij wonen? Wie in Dinxperlo een tijdje door de Heelweg — linkerstoep Nederland, rechterstoep Duitsland — loopt, zou het wel haast denken. Men wandelt, fietst en winkelt over de grens alsof die niet bestaat. Mevrouw Pruim haalt haar kleine ontbijtbolletjes in Bocholt. De douaniers komen voor alle passanten hun hokje nauwelijks meer uit.

    Met grensproblemen heeft de kantonrechter dan ook nooit te maken. „Nou ja, nooit, laatst moest er een kofferbak open. Lag er een vrouw in. „Ik lig altijd in de kofferbak als ik met mijn man uit rijden ga”, had ze gezegd. Ze bezat simpelweg geen pas. Die kreeg wel een proces-verbaal aan de broek”.

    Achterlijk

    Veel op heeft men in Aalten echter niet met de Duitsers. De informatie over en weer stelt niet veel voor. In Aalten valt een reclameblaadje uit Bocholt in de bus, in het hoekje „Grenspost” bericht De Graafschapbode dat de Anholter windmolen weer wieken heeft. Of dit komt omdat Aalten protestants-gereformeerd is en Munsterland katholiek? Men weet het niet. Misschien is het, zo menen sommige Aaltenaren, wel de mentaliteit zoals die bijvoorbeeld afstraalde van het plakkaat dat de Duitsers als vóór de finale voetballen in Mexico bij de grensovergang Heurne-Aalten hadden opgehangen: „Jetzt betreten Sie das Land des Weltmeisters”. Een Nederlandse douanebeambte vertelt glunderend dat zij er als de kippen bij waren om na afloop er het woordje „vice” tussen te krabbelen. „Iedereen vond het prachtig dat ze hadden verloren”.

    Behalve voor de westerlingen blijkt de IJssel echter ook voor vele Achterhoekers nog altijd een grens naar een andere wereld. De waardering voor die andere wereld is de laatste tijd wel sterk veranderd. „Vroeger was alles wat uit het westen kwam mooi. Zonder drie flats was je als dorp achterlijk. Er is daardoor veel moois vernield”, vindt mevrouw Pruim. Die tijd lijkt voorbij. Het nostalgie-golfje dat na de stormvloed van de moderniseringsdrift over de IJsseloever sloeg, heeft nog net op tijd wat oude fraaiigheden kunnen redden. Als je hier wat rondrijdt, zie je hoe men overal bezig is weer kronkelige en bollende straatjes met kasseien aan te leggen in de dorpskernen, en hoe de culturele regionale renaissance in volle gang is.

    „Wie zet puntdroad biej ’n Iessel. De leu uut ’t west’n komt der niet meer in!” van de Achterhoekse „Nationalisten” die enige jaren terug deze dreigende taal uitsloegen — het was de voedingsbodem van het succes van de popgroep Normaal — wordt weinig meer vernomen. Op het oogstfeest in De Heurne, een gehuchtje tussen Aalten en Dinxperlo, loopt een enkeling niettemin met een door de Road voor Achterhooks Belang uitgegeven „paspoart” op zak. Maar bij de meesten lijkt dit verkapte minderwaardigheidsgevoel allang plaats te hebben gemaakt voor een stevig verankerde trots op het eigene.

    In het maïslandschap is op het akkertje voor de demonstraties maaien met de zeis, schovenzetten, vlegeldorsen, ploegen en eggen nog een halve hectare rogge verbouwd. Men lacht en maakt grappen als ook sommige bejaarde boeren deze oude technieken al bijna verleerd blijken te hebben. Alleen de handen van de manden- en mutsenmaker gaan nog snel en routineus, zij hebben hun vak nooit opgegeven. De talloze telelenzen, video- en super-8-camera’s waarmee de ruim 1500 autochtonen en toeristen elkaar staan te filmen doen vermoeden dat het oogstfeest in De Heurne zich reeds in de dubieuze overgangsfase bevindt van oprecht volksplezier naar toeristische attractie.

    Klootschieten

    Op zoek naar een nog niet door de massa ontdekte uiting van opgeleefde folklore verwijst een van de talloze kleurige boombiljetten (kermis, motorcross, bonte avond, men kan het zo gek niet verzinnen of het hangt wel aan een beuk of eik aangekondigd) naar de grens ten zuiden van Winterswijk. Daar is bijna het hele ‘buurtschap’, meer dan 80 mannen, vrouwen en kinderen uitgelopen om mee te doen aan de wedstrijden klootschieten.

    Telkens twee teams van 5 of 6 leden proberen het vier kilometer lange parcours door het prachtige ‘„’coullissenlandschap’ tussen Woold, Kotten en Achterwoold in zo weinig mogelijk schoten af te leggen. Het is niet moeilijk te zien waarom ”t aole spel’ zo snel aan populariteit kan herwinnen.

    Wie kan gooien, kan ook klootschieten. Er wordt een hark over de weg gelegd, men neemt tot daar een aanloopje en gooit de houten, met lood verzwaarde ’tennisbal’ van om en nabij de halve kilo zo ver mogelijk over de straat. De anderen hollen er roepen achteraan „Astubleef”, juicht er een over zijn worp van wel 80 meter. „Ie gooit er met de pette naor”, roept een ander die de kloot van zijn voorganger uit de maïs aan de overkant van de sloot moet zoeken.

    Op het erve Esselinkhaar staan de thermosflessen gereed op een keukentafeltje. Men is halverwege, tijd voor een pauze. Organisator Massop van de Winterswijkse Klootschieters Vereniging spreekt de enthousiaste maar onervaren nieuwelingen nog eens vermanend toe. „Dit parcours is wel verzekerd, maar men moet beter uitkijken als er wordt gegooid, want een kloot kan hard aankomen”. Als bewijs laat hij zijn scheenbeen zien waar een half jaar terug een kloot, al stuiterend over ditzelfde stukje klinkerweg, tegenaan knalde. Hij tobt er nog mee. Vandaar dat er alleen koffie wordt geschonken. „Vroeger was het „zoepen en nog eens zoepen”, daar kwamen steevast brokken van”. Dat was trouwens, zo legt hij uit, ook de reden dat vroeger dit goedkope vertier van het ‘klootjesvolk’ vaak verboden was.

    Dat het woord sindsdien vooral de lachlust opwekt — „er is geen zak an” had de kantonrechter verzekerd — deert Massop al lang niet meer. „Het is een serieuze sport. Onze bond heeft dan ook geweigerd toe te geven aan de Nederlandse Sportfederatie die wilde dat we het „kogelwerpen” gingen noemen”. En hij drukt een folder en een sticker in de hand. ‘Klootschieters doen het op de weg’. Volgend jaar worden de nationale kampioenschappen, in bakermat Twente, voor het eerst gehouden in de Achterhoek. Voor de Kottense grensbewoners is het vooral een zondags spelletje. „Het is mooi weer, je ziet mekaar weer eens, het is gezellig”, zo zegt een van de koffieschenksters. „Volgende week hebben we hier paardenspannen”.

    Tiroleravond

    De geringe hoeveelheid alcohol wordt ’s avonds ruimschoots goedgemaakt op de door de Winterswijkse afdeling van „Jong Gelre” georganiseerde Tiroleravond op camping Nieuw Beusink. Een dikke 40 vaten Grolsch, 200 glazen het vat, heeft men aangesleept voor de verwachte 800 bezoekers. Men zit aan lange tafels, men danst, men drinkt, het rumoer zwelt allengs aan, maar het blijft gemoedelijk. De Grensland Muzikanten spelen de hier zo populaire Egelander-muziek van Ernst Mosch. Jong en oud danst erop. De Achterhoekse formatie Free Sense speelt de tweede helft van de avond wat moderners en luidruchtigers. Iets na twaalven zet de groep „Steer it up” van Bob Marley in. „’t Bier is op! Oh wat baal ik, ’t bier is op” zingt de zanger. En normaal zomers weekeinde langs de Achterhoekse grens is voorbij.

    „Men moet beter uitkijken als er wordt gegooid, want een kloot kan hard aankomen”. (Foto NRC Handelsblad/Vincent Mentzel)

  • Historie van de posterijen in Aalten

    Historie van de posterijen in Aalten

    Dankzij de speuractiviteiten van de Aaltense historicus E.M. Smilda zijn veel historische gegevens over de postbestelling in de gemeente Aalten boven water gekomen. Een terugblik in de geschiedenis van het postwezen leert dat koeriers en bodes begin 19e eeuw verantwoordelijk waren voor de bezorging van brieven en berichten van zowel de overheid als particulieren.

    Precies op de plek waar in 1986 het toenmalige nieuwe postkantoor aan de Peperstraat opende, begonnen Hendrik Jan te Gantvoort en Garret Jan Hoopman in 1812 een “postwagendienst” naar Zutphen.

    Karvoerder

    Bekend is dat in 1742 ene Hendrik Hoopman “karvoerder” was en tweemaal per week naar Zutphen reed. Hoopman woonde destijds ook in de Peperstraat, een locatie die door de eeuwen heen een belangrijke rol heeft gespeeld in het plaatselijk postwezen. In 1784 is er sprake van een “postwagen” die tweemaal per week via Zutphen naar Aalten, Bocholt en Borken reed. Op twee andere dagen legde men de route omgekeerd af. Brieven werden voor een stuiver meegenomen en afgeleverd bij “Roelof Arentzen in De Klok”.

    De eerder genoemde Te Gantvoort reed met zijn postwagen via Zelhem en Hengelo naar Zutphen. In 1827 was Jilles van Buul de eerste door de gemeenteraad aangestelde “distributeur der brievenpost”. In 1832 benoemde de raad Jan Berend Lohuis als eerste bode. Hij verzorgde de post naar Groenlo. Gerrit Schotman was in 1843 zijn opvolger. Gerrit Jan te Tuunte werd belast met de brievenloop naar Winterswijk.

    Met de invoering van de postwet in 1850 verviel de bemoeienis van de gemeente met het postwezen. Schotman verloor zijn baan en Te Gantvoort emigreerde in 1854, op 60-jarige leeftijd, met zijn gezin naar Amerika.

    Vaak verhuisd

    De Aaltense post zou nog tal van keren verhuizen. Zo opereerde men vanuit een schuur in de Dijkstraat, vanuit de Landstraat (later schoenhandel Ebbers), hoek Kerkstraat-Peperstraat (later modehuis De Postiljon) en vanaf 1922 in de voormalige burgemeesterswoning, het zogenoemde Tackshuis, aan de Haartsestraat. Op 26 juni 1986 verruilden de posterijen die locatie voor nieuwbouw aan de Peperstraat.

