Inhoudstype: Verhaal

  • Naoberschap

    Naoberschap

    In het oosten van Nederland is het begrip naoberschap algemeen bekend. Dit fenomeen, dat ook wel burenplicht of burenhulp wordt genoemd, verwijst naar de traditie waarbij buren elkaar ondersteunen, zowel bij vreugdevolle als bij droevige gebeurtenissen.

    In 1874 beschreef J. ter Gouw, met medewerking van E.F. Avenarius, onderwijzer te Lintelo en Is. de Waal, voormalig predikant te Aalten, de gebruiken en plichten van het naoberschap zoals die destijds in Aalten gangbaar waren.1 Hieronder wordt het artikel weergegeven.

    N.B. In het oorspronkelijke artikel wordt naoberschap gespeld met oa. Omdat wij Old Aalten zijn en het artikel over Aalten gaat, hebben wij ervoor gekozen deze term aan te passen aan de WALD-spelling, met ao dus.2

    Ofschoon deze gebruiken nog in de gemeente Aalten in zwang gaan, behooren zij evenwel tot den ouden tijd. Zij zijn overblijfselen van de voorvaderlijke zeden, fragmenten slechts, die daar nog voortleven, maar mogelijk na weinig jaren ook al verdwijnen zullen.

    Nieuwbouw

    Bij het bouwen eener nieuwe woning gaat de toekomstige bewoner bij acht of twaalf der naaste buren en vraagt him of zij “naober” van hem willen worden. Meestentijds wordt dit aangenomen, daar eene weigering eene beleediging is, en het opzeggen der naoberschap tevens het afbreken van alle onderling verkeer is.

    Op de naobers rusten wederkeerige verpligtingen. Zoo is elk naober verpligt bij het bouwen eener woning de houten gebindten en den kap kosteloos te helpen oprigten. Des avonds zetten dan de naober-jongelui de meiboomen (een paar dennen) voor het huis, waarvoor de eigenaar hen trakteeren moet.

    Hierop volgt een zoogenaamd “rigtemaal” voor de naobers, die ook te dezer gelegenheid het nieuwe gebouw eenen naam geven, bij welken naam de bewoner verder almede genoemd, en veelal beter dan bij zijn familienaam gekend wordt.

    Eer de nieuwe woning betrokken wordt, komen de naobervrouwen, of hare dochters of dienstboden, met manden vol turf en hout aandragen, om het vuur “aan te bueten”, dat wil zeggen: aan te leggen. En als de nieuwe bewoner tot de behoeftigen behoort, dan wordt hem door zijne meergegoede naobers dikwijls zulk eene groote hoeveelheid brandstof gebragt, dat hij daar verscheidene maanden lang zijnen haard van voorzien kan.

    J. ter Gouw

    Huwelijk

    Zal een jongeling of jongedochter in ’t huwelijk treden, dan gaan de andere jongelui uit de naoberschap, voordat de tweede huwelijks-afkondiging plaats heeft, naar de bewoners, bij wie de jonggehuwden hunnen intrek zullen nemen, en vragen aan den bruidegom of de bruid, of zij mogen “mooi maken”. Dit mooi maken bestaat in het planten van vier hooge denneboomen voor de deur, die onderling verbonden worden met bogen, en omwonden met palm, en bestoken met vlaggetjes van gekleurd papier; terwijl in het midden een kroon gehangen wordt, die met geknipt papier omwonden en met vergulde eijeren vercierd is. In ’t binnenste van deze kroon hangt een houten duif, als het zinnebeeld der liefde, die netjes met goudpapier beplakt is.

    Deze bruiloftskroonen worden zeer in eere gehouden, en zoo lang mogelijk bewaard. Bij vele boeren kan men nog de kroonen zien, die bij huns grootvaders huwelijk zijn opgehangen.

    Het afhalen van den bruidegom of de bruid, om hen naar hunne bestemde woning te brengen, geschiedt ook door de naober-jongelui. De wagen is met groen vercierd, en dikwijls met vier paarden bespannen; de meisjes uit de naoberschap nemen daarop plaats, en onder het zingen of liever uitschreeuwen van: “Naar Oostenrijk willen wij varen, Schier over de heide, enz.”, begeven zij zich op weg.

    Is het, dat een bruidegom zijne bruid haalt, dan zit deze voor in den wagen, eene lange Goudsche pijp ‒ zoo mogelijk een staalpijp, door zijne naobermeisjes met rood, wit en blaauw zijden lint vercierd, te rooken. Nu is dat natuurlijk allang uit de mode; de bruigoms rooken nu sigaren of rooken niet. Maar in den pijpentijd moest een bruigom rooken. Ik heb er gezien, die werkelijk behoorden tot de niet-rookers, en evenwel op de bruidstranen en op de bruiloft met de bruigomspijp tusschen de tanden zitten, en nu en dan stoppen en aansteken moesten.

    Aan de woning der bruid gekomen, wordt aan de linkerzijde van zijnen hoed een bouquet van gekleurd en verguld papier vastgemaakt, zoodat menigeen hem dan voor een koetsier, met eene kokarde aan den hoed, zou aanzien. De bruid krijgt een dito bouquet op de linkerzijde der borst.

    Als er nu eerst wat brood en koffij gebruikt is, wordt de bruid door een naoberjongen en de bruidegom door een naobermeisje naar den wagen geleid, terwijl de andere naoberjongens de “bruidskoe” uit den stal halen en achter den wagen medevoeren. Zijn de ouders der bruid welgestelde lieden, dan nemen de naoberjongens de vrijheid, ook wat worst, spek, vleesch, kippen en meer van dien aard voor de jonggehuwden mede te nemen.

    Veelal is daags te voren reeds de kast der bruid, goed voorzien van rollen linnen, servet- en tafelgoed, benevens acht of twaalf stoelen, een spinnewiel en een haspel, naar de toekomstige woning gebragt.

    Is de bruidswagen daar aangekomen, dan brengen de naober-jongelui, niet alleen den avond, maar ook een groot gedeelte van den nacht, door met het drinken van “foesel” (jenever) en ’t uitschreeuwen van allerlei liedjes, want zingen kan men het niet noemen, en keeren dan eindelijk naar hunne woning terug, om den volgenden dag het veelvuldig gebruik van dien “pestdrank” zooals sommigen hem noemen met hoofdpijn en lusteloosheid te bezuren.

    Somtijds volgt de bruiloft of “broedlagt” weken, ja, maanden later, of wordt vereenigd met het kinderbier van ’t eerste spruitje.

    J. ter Gouw

    Overlijden

    Bij sterfgeval zijn de verpligtingen der naobers nog veelvuldiger. Zoodra er in een huisgezin iemand sterft, wordt hiervan aan een der naastbijgelegene naobers, indien er geen tegenwoordig is, kennis gegeven, en deze gaat onverwijld de geheele naoberschap rond, en daarna gaan de naobers te zamen naar het sterfhuis, om den doode te “verhennekleeden”, dat is: van zijne kleeren ontdoen en in ’t lijkgewaad hullen.

    ’s Anderendaags wordt de doode overluid, en moeten de naobers aan de familie, zelfs tot op een afstand van vijf uren, het overlijden bekend maken. Des avonds brengen twee of drie naobers de kist en leggen het lijk er in. Is de overledene aan eene besmettelijke ziekte gestorven, of geeft de onaangename reuk reeds ontbinding te kennen, dan wordt hem een glas “pestdrank” gegeven. Maar dit is dan ook de eenigste jenever, die in een sterfhuis wordt gebruikt.

    Van den dood tot de begrafenis beredderen de naobers alles. Zij moeten het zaad, voor ’t begrafenismaal benoodigd, naar den molen brengen, en alles wat er verder noodig is, bezorgen. De naobervrouwen moeten het meel ziften en brood bakken, en hierdoor heerscht er in het sterfhuis eene drukte, welke voor de nabestaanden hinderlijk is, die zich gaarne met den geliefden doode alleen zouden bevinden. Van die drukte kan men zich een denkbeeld maken, als men weet, dat op eene begrafenis of groeve wel meer dan honderd huisgezinnen genoodigd worden.

    (Bij een mijner boeren, die vrij welgesteld was, maar toch slechts eene kleine hoeve had, was zulks het geval, toen er, bij ’t overlijden zijner hoogbejaarde moeder, eene groeve aan huis was. Er werd bij die gelegenheid vier mud rogge verbakken, waaruit 75 brooden kwamen, en daar ’t brood voor vier man bestemd was, had men op driehonderd eters gerekend. Voorts was er ingeslagen: een volle Leidsche kaas en een bijna volle, te zamen 33 oude ponden; twaalf oude ponden koffij, en 5/4 oude ponden witte klontjes. Bij den brouwer werd een ton bier besteld, waarmee men echter rekende niet te kunnen volstaan. De luiders dronken voor drie gulden aan jenever.)

    Op den dag der begrafenis wordt des morgens om tien uren het lijk op “den deel” (den dorschvloer) gezet, en de kist zoover geopend, dat het gelaat van den doode zigtbaar is. De naobervrouwen schenken nu koffij en presenteeren brood aan de genoodigden, terwijl die naobervrouw, wier man het lijk naar de begraafplaats moet rijden, het voorregt heeft, de naaste familie te bedienen, en zoo heeft elke naobervrouw naar haren rang en stand hare bepaalde werkzaamheid.

    Nadat alle genoodigden, waarbij de naobers en de bewoners van het rot (de wijk) behooren, zich met brood en koffij verzadigd hebben, gaan allen naar den deel, om den afgestorvene voor ’t laatst te zien. Is er een predikant tegenwoordig, dan houdt deze bij de geopende lijkkist een toespraak; hij tracht de bedroefden te troosten, houdt allen het memento mori voor, en eindigt met een toepasselijk gebed.

    Nu wordt de kist achter op eenen wagen geplaatst, en gaan de twee naaste betrekkingen van den overledene op het voeteinde der kist zitten, daarnaast de twee daaraanvolgenden, en zoo voort totdat alle plaatsen bezet zijn. De vrouwen hebben een zwart regenkleed of folie over haar hoofd hangen, en weten, door zich hiermede geheel of gedeeltelijk te bedekken, haar verwantschap tot den overledene zeer nauwkeurig aan te duiden.

    De optogt naar het graf vormt eene lange, soms onafzienbare rij, daar niet slechts de betrekkingen, maar ook de naobers en zij, die tot het rot behooren, het lijk volgen, en bovendien, zoodra de lijkstoet het dorp nadert, ook velen van daar zich er bij aansluiten; zoodat niet zelden anderhalf honderd mannen, vrouwen en kinderen aan dien optogt deelnemen.

    Van ’t oogenblik af, dat de stoet in ’t gezigt van het dorp komt, totdat die de begraafplaats weer heeft verlaten, worden alle klokken geluid, en van het graf gaat het naar den brouwer, waar enkelen thee, maar de meesten bier drinken, en dit laatste in zeer ruime mate. Van den brouwer gaat het weer naar het sterfhuis terug; hier wordt dan andermaal brood en koffij gebruikt, en de plegtigheid is afgeloopen.

    Maar ’s anderendaags volgt er nog een kleine nabetrachting. Reeds met het krieken van den dag staan de armen voor de deur (vijftig of honderd soms), om ook nog “een spierken” van het sterfhuis te kunnen wegdragen. Men geeft hun de niet heel angstig uitgezifte zemelen van de verbruikte rogge en het overgeschoten brood.

    ’s Namiddags komen de naobervrouwen nogmaals aan het sterfhuis; zij gebruiken weer koffij en een boterham, en daarna zoekt elk hare geleende kopjes, schoteltjes, messen, enz. bij elkaar, en verwijdert zich met het gebruikelijke: “ik wunsch oe het beste.”

    Lintelo, E.F. Avenarius

    In het dorp

    Hetgeen door mijnen vriend Avenarius is medegedeeld, en waar ik een paar opmerkingen bijgevoegd heb, betreft bepaaldelijk de naoberschap bij de buitenlieden. In de kom der gemeente heeft men wel hetzelfde thema maar met eenige variatie.

    Bij ’t betrekken eener woning komt er spoedig van de naobers, die tot het huis (naar eenmaal gedane keuze) behooren, het aanbod om “een vuurtje te bueten”, d.i. aan te leggen. Dit aangenomen en het uur bepaald zijnde, zenden de naobers dochters of maagden (dienstboden) met brandstof “kluwen” of baggerturf de een, hout de ander en alles wordt aan den ledigen haard opgestapeld, als moest er zoo dadelijk de brand in gestoken worden. Wil men ’t eens regt mooi maken, dan gaat over alles heen een krans van gekleurd papier. Na dit “vuurtje-bueten” verwacht men al dadelijk een glaasje “foesel” (jenever), en is er nog iets bij, des te beter; daarna worden de naobers zelven “geneugd” (genoodigd), en krijgt men dientengevolge de hoofden der gezinnen op “een kupken koffij” met “kluntje,” krentenwigge, en ten slotte “foesel met soeker” (jenever met suiker).

    Ook na den afloop van bruiloft en begrafenis worden de naobers op gelijke wijze genoodigd, en dan zitten jood en christen, roomsch en on-roomsch, rijk en arm, vriend-broederlijk bij elkander; en zulk een avond laat genoegelijke herinneringen achter, terwijl men op nieuw zich gestemd gevoelt, om elkander over en weer al de diensten te bewijzen, die de naoberschapspligten voorschrijven.