    Ongeveer 20 jaar later werd het postkantoor in Aalten opgeheven. Sindsdien kan de Aaltense bevolking voor haar postzaken terecht bij de Primera aan de Bredevoortsestraatweg.

  • Eerste schotelantenne Aalten

    Eerste schotelantenne Aalten

    Aalten Vooruit, 11 december 1985

    AALTEN – Door de firma PEA (Pennings Ebbers Antennes) is onlangs de eerste schotelantenne van Aalten geplaatst. Gerard Pennings en Jan Ebbers zijn anderhalf jaar geleden naast hun dagelijkse werk met PEA begonnen en het bedrijf begint al goed te lopen: ze krijgen steeds meer opdrachten om antennes te plaatsen op de Aaltense daken, maar ook in andere plaatsen.

    Uniek is het feit dat ze onlangs een zogenaamde schotelantenne hebben geplaatst (zie foto). Deze antenne, met een doorsnee van 120 centimeter, is in staat om rechtstreeks programma’s te ontvangen, die door de E.C.S.-satelliet wordt uitgezonden. Daardoor heeft men de beschikking over een tiental programma’s zoals die van het ATN Channel, Music Box, Europa T.V., SAT 1, Teleclub, RTL, RAI, News World, TV 5 en World Press News.

    De schotelantenne dient zeer nauwkeurig te worden afgesteld. Er dient namelijk een direkte verbinding te ontstaan tussen het hart van de schotel en de satelliet, die zich 36.000 kilometer loodrecht boven de evenaar bevindt. De totale afstand tussen satelliet en schotelantenne bedraagt 41.000 kilometer!

    Naast de schotelantenne dient men voor ontvangst van de verschillende programma’s over een ontvanger te beschikken en een afstemapparaat dat zich binnenshuis bevindt.

    De toekomst heeft nog heel veel te bieden, de satellietprogramma’s zullen alleen maar uitbreiden en door de onderlinge concurrentie wordt de apparatuur om deze programma’s te ontvangen alleen maar goedkoper.

    De heren Ebbers en Pennings van PEA (Polstraat 35), zijn te allen tijde bereid meer informatie over de schotelantenne te geven, terwijl ook een demonstratie mogelijk is.

  • Waterskiën achter de auto

    Waterskiën achter de auto

    AALTEN — Wat betreft doldwaze evenementen is Amerika altijd een voorloper geweest. Toch kunnen de Nederlanders er ook wat van. Zo worden zaterdag 27 juli in het Gelderse Aalten alweer voor de derde maal de waterskikampioenschappen achter auto’s gehouden.

    Organisator Henk Houwers is er trots op dat hij als eerste dit festijn in ons land heeft geïntroduceerd. „Een aantal jaren geleden heb ik het waterskiën achter auto’s eens in Amerika gezien. Meteen dacht ik waarom zouden we dat ook niet in ons land kunnen doen. We hebben tenslotte voldoende sloten en plassen daarvoor.”

    Bij de kampioenschappen in Aalten is de snelheid niet belangrijk. Op het 550 meter lange parcours aan de Slingebeek (nabij camping Goorzicht) zal de jury de zestig beginnelingen en gevorderden beoordelen op techniek, presentatie en kleding. Wat het laatste betreft, kunnen de meest vreemde uitdossingen worden verwacht. „Sommigen komen verkleed als een oud omaatje, anderen weer als Batavier,” zegt Houwers.

    „Het leuke is dat alles mag, maar niets hoeft. Een kushandje naar de jury kan bijvoorbeeld al extra punten opleveren.” Het evenement begint om 14 uur en wordt in de pauze opgeluisterd met een roeiwedstrijd op boomstammen van vierhonderd kilo.

    Waterskiën achter auto's, 27 juli 1985
    Waterskiën achter auto’s, 27 juli 1985
  • Aaltense boerderijnamen verklaard

    Aaltense boerderijnamen verklaard

    Aalten heeft een groot aantal boerderijen met een eigen naam. In het adresboek van de gemeente Aalten uit 1967 worden er zo’n 480 genoemd. Bijna al deze namen zijn uniek. Om verwarring te voorkomen lag het voor de hand om een boerderij een naam te geven die nog niet voorkwam. Wel vindt men bijvoorbeeld het Oude Loo en het Nieuwe Loo, Groot Kampe en Klein Kampe, zelfs ’t Paske, Groot Paske, Klein Paske en Nieuw Paske. Dit zijn vaak boerderijen, die voorheen één hofstee vormden, maar die bij verdeling onder de kinderen in delen is gesplitst. Namen met “Olde” of “Oude” wijzen dan op het oorspronkelijke huis.

    Wanneer men die namen gaat bekijken, doet men een interessante ontdekking. Ze zijn in te delen in verschillende groepen. Zo is er een groep namen, waaruit men kan opmaken hoe de begroeiing rondom het erf vroeger was en in wat voor milieu de boerderij werd gesticht. Een andere groep wijst op het bedrijf, dat daar vroeger naast landbouw en veeteelt werd uitgeoefend. Veel boeren, en vooral de kleine, hadden voldoende tijd om er iets naast te doen en er wat bij te verdienen, wat dikwijls noodzakelijk was.

    Nu is het geven van namen aan boerderijen al zeer oud. In het verpondingskohier van 1647/50 staan onder Aalten de personen genoteerd die de verponding (een grondbelasting) moesten betalen, evenals onder Bredevoort. Maar onder de buurtschappen worden de namen van de boerderijen vermeld, met daarachter de namen van de bewoners. Zo hebben we een lijst van hofsteden die toen bestonden. Veel van de tegenwoordige namen komen er al in voor.

    Uit verschillende archieven van kerken en kloosters en dergelijke kan nog een vroegere lijst, van vóór 1500, worden samengesteld. Zo blijkt bijvoorbeeld dat het Kurtebeke in de Heurne al in 1200 werd genoemd. Vóór 1500 vinden we onder andere de Ahof (Huis de Pol), den Honhof (Nonhof), Buclo (Bokkel), Marchwardinck (Markerink), Welinch, Hengevelt, Ruwenhove, ten Westendorpe, de Boegel (nu Smees), Lohues, Lichtwerdinck (Ligterink), Meijnencamp, Snoeijenbuijsch, en nog vele anderen. In totaal zijn er 72 boerderijnamen bekend uit die tijd.

    Bolwerkweg 7, Barlo (Het Bokkel)
    ’t Bokkel, Barlo

    Men moet wel een zeer grote fantasie bezitten om zich te kunnen voorstellen, hoe het Aaltense land er eeuwen geleden uitzag. Negen tiende van het land bestond uit heide, bos en moeras. De bebouwbare oppervlakte was gering en werd slechts gebruikt voor de teelt van groenten en enkele graangewassen. De meeste boerderijen waren klein: stedekes. Markeverdeling, kunstmest en betere afwatering hebben een einde gemaakt aan de prange en de marode van de boer.

    Boerderijen, genoemd naar de begroeiing van de omgeving

    Namen die voor zichzelf spreken zijn: Heidekamp, Heidelust, Heidehof en Heideman. De Neeth (den Heet): heide. Onder ’t Veld verstond men woestliggende grond, voornamelijk wel het heideveld, zie ook Veldhuis. ’t Boske, den Bosch, Bosvliet, Giezenbosch, Boschhoeve, Oosterbosch, Paskerbosch, Scholtenbosch en het Boskerslag (een stuk bos, dat aan de gemeenschappelijke grond onttrokken was), ’t Loo, ’t Loohuis, Looman, het Oude en Nieuwe Loo.

    De volgende namen vragen om een verklaring: Bokkel, in 1284 Buclo genoemd, beukenbos. Het Walfort heette voorheen het Waldenvort, een voorde (door de Slinge) bij het Wald, bij het bos. Zo ook Walvoort op de Haart, met een voorde door de Keizersbeek.

    Gendringseweg 44, Lintelo (Olde Brusse)
    ’t Olde Brusse, Lintelo

    De naam Voorst (van forestis) werd gebruikt voor een woud, waarin niet gejaagd mocht worden; het was privé jachtterrein van de koning of de heer. Het terrein van de Snoeijenbos is in het bos gerooid. Brusse is gevormd van: Brusch, struikgewas, ’t Hagt en het Heegt: bos van laag hout, misschien bestaande uit hagedoornstruiken.

    De Slehegge kan aan de sleedoorn herinneren, ’t Heggeltje: een kleine hagt. De Hakstege lag aan een smal pad (stege) door het hagt. De Rieste dankt zijn naam aan het rijshout. De Heisterkamp is gesticht op een terrein, waar veel struikgewas groeide.

    In 1386 komt de naam Varenvelde en later nog het Verrevelt voor, wat nu het Vervelde is, De Veernhof is ook ontstaan in een veld vol varens. De Tente dankt zijn naam aan de tente, het boerenwormkruid. De Greute herinnert aan de gruit, de gagel, waarmee men het bier gistte en die op moerassige grond groeide, evenals het riet, wat men terugvindt in de naam de Riete. Woest onbebouwd land, vage vindt men terug in Vaags.

    Boerderijen, genoemd naar dieren

    De Kiefte (Kievit), de Kikvorsch, Welpshof (Wulp), Nachtegaal, Koekoek, Vossebult, Vosheurne, Gantvoort, genoemd naar de gans. Het voormalige Grevink was genoemd naar de das, de greving, die zo goed holen graven kan.

    Boerderijen, op een hoogte gelegen

    Men moet zich van deze hoogten geen grote voorstelling maken. Een verhevenheid van een halve meter werd al een bult, een horst of een heuvel genoemd. Deze hoogten boden geen enkele bescherming tegen de vochtige omgeving. De huizen waren erg vochtig.

    Namen als De Bulte, Bultink en De Heuvel spreken voor zich. De Brink (brinc) was een met gras begroeide hoogte. De Bree (van bride) wordt beschouwd als een akker op de es. Drenthel (oorspronkelijk Drenthelo): bos op een hoogte. Haartman en Haartelink: een haart is een hooggelegen heideveld. Hengeveld (heng, helling), Hillen (hil, heuvel), Hoopman, de Klinke (heuvelachtige heidegrond met hier en daar plassen en poelen).