    Binnen de plaats is het bij begrafenissen wel doorgaans niet op zoo groote schaal aangelegd als wij zooeven vernamen; maar toch is de vergadering somtijds zoo talrijk, dat de predikant, die bij ’t geen er gebruikt zal worden in den gebede voorgaat, zich weleens moet plaatsen tusschen twee ruime vertrekken, ten einde in beide verstaan te worden. ’t Gebeurt zelfs, dat er nog een derde kamer noodig is, waar de gasten het dan met eenige klanken uit de verte voor lief nemen moeten.

    Middelburg, Is. de Waal

  • Pioniers in Wisconsin – Walvoord

    Pioniers in Wisconsin – Walvoord

    Aaltense emigranten naar de VS

    In de 19e eeuw emigreerden duizenden Achterhoekers naar de Verenigde Staten, op zoek naar land, vrijheid en nieuwe kansen. Onder hen bevond zich de familie Walvoord. Zij behoorden tot de vroege Europese pioniers die hun heil zochten in de vruchtbare maar onontgonnen gebieden van Wisconsin.

    De familienaam Walvoort/Walvoord is afkomstig van havezathe ’t Walfort in Aalten. Scott Anthony Walvoord, woonachtig in de Verenigde Staten en nazaat van emigranten uit de Achterhoek, heeft jarenlang onderzoek gedaan naar zijn ‘roots’. Op zijn website heeft hij een enorme hoeveelheid informatie verzameld over de families Walvoort/Walvoord, in Nederland en de VS.

    Onderstaande informatie is merendeels afkomstig van Scott Walvoord’s website.

    Voorouders van ‘The Founding Five’

    Scott heeft vijf takken van de familie Walvoort weten te onderscheiden die naar Amerika zijn geëmigreerd. Hij noemt deze de ‘Founding Five’. Zij zijn allen kleinzonen van Derk en Janna Walvoort, drie broers en twee van hun neven. De meeste Walvoords en Walvoorts die tegenwoordig in Amerika wonen stammen af van deze ‘Founding Five’.

    Salomon Walvoord (Winterswijk, 21 april 1778) trouwde in 1801 met Maria Elisabeth Klumpenhouwer (Dinxperlo, 21 juni 1781). Zij gingen wonen op boerderij Gantvoort in Barlo en kregen daar tien kinderen. Maria overleed op 6 januari 1840 op 58-jarige leeftijd. Salomon verhuisde daarop met zijn jongste dochter, Janna Diena (1825) naar de naastgelegen boerderij Leeland. Op 1 mei 1846 verhuisde Salomon opnieuw, hij trok in bij zijn oudste zoon Hendrik (1802) die op een boerderij in Vragender woonde. Daar overleed hij op 8 juni 1848 op 70-jarige leeftijd.

    Walfortlaan, Aalten
    Walfortlaan, Aalten (foto: Google Streetview)
    Walvoord Road, Oostburg, Sheboygan
    Walvoord Road, Sheboygan (foto: Google Streetview)

    Hendrik Walvoord (1802-1865)

    Hendrik (Aalten, 21-03-1802) was als jonge man lang, donker en slank. Hij trouwde drie keer, waarvan tweemaal met zusjes, dochters van Garrit Doornink en Dersken Wesselink. Zijn eerste huwelijk was met Teunisken Doornink (Vragender, 16-02-1800). Zij trouwden in 1824 en hij trok bij zijn schoonouders in. Samen kregen zij twee kinderen, Gerrit Jan (Vragender, 22 januari 1826) en Derk Antoni (Vragender, 24 juli 1827). Derk Antoni stierf op 24 januari 1828, zes maanden oud. Vijf maanden later overleed Teunisken op 22 juni 1828, nog maar 27 jaar oud.

    Hendriks oudste zoon Gerrit Jan werd in dezelfde wieg gewiegd als Hendriks jongste zus, Janna Diena (Gerrit Jan’s tante, slechts één jaar eerder geboren).

    Hendrik hertrouwde op 24 juli 1829 met Teuniskens zus, Johanna Berendina Doornink (1806). Samen kregen ze een zoon, Antoni (Tonie) (Vragender, 29 april 1830). Maar Tonie stierf op 23 januari 1833 op tweejarige leeftijd, terwijl hij bij zijn opa en oma in Barlo (boerderij Gantvoort) verbleef. Wellicht hadden zij Tonie tijdelijk opgevangen vanwege het overlijden van zijn moeder, tien dagen eerder, op 13 januari 1833 in Vragender, op de leeftijd van slechts 26 jaar.

    Hendrik’s derde huwelijk vond plaats op 4 mei 1833 met Johanna Berendina Walvoord (1816). Zij was een dochter van Antonij Walvoord en Willemina Geertruid Konings. Hendrik en Johanna kregen samen twee dochters, Johanna Wilhelmina (1834) en Theodora Maria (1835). Theodora overleed op vijfjarige leeftijd op 29 november 1840. Moeder Johanna overleed op 27 juli 1839 in Vragender, 27 jaar oud.

    Emigratie naar Amerika

    Na de dood van zijn ouders verliet Hendrik Walvoord, driemaal weduwnaar, Nederland in 1849 voor Amerika. Hij had wat investeringen gedaan met zijn erfenis voordat hij de Atlantische Oceaan overstak en had zesduizend dollar bij zich.

    Hendriks neef Gerrit Jan Walvoord (Lichtenvoorde, 1816), niet te verwarren met Hendriks gelijknamige zoon, nam de familieboerderij in Vragender over. Later, in 1870, emigreerde Gerrit Jan ook met zijn gezin naar Amerika waar hij zich bij zijn zoon Toni Willem (William) Walvoord (Lintelo, 1843) in Nebraska voegde. William was zijn vader voorgegaan en had enthousiaste berichten teruggestuurd van overvloedig prairieland.

    Hendrik vertrok met zijn jongste zus, de 24-jarige Janna Diena Walvoord, op het zeilschip Hector van Rotterdam naar New York en arriveerde op 16 september. In Amerika voegde hij zich bij zijn zoon Gerrit Jan in Pittsburgh, Pennsylvania. Gerrit Jan was zijn vader en zus een paar jaar eerder voorgegaan. Onmiddellijk daarna verhuisde de hele familie naar Holland, Sheboygan County in Wisconsin, waar Hendrik 65 hectare bebost land kocht en begon met de ontwikkeling van een boerderij, die hij van tijd tot tijd uitbreidde. Kort na aankomst in de VS, verwierf hij 49 aandelen in de Holland Trading Company, die zich bezighield met de handel en het transport van hout.

    Na zijn komst naar Wisconsin verkocht Hendrik percelen land aan nieuwe immigranten in een regio die hij Amsterdam had genoemd. Het zou even duren voordat de autoriteiten deze naam officieel erkenden. Elk perceel dat hij verkocht had uitzicht op Lake Michigan. Hendrik werd ook bekend als houthandelaar. Hij had een aanlegsteiger nodig voor boten, die het hout kwamen ophalen. Hij huurde een baggerschip van de regering en baggerde een kleine haven van twee meter diep uit. Daar wachtten stapels hout op boten.

    Elke dag verlieten twee of drie schepen de aanlegsteiger, geladen met hout. Er lagen gewoonlijk vier of vijf schepen tegelijk in de baai. Zeven of acht teams met mannen sleepten het hout naar de pier (aldus Tony Walvoord, 80+ jaar oud, die dit alles vertelde aan Louise Walvoord). Hoewel de oorspronkelijke pier is verdwenen, zijn de houten palen van Walvoords pier nog steeds zichtbaar. Hendrik bezat niet alleen aandelen in het houtbedrijf en de aanlegsteiger, hij had ook een winkel en grote stukken grond gekocht in de buurt van Amsterdam.

    Hendrik Walvoord was in 1853 medeoprichter van de Presbyteriaanse kerk in Cedar Grove en diende jarenlang als ouderling. Op 17 maart 1855 werd Hendrik Amerikaans staatsburger. Twee dagen later deed zijn zoon Gerrit Jan hetzelfde.

    Op 11 juli 1856 verloor Hendrik zijn enige zoon Gerrit Jan, die op dertigjarige leeftijd verdronk in Lake Michigan. Hendrik kocht een perceel grond voor een begraafplaats die nu in het dorp Cedar Grove ligt (Walvoord Cemetery) en begroef daar zijn zoon.

    Hendrik Walvoord stierf op 21 december 1865. Na zijn dood werd zijn land geërfd door de kinderen van Gerrit Jan (Henry, Jane, Mary, Tonia en Delia). Henry, zijn kleinzoon, erfde 32 hectare en de kleindochters erfden elk 16 hectare. Bovendien kreeg Henry alle roerende goederen van zijn grootvader, namelijk: paarden, runderen, wagens en meubels. De vier kleindochters kregen elk 15 dollar voor een koe en nog eens 300 dollar toen ze eenentwintig werden. Toen hij eenentwintig werd, ontving Henry de rest van het bezit van zijn grootvader (hypotheken, bankbiljetten, effecten, kredieten en geld). Toen Tonia stierf, kocht haar broer Henry haar land.

    Gerrit Jan Walvoord (1826-1856)

    Gerrit Jan Walvoord (Vragender, 22 januari 1826) was kwiek en slim, een man van snelle actie. Hij was lang en slank, had zwart haar en zag er goed uit. Op twintigjarige leeftijd verliet hij zijn geboorteland om zijn fortuin te zoeken in de Nieuwe Wereld. Zijn vader, Hendrik, zou hem later volgen. Gerrit Jan is mogelijk met het schip Garrone van Rotterdam naar Baltimore gevaren. Hij vestigde zich eerst in Pittsburgh, Pennsylvania, waar hij boerde en ook in de kolenmijnen werkte. Daar trouwde hij in 1846 met een Duits meisje, Anna Maria Engel Nolten, die met haar broer naar Amerika was geëmigreerd.

    Hun oudste zoon, Henry, werd in 1847 in Pittsburgh geboren. Toen Henry ongeveer twee jaar oud was, in de herfst van 1849, verhuisde het gezin Walvoord naar Sheboygan County, Wisconsin. Zij vestigden zich in de kleine nederzetting Amsterdam aan Lake Michigan, ten zuidoosten van het dorp Cedar Grove. Daar hadden de Walvoords een winkel en verscheepten ze hout vanaf de pier.

    Gerrit Jan Walvoord mocht niet lang genieten van zijn nieuwe woning. Terwijl hij hout aan het meten was op bovengenoemde pier, verdronk hij per ongeluk, dertig jaar oud. Niemand heeft het ongeval gezien. Hij is gevonden in het water. Volgens één verhaal hoorde Gerrit Jan een schip aankomen terwijl hij aan het eten was. Hij sprong van de tafel, rende naar de haven, klom over het hout op de pier en verloor zijn evenwicht. Hij viel in het water, dat erg koud was, en hoewel hij een goede zwemmer was, hield het hout dat ook in het water was gegleden hem beneden en hij verdronk. Gerrit Jan stierf in Lake Michigan op 11 juli 1856 en werd begraven in Walvoord Cemetery.

    Bij zijn overlijden liet Gerrit Jan een gezin met vijf kinderen achter. Zoon Henry was acht op het moment van het ongeval. De dochters van Gerrit Jan waren Jane, Mary, Tonia en Delia. Delia, de jongste, was pas drie maanden oud toen haar vader stierf. Spoedig daarna zou de zaak aan de pier de familie Walvoord nog meer leed bezorgen. In januari 1857 brandden de winkel en woning af en verloor de familie het grootste deel van hun bezittingen en bijna alles wat ze daar hadden geïnvesteerd.

    De oudere Hendrik Walvoord had geld en kocht wat land. Zowel zijn gezin als het gezin van Gerrit Jan verhuisden naar een boerderij in de buurt van Amsterdam. Het huis was gebouwd voor de twee gezinnen en zij hebben daar enige tijd samen gewoond. Henry Walvoord (zoon van Gerrit Jan) is daar getrouwd.

    Janna Diena Walvoord (1825-1894)

    Janna Diena (Jane) Walvoord (Barlo, 27 juni 1825) was de jongste zus van Hendrik Walvoord. Jane kwam in 1849 met haar broer Hendrik naar Amerika. Nadat ze in Amerika was aangekomen, trouwde ze met een man die ook Walvoord heette: Derk Antonij (Dirk Tony) Walvoord (Lichtenvoorde, 1820). Jane overleed op 8 oktober 1894 in Holland, Sheboygan. Jane en Dirk Tony kregen drie zonen: Garrett, Tony en William.

    Garrett trouwde in 1886 met Delia Huenink en kreeg zes kinderen: Jennie, Minnie, Anna, Elmer, Alice en Della. Tony trouwde in 1886 met Janna Pot en kreeg vier kinderen: Antoinette, Mabel, Agnes en Alvin. Tony’s tweede huwelijk in 1900 met Sarah Hilbelink bracht geen kinderen voort. William trouwde in 1892 met Jennie Flipse, een oudere zus van Mary Flipse die later trouwde met een verre neef van William, John Garrett Walvoord. William en Jennie kregen vijf kinderen: Louis, Clarence, Marion, Esther en Harvey.