    De Horst (een met laag hout begroeide hoogte), Leemhorst, Seinhorst, Stokhorst en Winkelhorst. Leeland (lee, heuvel, ook gerichtsplaats), de Limbarg (leemberg?). De Pol: een zandheuveltje, dat als een eilandje boven de omgeving uitstak. Pikpolle (pec, armoede): schamele hut op een pol.

    Tammel (in 1384 Tanbulen): dennenbos op een bult? Hondorp: dorp, terp, hoogte ter grootte van een hont, een oppervlaktemaat. Ook het Westendorp wijst op een hoogte. Wierkamp: wier, wierde, hoogte uitstekend boven een natte omgeving.

    Boerderijen, in op bij een moeras gelegen

    Het grootste gedeelte van de gemeente Aalten was vroeger moeras. Alleen de heuvelrug Bocholt–Vragender stak boven de moerassen uit. Deze broeken waren ontstaan doordat de riviertjes de Slinge, het Zilverbeekje en de Keizersbeek het water niet voldoende konden afvoeren. Daarom hebben zoveel boerderijen een moerasnaam, zoals Goorhuis, Goorman, Goorzicht, Moorveld, de Stroete (drassig onland), Veenemaat, Groot en Klein Veenhuis, ’t Veentje, Wijnveen (winne boerderij, boerderij in het veen), Hagenbroek (een broek met hagendoornstruiken), Kortenbroek (een broek met kort gras en daarom onvruchtbaar land), de Woerd (woert, laag liggend land).

    Bolandsweide (bol, week, moerassig, modder). De Nonhof (in 1281 den Honhof) en de Hennepe (in 1284 Honepe), beide namen van “hoen” en “huun” gevormd. Luiten, in de volksmond Luten, was laaggelegen slecht land, lute, terwijl Maris vrijwel hetzelfde voorstelde: moeras. Glieuwe: gliede, zwarte glanzende grond, turf. Somsenhuus: somp, moerassig land. Pietenpol (in 1640 Pytenpoel): pitte, put, kuil, dus een poel op een lage plaats, De Put (kuil, poel). ’t Slaa: slade, heideplas, moeras. Te Sligte (in 1384 Schlichte): vlak moeras. Mager: pover schraal land. Het Navis bezat een vochtige weide; nate, nat en vis, Wisch, wiese, weide. Bij Amerongen staat nog de middeleeuwse woontoren de Matewisch.

    Pietenpol, Lieversdijk 4, Haart
    Pietenpol, Haart

    Kampnamen

    Kiefteweg 4, Heurne (Stapelkamp)
    Stapelkamp, Heurne

    Een aantal namen eindigen op -kamp. Oorspronkelijk waren de kampen kleine stukjes land, die in de bossen van struikgewas en bomen waren ontdaan, ontgonnen bos dus. Later heeft het woord kamp de betekenis gekregen van akker.

    De Kamp, Grote en Kleine Kampe, Barnekamp (een terrein, dat door afbranden van bos is ontstaan), Boomkamp, Graaskamp, Haverkamp, Heidekamp, Heisterkamp, Langenkamp, Leemkamp, Maatkamp, Middelkamp, Nieuwkamp, Schuttenkamp (een boerderij, die nogal verscholen, verborgen in het land lag?), Stapelkamp (een plaats waar een stapel, een gerichtspaal stond, een gerichtsplaats dus), Tolkamp, Wierkamp. Verder ook de namen Oud, Nieuw en Klein Kempink, Kemper en Overkempink.

    Ontginningsnamen

    Slechts enkele namen herinneren aan het ontginnen van woeste gronden. Nijland, Nijveld, Nijhof, Nieuwkamp, Nieuwe Weide. De Bijvanck, wat er bij gevangen, bijgenomen werd. Te Brake wijst ook op het ontginnen, het breken van de woeste grond. Ruwhof: rude, rode, ontgonnen land.

    Boerderijen, die herinneren aan passen, hekken, tollen enz.

    Een pas is een doorgang in een landweer, een houtwal. De bewoner van de nabij gelegen boerderij moet oppassen, toezicht houden op de binnenkomende personen. Zo’n boerderij droeg soms de naam “Pasop”. Langs de Romienendiek liggen bijvoorbeeld het Paske, de Pasop en de Paskerhut: de bewoners moesten de personen in de gaten houden die door de Wolboom en het Zwarte Veen de marke binnenkwamen. Op de grens met het Varsseveldse gebied bij de Varsseveldseweg, ligt ook een Pas. Aan de Varsseveldse zijde liggen hier de Loerdijk en de Kijkuit. De marken waren goed beschermd.

    ’t Pashuus, de Nieuwe Pas, Oude en Nieuwe Pasop, Nieuw, Groot en Klein Paske. Ook het Fort moet tot deze groep gerekend worden: furt, een doorgang door een landweer. De bewoners van Straks (strang, streng) en Ongena waren voor de binnenkomende vreemdelingen wel ongemakkelijke heren!

    Tot degenen die mede de marke onder hun hoede moesten nemen, behoorde de bewoner van het Markerink, vroeger March-ward-inck geheten. Een werde was een wachtpost, een plaats waar men toezicht moest houden op de binnendringende ongure elementen. Een zelfde activiteit werd verwacht van het Ligterink, dat in 1435 Licht-werd-inck genoemd werd: het oppassen viel daar schijnbaar nogal licht. De plicht, van het wachthouden lag ook op de Kuier en de Kuierman: koeren, kuren betekende “uitkijken”.

    Woonde de schutte, die het vee van een andere marke, dat in de eigen marke was binnengedrongen, in beslag moest nemen, moest schutten, op de Schuttenkamp en woonde zo iemand ook op de Man-schot-weide? Aan de tollen herinneren Slotboom, de Stokkert, ’t Bonte Hek, Klaphekke, ’t Tolhuis, Tolkamp en Tolder (tolgaarder).

    Herinneringen aan de kerk

    De Pater, ’t Klooster (genoemd naar het klooster Schaer), Kerkhof (een hoeve van de kerk), Kerkkamp, Neerhof (den Heerhof, bewoond door de monniken), De Kloeze, kluizenaar, misschien ook Klaus. Kosters custerie: de opbrengst van dit goed was voor de koster.

    Kleine woningen

    Kleine woningen kregen de naam van hutte: de Hutte, Bazenhutte, Bramer Hutte, Brassenhutte, Bruggenhutte, Jacobshutte, Paskerhut, Wendelenhutte, Stronkshutte. Soms werd een woninkje afgeschoten in een schuur, een schoppe: de Schoppert, Drenthelschoppe, Freriksschure, Kortenschoppe, Reinders Schoppe, Schurink, Slaa Schoppe. Ook een spieker (korenopslagplaats) werd wel als woning ingericht: Brussen Spieker, Drenthel Spieker, Spiekershof, ’t Ni-je Spieker. Koskamp (van kotkaap, cote, hut).

    Boerderijen, waar een nevenbedrijf werd uitgeoefend

    Beestman (veehoeder), de Scheper (schaapherder), Sweenen (zwijnenhoeder), Fukker (fokker), Peerdeboer, ’t Villeken (waar gestorven dieren werden gevild en de huiden werden gelooid), Baten (beten, het looien van huiden). De Brasse (brouwerij), Pakkebier (backe, ook brouwerij), Schenk (schenkhuis, tapperij) en Slikkertap (een tap in het slik, moeras).

    Brethouwer (moeten we ‘bret’ hier interpreteren in de betekenis van plank, dus iemand die planken maakte?), de Klumper en Klompenhouwer (‘houwen’ is hakken of snijden), Kolstee (plaats waar houtskool werd gebrand), Kuiper, Draaijer, Kappers, Kleuver (herinnering aan het kappen en kloven van hout), de Smid en ’t Smees (vroeger Smedeserve). Papiermolen, de Olde Mölle, ’t Olde Mulder, de Görter (grutter, pelmolenaar), Te Roele (in 1640 ten Rule – rullen, pellen van graan, pelmolen).

    Bouwhuis Wever, Kloosterdijk 9, 't Klooster (2009)
    Bouwhuis Wever, ’t Klooster

    Den Blauwen (blauwverven van linnen), de Wever, Bouwhuis Wever, Weversborg, de Pellewever (wever die fijner goed weefde, zoals damast en tafellinnen), Schreurs, Snieder en Snijdershuis (kleermakers). Kremer (marskramer) en Klodde (voddenkoopman). Speelman (iemand die met een muziekinstrument de feesten opvrolijkte) en de Piepert (pijper, fluitspeler). Krieger (bewoond door een soldaat? In 1640 kwam in Barlo ook een soldaetencamp voor).

    Boerderijnamen eindigend op -ink enz.

    Een veertigtal boerderijnamen eindigen op -ink. Deze wijzen grotendeels op het bezit, op het goed van een bepaald persoon. Ze zijn voornamelijk samengesteld uit een persoonsnaam + -ink. Er zijn uit alle mogelijke archiefstukken lijsten samengesteld van eigennamen, die in de middeleeuwen voorkwamen en aan de hand van deze lijsten kan men een aantal boerderijnamen verklaren.

    Eppink, Romienendiek 4, Dale
    Eppink, Dale

    Dit zijn b.v. Ansink (van Anso), Beusink en Bussink (van Buse), Bulsink (van Bule), Beunk (in 1640 Bo-ynck-mate), Buunkmate (Bonninckmate) en Bunink (1248 Bonninck), alle drie van Bono. Misschien is ook Bongen van Bono afgeleid), Bijnen (1284 Benninck, van Benno), Deunk (in 1366 Dudinc? van Dudo), Elferink (van Alfhard), Eppink (Eppo), Mekkink (Menko), Pennings (Pinno), Pöppink (Poppo), Wensink (Wenzo), Wesselink (Wezilo), Wikkerink (Wikko), Obeling en Oberink (Obo), Lurvink (Lurvo), Rensink (Rinzo), Lensink (Landso), Siebelink (Siebo), Swietink en Swijtink (Swid), Welink (Willo), Wennink (Wanno). Ook Oonk moet hierbij gerekend worden; 1366 Odino (Odo), Gussinklo: bos op het goed van Godso.

    Hoenink, Huinink en Hunink lagen in een hoen, een huun, een moeras. Een andere verklaring waar we, volgens het CBG Centrum voor familiegeschiedenis, rekening mee moeten houden is dat namen als Hoenink en Huinink teruggaan op de Germaanse persoonsnaam Huno.