    Walvoord Cemetery

    Op 11 juli 1856 verloor Hendrik Walvoord (1802-1865) zijn enige zoon Gerrit Jan, die op dertigjarige leeftijd was verdronken in het Michiganmeer. Hendrik reserveerde in zijn testament een acre grond (ongeveer 0,4 hectare) voor een familiebegraafplaats in sectie 26 van Holland Township. Zoals vermeld in het testament:

    “Ten eerste, geef en legateer ik aan de kinderen van mijn zoon Gerrit Jan Walvoord (overleden) en aan hun kinderen die mogelijk geboren worden en hun kleinkinderen, achterkleinkinderen, met één woord aan het nageslacht van de genoemde kinderen van mijn zoon Gerrit Jan Walvoord (overleden), een acre land liggend en zich bevindende in de County Sheboygan en de Staat Wisconsin, bekend en beschreven als volgt te weten: …” (vervolgens wordt de exacte locatie beschreven).

    Dus volgens Hendriks testament kon elke afstammeling van Gerrit Jan Walvoord (“tot in het nageslacht”) op dit familieperceel worden begraven. Na verloop van tijd werd de Walvoord Cemetery omringd door Cedar Grove naarmate het dorp groeide. Tegenwoordig ligt de begraafplaats in het centrum van Cedar Grove aan Main Street.

  • Aalten in Oorlogstijd

    Aalten in Oorlogstijd

    In april 1939 wordt in Aalten een grenswachtdetachement gelegerd van 36 man, ondergebracht in boerderijen. Met zand gevulde buizen worden her en der als obstakels geplaatst. Rond 1 september, aan het begin van de Tweede Wereldoorlog, vertrekken enige honderden Aaltenaren per trein naar de diverse garnizoensplaatsen. Op 9 mei 1940 is de gemeentearchitect opgedragen op meerdere wegen versperringen aan te brengen.

    10 mei denderden Duitse legereenheden Aalten binnen. De rond boerderijen opgestelde soldaten bieden geen weerstand. Enkele dagen later ziet men Nederlandse krijgsgevangenen in open vrachtwagens naar Duitsland afgevoerd worden. Vier Aaltenaren sneuvelen bij de Grebbeberg. Een groep van vijfhonderd teruggekeerde krijgsgevangenen wordt enthousiast in het feestgebouw onthaald en reist dan weer verder met de trein.

    Tweehonderdvijftig Rotterdamse kinderen hebben hier in de zomermaanden gelogeerd. Zo ook in 1941. Heel wat (jonge) mensen gaan in Duitsland werken want dat verdient goed. Er is al heel wat op de bon. De voedselproductie komt onder controle, waarvoor Aalten in drie districten wordt ingedeeld, elk onder een plaatselijke bureauhouder.

    Onderduikers

    In de zomer van 1942 komen in Aalten de eerste onderduikers om zich te onttrekken aan de Arbeidseinsatz. Nog kort tevoren laat de eerste groep werknemers van Dutch Button Works te Bredevoort zich keurig in het pak fotograferen met het oog op de tewerkstelling in Duitsland. Van textielfabriek Driessen wordt ook een groep ingezet.

    Omstreeks vijfhonderd Scheveningse evacués vinden hier in januari 1943 onderdak. Zij behoren bijna allemaal tot de gereformeerde kerk. In Winterswijk zijn dat er achthonderd, allemaal hervormden. Eens in de drie weken vertoeft hier een Scheveningse predikant die dan ook voorgaat in een kerkdienst.

    Gijzelaars

    De Duitsers voeren de druk steeds meer op om mannen aan het graven te zetten. Het meest intimiderende was op 18 oktober het vastzetten van 12 gijzelaars. De volgende dag vertrekken 550 mannen naar Zevenaar. Tien dagen later worden nog eens zeven mannen gegijzeld en melden zich 250 personen. De predikanten en R.K geestelijken hadden een oproep gedaan ‘barmhartigheid en naastenliefde te betonen ten aanzien van hen die in direct levensgevaar verkeren’.

    Per circulaire dringt een representatieve groep gemeentenaren aan op een regeling van aflossing. Die komt er. Voortdurend zal een predikant in Zevenaar erbij zijn tot steun en geestelijke verzorging. Maar er gaat ook een clandestien stencil rond met de oproep zich af te vragen ‘of het verantwoord is mede te werken aan verdedigingswerken van de vijand, waardoor straks veel meer dan elf mensenlevens (….) zullen sneuvelen.’

    De laatste maanden

    Enkele momenten uit de laatste drie donkere maanden: Individuele etenhalers blijven komen maar ook weet een comité ‘Hulp aan het Westen’ een paar karrevrachten vooral graan bijeen te brengen. Het lukt dokter Der Weduwen zieke mensen uit kamp Rees naar het noodziekenhuis in Avondvrede aan de Hogestraat over te brengen. Zware gevallen gaan naar het in het jongensinternaat in Harreveld ingerichte ziekenhuis. Der Weduwen komt om als zijn auto vanuit de lucht beschoten wordt.

    Er vallen doden bij bombardementen op de R.K. kerk en pastorie, op boerderijen tussen Grevinkweg en Elshoekweg, op de hoek Prinsenstraat/Bredevoortsestraatweg en op 24 maart het hevigst bij een bombardement gericht op de textielfabriek Gebr. Driessen en de Aaltense Tricotagefabriek, achttien doden. De materiële schade is elke keer groot.

    Er speelt zich een drama af rond een verzetsgroep dat zich schuilhoudt in de verlaten boerderij ‘De Bark‘. Dicht daarbij in ‘Somsenhuus‘ worden Duitsers ingekwartierd terwijl daar zeven geallieerde piloten zijn ondergedoken. Het totale aantal militairen in deze tijd in Aalten schat men op ca. vierduizend.

    Bevrijding

    In de laatste dagen van maart is duidelijk dat de ontknoping nabij is. Hoe hard zal er worden gevochten? Velen verlaten het dorp, anderen zoeken bescherming in hun schuilkelder. Er zwerven nog Duitse soldaten rond. Dan rollen op Goede Vrijdag 30 maart ’s morgens vroeg nota bene vanuit Duitsland de Engelse tanks Aalten binnen. Hier en daar bieden Duitsers nog hevige tegenstand. Tien Britten sneuvelen op die dag, in Barlo komen zeven personen om bij een granaatinslag in een schuilkelder. Droefenis en blijdschap, Aalten is bevrijd.

    Meer informatie


  • Oud & Nieuw

    Oud & Nieuw

    In 1937 beschreef G.H. Rots in een serie artikelen hoe het er in vroeger tijden in Aalten aan toeging. Zo schreef hij over Oud en Nieuw:

    “Zoo tegen ’t einde van het jaar kon men twee mannen met een grooten ‘armskorf’ zien loopen, die huis in huis uit gingen in ’t dorp. ’t Waren de nachtwachts die almanakken verkochten. Zonder almanak, vooral de Zutphensche almanak, was geen één huisgezin. De nachtwachts stelden bij die aanbieding en verkoop der almanakken de ingezetenen meteen in de gelegenheid een ongevraagde bijdrage te geven voor de bewaking hunner eigendommen des nachts. Naarmate de draagkracht der ingezetenen werd genoemde lectuur boven den prijs betaald.”

    Oudejaarsavond

    “Dan kwam de Oudejaarsavond. De café’s hadden tot één uur ’s nachts verlof. De overgang van ’t oude in ’t nieuwe jaar werd dan gevierd in genoemde lokalen, hoofdzakelijk door de jongelingschap. Als de klok haar twaalf slagen had laten hooren, begonnen de nachtwachts hun nieuwjaarswensch uit te spreken. Men begon bij den gemeente-secretaris. Gezongen werd daarbij een lied. De rondgang werd zoo gemaakt bij enkele notabelen en caféhouders. Het behoeft geen betoog dat de nachtwachts door een groote groep nieuwsgierigen gevolgd werden, die ijverig meezongen… en men had gratis drinken.”

    En nu het lied, dat de Nachtwacht op Oudejaarsavond met hun aanhang zongen:

    Het oude jaar is nu voorbij,
    Het nieuw’ is aangekomen.
    Dus wensch ik U van harte blij,
    En U, en alle vromen:
    Een nieuwen geest in ’t nieuwe jaar
    En een vroom leven met elkaar,
    Zoo laat ons God hier loven.

    Hoe menig zijn het vorig jaar
    Gezond met ons begonnen,
    Die hebben door den dood voorwaar
    Hun leefdraad afgesponnen.
    Die leven inde eeuwigheid,
    Ons is het leven nog bereid,
    Dus laat ons God nu loven.

    ’t Is God die ’t licht heeft voortgebracht,
    Die zon en maan doet rijzen,
    Om ons ’t verloop van dag en nacht,
    En maand en jaar te wijzen.
    Laat ons voor ’t afgeloopen jaar
    Met dank den Opperzegenaar,
    Den God der eeuwen prijzen.

    Gelukzaolig Niejaor, Piet te Lintum
    Tekening: Piet te Lintum

    De beide eerste coupletten was eigen maaksel. Het derde is uit de Evangelische gezangen no. 159 vers 1. Vers 3 van dat gezang werd ook wel eens gezongen.

    Men kan zich voorstellen dat dit nieuwjaarswenschen in den Oudejaarsnacht wel eenigen tijd in beslag nam, en de ernst er van zal, vooral wanneer men aan ’t eind van den rondgang kwam, wel verloren zijn geweest, temeer daar het geluid van geestrijk vocht de hoofdrol speelde. Maar bij ouden van dagen gaat de herinnering aan deze gebeurtenis niet verloren. En vooral bij de lezing van deze artikelen worden de oude voorvallen nog eens weer opgehaald en besproken, en menigeen denkt met weemoed terug aan de dagen van weleer, en ze herinneren zich, als ze in slapelooze nachten, of wanneer bij ziekte en ongeval gewaakt moest worden en het stil was in de huiskamer, den eentonigen stap van den man, die Aalten’s straten doorkruiste: “Heur, doar he’j de nachtwacht!”

    “Op den nieuwsjaarsdag was de jeugd weer in actie. Zij en de armere menschen gingen huis aan huis nieuwjaar wenschen. Men kan zich begrijpen dat de bevolking blij was dat het middag was, dan gold het niet meer. De schaduwzijde van dit alles was dat koning alcohol op die dagen zijn scepter zwaaide. In de talrijke café’s en kroegjes werd aan dien vorst druk geofferd. De jenever was goedkoop. In Aalten waren eenige jeneverstokerijen of branderijen. Een 4tal van die branderijen weet men te noemen. Geen wonder dus dat bij schier alle gelegenheden het gebruik van sterken drank overheerschend was.”

    Carbidschieten

    In delen van Oost-Nederland, inclusief Aalten, is het traditie om op oudejaarsdag carbid te schieten. Men plaatst een kleine hoeveelheid carbid (calciumcarbide) in een melkbus, verfblik of aangepaste gasfles, voegt water of speeksel toe, en sluit de bus af met een (plastic) bal. Er vormt zich ethyngas en na ongeveer 30 seconden wachten ontsteekt men het gas door een klein zundgat (of met een bougie). Het gas ontploft met een dreunende knal, waarbij de bal uit de bus schiet en tientallen meters verderop terecht kan komen.

    De geschiedenis van het carbidschieten is niet goed bekend. De traditie voert mogelijk terug tot de Germaanse joelfeesten. In de 19e eeuw bestond zowel op het platteland als in de stad het gebruik om op bijzondere dagen kabaal te maken. Waarschijnlijk is daaruit het carbidschieten ontstaan.

    Voordat acetyleengas in flessen verkrijgbaar was, gebruikten de meeste dorpssmeden carbid om te lassen. Er was dus eenvoudig aan te komen.

    Ni-jjaor winnen

    Artikel ADW door Evert M. Smilda

    Oudejaarsdag, een dag als andere dagen. Maar toch, rond vier uur in de middag worden velen onrustig. Straks gaat het gebeuren. Niet één dag in het jaar dat wij zo vaak op de klok kijken. Buiten, in de schemering, ruiken wij in de ijle winterlucht het bakken van oliebollen. Bij de kinderen, zo tussen de vier en twaalf jaar oud, is enige spanning te bespeuren. Morgen is het zover. Dan gaan ze ‘ni-jjaor winnen’.

    Nieuwjaar afwinnen met als dank wat lekkers is al een heel oud gebruik waarvan de oorsprong moeilijk is te achterhalen. In onze omgeving komt het voor in de voormalige Heerlijkheid Bredevoort, maar niet in de rooms-katholieke enclave Lichtenvoorde-Groenlo. Mogelijk heeft het te maken met religie en wat daar omheen gebeurt.

    Ver voor de Reformatie was 11 november een belangrijke dag, Sint Maarten. Volgens een legende stond hij de helft van zijn rode mantel af aan een bedelaar. Hij was de schutspatroon van onder anderen Utrecht. Het wapen van die stad is een rood-wit gedeeld schild. Rood van zijn mantel en wit van zijn ondergoed nadat hij met zijn zwaard een deel van zijn mantel had afgesneden. Dit gebaar heeft de volksverbeelding sterk aangesproken. Als volksheilige werd hij vereerd en voorgesteld als een ruiter op een wit paard. Niet alleen in het aangrenzende Duitsland maar ook in het zuiden van ons land, in Noord-Holland, in Groningen en Friesland. Op zijn naamdag trok een namaaksint op een wit paard in een lichtjesoptocht door dorpen en steden. Hij deelde lekkernijen uit. In Bocholt, hier direct over de grens, was in 1988, maar ook later, een grote lichtjesoptocht door een volkomen verduisterde stad. Een sprookjesachtig gezicht. Op de Markt aangekomen stond hij daar, op een wit paard, voor het prachtige raadhuis in het volle licht van schijnwerpers. Een martiale verschijning. Alle kinderen mochten voor hem langs lopen en een zak snoep in ontvangst nemen.

    Het is niet denkbeeldig dat men na de Reformatie af wilde van heiligenvereringen. Een Sint was uit. Op een vergadering van de classis Zutphen in 1668 kwam veel ter sprake. Men wilde af van het vogelschieten, ganzentrekken, boksebier en andere onregelmatigheden. Het heette bijgeloof, ook wel ‘paapse stoutigheden’ genoemd. Mogelijk heeft er een verschuiving plaatsgevonden van 11 november naar 1 januari om kinderen en de behoeftigen niet te vergeten. Misschien ook wel doordat Nieuwjaar nogal eens op de kalender is verhuisd. Dergelijke verschuivingen vonden vaker plaats. Trouwens, Sint Maarten was zelf al in de plaats getreden van een oud Germaans herfstfeest met dankoffers voor de oogst aan Wodan.

    Bij het verschuiven moest wel rekening worden gehouden met andere, bijzondere dagen. Sint-Nicolaas was geen optie. Mogelijk is men zo op 1 januari gekomen. Het is een veronderstelling, maar niet denkbeeldig. Met Sint Nicolaas zat men in die tijd trouwens ook de maag. De Calvinistische predikanten wensten hiermee grondig af te rekenen. Dat lukte maar niet. Ook het vogelschieten bleef doorgaan.

    Oorspronkelijk gingen op het platteland de arbeiders naar de boer en boerin, hun werkgevers, om ze een gelukkig nieuwjaar te wensen. Het geloof in voortekenen was groot. Was de persoon die de wens kwam uitspreken een vrouw of meisje, dan was men verzekerd van een vruchtbaar jaar met veel koe-kalveren. Het leek haast een wedstrijd wie als eerste de goede wensen zou uitspreken. Dat is het nu nog wel. Men geloofde stellig in de gedachte dat het gewenste geluk zou terugkeren bij degene die als eerste de wens uitsprak. Dat werd wel beloond.

    In tijden van grote armoede, die waren er veel, kon het gebeuren dat etenswaren werden meegegeven. Bekend is dat in de tijd van aardappelschaarste men enkele aardappelen gaf. Deze werden dan in een dichtgeknoopte rode zakdoek meegenomen naar huis. In de vorige eeuw gingen kinderen in groepjes de buurt in om ‘ni-jjaor te winnen’. Na het uitspreken van de goede wensen werden rode zakdoeken op de stoelen in de keuken uitgespreid en kwamen allerhande lekkernijen tevoorschijn. Apenootjes, een pöfferken, opzettertjes, schuimpjes, vijgen, een oliebol of krentenbroodje en een appel. In de loop der jaren zijn veel gebruiken verdwenen maar het ‘ni-jjaor winnen’ is in onze grensstreek gebleven.

    Het heeft zich wel aangepast aan de tijd. Geen rode zakdoeken op stoelen met biezen matten uitgespreid. Tussen 1950 en 1980 heeft plastic de wereld veroverd. De rode zakdoeken hebben plaatsgemaakt voor goed gevulde plastic zakken. Soms klaargemaakt door zakenlieden of liefdadigheidsinstellingen.

    Tegenwoordig neemt het vuurwerk op oudejaarsavond een belangrijke plaats in. Vijfentwintig jaren terug was nieuwjaarsdag belangrijker. Op de eerste dag van het nieuwe jaar moest het gebeuren. Spanning bij de kinderen. Eerst naar de buren. Wat een overvloed als ze daar wel dertig of meer zakken in de keuken op het aanrecht zagen liggen. Na het uitspreken van de goede wensen gingen de handen haast vanzelf omhoog om de ‘toete’ aan te pakken.

    Al wat grotere jongens pakten de fiets en jakkerden van de een naar de ander. Vroeger met een schoenendoos onder de snelbinder, later met een plastic tas aan het stuur. Zij kregen wel de boodschap mee om de mensen goed aan te kijken en het netjes te zeggen maar veel tijd om te praten gunden zij zich niet. Het was alsof zij aanvoelden dat het wel eens de laatste keer kon zijn. Eenmaal thuis werd de oogst gesorteerd. Het werd in porties bij elkaar gelegd. Je misselijk eten had je onderweg moeten doen. Moeder begon er ook al in te grabbelen. Koekjes gingen in een trommel en snoepgoed in een blik. Je kon er wel een maand van snoepen. Het leek wel of die verscheidenheid een groot aantal wensen symboliseerde.

    In onze tijd is het afgelopen met de pret als de kinderen in de brugklas zitten. Hooguit roepen zij in het langsfietsen: ‘Gelukkeg ni-jjaor, he-j de toeten al klaor?’

  • Krantenknipsels emigratie Aalten-Canada

    Krantenknipsels emigratie Aalten-Canada

    Na WO2 emigreerden enkele honderden Aaltenaren naar Canada. Hier vind je een aantal krantenknipsels over dit onderwerp, waaronder advertenties van emigranten die afscheid namen van hun geliefden in Nederland.

  • Huisslacht

    Huisslacht

    In vroeger tijden was november de tijd wanneer er geslacht moest worden. Het slachten gebeurde destijds nog niet op slachthuizen, maar gewoon bij de boer op het erf. Het werd meestal uitbesteed aan een ‘huisslachter’ een slager die aan huis slachtte. Over de huisslacht in Aalten en de gebruiken eromheen schreef G.H. Rots in 1937 het volgende:

    “De drukste en gewichtigste dagen van het jaar waren wanneer er geslacht moest worden. Als November in ’t land kwam, dan kwam de slachtperiode. De „wieme was lèug”, en in ieder huisgezin dacht men er over één of meer varkens of een „beestjen” te slachten. De huisslachters hadden handen vol werk.

    Als er morgens geslacht was, kwamen zoo tegen half twaalf de „vetpriezers”. Dan werd er door de buren gekeurd of de „nierkes wal onder ’t vet zatten”. De dikte van ’t spek werd getaxeerd, en eindelijk kwam de vrouwe met de „flessche”, want geheelonthouders kende men vroeger niet. Op de slachtdagen zorgde men dat men wat „in de flessche” had. De slachters kregen ’s morgens den eersten „borrel”, ’s middags de vetpriezers en ’s avonds kwam het groote feest: de slachtvisite.”

    Hoe het slachten in zijn werk ging

    In de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw was het nog toegestaan om zelf aan huis te slachten. Een fornuispot met flink wat water werd aan de kook gebracht. Het varken werd gedood met behulp van een schietmasker, dat een pin in zijn kop schoot. Het varken raakte bewusteloos. De keel van het dier werd vervolgens doorgesneden en het bloed werd opgevangen in een speciale platte pan.

    Het varken werd schoongemaakt en met kokend water overgoten, zodat de haren gemakkelijker verwijderd konden worden, het zogenaamde ‘krabben’ van het varken. Het dier werd vervolgens aan een ‘leere’ opgehangen en opengesneden.

    In een grote teil werden de ingewanden opgevangen. De darmen werden schoongemaakt. Eerst werden ze gespoeld met water en daarna werden ze schoon geschraapt en kon men deze gebruiken om worst te maken. De darmen werden dichtgebonden met worstenpinnen en opgehangen aan het plafond.

    Al het vlees van het varken werd gebruikt. Van het vlees van de kop werd ‘hoofdkaas’ of zure zult gemaakt. De worsten en hammen werden aan het plafond te drogen gehangen. Het slachten en verwerken van een varken kostte een week werk, maar leverde voor een jaar vlees voor eigen gebruik op. Een manier om vlees voor bederf te behoeden was inzouten. Het vlees werd dan in een kuip zout gelegd. Het zout werd goed in het vlees gewreven. Ook kon men vlees conserveren in weckglazen. Zo kon men vlees vele maanden goed houden.

    Een bekende huisslachter in Aalten en omgeving was Bertus ter Maat. Bovenstaand interview met de destijds 77-jarige Aaltenaar werd in 1991 gemaakt door FilmAalten.

    Slachtvisite

    Over de slachtvisite schreef Rots: “Die slachtvisites waren de uitgaansavonden voor de bevolking. Dan kwamen de buren bij elkaar en was men gezellig bijeen. Het begon met een köpken koffie met ’n beschuutjen. Daarna kwam de flesch op tafel. Op die avonden werden de gebeurtenissen van dien tijd besproken. De een wist dit, de ander had dat gehoord, en een derde had „korts de krante nog elaezene”, en den wist het sekuur. En de „vrouwleu” vertelden elkaar de geheimen van den burgerlijken stand en hetgeen daarmee in verband stond. Ondertusschen noodigde de huisvrouw nog eens: „Drinkt er um nog is uut”. „De poggen bunt good met-evallene”. En eindelijk, als het tijd van naar huis gaan was, verkeerde men in de allervroolijkste stemming.

    Men stelle zich niet voor dat alle varkens die men gemest had voor eigen gebruik bestemd waren, kun je begrijpen. Eén varken moest zeker verkocht worden, en van het andere dat men zelf hield werden de hammen of schinken ook verkocht, want schinken zelf houden, „dat was joo um ’t opmaken te doone”, neen daar moest ook klein geld van gemaakt worden. En als men een vaars of „bolle” slachtte, dan werden zeer zeker de nagelhouten verkocht. Er waren enkele opkoopers die deze fijnere vleeschwaren inzoutten en rookten, en naar de grootere plaatsen verzonden. Het geld dat de varkens opbrachten moest veelal bestemd worden voor betaling van hooigras, hypotheekrenten enz. althans voor buitengewone uitgaven.”

  • Spuitbal

    Spuitbal

    Spuitbal was een jaarlijks terugkerend evenement, dat de Brandweer van Aalten van 1981 tot en met 2016 organiseerde. Het waterrijke spektakel trok ieder jaar vele deelnemers en toeschouwers.

    Spelopzet

    Bij spuitbal streden twee teams van zes personen tegen elkaar. Elk team bediende drie brandweerslangen en probeerde met krachtige waterstralen een grote bal in het doel van de tegenstander te duwen. Elke slang werd door een koppel bediend: de voorste speler richtte de straal op de bal, terwijl de achterste speler moest voorkomen dat er knikken in de slang kwamen. Het team dat in zes minuten de meeste doelpunten maakte, had gewonnen.

    In de beginjaren werd het spuitbaltoernooi op verschillende locaties georganiseerd, onder andere bij De Ahof. In latere jaren vond het evenement plaats bij Camping Lansbulten aan de Eskesweg. Het benodigde water pompte men uit de nabijgelegen beek.

    In 2008 deden er maar liefst zes dames- en dertig herenteams mee. Veel teams waren er ieder jaar weer bij, zoals De Flippers, De Pimpels, De Pollekes, Atlantic, Schiller, ’t Noorden en Jong Gelre.

    De 36e (en vooralsnog laatste) editie vond plaats in 2016. In 2017 werd het evenement wegens onvoldoende belangstelling afgelast en sindsdien is het niet meer teruggekeerd.

    Video

    Op Youtube zijn diverse video’s te vinden van Spuitbal in Aalten, zoals onderstaande video van Jong Gelre uit 2012.

    Bronnen (o.a.)


  • Waarom luiden de klokken?

    Waarom luiden de klokken?

    Al eeuwen luiden de klokken van de Oude Sint Helenakerk in Aalten om de bevolking op de hoogte te stellen van sterfgevallen, het zogenaamde ‘overluiden’.

    Het komt regelmatig voor dat de klokken van de Oude Helenakerk ’s ochtends op diverse tijdstippen geluid worden. Vroeger gebeurde dat overigens vaker dan tegenwoordig. In vroeger tijden wist ook bijna iedereen wel wat dit betekende. Aan de hand van het tijdstip en het aantal slagen konden de mensen namelijk afleiden in welke buurtschap iemand gestorven was en ook of het een kind was, een vrouw of man en of de overledene gehuwd of ongehuwd was.

    Het gebruik dat de klokken geluid worden als ergens een sterfgeval heeft plaatsgevonden heet ‘overluiden’. Al vele eeuwen klinkt er klokgelui uit de monumentale toren van de kerk op dagen midden in de week. Menigeen staat er even bij stil en denkt: memento mori.

    De klokken van de Oude Helenakerk op de Markt in Aalten worden nog altijd voor dit plechtige moment gebruikt, altijd in overleg met de nabestaanden. Het overluiden kan voor alle overledenen gedaan worden, dus niet alleen voor leden van de Protestantse Gemeente.

    Betekenis

    Worden de klokken geluid om 9.30 uur dan betreft het een inwoner van de buurtschap Lintelo. Gebeurt het om 09.45 uur dan is iemand van de Haart overleden. Om 10 uur wordt geluid voor een sterfgeval uit Dale of IJzerlo en om 10.15 uur voor iemand uit de Aaltense Heurne. Gaat het om iemand uit Barlo dan is het tijdstip 10.30 uur. Vaak wordt om 11 uur geluid, dan wordt een overledene uit het dorp Aalten overluid.