    Er is echter een aantal namen, die niet op persoonsnamen zijn terug te voeren. Zij hebben duidelijk op iets anders betrekking. Dat zijn: Bekink (ligt bij een beek), Bultink (ligt op een bult), Doornink (ligt in of bij een doornbos), Eekink (ligt op een terrein met eiken), Essink (ligt op een Es), Heijink (ligt op de hei), Kempink (ligt bij of in een kamp), Haartelink (ligt op een Haart). Rengelink kan duiden op een “rinc”, wat een gerechtsplaats was. Op de Borninckhof ontspringt de Haartse Wetering, daar liggen dus bronnen. Op het vroegere Richterink hield de richter zijn geding.

    Er is een tijd geweest, dat men de betekenis van de uitgang -ink niet meer begreep. Men ging toen namen vormen met “stedeke” en “goet”. Zo vinden b.v. Heijnengoet, Goossenstedeke enz. In het latere taalgebruik liet men de woorden stedeken en goet weg. Freriksgoet werd Freriks, Rutgerstedeken werd Rutgers. Ook hier weer veel boerderijnamen, gevormd van persoonsnamen: Freers, Freriks, Bullens (van Bullo), Ebbers (van Ebbo), Goosen (Goosen, Goos), Heinen (Hein), Lammers (Lammo), Lievers (Lieven), Lindert (Lindert), Lubbers (Lubbert), Reinders (Reinder), Rutgers (Rutger), Wiggers en Wiechers (van Wigger), Wubbels (van Wubbel), Wolters (Wolter) en Rikkert (Rico).

    Namen eindigend op -huis (-huus in het dialect) zijn Bartshuis, Devenhuus, Dorushuus, Japikshuus, Kobushuus, Matthijsenhuus, Luuksenhuus (volksnaam voor Lucas). Boerderijen met enkel een eigennaam: Maas (volksnaam van Thomas), Thijs (Mattheus), Jonen (Johannes), Liezen (Elisabeth), Wendelenhutte (Wendelin), Karsjes (Christina), Koop (Jacob).

    Aparte vermelding

    Naast de boerderijen die in bovenstaande groepen zijn ingedeeld, zijn er nog enkele, die aparte vermelding verdienen: de Tuunte was omgeven door een tuun, een gevlochten omheining, evenals de Vreman en het Vreveld. De Zigtvrede had enkele voorkeursrechten bij de jaarlijkse verdeling van de markegronden. Een van deze boerderijen wordt in 1640 Seegvreden genoemd, geheten naar de seege, de geit. De Hegge was omringd door een haag. Het Sonderen had ook rechten; een deel van de gemeenschappelijke grond mocht voor eigen gebruik worden aangewend. Dat deel werd uit de marke afgezonderd. Het Meijnen is eveneens een deel van de gemeenschappelijke marke geweest.

    Het Haverland en de Haverkamp hadden de plicht haver te leveren aan heer of kerk, enz. Op de Hemelmaat werd recht gesproken; een hegemael, een heimael, was een door een heg omgeven ruimte, waar een mael, een rechtzitting gehouden werd. De Akkermaat dankt zijn naam aan een weide, die in een dag gemaaid kon worden en de Maandag aan het stuk land dat in een dag met het gemende vee kon worden geploegd. Een vroegere naam zou dus geweest zijn: Mendag. De Hogewind moest eigenlijk de Hogewend heten, want dit was het hoge eind van het land, waar de ploeg gewend werd, gekeerd.

    Het Grotenhuis geeft inlichtingen over de omvang van het huis en het Nieuwenhuis (in 1640 Nijenhuis) wijst op een toen nieuw gebouwde woning, net als Nijboer. Het Lankhof en Scheel geven de vorm van het land aan: lang en scheef. Het Korten (in 1640 Kortenstedeken) was maar kort van land. De Heurne had een vorm van een hoorn, een spits toelopend stuk land evenals de Timp en de Timpert. Droevig was het gesteld met de Prange, de Marode en de Drommelder, welke namen alle drie vertaald kunnen worden door ellende.

    Het Smol was “klein en gering”. Kan de Huikert een hooiweide zijn geweest of is het een vervorming van de volksnaam Huik voor Hugo? Het Botervat: botterweide? Het Westendorp, het Oosterbosch, de Oosterhoeve en de Oosterman ontlenen hun naam aan de windstreken, waarnaar ze gericht liggen. Op de landbouw wijzen: Bouwlust, Bouwhuis en het Bovelt (bouwveld). Is het Hillo (Heiligelo?) een herinnering aan het heidendom of was het een lo op een hil (heuvel)? De Leste Stuver was vroeger een herberg bij Bredevoort waar rondtrekkende mensen hun laatste stuiver kon verbrassen.

    Hessenweg 18, Dale (Grotenhuis)
    ’t Grotenhuis, Dale

    Fantasierijke personen hebben zeker gewoond op Avondrood, Morgenrood, Bestevaer (‘grootvader’), Driekleur, Midden in ’t Land, Nooitgedacht en de Vlijt. En de bedenkers van de namen Meihof en Meihuis hebben zeker oog gehad voor het mooie groen en de kleurrijke bloemen in de maand mei.

  • Oorman

    Oorman

    Een oorman, soms oormenneke genoemd, is een kamer die bij sommige (dorps)boerderijen werd aangebouwd, waar de bejaarde ouders van de bewoners hun laatste levensjaren woonden. Tegenwoordig zou men wellicht de term ‘aanleunwoning’ gebruiken. Een oorman was soms ook gehuurd door een alleenstaande persoon. Het was een kamertje van ongeveer twee bij twee en een halve meter, waarin een alkoof als slaapplaats diende.

    De laatste Aaltense oorman bevond zich in de Hogestraat, nummer 38/40.

    Over de herkomst van het begrip ‘oorman’ schrijft E.M. Smilda in Aalten en Bredevoort in oude ansichten het volgende:

    “De benaming ‘oorman’ moet naar mijn mening zeker niet worden beschouwd als te zijn afgeleid van ‘zoals de oren van een mens uitsteken, zo ook is een oorman een uitbouwsel aan het boerenhuis’. Integendeel, het is genoemd naar de bewoner zoals dat in deze streek gebruikelijk is. Beter gespeld heet het huisje ‘oirman’. Vondel laat in een van zijn stukken vragen: “Hebt gij dan geen oir?” Met ‘oir’ wordt erfgenaam bedoeld. In het eindkamertje, bij een boerderij aangebouwd, kon de oudere man die wel een oir had zijn laatste levensjaren doorbrengen. Hij was de oirman, woonde daar, hielp nog wel wat hier en daar en had de kost vrij. In geheel Nederland komt deze originele naam ‘oirman’ alleen in Aalten voor.”

  • Twee nieuwe textielfabrieken in Aalten

    Twee nieuwe textielfabrieken in Aalten

    AALTEN – „Omdat de stemming in de textielindustrie niet direct feestelijk genoemd kan worden, willen we de officiële opening niet met veel klaroengeschal doen plaatsvinden. Toch willen we het evenement niet geruisloos laten voorbijgaan”, schreef de directie van Textielgroep Twente in een brief waarin de pers werd uitgenodigd de opening van twee nieuwe fabrieken in Aalten bij te wonen.

    Het is ook niet niks. Al jaren stapelt de ene textielrampspoed zich op de andere. Nog deze zomer ging Schuttersveld failliet, moest Spinnerij Nederland 475 banen schrappen en Van Heek Scholco 67. In de verwante bedrijfstak confectie wacht een inkrimping bij Bendien Smits. Maar Textielgroep Twente opent twee nieuwe fabrieken in Aalten: Wisselink Textiel en Koala Tricotage.

    Gemeente

    Nu moet gezegd worden dat de eerste aanzet voor de nieuwbouw niet kwam van de concernleiding maar van de gemeente Aalten. De twee bedrijven waren sinds jaar en dag gevestigd in de dorpskern en veroorzaakten daar geluids- en trillingsoverlast. De directie wilde best verhuizen naar een industrieterrein, mede omdat in splinternieuwe fabrieken de produktie beter georganiseerd kon worden. Voorwaarde was echter wel dat verschillende overheden een flinke duit in het zakje zouden doen. Waarvoor directeur drs. H.J. Hesselink en burgemeester Bekius hard op Haagse deuren hebben gebonsd.

    Niet vergeefs. Van de totale investeringssom van 17 miljoen gulden kwam tien miljoen van de overheid in welk bedrag is begrepen de aankoop door de gemeente van de oude fabrieksgrond. De oude gebouwen zijn inmiddels gesloopt; 122 woningen zijn op hetzelfde terrein in aanbouw.

    De directie is inmiddels vol goede moed dat de zeven miljoen die voor de nieuwbouw zelf moesten worden opgebracht, juist zijn besteed. Dat Textielgroep Twente met vijf werkmaatschappijen (vestigingen in Aalten, Enschede, Weerselo, Tilburg, Geldrop en Bree in België) redelijk marcheert schrijft directeur Hesselink ondermeer toe aan de grote spreiding van het produktiepakket.

    Juist in een gevoelige bedrijfstak als de textiel vindt hij het belangrijk meerdere ijzers in het vuur te hebben. Als het met de afzet van bepaalde artikelen slecht loopt, heb je nog wat achter de hand. De activiteiten van het concern zijn inderdaad sterk gespreid. Zo maakt werkmaatschappij Wisselink zowel consumentengoederen (lakens en dekbedovertrekken) als doek voor industriële toepassingen en tentdoek. De Gunne in Weerselo vervaardigt tuinkussens, tuinmeubelen en slaapzakken, Stilo Print in Tilburg bedrukt T-shirts en het tricotagebedrijf Koala houdt zich bezig met onderkleding en vrijetijdskleding.

    Ondergoed

    Koala voert ondermeer het aloude merk Jansen en Tilanus, voor generaties Nederlanders een synoniem met het woord ondergoed. Veel belangrijker voor Koala is echter het merk van die naam dat in de presentatie alle nadruk krijgt. Die presentatie is daarom zo belangrijk omdat de afzetkanalen voor onderkleding nogal veranderen en het merk toch zijn positie in de markt probeert te houden. Nog niet zo lang geleden werd ondergoed veel in gemengde textielzaken gekocht. Dat type winkel loopt terug, andere verkooppunten als sportzaken en textielsupermarkten komen er voor in de plaats.