    Bij een man of weduwnaar wordt er voor en na het overluiden driemaal geklept met de klepklok. Bij een vrouw of weduwe wordt er twee keer driemaal voor en na het overluiden met de klepklok geklept. Bij een ongehuwde of een kind gebeurt dat drie keer tweemaal voor en na het luiden.

    Overluiden Aalten
  • Gedenkzuil Grebbeberg

    Gedenkzuil Grebbeberg

    In het kader van 70 jaar bevrijding werd in 2015 op de Oude Algemene Begraafplaats in Aalten een gedenkzuil geplaatst ter herdenking aan alle Aaltense soldaten die in mei 1940 op en rond de Grebbeberg hebben gevochten. Zeven Aaltense militairen verloren daarbij het leven. Hun namen en foto’s zijn op de gedenkzuil vereeuwigd.

    De tekst op de zuil luidt:

    Aaltense militairen in mei 1940

    In de vroege ochtend van 10 mei 1940 vallen Duitse troepen het neutrale Nederland binnen. Voor ons land begint hiermee de Tweede Wereldoorlog. De gemobiliseerde Nederlandse soldaten nemen stelling in een aantal verdedigingslinies, waaronder de Grebbelinie. In de hoofdweerstandsstrook op en rond de Grebbeberg bij Rhenen wordt fel gevochten.

    De meeste militairen overleven de strijd en kunnen, vaak na kort krijgsgevangenschap, terugkeren naar Aalten. Zeven families verkeren enige tijd in onzekerheid. Zij ontvangen uiteindelijk het droevige bericht dat hun zonen niet zullen terugkeren; ze zijn gesneuveld. Hun leven is ontwricht door dit grote verlies. Op deze plek worden alle Aaltense soldaten die in mei 1940 hebben gevochten herinnerd.

    Veel Achterhoekers, waaronder een flink aantal jongemannen uit Aalten, zijn ingedeeld bij het 8ste Regiment Infanterie (8 R.I.). Deze eenheid speelt een belangrijke rol bij de verdediging van de Grebbeberg. De slecht geoefende en uitgeruste soldaten voeren een ongelijke strijd tegen een oppermachtige vijand. Op dappere wijze proberen zij zo lang mogelijk stand te houden. De Duitsers noemen de berg met ontzag ‘Der Teufelsberg’. Toch moet ons land al op 14 mei 1940 capituleren.

    Voor het vaderland zijn op 12 en 13 mei 1940 gevallen:

    Meer informatie: Nationaal Onderduikmuseum

  • Stolpersteine

    Stolpersteine

    In Aalten liggen 34 Stolpersteine voor twaalf adressen. Een Stolperstein (struikelsteen) is een gedenksteen die geplaatst wordt in het trottoir voor het huis van waaruit in de Tweede Wereldoorlog mensen door de nazi’s zijn weggevoerd naar een vernietigingskamp. Als je, meestal onverwacht, voor je voeten zo’n steen ziet met de naam van een slachtoffer, word je er weer even aan herinnerd hoe tijdens die oorlog vele miljoenen het slachtoffer zijn geworden van systematische moord.

    De stenen hebben een oppervlakte van 10 bij 10 cm. Op de bovenkant is een messing plaatje aangebracht. Daarin zijn de naam, het geboortejaar, de datum van wegvoering en de plaats en datum van overlijden gestanst. Zo herinnert elk van die stenen aan één van die slachtoffers. Een mens die op déze plek heeft gewoond en hiervandaan is gedeporteerd, om nooit meer terug te keren.

    Bedenker

    Het Stolpersteineproject is bedacht door de Duitse kunstenaar Gunter Demnig. Hij maakte het formaat van deze ‘stenen des aanstoots’ bewust niet te groot, zodat men een buiging moet maken om de opschriften te kunnen lezen.

    Demnig begon in 1997 met het leggen van de eerste Stolperstein in de Berlijnse wijk Kreuzberg. Inmiddels liggen er in vele landen al Stolpersteine. Gunter Demnig geeft ieder slachtoffer zo een eigen monument. Zijn motto luidt: “Een mens is pas vergeten als zijn of haar naam vergeten is“.

    Aanvankelijk maakte hij alle stenen één voor één zelf, want massaproductie vindt hij in strijd met de gedachte achter het project. Maar gedwongen door de stormachtige ontwikkeling van het project, laat hij zich tegenwoordig ondersteunen door een bevriende kunstenaar. Hij staat erop om de eerste stenen in een bepaalde plaats persoonlijk te leggen. De overige stenen worden tegenwoordig meestal door gemeentelijke stratenmakers geplaatst.

    Stolpersteine in Aalten

    In Aalten zijn er 34 Stolpersteine gelegd voor de volgende adressen:

    • ’t Dal 1: Levi Salomon Schaap, Ella Schaap-Philips, Eliazar Hars Schaap, Frits Landau, Amalia Landau-Lorch
    • Dijkstraat 10a: Levie van Gelder, Jula van Gelder-Landau, Arnold van Gelder
    • Eerste Broekdijk 51: Roberth Fuldauer, Rozetta Fuldauer-van Gelder, Lina Sara Fuldauer, Sara Fuldauer, Meijer David Fuldauer, Cato Konijn
    • Grevinkweg 5: Sally Fuldauer, Regina Fuldauer-de Jong
    • Haartsestraat 64: Wijnand Andriesse
    • Hogestraat 3: Jacob ten Bosch en Jansje ten Bosch-Bouwman
    • Hogestraat 13: Moritz Cohen, Bernhard Cohen, Karoline Japhet-Eppstein
    • Hogestraat 55/1: Albert Lewy, Friederika Lewy-ten Bosch, Berta Mathilde Lewy
    • Hogestraat 94: Salomon Goedhart, Philippina Lea Goedhart-Rosenburg
    • Landstraat 41: Johannes der Weduwen
    • Lichtenvoordsestraatweg 17: Philip van Gelder, Elise van Gelder-Cohen, Jozef Backs
    • Stationsstraat 24: Abraham van Gelder, Reintjen van Gelder-de Jong
    • Vellegendijk 17: Hendrik Wiggers

    In één geval kon de steen niet voor de woning van het slachtoffer worden gelegd omdat deze woning (Industriestraat 4) niet meer bestaat. Ook is er geen trottoir om de steen in te leggen. Daarom is deze steen voor de synagoge gelegd:

  • Nôkse karke

    Nôkse karke

    De oude Sint Helenakerk was zelfs voor ras-Winterswijker Bernard Stegeman een inspiratiebron.😊 Hij schreef het gedicht Nôkse karke over Aaltens markante middelpunt op de Markt (jaartal onbekend). De tekening is van geboren Aaltenaar Piet te Lintum.

    ‘Maor noo löp miene reize toch haoste ten end’
    Lao’ws kieken, mi’j wacht er nog ééne.
    Jao ‘k zee ’t al, daor ginder dee karke op den bult,
    Zoo mooi, a’k nog zelden heb e-zeene.
    Das Aalten, mo’j wetten, ’t aardige darp,
    waor ‘k nog iederbods geerne komme praoten,
    Ik kenne er de menschen, ik weet ‘er den weg
    Deur zien wondere, golvende straoten.
    Wat ligt er dat marktplein daor hoog’ op den bult
    En hoo noks hönk dee karke der teggen,
    ‘k Hebben e-heurd, dat ’t darp naor den bult is e-neumd,
    Maor of ’t waor is, dat dörv’ ik neet zeggen.’

    Oude Helenakerk, Aalten, tekening Piet te Lintum
  • Aalten aan Zee

    Aalten aan Zee

    In 2011 verscheen Aalten landelijk in het nieuws door een opmerkelijk bericht: een kleine gelovige gemeenschap had zich gevestigd op boerderij Rensink in Lintelo, in afwachting van de Apocalyps. Zij noemden zich de ‘Wachters van de Nacht’.

    Op hun boerderij bereidden zij zich voor op overleven in de eindtijd. Volgens hen zou de Apocalyps spoedig met een tsunami aanbreken, waarbij grote delen van Nederland onder water zouden komen te staan. Het hoger gelegen Aalten zou daarbij aan zee komen te liggen.

    Grappenmakers plaatsten op Youtube satirische filmpjes waarin Aalten aan Zee als een zonnige badplaats werd voorgesteld en waar de lokale middenstand zich moeiteloos aan de behoefte aan strandvermaak had aangepast. Wie echter de waarschuwingen van de groep in de wind sloeg, zou daar volgens de Wachters zelf de consequenties van moeten dragen. Hem of haar stond de verdrinkingsdood te wachten. Ondertussen legden de Wachters grote voedselvoorraden aan ten behoeve van de vluchtelingen die zij uit de Randstad verwachtten.

    “Aalten wordt mogelijk kustplaats”

    “Aalten aan Zee” deel 1

    “Aalten aan Zee” deel 2

    “Aalten aan Zee” deel 3

    “Aalten aan Zee” deel 4

  • Aalten en Lichtenvoorde zijn enclaves, geen ’naobers’

    Aalten en Lichtenvoorde zijn enclaves, geen ’naobers’

    Twee buurdorpen: het ene katholiek, het andere protestants. Is er nog steeds rivaliteit? Trouw onderzoekt het. Vandaag deel 2: Aalten en Lichtenvoorde. Aalten geldt als het ‘Jeruzalem van de Achterhoek’ dankzij zijn vele gereformeerde kerken. Buurdorp Lichtenvoorde ligt juist in een rooms-katholieke enclave.

    Aalten en Lichtenvoorde

    Scherpslijpers zijn de Achterhoekers niet. Behalve dan in Aalten. Die terrasjes op de Markt voor de Oude Helenakerk? “Dat zou vroeger vloeken zijn geweest in Aalten”, zegt Hans de Graaf. Hij werd in 1943 geboren in een rooms-katholiek gezin in het naburige Bredevoort. Hij woont en kerkt al jaren in Aalten. “Als kind voelde je dat je een tweederangs inwoner was”, herinnert hij zich.

    In Aalten domineerden in de jaren vijftig en zestig immers de protestanten, onderverdeeld in ‘de fienen’ en ‘de groffen’. De hervormden waren niet zo strikt. Ze leefden Bijbels volgens de grove lijn. De afgescheiden gereformeerden, talrijk in Aalten, volgden echter fijntjes de orthodoxe dogmatiek.

    Jeruzalem van de Achterhoek

    ‘Fienen’. Je spreekt het uit met een lange, slepende ‘ie’. Ook Frits van Lochem doet dat. In 1946 zag hij het levenslicht in een hervormd gezin in het rooms-katholieke Lichtenvoorde, acht kilometer van Aalten. Tussen beide dorpen ligt een glooiend niemandsland. Spreek je in Lichtenvoorde over Aalten, dan gaat het al snel over ‘die fienen’ en ‘het Jeruzalem van de Achterhoek’. “We zijn meer op Groenlo gericht”, zegt Van Lochem.

    Een volks geloof overheerst in de Achterhoek. Het maakt in het dagelijks leven niet uit of je voorvaderen rooms-katholiek bleven of toch maar overgingen naar het protestantisme. De Achterhoekse naoberschap overstijgt de dogma’s van Rome en van protestantse synodes. Het gebied is als een schaakbordpatroon verdeeld in dorpjes met iets meer rooms-katholieken en met iets meer protestanten.

    Buurenclaves

    Twee buurenclaves vormen daarop een grote uitzondering: het gereformeerde Aalten en het rooms-katholieke bolwerk Groenlo en Lichtenvoorde. Hoe is dat zo gekomen en wat is hun relatie? Hans de Graaf en Frits van Lochem kunnen putten uit hun ervaringen als lid van een kerkelijke minderheid. Ze kennen elkaar niet. Toch fietsten ze elkaar ooit dagelijks tegemoet de een op weg naar de protestantse middelbare school in Aalten, de ander naar de rooms-katholieke in Lichtenvoorde.

    De Johanneskerk (PKN) van Lichtenvoorde
    De Johanneskerk (PKN) van Lichtenvoorde

    Van Lochem is graag actief voor de gemeenschap. Hij was ooit wethouder in Lichtenvoorde voordat de gemeente fuseerde met Groenlo tot Oost Gelre. Nu verzorgt hij de administratie van de Johanneskerk. Als hervormde jongen had hij een prettige jeugd, zegt hij. “Natuurlijk had je een protestantse en een rooms-katholieke school”, zegt hij. “Voor het middelbare onderwijs moest je naar Aalten. Je ging nu eenmaal naar een school van je eigen religie.”

    Een tijdlang was er een eigen protestantse voetbalclub en gymvereniging. De p.c.-drumband speelde zondags niet bij Lichtenvoordse festiviteiten, herinnert hij. Maar in Lichtenvoorde waar 90 procent van de mensen rooms-katholiek was, ging je normaal met elkaar om. “Mijn vader was woningstoffeerder”, zegt Van Lochem. “Het klooster was een belangrijke klant. Hij zou geen droog brood verdiend hebben aan alleen protestanten.”

    Protestanten ‘bepaalden alles’

    Zo gemakkelijk als de Lichtenvoorders de verzuilde verschillen overbrugden, zo moeizaam moeten de scheidslijnen in Aalten zijn geweest. ”Er kon weinig”, zegt De Graaf. “Dansen was onmogelijk. Als rooms-katholieken hadden we een eigen instuif. Daaruit kwamen veel huwelijken voort. Die protestanten bepalen hier alles, dacht je in de jaren vijftig. En toen ontstond de zwembadkwestie. Een geweldige rel! Mensen knipten het prikkeldraad open rond het zwembad om op zondag te kunnen zwemmen Tegenwoordig is alles anders. Er waait een wereldse wind door Aalten. Nog steeds.”