    Voor die marktpositie van een Nederlands textielbedrijf acht Hesselink het van wezenlijk belang dat er snel geleverd wordt. Dat is een voordeel op de buitenlandse concurrentie dat hij mede zegt te kunnen realiseren door de middelgrote omvang van de groep: 500 werknemers bij 80 miljoen omzet. Men kan snel reageren door de beperkte omvang van de werkmaatschappijen.

    Dit betekent niet dat de financiële resultaten schitterend zijn. In 1981 werd netto 1,5 miljoen gulden verloren. Voor 1982 wordt een beter resultaat verwacht. Bovendien gaat Hesselink nogal prat op de gezonde vermogenspositie van de groep. Dezer dagen is die positie verder verbeterd door een achtergestelde lening van zes miljoen, verstrekt door de Nationale Investeringsbank.

    Met winstuitkeringen zijn we altijd voorzichtig geweest, zegt Hesselink. Er is – in tegenstelling tot menig ander textielbedrijf – redelijk geïnvesteerd. Wat tot uiting komt in moderne weefmachines. De bezoeker staat wel even te kijken van superlichte spoelen die de inslagdraden met een snelheid van 900 meter per minuut door het garen schieten.

    Meer artikelen over het textielverleden van Aalten en Bredevoort: klik hier.

  • Hulpactie ‘Aalten helpt Koronowo’

    Hulpactie ‘Aalten helpt Koronowo’

    Begin jaren 80 van de vorige eeuw verkeerde Polen in een zware economische crisis. Er was grote schaarste en veel eerste levensbehoeften waren op de bon. Onder het motto ‘Help de Polen de winter door’ werden in heel Nederland hulpacties op touw gezet. Een daarvan was de solidariteitscampagne ‘Pak van je hart’, waarbij vrachtwagenchauffeurs samenwerkten met kerken om de Poolse bevolking te voorzien van voedsel- en kledingpakketten. Aalten bleef daarbij niet achter en organiseerde meerdere hulptransporten naar het stadje Koronowo.

    In december 1981 verscheen het volgende artikel in een krant:

    Tonny Westerveld, Bevrijding 49, was een van de mensen die als reserve-chauffeur het transport naar Polen heeft meegemaakt. De chauffeurs van de twee eerste vrachtauto’s waren Dick Kuiperij en Henk Neerhof. Voor Tonny Westerveld, die overigens een tienjarige ervaring heeft als chauffeur op internationale transporten, was het de eerste keer dat hij naar Polen reed.

    Zaterdag 18 december vertrok het convooi ’s nachts om drie uur, en zeven uur later stond het bij Helmstedt voor de grens tussen de Bondsrepubliek Duitsland en de DDR. De formaliteiten namen daar nogal wat tijd in beslag want het duurde tot ongeveer twee uur ’s middags aleer zij konden vertrekken.

    Ongeveer drie uur later stonden zij voor de Poolse grens. Daar was men veel sneller klaar. De ambtenaren waren verplicht pakketten open te maken wat zij dan ook met enkele deden, maar zij hadden het overigens heel snel bekeken, wellicht mede door de vele officiële stukken met stempels van de gemeente die getoond konden worden, zoals Westerveld veronderstelde.

    De reis door Polen werd de laatste paar honderd kilometer gehinderd door veel sneeuwval. Een 50 kilometer over de grens in Łagów werd overnacht maar niet op de plaats waar tevoren een afspraak was gemaakt, want toen men zich bij de politie meldde werd hun meegedeeld dat zij in een andere gelegenheid de nacht konden doorbrengen.

    Zondagsmiddags omstreeks half vijf kwam het convooi in Bydgoszcz aan, waar men een vrouwelijke gids, Mirca, kon meenemen. Met haar hadden de comitéleden enkele weken eerder al contact gehad en zij was van alles op de hoogte.

    In Koronowo

    Het was zondagavond omstreeks acht uur toen men in Koronowo arriveerde. De pastoor, waar men zich meldde, was stomverbaasd toen hij de twee grote vrachtauto’s zag , hij kon zijn ogen nauwelijks geloven en dacht dat er niemand het land kon binnenkomen.

    Wij willen morgenochtend graag hulp hebben, was de vraag van de Aaltenaren. “Je vraagt je dan wel af, hoeveel tijd de lossing dan in beslag zal nemen”, zegt Westerveld. Er was namelijk in beide auto’s 34 ton ingeladen. 12 ton aan kleding en 22 ton aan levensmiddelen. Hiervan zou in Koronowo 28 á 29 ton gelost worden. Het overige moest in Bydgoszcz worden uitgeladen. Maar de andere morgen stonden er 12 Polen om te helpen en om een uur of tien waren dat er al zo’n dertig.

    “De mensen daar waren bezig met iets dat ze niet begrepen”, zoals Westerveld het uitdrukte. Ze waren stomverwonderd. Om twaalf uur waren de voor Koronowo bestemde goederen gelost en kon de terugreis worden ondernomen via Bydgoszcz. Daar kwam men bij de predikant van de Evangelische gemeente, die met niet minder verbazing dan de pastoor uit Koronowo de Aaltenaren bekeek. Hij had nu nog geen hulpgoederen verwacht en met steeds verwonderder blikken keek hij naar wat uit de auto’s werd gehaald en voor zijn verbaasde ogen opgestapeld. Tenslotte werd in het Warminsky-hospitaal in Bydgozcz de meegebrachte medicamenten en injectiespuiten afgegeven.

    De terugreis

    Voor de chauffers was het nu de vraag: hoe komen we zo snel mogelijk de stad uit? Maar medewerkers van het ziekenhuis stonden al klaar met een auto om de Aaltenaren langs de kortste route tot buiten de stad te begeleiden in de richting Poznań. Ergens op een parkeerplaats overnachtten zij in hun auto. Het was erg koud, zo’n 23 á 24 graden onder nul.

    Dinsdagmorgen werd de tocht vervolgd, na eerst te hebben ontbeten. Men had zelf allerlei levensmiddelen meegenomen voor onderweg. Als men bij inwoners van Polen in huis was werden de meegebrachte maaltijden opgewarmd, maar ook kon men onderweg zelf een eitje bakken of koffie zetten als dit nodig was.

    Een tachtig kilometer voor de grens ontdekte men een Engelse automobilist die pech had met zijn auto. Maar de Aaltenaren konden hem niet helpen. Tot hun grote verwondering zagen ze echter een auto van de Nederlandse wegenwacht passeren. Aan de inzittenden werd de situatie uiteengezet en toen kon het euvel worden verholpen. De wegenwachters behoorden bij het grote convooi dat al eerder in Nederland was teruggekomen, maar zij waren al een dag of negen in Polen omdat sommigen hun pas waren kwijt geraakt en daarom naar Warschau waren geweest om een regeling te treffen.

    Op onze vraag: Hoe is de sfeer in Polen? kwam als antwoord: Angstig. De mensen zijn onvoorstelbaar bang. Maar meteen werd er aan toegevoegd: Zij zijn ook bijzonder gastvrij. Woensdag 23 december ’s middags om één uur waren de beide vrachtauto’s met hun inzittenden weer in Aalten terug.

  • Steenoven uit 1708 gevonden in ’t Klooster

    Steenoven uit 1708 gevonden in ’t Klooster

    27 oktober 1980

    Een unieke vondst, zo noemde de heer H. Hofs uit Varsseveld, het blootleggen van de resten van een oude ticheloven (steenbakoven) in de buurtschap ’t Klooster bij Bredevoort. De oven dateert uit 1708. De werkgroep bodemonderzoek van de Oudheidkundige werkgemeenschap Aalten, Dinxperlo, Wisch is al geruime tijd bezig om de resten van de steenoven voorzichtig bloot te leggen.

    De plaats van de oude steenoven is gevonden mede dank zij de heer W. Lobeek die vroeger heeft gewoond op de boerderij de Götter. Het was deze oud-bewoner van het Klooster, die zaterdagmorgen zeker tachtig belangstellenden welkom kon heten bij de vindplaats. De belangstelling was dermate groot, dat men komende zaterdag opnieuw een excursie naar het Klooster zal houden. De heer R. Wartena, streekarchivaris en bestuurslid van ADW hield een inleiding over wat men weet van de steenoven.

    Het is wel zeker dat het hier gaat om de oven van Matthijs van ’t Waliën. Deze kreeg voor zijn diensten, de aanplant van een groot bos, onder meer de goedkeuring om hier een steenoven te bouwen en deze te exploiteren. Het leem mocht worden gegraven op de gronden van het klooster. Matthijs kon echter zijn verplichtingen niet nakomen. Er gingen meteen veel bomen dood en de strenge winter van 1709 zorgde er voor dat een derde van de bomen het loodje legde.

    Zonder pardon

    Hij zag geen kans de bomen te herplanten en in die tijd was het nog niet zo, dat men erg zuinig was op werkgelegenheid. In 1719 wordt Matthijs gedwongen de ticheloven binnen een half jaar af te breken en de stenen binnen een jaar weg te voeren. Volgens de overeenkomst moest het waarmanshuis, een arbeidershuis, blijven staan. Van dit huis is tot nu toe niets teruggevonden. Mogelijk is echter dat de boerderij Götter het vroegere waarmanshuis is.

    De oven werd inderdaad afgebroken, maar blijkbaar niet verder dan maaiveldhoogte. De vloer, met een oppervlakte van 9×11 meter en wat muurtjes zijn blijven staan en ook de leemputten zijn nog duidelijk herkenbaar. De heer Hofs vertelde het een en ander over de opgravingen, waar de werkgroep sedert juli 1979 mee bezig is. De onderzoekingen hebben tot nu toe een goed resultaat opgeleverd, al had men de hoop in de directe omgeving van de oven wat meer sporen aan te treffen.

    De werkgroep heeft de resten in kaart gebracht en zal deze binnenkort weer toedekken. Want zouden deze aan de buitenlucht blootgesteld blijven, dan blijft er niet veel van over.

  • „Laot ons het Lohüs as ’t effen kan”

    „Laot ons het Lohüs as ’t effen kan”

    Bouwt Aalten üt van Noord naor Züd
    Naor allen kant töt veer in ’t land …!

    Maakt van de rosse, rowwe heide,
    Ne vlakke vette wiete weide
    Maakt van de grootste wöesterni’je
    Ne regelrechte kweekeri’je!
    I’j bouwt en graaft, i’j denkt en doot
    Den ievren mens geet ’t altied good
    Maor och, laot, as ’t efkes kan,
    An ons „’t Lohüs Geurken” dan!