    Lichtenvoorde en Groenlo stonden voor een rooms-katholieke jongen uit Aalten synoniem voor een prettig leven. “Daar waren de toogdagen en de processies”, herinnert De Graaf zich. Lichtenvoorde is frivool met zijn corso en Groenlo staat bekend om het carnaval. Maar voor hem bleven die plaatsen ver weg. In Aalten was in zijn jeugd zo’n 18 procent van de mensen rooms-katholiek. De gereformeerde identiteit drukte op iedereen. Het rooms-katholicisme van ‘de enclave Groenlo en Lichtenvoorde’ was in 1966 studievoer voor geschiedenisdocent Thielen uit Boxtel. Twee ontwikkelingen verklaren dat een enclave kon ontstaan, blijkt uit zijn boek over ‘de enclave’.

    Religieuze strijd

    De strijd tussen de bisdommen Utrecht en Münster om de zeggenschap over deze streek duurde tot 1823. De bisschop van Münster liet zich nogal gelden in Oost-Nederland. De Achterhoek was verder rond 1600 het strijdtoneel geweest tussen de Staatse legers van de Oranjes en de Spaanse overheersers. Die strijd had zijn religieuze sporen nagelaten.

    In 1597 veroverde het leger van prins Maurits namens de (protestantse) Staten-Generaal uit Den Haag de steden Bredevoort en Groenlo op de Spanjaarden. Maar in 1606 verloren de ‘Staatsen’ de vesting weer. In 1627 heroverde prins Frederik Hendrik Groenlo weliswaar, maar hij won de meeste inwoners niet meer voor het protestantisme. De rooms-katholieke beweging van de contrareformatie had er wortel geschoten. Ook het nabijgelegen Lichtenvoorde, sinds 1496 met eigen kapel, bleef Rome trouw. En Münster.

    Monumentaal

    Frits van Lochem laat de witgepleisterde Johanneskerk uit 1648 zien. Zij is monumentaal. De kerk staat op de fundamenten van de rooms-katholieke kapel uit 1496. “Het is een van de oudste protestantse kerken van Nederland”, zegt hij. De kapel kwam na 1627 in handen van de Nederduits Gereformeerde (later hervormde) minderheid die hoorde bij het nieuwe Staatse gezag. Ze wilden een minder bouwvallig godshuis. “In het hele land is gecollecteerd voor deze kerk”, zegt Van Lochem. “Ook Frederik Hendrik betaalde. Giften kwamen tot uit Amsterdam en omgeving.”

    Kruiskapel Hemden - kaart
    Oude kaart met de Kruiskapel te Hemden, net over de grens bij Aalten

    De rooms-katholieken die in Groenlo en Lichtenvoorde in groten getale achterbleven, maar ook een Aaltense minderheid, raakten aangewezen op de Kreuzkapellen die in grensdorpen als Zwillbrock, Hemden en bij de stad Bocholt verrezen. De paapsen liepen naar de grens van de Republiek met het Münsterland. Maar in grote delen van de Achterhoek, ook Aalten, werd de pastoor ineens dominee en zwoer alle Roomse ‘superstitiën’ plechtig af. Ook zijn kudde werd dan protestants, maar niet meteen van harte.

    De aard van de Achterhoeker

    De aard van de Achterhoeker is, zo schreef hervormde dominee J.H. Jansen in 1957, op het oog nogal meegaand. De kat wordt uit de boom gekeken, stelde hij in een sociologische studie naar het Achterhoekse geloofsleven. De gemeenschap gaat boven het individu, zag hij. In die observatie kan scriba Flip de Bruijn van de Protestantse Gemeente Lichtenvoorde zich ook anno 2010 vinden. “De gemeenschap is hier zo verweven en er zijn zoveel gemengde huwelijken”, zegt hij. “Er zijn geen scherpe tegenstellingen. Men accepteert elkaar zonder conflicten.”

    Wat maakt Aalten dan zo’n uitzondering? In 1845 scheidde in Aalten, in navolging van de Groningse dominee De Cock, een deel van de hervormden zich af. Nadien vond de Doleantie (1886-1892) in de Achterhoek vooral in Aalten weerklank. Aan beide schisma’s hield het dorp de Christelijke Gereformeerde en de Gereformeerde Kerk over. “Oorzaak was dat een geliefd predikant ‘meeging’ en door het classicaal bestuur werd ontzet”, verklaarde Jansen de Doleantie in Aalten. “Die nam veel families mee.”

    Kerkelijke veelkleurigheid

    RK Helenakerk, Dijkstraat, Aalten
    De rooms-katholieke Sint Helenakerk in Aalten

    De meeste Achterhoekse protestanten bleven mild hervormd. Aalten kent een orthodoxie die nu beter bij de ChristenUnie dan de SGP past. Gereformeerde Bonders of de Hersteld Hervormden zijn schaars in de Achterhoek en de Gereformeerde Gemeenten al helemaal. Maar de groeiende geloofsverschillen tussen Aalten en die van de streek leidden tot de bijnaam ‘Jeruzalem van de Achterhoek’.

    Hans de Graaf kent die bijnaam wel. “Wat bedoelt men ermee”, vraagt hij zich af. Als het de kerkelijke veelkleurigheid van Aalten is, kan hij zich daarbij iets voorstellen. Zelf verdiepte hij zich in de rooms-katholieke kerkhistorie van de streek. Aalten dankt aan de komst van de spinnerij en weverij van de Duitse familie Driessen in de negentiende eeuw het voortbestaan van de rooms-katholieke gemeenschap, is zijn stellige overtuiging. “Onze kerkgemeenschap staat op de schouders van een kleine groep pioniers”, zegt hij.

    Verandering

    Wie vandaag de dag Aalten binnenrijdt, wordt met zwarte reclameborden op de invalsweg gewezen op het feit dat ‘God liefde is’ en dat ‘Hij ook van jou houdt’. In het dorp vind je een bijzondere kerk: een tweetalige evangelische gemeente voor Duitsers en Nederlanders die als Euregiokerk te boek staat. ‘Two nations, one faith’ meldt de grote geveltekst op de ooit gereformeerde Westerkerk.

    Hans de Graaf merkt dat Aalten verandert. “Je kunt nu rustig iets op zondag organiseren”, zegt hij. “Dat is geen beletsel meer.” Gebleven is de non-relatie met Lichtenvoorde. “De Aaltense gemeenschap richt de blik niet op het noorden”, zegt hij. Toch zal dat kerkelijk nu wel moeten. Het bisdom Utrecht heeft onlangs negen parochies omgesmeed tot één, zodat Aalten nu bij Lichtenvoorde en Groenlo hoort. De Ludgerparochie.

    “Als rooms-katholieken in Aalten hebben we een sterk zelfbewustzijn”, zegt De Graaf. “Dat komt uit het idee: ‘wij zijn er ook nog!’ De kleine katholieke zuil liet zich duidelijk horen in de samenleving. In Lichtenvoorde is bijna iedereen katholiek. Daar is een andere houding.” Die weerbaarheid mist De Graaf in de grote parochie. Zelf pakt hij nieuwe projecten op. Met katholieken en protestanten ontwikkelt hij een wandelroute van Zutphen tot aan Münster, in het spoor van de negende-eeuwse evangelist Ludger. Die bracht immers het evangelie aan alle Achterhoekers?

    Oecumene

    Het is een taal die Frits van Lochem en Flip de Bruijn in het rooms-katholieke Lichtenvoorde zouden verstaan. Tot hun grote spijt verdwijnt ter plaatse de ooit levendige oecumenische traditie. Steeds minder gebeurt er gezamenlijk. “De oecumene verwatert”, zegt De Bruijn. “Wij willen wel. Maar Rome geeft aan oecumene geen prioriteit. Nu de parochies zijn samengevoegd, merk je dat daarvoor minder tijd is.”

    Het moderne leven van Lichtenvoorde stelt het grotendeels zonder kerkgang. Op zondag kun er je rustig winkelen. Zelfs over de zondagsopenstelling van de supermarkt halen inwoners de schouders op, merkt Van Lochem. Aan Aalten denkt niemand hier. Rivaliteit en tegelijk verwantschap is er met ‘d’n Grolschen’ eerder. De Protestantse Gemeente Lichtenvoorde kijkt nu ook die kant op voor nauwere samenwerking met de hervormden. “Nee, er zijn geen kerkelijke contacten met Aalten”, zegt De Bruijn.

    Veel affiniteit met de protestantse orthodoxie leeft er in Lichtenvoorde met. Toch willen juist die gelovigen vanuit Lichtenvoorde de Achterhoek, een ‘kerkelijke witte vlek’, bewerken via hun christelijk boekwinkeltje ‘Licht’. Het is vandaag dicht. “Dat is toch van de gereformeerd-vrijgemaakten”, vragen De Bruijn en Van Lochem elkaar. “Die komen hier niet vandaan. Ze denken dat hier misschien wat valt te evangeliseren.”

    ‘Keislöppers’ en ‘de fienen’

    De zwerfkei met leeuwenbeeld op de Markt van Lichtenvoorde
    De zwerfkei met leeuwenbeeld op de Markt van Lichtenvoorde (foto: achterhoek.nl)

    Lichtenvoorde is van oudsher rooms-katholiek. In 1496 stichtte de Heer van Bronckhorst er een kapel. Op de fundamenten ervan bouwden de weinige protestanten er in 1648 met ‘Staatse gelden’ een nieuwe kerk. De Gelderse plaats (nu 13.0000 inwoners) ontving in de negentiende eeuw veel Brabantse importarbeiders voor werk in de schoenenindustrie. Ter ere van het 25-jarige ambtsjubileum van Koning Willem III in 1874 sleepten deze rooms-katholieke schoenmakers een 20.000 kilogram zware kei naar het centrum en versierden die met een fiere leeuw. Zij bezorgden de Lichtenvoorders de bijnaam ‘keislöppers”.

    Aalten groeide de afgelopen eeuw van klein dorpje tot een centrumplaats met bijna 13.000 inwoners. Sinds de negentiende eeuw onderscheidde Aalten zich door kerkafscheidingen die elders in de Achterhoek vrijwel uitbleven. Velen bleken gevoelig voor een fijnzinniger, gereformeerd geloof, wat Aaltenaren de bijnaam ‘de fienen’ bezorgde. Het dorp kent nog altijd relatief veel protestantse en evangelische kerken. De kerkelijke variëteit op zo’n kleine schaal is bijzonder in deze grensstreek. Dat bezorgde Aalten de naam ‘het Jeruzalem van de Achterhoek’.

  • Gondelvaart Bredevoort

    Gondelvaart Bredevoort

    De Gondelvaart was een evenement dat van 1968 tot 2010 jaarlijks plaatsvond op de Grote Gracht in Bredevoort. Tegenwoordig is het evenement uitgebreid tot ‘Bredevoort Schittert‘, met veel ruimte voor muziek, kunst en theater, zonder het sprookjesachtige karakter te verliezen.

    Van 1928 tot 1935 waren er ook al Gondelvaarten, maar vanwege de economische crisis moest men hiermee stoppen. Toch was Bredevoort het lichtjesfeest niet vergeten. Het bleef rondzoemen in de naoorlogse jaren. Tot in 1968 een comité onder leiding van Jan Elferink de bevolking bij elkaar riep met een krantje. De bevolking ging massaal aan het gondels bouwen. Pastoor Metternich en de dominees Drop en Van Ziel kregen de kerkgangers zover dat die een gondel namens de drie kerken bouwden. En de middenstand stelde zich garant voor een eventueel tekort en nam voor de zekerheid zelf plaats achter de kassa’s.

    En elk jaar trok het publiek van heinde en ver (waaronder steeds meer Duitsers) in augustus of september naar Bredevoort om de verlichte gondels te zien en na afloop het feest in het stadje mee te maken. En natuurlijk ook om het vuurwerk te zien. Uit een enquête in 1991 bleek dat twintig procent van de bezoekers op de eerste plaats voor het vuurwerk kwam. Het vuurwerk is al vanaf het begin vast onderdeel van de Gondelvaart en dit is met de overgang naar Bredevoort Schittert onveranderd gebleven.

    Gondelvaart Bredevoort 2008
    Gondelvaart Bredevoort 2008
    Gondelvaart Bredevoort 1928
    Gondelvaart Bredevoort 1928

    Techniek

    De gondels werden vroeger getrokken door motorboten. De boten trokken meestal twee à drie gondels, verbonden door kruislings vastgemaakte sleeptouwen. Met puntstokken voorkwamen de bouwers dat de gondels vast kwamen te zitten in de modderige bodem van de gracht. Later werd overgestapt op tractie. Vanaf 1989 veranderde de presentatie en kwamen gondels één voor één langs, ondersteund door een stuk tekst en bijpassende muziek.

    De technische ontwikkelingen gingen steeds door: waxinelichtjes werden fietslampjes en daarna LED-lampjes. Accu’s werden vervangen door aggregaten en daarna gewoon stroom uit het stopcontact (nu de gondels in het stadje staan). En er kwamen de verlichte tuinen waar je met een treintje langs kunt rijden.