    De dennen soest er zacht en wee,
    As ’t rüschen van ne veere zee,
    Ze vetelt mi’j van de olde tiën
    To’k daor as kind kweem schaatsen zien!
    Zacht rispelden ’t in de tekskes
    Van ne olden berken stam,
    He vetellen mi’j van vrogger,
    To vader mooder nam.

    I’j houwt en bouwt, i’j hakt en liekt
    Ow arbeidsvrucht, pas later bliekt,
    I’j doot, wa’j doot, maor as ’t efkes kan
    Och, laot ons ’t Lohüs Geurken dan.

    Joh. Beernink
    Aalten, 14-2-1928

    Bovenstaand gedicht publiceerde Joh. Beernink in de tijd toen men overal in de Achterhoek de schop in de grond zette om woeste gronden te ontginnen. Wie deze dichter was, weet ik niet, maar ongetwijfeld een Aaltenaar en u kunt het gedicht vinden in „archief” 1929 van de Oudheidkundige Vereniging „de Graafschap”.

    In die tijd dreigde ook in Aalten een prachtig natuurterrein verloren te gaan. Het betrof een complex van 21 ha, gelegen aan de Haartsestraat in Aalten, bestaande uit bos en bouwland met in het bos een uniek vennetje, het „Darde Geurken ’t Lohuus”. Het werd in de zomer druk bezocht door wandelaars en hele generaties van Aaltense ingezetenen hebben de eerste beginselen van de schaatssport op het vennetje geleerd.

    Dat dreigde nu alles verloren te gaan. Maar het deemoedig verzoek van Beernink „och, laot ons ’t Lohüs Geurken, as ’t efkes kan”, vond weerklank in Aalten. „Aaltens Belang” zag al direct de noodzaak in om dit natuurgebied voor Aalten te behouden en in 1929 werd dan ook het complex gekocht. Naar bestuursleden mij later vertelden in een soort van impulsieve bui, want… ze hadden er eigenlijk geen geld voor. Wel werden door verschillende Aaltense ingezetenen bedragen toegezegd, maar het zou toch een zwaar blok aan het been worden.

    Men nam contact op met de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland en mr. G.J. ten Houten uit Winterswijk kwam eens kijken. Deze Winterswijkse advocaat was ook de grote stimulator voor het behoud van het Korenburgerveen en het in bezit brengen daarvan van Natuurmonumenten. Ook mr. ten Houten zag direct de grote waarde van dit natuurterrein en door zijn bemiddeling kon Aaltens Belang het zorgenkind aan Natuurmonumenten overdragen, waarbij ze zelf ook nog een behoorlijk bedrag kon schenken. En zo kan „’t Loohuis” dit jaar z’n gouden jubileum herdenken als natuurterrein. Een feit waaraan de heer J. te Lindert uit Aalten me een dezer dagen herinnerde.

    In het begin van dit jaar is ’t vennetje in ’t Loohuishos in de gemeenteraad van Aalten nog eens ter sprake geweest. Er werd namelijk meegedeeld dat het ven zou worden uitgebaggerd, zodat er weer geregeld water in zou staan en de kleinere kinderen hier weer zouden kunnen schaatsen.

    De Bredevoortse grachten vond men te gevaarlijk voor deze beginnelingen. Daar een ven z’n betekenis ontleent aan de specifieke vegetatie die soms vrij zeldzaam is, stelde de heer te Lindert zich eens met Natuurmonumenten in verbinding, teneinde te weten te komen wat men met ’t Darde Geurken van plan was. Het antwoord was echter zeer geruststellend. Het was werkelijk de bedoeling om middels uitbaggeren weer wat water in het ven te krijgen.

    ’t Darde Geurken is in de loop der jaren dichtgewaaid met blad en zo en ook dichtgegroeid door allerhande vochtminnende planten. Het is dus de bedoeling de oude toestand weer te herstellen. Niet om er een schaatsvijver van te maken, al deelde Natuurmonumenten mee, dat er geen bezwaar bestond om op bescheiden schaal aan de beginners gelegenheid te geven het schaatsen te leren. Maar dit mag niet gaan ten koste van de natuurwaarden van het gehele Loohuis en van ’t Darde Geurken in het bijzonder.

    Zo is dan een kleine deining rond het Loohuis, veroorzaakt door het verslag van die raadsvergadering, weer gladgestreken. Dat Natuurmonumenten iets aan het ven moet doen, is begrijpelijk. Door de natuurlijke verlanding groeit de zaak dicht, waardoor de vegetatie verandert. Zeldzame planten nemen de benen en de zaak verandert meestal in een berkenbos. Enkele jaren geleden had ik al gezien dat bijvoorbeeld het eenjarige wollegras aardig op z’n retour was. Deze gang van zaken kunnen we ook zien in het Vragender- en Korenburgerveen.

    De Aaltense bevolking kan dus gerust zijn. Het natuurmonument ’t Lohuis, met z’n Darde Geurken (het eerste en tweede Geurken zijn volkomen uitgedroogd) blijft volkomen bewaard. Wat Aaltens Belang vijftig jaar geleden voor de gemeenschap wist te behouden, blijft ook behouden.

    J.G. Vos, 28 juli 1979

  • Driemaal brand in de Willemstraat

    Driemaal brand in de Willemstraat

    Foto’s en krantenartikelen van T. Korthout.

    In 1978 werd de Willemstraat driemaal in korte tijd opgeschrikt door brand, tweemaal in het woonhuis van de heer Eskes en de familie Van der Donk, op nummer 11 en ook in het voormalige Kraamcentrum op nummer 19.

  • Geschiedenis van de Aaltense hoornindustrie

    Geschiedenis van de Aaltense hoornindustrie

    Aalten is de enige plaats in Nederland waar een hoornindustrie was gevestigd. Men maakte hier producten van buffelhoorn, zoals pijpen, kammen, knopen, seinfluitjes, naaldenkokers en messenheften. Buffels werden niet gedood of speciaal gefokt voor het hoorn.Vrijwel al het materiaal werd gebruikt en wat overbleef ging over de akkers. Met de intrede van kunststof en massaproductie na de Tweede Wereldoorlog verdween deze industrie.

    Hoorndraaiers

    Familiebanden hebben een sterke invloed gehad op het ontstaan van de hoornindustrie. Vijf hoorndraaiers begonnen vanaf 1855 in Aalten: Bernard Vaags, Gerrit Peters, Abraham ten Dam, Willem te Gussinklo en Wessel Becking.

    Bernard Vaags ging op Wanderschaft naar Duitsland en kwam in Ruhla (Thüringen) in de leer bij een hoorndraaier. Toen hij in Aalten was teruggekeerd kocht hij een eenvoudige voetdraaibank en begon de allereerste hoorndraaierij. In een opkamertje in de schoenmakerij van zijn ouders ‘in den Dijk aan de beek te Aalten’ (Dijkstraat 9) maakte hij onderdelen voor Duitse pijpen van buffelhoorn. In 1860 trouwde Vaags met Dora Willemina Prins. Zij werd ook hoorndraaier en werd Piepen Deurken genoemd. Zij gingen wonen naast Bernards oudershuis (Dijkstraat 7).

    Duitse pijpen

    Gerrit Peters, zoon van een leerlooier, ging na Bernard Vaags ook in de leer in Thüringen. Hij werkte vanaf 1863 aan de Hogestraat. In 1866 trouwde Gerrit met de welgestelde Josina Aleida te Gussinklo en trok bij haar in. Het pand besloeg de hele lengte van de Köstersbulte, van het woongedeelte aan de Markt tot aan de Landstraat, waar hij zijn hoornwerkplaats vestigde. Hij maakte lange pijpenstelen en onderdelen voor de Duitse pijp. In Duitsland werden porseleinen pijpenkoppen aan de stelen bevestigd en de pijpen verhandeld.

    Kammen

    Na het overlijden van Vaags in 1868, pakte zijn opvolger Abraham ten Dam de zaken grondig aan. Het huisindustrietje werd een echte fabriek, aan de Stegge. In 1871 stichtte hij samen met zijn zwager Bernard Manschot kammenfabriek Ten Dam & Manschot aan de Damstraat.

    Het was de eerste en enige fabriek in Nederland die kammen maakte: witte, zwarte, naturel gekleurde sierkammen, Mexicaanse kammen, luizenkammen en snorrenkammen. Deze kammen werden gemaakt van buffelhoorn. Men voerde deze in uit onder andere Brazilië, India en het toen nog Siam geheten Thailand. De fabricage gaf nog meer stof en stank dan bij de pijpen.

    Een revolutionaire ontwikkeling in het productieproces was de overgang op stoom. Ze verving de traditionele hand- en voetkracht. In de volksmond kreeg ze de benaming ‘d’n Kamstoom’. In 1920 werkten er bij de kammenfabriek ongeveer 200 mensen, onder wie ook vrouwen en kinderen.

    Handvatten en messenheften

    Willem te Gussinklo en Wessel Becking leerden de kneepjes van het vak bij Gerrit Peters. Zij werkten korte tijd samen, maar gingen in 1884 apart verder. Na de mislukte samenwerking ging Wessel Becking in 1880 verder met Bernardus Gerhardus Vaags, neef en naamgenoot van Bernard Vaags. Becking & Vaags maakte pijpenstelen en later ook messenheften. Toen de verkoop van de Duitse pijpen terugliep, produceerde de fabriek korte bruyèrepijpen. De pijpenfabriek in de Hoekstraat staat er nog steeds!

    Johannes Peters verliet de werkplaats van zijn vader aan de Köstersbult en sloot in 1896 een vennootschap met Marcus Gans, een Joodse koopman. Gans financierde de firma genaamd PEGA (Peters & Gans). De pijpenfabriek stond naast Peters’ woning aan de toenmalige Gasthuisstraat (nu Haartsestraat). Naast Duitse pijpen voor Duitse reservisten werden wandelstokken met hoornen handvaten vervaardigd. Nadat de fabriek in 1917 totaal uitbrandde, vestigde Johannes Peters zijn pijpenfabriek aan de Admiraal de Ruyterstraat. In plaats van Duitse pijpen werden er vooral bruyèrepijpen gemaakt.

    Knopen

    Na de mislukte samenwerking met Wessel Becking maakte Willem te Gussinklo Duitse pijpen en handvatten voor wandelstokken en paraplu’s. In Duitsland en Engeland waren rond 1900 bedrijven ontstaan die uit hoorn knopen produceerden. Met dat voorbeeld voor ogen begon Willem in het jaar 1905 met het maken van hoornen knopen, een primeur voor Nederland. Al snel kwam zoon Willem te Gussinklo jr. (Piepkes Willem) in de firma, die zich ontwikkelde als innovatief ondernemer.

    De eerste fabriek van Te Gussinklo stond aan ‘t Dal in Aalten, de tegenwoordige Willemstraat. Vanwege de toenemende vraag naar knopen verhuisde het bedrijf in 1924 naar de oude weverij van Van Eijck in Bredevoort. Daar ging de productie van knopen van start. Het internationale bedrijf N.V. Dutch Button Works (DBW) exporteerde naar Engeland, Ierland en Amerika en was ook de grootste (hoorn)onderneming in Aalten.

    Na de Tweede Wereldoorlog liep de productie van knopen uit hoorn terug. In 1976 werd deze laatste tak van hoornverwerking genoodzaakt de pijp aan Maarten te geven. Daarmee kwam er definitief een einde aan 120 jaar hoornindustrie in Aalten.

    Video

    Bron: Euregionetwerk Industriecultuur

    Het regende pijpenstelen

    Het regende pijpenstelen, door Paulien Andriessen

    Paulien Andriessen, een achterkleindochter van Gerrit Peters, raakte nieuwsgierig naar het ambacht van haar overgrootvader. Hij was de tweede hoorndraaier in Aalten. Waar had hij het vak geleerd en aan wie verkocht hij die pijpenstelen? Hoe verging het de Aaltense hoorndraaiers en hun opvolgers?

    “Toen ik slaagde voor mijn eindexamen kreeg ik van mijn oom een pijp cadeau. Mijn moeder en mijn zusjes rookten pijp, dus ik vond het helemaal niet raar. Het was een damespijpje met een slanke steel en een kleine kop van wit porselein en een hoornen mondstuk. Ik moest hem een paar keer roken, legde mijn oom uit, dan zou er een mooi plaatje op de pijpenkop verschijnen. Zo ben ik stevig aan het roken geslagen, want ik was nieuwsgierig naar dat plaatje. Het duurde een paar pijpjes, maar tot mijn vreugde werd mijn rookgedrag beloond. Er kwam het een plaatje tevoorschijn. Het was een vogeltje, een duif.”

    In 2011 verscheen een boekje van haar hand, getiteld ‘Het regende pijpenstelen, Honderd jaar hoornindustrie in Aalten’ bij uitgeverij Fagus (ISBN: 9789078202806).

  • Knekels gevonden

    Knekels gevonden

    In de vorige eeuw stuitte men bij graafwerkzaamheden diverse malen op de stoffelijke overblijfselen van Oud-Aaltenaren.

    Een grafkelder ingestort

    Nieuwe Aaltensche Courant, 9 juli 1920

    AALTEN – De Kosterstraat (= Köstersbulte, OA) had Donderdag den ganschen dag de volle belangstelling van het Aaltensche publiek. In dichte groepen stond men om een bepaalde plaats vlak bij het ijzeren hek van de kerk tegenover het gebouw van de Geld. Ov. Bankvereeniging. Gefluisterd werd van grafkelder, doodshoofden enz. De politie hield de menschen, vooral de nieuwsgierige jeugd, op behoorlijken afstand.

    Wat was gebeurd? Des morgens was de zware vrachtauto van den heer Jos. Driessen, uitwijkende voor een wagen, vlak langs het hek gereden. De chauffeur dacht er natuurlijk niet aan – den meesten inwoners van Aalten zal het wel onbekend zijn – dat hij toen over een deel van het oude kerkhof reed, dat vroeger rondom de kerk was aangelegd. De overblijfselen daarvan heeft men het best kunnen waarnemen indertijd bij den bouw van „Elim”, waar het onder den grond één groot knekelhuis was.

    Het trok de aandacht van een voorbijganger, dat er een heele „deuk” in de straat was gekomen, die naar het scheen steeds grooter werd. Er werden meerderen bijgeroepen en nu scheen het wel, of een stuk grond daar was ingestort. De gemeente-opzichter werd er bij geroepen, de politie, en toen deze kwam opdagen, was de deuk tot een groot gat geworden; puin en modder was neergekomen op een houten kist, die dientengevolge was ingestort, zoodat beenderen te zien waren – het leed geen twijfel meer: een grafkelder was ingestort.

    Terstond werd er een ijzeren plaat overgelegd, een stakelsel er om heen geplaatst, zoodat het publiek, ’t welk vooral inden middagtijd bij groote massa’s kwam kijken, niet in gevaar werd gebracht. Des middags werden groote partijen zand aangevoerd, waarmee den komenden nacht de grafkelder, na te zijn leeggehaald, zou worden gedempt.

    De lengte van den kelder loopt van Oost naar West. Het gewelf scheen slechts van één steens dikte te zijn, en zoo ondiep onder den grond, dat de steenen van ’t gewelf bijna de straatkeien raakten. Het mag dus wel verwondering wekken, dat niet eerder een instorting heeft plaats gehad.

    Op oude teekeningen is nog te zien, dat het kerkhof vroeger liep tot dicht bij de huizen van de Kosterstraat. Slechts een tamelijk smal pad liep er tusschen door. Toen de straat later verbreed is geworden, heeft men een stuk van het kerkhof moeten afnemen. Bij het optrekken van het oude hek – niet het tegenwoordige, dat nog onder leiding van den heer H. Navis, toen reeds presidentkerkvoogd, is geplaatst geworden – heeft men blijkbaar een scheiding tusschen de grafkelders doorgetrokken.

    De vraag is nu, of er niet meerdere van die zwakke plekken zijn. Onzes inziens is het ten zeerste gewenscht, dat hiernaar een onderzoek wordt ingesteld. De heer Navis deelde ons mede – de ouderen onder ons zullen het zich herinneren – dat de Kerkstraat vroeger ook veel smaller is geweest.

    Er was in dien tijd een deur aan die zijde van de kerk – vanuit het koor dus – terwijl een trap liep van de deur tot beneden op de straat. Bij de laatste restauratie van de kerk werd, met de twee zijdeuren bij den toren, ook deze deur weggenomen. Toen bleek, dat door het weggraven van den grond aan de straat een scheur in het gewelf van de kerk was ontstaan, werd een stuk muur van 3 kwart meter breed opgetrokken (op de plaats van de vroegere deur) en met ankers in den grond bevestigd, om verdere verzakkingen te voorkomen.

    Het is dus volstrekt niet onmogelijk, dat, waar het kerkhof zich op een tamelijken afstand van de kerk uitbreidde, er nog meerdere zwakke plekken in een of meer der straten rondom de kerk zich bevinden.

    Hedenmorgen in de vroegte zijn onder leiding van den gemeente-opzichter uit het graf de overblijfselen van kist en lijk bijeensteld. Het graf bleek 85 c.M. breed te zijn en 2.10 M. lang.

    Urnen met verbrande menschenbeenderen

    De Grondwet, 21 oktober 1884

    AALTEN, 25 Sept. Bij dit dorp, op een der hoogste punten van aaneengeschakeld bouwland, genaamd “den Esch”, vonden grintgravende werklieden onlangs, ter diepte van 2 meter, op de grintlaag en op tamelijk gelijke afstanden van elkaar, 3 met verbrande menschenbeenderen gevulde bruinaarden urnen in den vorm van vischkommen; van een dezer werden de scherven en beenderen verzameld en bewaard, terwijl de werklieden bij ontdekking van iets dergelijks zullen trachten het niet te schenden en te doen bewaren.

    Geraamten gevonden op ’t Blik

    Graafschapbode, 14 juli 1925

    AALTEN – Bij het grondwerk van een nieuw te bouwen woonhuis op het Blik zijn een 5-tal nog gave geraamten gevonden. Eenige oudere inwoners van Aalten, die het weer van hun vaders weten, zeggen dat hier in 1813 een troep Fransche- en een troep Duitsche soldaten doorgetrokken zijn, die hier geruimen tijd in de kerk gelegerd hebben.

    Een Duitsche kok, genaamd Hopio, die slecht kookte en met het eten knoeide, zou gedood zijn. De anderen hadden toen ’s morgens verteld: “Hopio ist kaput gemacht“. Ook andere soldaten, die toen van uitputting bezweken zijn, zijn op deze plaats begraven, zoodat er zeer waarschijnlijk nog meer geraamten zullen liggen.

    Geraamten van man en paarden

    Nieuwsblad van het Zuiden, 2 augustus 1929

    Te Aalten heeft men bij het maken van het grondwerk voor een te bouwen huis de geraamten gevonden van een man en twee paarden.

    Versteend menschenhoofd in Barlo

    Aaltensche Courant, 21 april 1939

    Gisteren werd door het personeel, werkzaam op de zandgraverij van den heer J.W. Loobeek, op een diepte van pl.m. 1,50 M, benevens eenige versteende andere lichaamsdeelen, een versteend menschenhoofd gevonden, waarin de vorm voor oogen, neus en mond goed zijn te onderscheiden.

    Urn gevonden

    Aaltensche Courant, 16 oktober 1945

    Bij het zandgraven nabij de „Domme Aanleg” op de Schaarsheide ontdekte de landbouwer J. Jansen een steenen pot vlak onder de heidezode. Voorzichtig werd het voorwerp te voorschijn gehaald en het bleek een urn te zijn, nog gedeeltelijk gevuld met lijkasch. Het is een vrij groote urn van het proto-Saksische type, zooals er reeds meerdere daar ter plaatse gevonden zijn.

    Enkele jaren geleden is hier ook reeds een onderzoek ingesteld door het Rijksmuseum van Oudheden. Het terrein is echter door de zandgraverij ernstig beschadigd, zoodat er wel niet veel meer te voorschijn zal komen.

    Pad tussen Oude Helenakerk en Elim

    Omstreeks 1955

    Hiernaast zien we de ’trepkes’ tussen de Oude Helenakerk en gebouw Elim. Dit pad is omstreeks 1955 afgegraven en verbreed. Tijdens het afgraven van de trepkes kwamen vele botresten tevoorschijn van oud-Aaltenaren die daar op het oude kerkhof waren begraven.

    Grafkelder in de Oude Helenakerk

    16 oktober 1973

    In 1973 ontdekte timmerman Henk Heijnen bij werkzaamheden in de Oude Helenakerk een grafkelder onder de vloer van het koor. Een buitenstaander had beweerd dat waar Heijnen aan het werk was de ‘laatste pastoor’ was begraven, tezamen met zijn gouden kelk. Daar moest Heijnen meer van weten en ontdekte op die plek inderdaad een grafkelder. De kelder bevatte echter geen gouden kelk, maar de kisten en resten van drie stoffelijke overschotten met op de muur initialen en jaartallen. Decennia later maakte Heijnen een replica van de grafkelder.