    Anecdotes

    Een enkele keer ging de Gondelvaart niet door. In 1972 werd er niet gevaren omdat de beken rondom Bredevoort werden uitgebaggerd en er mogelijk onvoldoende water zou zijn. In 1976 werd de Gondelvaart afgeblazen omdat de Grote Gracht door de warme zomer was drooggevallen.

    Slecht weer zorgde ervoor dat de Gondelvaart in 1983 werd afgelast. Door de storm belandde de gondel van s.v. Bredevoort zelfs in de bomen. De afgelasting kostte de Gondelvaart maar liefst 35.000 gulden, een recordverlies.

    In 1982 was het zo droog, dat men beekjes moest verleggen en zandzakken leggen om het water in de goede richting te sturen.

    De Aaltense huisarts/bootsman Wim Pampiermole liep in 1980 een nat pak op tijdens het testen van de boot. Ook toenmalig voorzitter Jan Elferink hield het niet droog. Hij wilde na de opening het podium afstappen maar viel in de gracht. Jan bedacht zich geen moment, fietste naar huis en verwisselde zijn lichte zomerpak voor een donker exemplaar en was weer op tijd aanwezig voor de afkondiging zonder dat iemand iets van het gebeuren gemerkt heeft.

    Elk jaar speelden twee trompettisten vanaf de openingsgondel. Velen kennen nog de enorme zwaan die vanaf 1993 de openingsgondel trok. In 2002 ging deze zwaan met pensioen en kwam er een nieuwe openingsgondel in de stijl van Venetië. In 2008 vierde men het 40-jarig bestaan van de Gondelvaart met wederom een nieuwe openingsgondel: De Golf.

    Bredevoort Schittert

    In 2010 maakte de organisatie een nieuwe opzet van de Gondelvaart bekend. De gondels veranderden in lichttaferelen en niet alleen de gracht maar het hele stadje wordt als podium gebruikt. Hierdoor kunnen de bezoekers overal zelf langs lopen en is er meer ruimte voor kunst, muziek en theater.

    De Werkgroep Bredevoort Schittert zorgt onder andere voor een groot deel van de werkzaamheden rondom het evenement. Denk aan het ophangen van zeilen, het neerzetten van hekken, opbouwen van de kassa’s en het plaatsen van routebordjes.

    De Werkgroep is al jarenlang een begrip in Bredevoort. Nauw daaraan verbonden zijn de Bloemenmeisjes, vroeger verantwoordelijk voor het versieren van de openingsgondel en het podium, tegenwoordig als Schitterende Vrouwen te bewonderen bij het lichttafereel van de Werkgroep.

    De verlichte gondels en passende muziek, maar ook de rust van het water met de donkere boompartijen hebben heel wat romantische gevoelens losgemaakt. Niet alleen medewerkers wisten elkaar in het donker te vinden, ook bij bezoekers zijn meerdere vonken overgeslagen tijdens het vuurwerk. Dat Bredevoort Schittert nog steeds een romantische setting is, blijkt wel uit het feit dat er enkele jaren geleden op het springkussen een innig verstrengeld paar ‘op heterdaad’ werd betrapt. Nadat iemand de stekker uit het luchtkussen trok, namen zij snel de benen.

    Leestip


    • Gondelvaart Bredevoort in Woord en Beeld 1968-2008, door J. Wessels en J. Betting
  • Joop en Truus Doodeheefver

    Joop en Truus Doodeheefver

    Joop en Truus Doodeheefver waren een kunstenaars­echtpaar dat in 1973 van Amsterdam naar Aalten verhuisde en daar decennialang actief was. Joop (1924–2001) legde zich in Aalten toe op tekeningen en transparante aquarellen van landschappen en boerderijen. Truus (1928–2004) maakte portretten, dierfiguren en vrij werk in brons, aluminium en hout. Ze exposeerden geregeld samen in de regio en daarbuiten.

    Johannes Christoffel (Joop) Doodeheefver werd op 6 juni 1924 in Amsterdam geboren. Hij werd opgeleid in het atelier van Nel Fernhout en werkte circa dertig jaar als ontwerper-colorist bij de behangfabriek van zijn vader, de firma Rath & Doodeheefver. In 1945 trouwde hij met Truus Kremer.

    Geertruida Jeannette Frederika (Truus) Kremer werd op 15 februari 1928 in Leiden geboren. Kort daarna verhuisde het gezin naar Amsterdam. Ze leerde beeldhouwen bij Adrianus Remiëns en trouwde in 1945 met Joop Doodeheefver.

    Verhuizing naar Aalten

    Het echtpaar koesterde al langer de wens eens het jachtige Amsterdam te verlaten om zich in het “nog onbedorven oosten” te vestigen. In 1973 voegden ze de daad bij het woord en vestigden zich met hun gezin in de monumentale boerderij De Kiefte in de Aaltense buurtschap Heurne.

    Hier legde Joop zich toe op het tekenen en aquarelleren van landschappen en boerderijen in de omgeving. Hij werkte ook veel in opdracht, om objecten, personen en landschappen vast te leggen voor latere generaties. Hij verzorgde ook de illustraties voor het boek De Freule van Dorth, geschreven door Ben Bekker (1974).

    Truus beeldhouwde naturalistische portretten en dierfiguren en maakte houtsnijwerk. Een bekend werk van haar hand is het beeldje van Hendrickje Stoffels op ’t Zand in Bredevoort (1977).

    Zowel gezamenlijk als individueel exposeerden zij succesvol in binnen- en buitenland.


    Galerij

    Een selectie uit het werk van Joop en Truus Doodeheefver:

  • Aalten wereldnieuws door BSE

    Aalten wereldnieuws door BSE

    Op 11 april 1996 was Aalten even wereldnieuws. Bij slachthuis Kropveld-Schipstal Aalten (KSA) zouden 64.000 duizend Britse kalveren worden gedood. Dit gebeurde op last van het ministerie van Landbouw vanwege de mogelijke besmetting met de ‘gekke koeienziekte’, oftewel BSE.

    Nooit in de Nederlandse geschiedenis waren kalveren met zoveel vertoon naar het abattoir vervoerd als de eerste 108 stuks vee, die op deze dag van de Veluwe naar Aalten werden gebracht. De operatie die zes weken zou duren maakte veel los in Nederland en daarbuiten.

    Voor KSA was het slachten van de 64.000 kalveren een omvangrijke, en zeker ook financieel aantrekkelijke, klus. Het bedrijf slachtte normaliter wekelijks 2.000 kalveren voor de Japanse markt. Die werkzaamheden werden zes weken stilgelegd voor deze speciale opdracht, waarbij circa 10.000 kalveren per week moesten worden geslacht.

    Demonstraties

    De vrachtwagens waarin de dieren de gang naar de slachtbank maakten, werden begeleid door twee commandowagens van de ME. Aangekomen bij KSA werden ze opgewacht door een menigte van actievoerders en nieuwsgierigen. Leden van organisaties die opkwamen voor het welzijn van dieren, zoals de Vegetariërsbond, Lekker Dier en PETA hadden met spandoeken en sandwichborden post gevat bij het hek van het slachthuis. Aan de metalen poort hing een grafkrans, op straat lagen houten kruisen en de demonstranten droegen zwarte kleding.

    Toen de eerste drie vrachtwagencombinaties met kalveren het ijzeren hek van KSA naderden, zwelde het gejoel van de menigte aan. “Moordenaars, moordenaars”, scandeerde een bonte mengeling van dierenbeschermers en autochtone pubers in de richting van de chauffeurs. Een halve minuut later viel het hek weer in het slot. De slacht kon beginnen.

    De particuliere bewakingsdienst die door de directie van KSA was ingehuurd nadat er daags tevoren een bommelding bij het bedrijf was binnengekomen, zorgde ervoor dat geen van de demonstranten het terrein van het slachthuis kon betreden. Toen het hek weer dicht was, zeeg een jeugdige PETA-sympathisante ineen en liet haar tranen de vrije loop. Een groepje autochtonen reageerde onverschillig op het stille verdriet. Wijzend op de piercing die het meisje door haar onderlip had laten aanbrengen, lispelde een zwaarlijvige Aaltenaar: “Een stuk touw door die ring en ze valt niet op tussen die kalveren…”

    Persconferentie

    Op de dag van de aankomst van de eerste Britse kalveren werd een perscentrum ingericht in café De Driesprong. Burgemeester Tijme Bouwers zat de persconferentie voor. De gemeente Aalten zorgde voor logistieke maatregelen om de tientallen vrachtwagens die de duizenden kalveren dagelijks aanvoerden vrij baan te geven. KSA-directeur H. Swinkels benadrukte dat er in verband met de mogelijke risico’s op besmetting stringente veiligheidsmaatregelen waren genomen.

    Om zichzelf te kunnen overtuigen van het feit dat het slachten een voor de dieren pijnloze en vanwege de genomen maatregelen voor het personeel risicoloze bezigheid was, mochten journalisten later op de middag een kijkje nemen in de slachterij. In speciale overalls die na gebruik werden vernietigd, voerde de tocht onder meer langs de slachthal en de speciaal gekoelde opslagsilo’s voor het bloed. Deze stroperige massa – in totaal 450.000 liter – werd in tankwagens afgevoerd naar Rotterdam om te worden verbrand. De kadavers gingen dagelijks in verzegelde containers naar bedrijven in Son en het Friese Bergum.

    Na een aantal hectische dagen keerde de rust in Aalten weer.

  • Een wandeling voor binnenzitters

    Een wandeling voor binnenzitters

    Een zinnig mens gaat met dit weer toch niet wandelen? Die kruipt toch lekker met een boek bij de kachel? Nou vooruit, een klein ommetje dan. En klein is het, Bredevoort. Al timmert het als Boekenstad nog zo aan de weg, het is niet te verhullen dat je er in een uurtje doorheen bent. Exclusief de boekwinkels, uiteraard, want die zijn ad libitum.

    Een wandeling door Bredevoort Boekenstad - Trouw, 09-12-1995
    Trouw, 9 december 1995

    Het is Bredevoorts derde jaar als Boekenstad. Beschermheer Jan Terlouw verrichtte in augustus 1993 de opening. Dit winterseizoen worstelen de handelaren een beetje met malaise. Het eerste nieuwtje is er af, de subsidies drogen op. Maar drie jaar is kort. „Vijf jaar moet je het minimaal geven. We begonnen met zes boekhandels en zitten nu op ruim twintig”, zegt de onvermoeibare Henk Ruessink van de Stichting Bredevoort Boekenstad. „Er is nog niemand gestopt. Sterker nog, er staat geen huis meer leeg hier”.

    Het grote voorbeeld is Hay-on-Wye in Wales, waar per jaar zo’n 700.000 bezoekers komen, net zo’n historisch stadje in een rustige grensstreek. Hier in Bredevoort snuffelden het afgelopen jaar 50 à 60.000 mensen rond. De drie stadsgidsen hadden er hun handen vol aan.

    Bredevoort is wel wat gewend op geletterd gebied. Uit de archieven is op te maken dat er in het midden van de zeventiende eeuw niet minder dan acht afgestudeerde meesters in de rechten werkzaam waren: de heerlijkheid Bredevoort fungeerde als bestuurscentrum voor een fors stuk Achterhoek; Aalten en Winterswijk bijvoorbeeld behoorden ertoe. En, met zijn ligging op de route tussen Gelre en Munster, was het een vestingstadje van betekenis.

    Van de middeleeuwen is, afgezien van het patroon van de smalle straatjes, weinig meer merkbaar. Op het beginpunt van de wandeling lag vroeger het slot Bredevoort. Nu staat er het gebouw Boek op ’t Zand, een voormalig schoolgebouw dat nu onder meer als onderkomen dient voor de Stichting Bredevoort Boekenstad en het streekdocumentatiecentrum. Waar nu ’t Zand is, was een brede gracht. Aan de overkant daarvan lag de voorhof waar de borgmannen hun woningen hadden. Het halve stadje is in 1646 – Bredevoorts rampjaar – bij een ontploffing in het kruithuis van de aardbodem verdwenen, waarna, op de middeleeuwse fundamenten, Bredevoorts tweede leven als garnizoensstad begon.

    Op de Markt is een voormalige bakkerij tot antiquariaat omgebouwd. Om de hoek bij het hervormde St. Joriskerkje, in de Boterstraat, heeft de eigenaar van Het Oplettende Lezertje, de eerste antiquaar die de sprong naar Bredevoort waagde, een onderkomen gevonden in de voormalige boterfabriek. En zo gaat het verder: in de Hozenstraat is het aantal aangedane antiquariaten, dezes in het Boekencentrum meegeteld, al opgelopen tot elf. „Je zit met z’n allen op een kluitje, ja. Maar dat heeft ook zo zijn voordelen voor de handel”, meent de een. „En bovendien, antiquaars moeten altijd bij elkaar zitten, anders gaan ze dood, denken ze”, vult een ander aan.