  • Oliecrisis

    Oliecrisis

    Eind 1973 was Nederland in de greep van de oliecrisis. De crisis werd veroorzaakt doordat een aantal Arabische olieproducerende landen de olieprijs met 70% verhoogden en de olieproductie verminderden, zodat de prijs per vat explosief steeg. De oliecrisis had wereldwijd grote invloed op de economie. In Nederland werd van november 1973 tot en met januari 1974 een aantal autoloze zondagen afgekondigd. De benzine werd bovendien gerantsoeneerd. Autobezitters kregen benzinebonnen die ze bij het tanken zouden moeten inleveren. (Bron: Wikipedia)

    “In de olie”

    De oliecrisis inspireerde enkele bewoners van de Keizersweg in Aalten om begin 1974, verkleed als oliesheiks, hun dorpsgenoten een gelukkig nieuwjaar te wensen. Uiteindelijk toog het gezelschap behoorlijk “in de olie”, vrolijk huiswaarts:

    Oliecrisis Aalten 1973
    Oliecrisis Aalten 1973
    Oliecrisis in Aalten, 1973
  • De grafkelder in de Oude Helenakerk in Aalten

    De grafkelder in de Oude Helenakerk in Aalten

    In 1973 stuitte timmerman Henk Heijnen tijdens restauratiewerkzaamheden in de Oude Helenakerk in Aalten op een grafkelder onder het koor, met daarin drie kisten met menselijke resten. De kelder werd op last van het kerkbestuur snel weer gesloten, maar voordat dat gebeurde was Heijnen er al ingeklommen en had alles nauwkeurig opgemeten en gefotografeerd. In 2019 voltooide Heijnen een houten replica van de grafkelder.

    De vondst in 1973

    Op 16 oktober 1973 was de destijds 23-jarige timmerman Henk Heijnen betrokken bij restauratie- en onderhoudswerkzaamheden aan de Oude Helenakerk. De vloer van het koor was verwijderd; er lag alleen nog zand. Tijdens deze werkzaamheden werd hij bezocht door Jan Tinnevelt van de Kattenberg. Die vroeg of ze soms op zoek waren naar de gouden kelk, die volgens overlevering samen met de laatste pastoor van de Oude Helenakerk begraven zou zijn. Zijn toenmalige baas werkte Tinnevelt naar buiten.

    Maar Tinnevelt was vasthoudend en kwam wel een keer of drie vaker vragen of ze al iets hadden gevonden. Dat deed Heijnen besluiten te gaan graven op de plek onder het koor die Tinnevelt had aangewezen. Al snel stuitte hij op een bakstenen gewelf. Samen met zijn baas sloeg hij met een voorhamer een gat in het gewelf. Heijnen maakte de opening groter totdat hij met behulp van een ladder in de ruimte kon afdalen. Beneden trof hij een grafkelder aan met drie kisten, deels vergaan. Van de overledenen waren alleen nog stof en haren over. Een gouden kelk vond hij niet…

    Opgemeten en weer gesloten

    Heijnen had, zoals altijd, een duimstok, timmermanspotlood en papier bij zich. Nog voordat de kelder weer werd afgesloten, mat hij de ruimte nauwkeurig op, noteerde de afmetingen en initialen, en maakte schetsen en foto’s van de grafkelder, de inscripties en de jaartallen. Op de wand van de grafkelder stonden de initialen IHW met het jaartal 1746, GWA met het jaartal 1815 en DR, zonder jaartal. Al deze aantekeningen en beelden heeft hij bewaard.

    Intussen had zijn werkgever de kerkenraad op de hoogte gebracht. Rond tien uur ’s avonds kwamen de leden van het kerkbestuur naar de kerk, samen met dominee Van der Heiden. Deze wees erop dat men niet in de grafkelder moest afdalen in verband met grafschennis. Omdat de restauratie buiten Monumentenzorg om werd uitgevoerd en men vreesde dat het werk stilgelegd zou worden, kreeg Heijnen strikte geheimhouding opgelegd. Op verzoek van het kerkbestuur moest hij het mangat zo spoedig mogelijk met beton dichten.

    Tijdens het dichtmaken van de opening kwam Jan Tinnevelt opnieuw de kerk binnen. Toen hij begreep wat er was gevonden, werd hij opnieuw vriendelijk verzocht de kerk te verlaten.

    In de week na de vondst werd begonnen met het aanleggen van de nieuwe natuurstenen vloer op het koor, waardoor de toegang tot de grafkelder definitief verdween. Alleen de aantekeningen van Heijnen en foto’s van zijn werkgever bleven als bron over. Korte tijd na de oplevering van het koor maakten landelijke nieuwszenders melding van de vondst van een grafkelder in de Oude Helenakerk; wie die informatie heeft doorgespeeld, is niet bekend.

    Onderzoek en replica

    De portretten van Lambert Joost van Hambroick en zijn vrouw Mechteld Anna Bentinck-Van Diepenheim, foto: Lydia ter Welle
    De portretten van Lambert Joost van Hambroick en zijn vrouw Mechteld Anna Bentinck-Van Diepenheim, foto: Lydia ter Welle

    Pas jaren later, tijdens een reis naar Israël met zijn vrouw, bezocht Henk Heijnen een grafkelder in Jeruzalem. Dat bracht hem op het idee om een replica te bouwen van de grafkelder in de Oude Helenakerk.

    Hij maakte nieuwe bouwtekeningen en kwam in contact met Herbert Welling uit Bocholt en Thaddeus van Eijck uit Bredevoort, beiden geïnteresseerd in cultureel erfgoed. Het klikte tussen dit driemanschap en gezamenlijk speurwerk bracht hen in contact met historicus J. Grooteboer uit Borne.

    Zij achterhaalden dat Lambert Joost von Hambroick en zijn vrouw Mechteld Anna Bentinck van Diepenheim nauw verbonden waren met de Helenakerk. In 1706 schonken zij aan de Aaltense kerk twee zilveren avondmaalsbekers, die later zijn teruggevonden in een kluis in de kerk.

    Wie lagen er in de grafkelder?

    Op basis van het onderzoek stelde men vast dat de volgende personen in de grafkelder waren begraven:

    • Judith Hambroick Welvelde († 1746)
      De band met de families Welvelde en Hambroick is in de kerk nog zichtbaar in het wapen van de Welveldes met daarin een wolfskop.
    • Gerharda Wilhelmina Arentsen (1777–1815)
      Zij had later de grafkelder gekocht. Ze was een dochter van de zuster van burgemeester Christiaan Caspar Stumph en kleindochter van Roelof Arentsen, scholte van De Ahof.
    • Ds. De Roy († 1762/1785)
      Over de initialen DR bestaat nog onduidelijkheid. Ze werden in verband gebracht met een dominee De Roy. In de tweede helft van de 18e eeuw waren er echter twee dominees van die naam: Philippus de Roy (1733–1762) en zijn zoon Adrianus Rudolphus de Roy (1762–1785). Welke van de twee mogelijk in de grafkelder begraven is, blijft vooralsnog onbekend.

    Voltooiing replica

    In 2019 voltooide Heijnen een houten replica van de grafkelder. Twee medewerkers van Broekhout maakten aan de hand van zijn tekeningen het geraamte exact na. Heijnen verzorgde zelf het schilderwerk, inclusief de initialen en andere details. De replica werd later voor het publiek tentoongesteld in het Helenahuis, tegenover de kerk aan de Landstraat.

    Thaddeus van Eijck maakte een film met de titel “Verscholen erfgoed in beeld”, waarin het hele traject rond de replica is vastgelegd: van de eerste aantekeningen en het onderzoek tot het vakmanschap waarmee de grafkelder is nagebouwd.

    Bij de presentatie van de replica in 2019 vertelde Heijnen dat hij nog steeds altijd zijn duimstok bij zich droeg, zelfs als hij op zondag in de kerk zat, en dat hij er zenuwachtig van werd als hij die niet bij zich had. Die gewoonte heeft geleid tot een bijzonder resultaat: een boekje, een film, de terugvondst van twee zilveren avondmaalsbekers en een vakkundig en nauwkeurig nagemaakte replica van de grafkelder in de Oude Helenakerk. Verborgen erfgoed, prachtig zichtbaar gemaakt.

    Een verslag van de presentatie van de replica van de grafkelder van de Oude Helenakerk op de Markt in Aalten. Video: RTV Slingeland / Henk Nijenhuis
  • Japanse televisie maakt opnamen in Aalten

    Japanse televisie maakt opnamen in Aalten

    Dagblad Tubantia, 7 september 1972

    Vandaag en morgen is een groep televisiemakers uit Japan in Aalten om daar opnamen te maken voor een aflevering in een serie van zeven films over Nederland, die voor de Japanse televisie zal worden uitgezonden. De groep is in dienst van de Tokio Broadcasting System en door bemiddeling van de streek-VVV Achterhoek uit Zutphen in Aalten terecht gekomen.

    De serie van zeven films over Nederland, die elk ’n kwartier in beslag nemen, is hoofdzakelijk in het westen van het land in de grote steden opgenomen. De Japanners wilden echter ook het leven op een boerderij elders in Nederland op de film vastleggen. Men herinnerde zich in landbouwkringen in Den Haag, waar de Japanners om advies vroegen, de actualiteit die van Aalten uitging destijds bij het bezoek van de minister van landbouw ir. P. J. Lardinois. De Japanners wilden ook geen specifiek rundvee- of varkensbedrijf maar het liefst een gemengd bedrijf waar zij de verschillende aspecten van het Nederlandse boerenleven in een klap konden registreren.

    Via de streek-VVV zijn zij verwezen naar Aalten naar de boerderij van de heer A.D.W. Houwers aan de Heijinkdijk. Na een eerste oriënterend gesprek, gistermiddag, zijn de Japanners vanmiddag met de opnamen begonnen, waarbij de familie Houwers werd verzocht de gewone dagelijkse gang te gaan en niets bijzonders in scène te zetten. Verder ligt het in de bedoeling dat de Japanse televisiemensen vanavond een bezoek brengen aan de gondelvaart in Bredevoort, waarbij tevens eventueel opnamen zullen worden gemaakt.