    Wie eens even iets anders wil dan dat gedrentel, kan een stukje buitenom lopen, langs het bolwerk. Terug binnendoor, langs het theekoepeltje in de tuin van het St. Bernardus verzorgingshuis, destijds het huis van de rentmeester. Naast het St. Bernardus ligt Emergo, met een filiaal van de Amsterdamse vrouwenboekhandel Vrouwenindruk. Verderop, in de Prinsenstraat, heeft de fietsenmaker zijn huis van onder tot boven met boeken volgestouwd. Zo zijn beide categorieën ruim vertegenwoordigd: die van meer marktgerichte tweedehandsboekhandelaars, en die van de gevestigde winkelantiquaars (zoals Bucher Mammut, met een mooie collectie Duitse bijbels) die het vooral moeten hebben van catalogi en meer gerichte zoekers.

    Bij het knooppunt van straatjes vlak bij de roomse kerk mondt een van de steegjes uit in een smal paadje dat naar een restant van de begroeide vestingwallen voert. De korenmolen steekt er boven het stadje uit. Ter hoogte van de Koppelstraat heeft u, ruwweg geschat, uw zestiende antiquaar te pakken: Ovidius, gespecialiseerd in onder meer Bigglesboeken. Genoeg voor vandaag. Gauw terug naar de warme kachel – waarbij aangetekend wordt dat ‘gauw terug’ een eufemisme is voor hen die met het openbaar vervoer kwamen. Een treurige toestand; terecht hoog genoteerd op de agenda van Bredevoort Boekenstad.

  • “Winterswijker is gewoon beter dan Aaltenaar” (?)

    “Winterswijker is gewoon beter dan Aaltenaar” (?)

    De Volkskrant, 21 juli 1994

    In een serie over rivaliteit tussen steden en dorpen schreef Gijs Zandbergen het volgende artikel over Aalten vs. Winterswijk:

    1994-07-21 Volkskrant - Aalten-Winterswijk rivalen

    Op het terras van café De Zwaan op de Markt van Winterswijk zitten twee mannen. Zij praten over het geharnaste CDA-kamerlid Wim Mateman uit het naburige Aalten. Zegt de een: ‘Wim Mateman, dat is een nette jongen, want die komt uit Aalten.’ ‘Ja, ja, daar kon je wel eens gelijk in hebben’. Op het eerste gehoor een dialoog die voor slechts één uitleg vatbaar is. Maar een goed verstaander van de Winterswijkse variant van het Achterhoeks weet dat het tegenovergestelde wordt bedoeld.

    Een Winterswijker zal niet gauw zeggen wat hij ergens van vindt. Het liefst zegt hij niets, want dan hoeft hij ook niemand te kwetsen. Maar als het dan toch moet, dan maar voorzichtig en met omwegen. De kans is dan ook groot dat hij Wim Mateman juist géén nette jongen vindt, hoogstens is het een ‘fijne’ jongen. Maar dat is niet zo bijzonder, want fijn of orthodox zijn ze in het streng gereformeerde Aalten bijna allemaal.

    Het op heuvels gebouwde dorp aan de oevers van de Slinge, wordt niet voor niets ‘Jeruzalem van de Achterhoek‘ genoemd. Het CDA had er tot de jongste gemeenteraadsverkiezingen de absolute meerderheid, verloor enkele zetels aan de Christelijke Volkspartij en bezit nu nog acht van de zeventien raadszetels.

    Fijn zijn ze tien kilometer noord-oostwaarts allerminst. Winterswijk is een voormalig links bolwerk, waar de PvdA eens de absolute meerderheid had. Die tijd is al wat langer voorbij. maar na de laatste nederlaag op 2 maart vormen de sociaal-democraten nog steeds de grootste fractie. Overigens bedoelt de gesprekspartner op de Markt net zo goed het tegenovergestelde van wat hij lijkt te zeggen. ‘Daar kon je wel eens gelijk in hebben’ betekent in het Winterswijks: ‘Ik denk dat ik het met je oneens ben’.

    Volkskrant, 21 juli 1994 - Zomerfeest Winterswijk
    Winterswijk: stadse neigingen

    Het is een gecompliceerde zaak, de verhouding tussen de twee gemeenten achter in de Achterhoek. Dat komt vooral doordat er geen duidelijke reden voor rivaliteit is aan te wijzen. Voor de keurig algemeen beschaafd Nederlands sprekende gemeentevoorlichter van Winterswijk is het ‘volstrekt nieuw’ dat de beide dorpen rivalen zijn. ‘En ik ben toch een autochtone Winterswijker.’ Voor de zegsvrouw in Aalten daarentegen klinkt het zeer bekend. Maar wat er nou precies aan de hand is… ‘Moeilijk hoor, het is meer een gevoel.’

    Beide dorpen liggen ver genoeg bij elkaar vandaan om de deur niet plat te lopen, geen van tweeën heeft de ander ooit gedomineerd of dwars gezeten en beide dorpen zijn redelijk welvarend. Tussen jongelui uit Winterswijk en Aalten hebben dan ook nooit vechtpartijen plaatsgevonden. Hoe kan het ook anders: Winterswijkers zijn wat afstandelijk en stijfjes en jeugdige niet-gereformeerde Aaltenaren die in het weekend gaan stappen, doen dat in ‘Las Vegas van de Achterhoek’, Groenlo, waar de discotheken staan.

    Het kost dan ook enige moeite te ontdekken wat Winterswijkers tegen Aalten hebben. Het zit zo: Aaltenaren zijn niet slecht, maar een Winterswijker is gewoon beter. En daarom kijken zij als vanzelfsprekend neer op Aalten. Er is daar geen mooie natuur, geen centrum, geen winkels, geen uitgaansmogelijkheden. Biljarter Hans Vultink komt er vandaan. Zeg nou zelf, biljarten in een dorp zonder kroegen doe je toch alleen als er niks te beleven valt?

    Ze hebben ooit geprobeerd in Aalten wat textielindustrie op poten te zetten. Maar die is nooit goed van de grond gekomen. De textiel in Aalten heeft dan ook nimmer de schoolwandkaarten gehaald. In tegenstelling tot de industrie van Winterswijk, die in een adem met die van Twente werd genoemd. Winterswijk is dan ook een fabrieksstad. Nou ja, geweest. Of in ieder geval van plan het weer te worden. Toen de textielindustrie nog bloeide, werkten er in de Tricotfabriek dertienhonderd man. Dat de textielindustrie intussen naar de lage-lonenlanden is verhuisd, is een andere zaak.

    Winterswijk was en is gewoon de beste. Het heeft het meest typische coulissenlandschap van de Achterhoek. Het streekziekenhuis: in Winterswijk. De muziekschool: in Winterswijk. Het Educatief Centrum voor Natuur en Milieu: in Winterswijk. De dorpen in de omgeving barsten van de jaloezie.

    Aaltenaren daarentegen vinden dat Winterswijkers stadse neigingen hebben. Als de provincie Gelderland iets te vergeven heeft, staat Winterswijk parmantig vooraan: ‘Kom maar op met die voorziening.’ Maar waarom staat het streekziekenhuis niet centraler in de Achterhoek? En dat Centrum voor Natuur- en Milieueducatie: er is er toch al een in Doetinchem?

    Winterswijkers zijn arrogant. Ze dachten ooit veertigduizend inwoners te zullen krijgen, daarom kregen ze al die voorzieningen. Maar het zijn uiteindelijk maar 28 duizend geworden, krap tienduizend meer dan Aalten er heeft. Winterswijk een stad, laat een Aaltenaar niet lachen. Ze zijn trots op Gerrit Komrij, maar ze vergeten erbij te vertellen dat ie op zijn negentiende al is weggevlucht.

    Wat Aaltenaren wel toegeven, is dat je voor je inkopen goed in ‘de metropool van de Achterhoek’ terecht kunt. Maar dan alleen doordeweeks, want elke zaterdag vindt er een invasie van Duitsers plaats. Dan is het net of het hele noordelijke Ruhrgebied over de Markt slentert. Marktkooplui en middenstanders spreken je aan in het Duits en het betaalmiddel is de mark.

    1994-07-21 Volkskrant - Laat u met God verzoenen
    Aalten: Jeruzalem van de Achterhoek

    Misschien zit daar dan toch wat oud zeer, want Winterswijk heeft een zwart verleden. Bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer in 1935 verwief de NSB er een recordaantal stemmen: 20,4 procent van de Winterswijkse stemgerechtigden koos voor de partij van Anton Mussert. De kleine pachtboeren en de onkerkelijke middenstand zagen in de jaren dertig dat het hun standgenoten aan de overkant van de grens veel beter ging.

    Niet dat alle Winterswijkers fout waren, want de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers is er per slot van rekening ook ontstaan, maar fatsoenlijk is toch anders. Na de oorlog werden ruim 750 Winterswijkers gearresteerd omdat ze met de Duitsers hadden geheuld.

    Dat is in Aalten nooit gebeurd. Daar wemelde het in de oorlogsjaren van de onderduikers. Op een gegeven moment woonden van de ruim dertienduizend inwoners er 2500 clandestien in het dorp. Dat waren de mensen die zich wilden onttrekken aan de Arbeitseinsatz.

    Maar Aaltenaren zijn niet haatdragend. ledere Winterswijker op weg naar het westen, kan op een groot bord bij de gemeentegrens van Aalten lezen: ‘In naam van Christus vragen wij u: Laat u met God verzoenen.‘ Die boodschap geldt trouwens ook voor de inwoners van de nabijgelegen boekenstad Bredevoort (gemeente Aalten), die dezelfde weg naar het westen moeten volgen. Zij hebben het sierkanon in het stadspark op een nacht richting Aalten geplaatst. De reden? Precies dezelfde als waarom Aaltenaren hun neus ophalen voor Winterswijkers: te betweterig.

  • Een wandeling door een huilend bos

    Een wandeling door een huilend bos

    Van Aalten naar Winterswijk

    De Scholtenpad-etappe van Aalten naar Winterswijk is circa 20 kilometer, en voert vooral over zandpaden. Aalten en Winterswijk zijn per trein bereikbaar, op beide stations staat het Scholtenpad direct aangegeven met rood-witte markering. Het totale Scholtenpad is een LAW-wandeling en de beschrijving met goede kaarten is verkrijgbaar bij de in wandelingen gespecialiseerde boekhandels.

    Bij de watermolen van Berenschot, net ten zuiden van Winterswijk, is het ‘openluchtmuseum’ compleet. Het rad beweegt door het kolkende water, de molenaar sjouwt met zakken, en boven, in een ruimte die voor het publiek toegankelijk is, draaien zware stenen veevoeder. De tijd lijkt te hebben stilgestaan, dat is wellicht een cliché, maar bij Berenschot komt die uitdrukking direct bovendrijven.

    Eigenlijk is het hele Scholtenpad een tocht door een tijd die achter ons ligt. De etappe van Aalten naar Winterswijk voert direct na de bebouwde kom langs het vestinghuis het Walfort. Er sjezen wat kinderen op mountainbikes door de tuin, dat is het enige stukje twintigste eeuw hier. Langs de Keizersbeek soppen we even heen en terug naar Bredevoort voor een kop koffie, in het stadje dat is opgetrokken rond een burcht uit de twaalfde eeuw. Maarten van Rossum heeft destijds een vesting van het gehucht gemaakt, met grachten en echte bastions. Maar in 1646 sloeg de bliksem hier in de kruittoren en ging de hele burcht de lucht in, inclusief de drost.

    Van die eigenlijke vesting is nog maar weinig zichtbaar, toch blijft Bredevoort pittoresk. Het is een rommeltje in die stad, van vakwerkhuizen kriskras door elkaar. Volgens de VVV moet dit het middeleeuwse stratenpatroon zijn. We lopen langs het beeldje van Rembrandts vrouw Hendrickje Stoffels naar de Korenmolen, die op een oud stuk stadswal fier boven de daken van Bredevoort uitsteekt.

    Het gaat terug richting hoofdpad, en in de bossen horen we de midwinterhoornblazers, die vandaag een openluchtconcert geven. Om de kilometer staan plukjes blazers, die hun tonen uit de houten traditionele hoorns aan de wind meegeven. Het bos huilt.

    Het Scholtenpad dankt zijn naam aan de zogenoemde scholtegoederen die in de streek rond Winterswijk in de middeleeuwen ontstonden. In die tijd waren de adel en de kloosters zeer machtig, en hadden zij veel grond. De boeren zochten bescherming bij de machtige lieden, en in ruil daarvoor werden ze horig. Aan het einde van de middeleeuwen waren de hofgoederen in deze streek zo uitgedijd dat het beheer moest worden overgedragen aan ‘filiaalhouders’, vooraanstaande boeren, de scholten, die de functie van rentmeester kregen.

    Na de middeleeuwen verslapte de macht van de adel, en kregen de scholten juist meer te vertellen, ze werden zelf eigenaar en ontwikkelden zich tot hereboeren. Scholteboer werd een eretitel. In de zeventiende en achttiende eeuw werden de scholten steeds machtiger, vooral door de lucratieve handel met het westen. En met de winst werden weer nieuwe goederen gekocht zodat een groot aaneengesloten gebied van scholtegoederen ontstond.

    Op de tocht rond Winterswijk komen wandelaars die boerderijen regelmatig tegen. Het aardige van het gebied is dat er nog steeds kleinschalige landbouw plaatsvindt en er nauwelijks ruilverkaveling heeft plaatsgevonden. De boerderijen met hun land worden afgewisseld door bossen en beken. Ze vormen één geheel, één landschap.

    De oude zandpaden zijn bij een herindeling niet rechtgetrokken, maar slingeren hier moeizaam van boerderij naar boerderij, een oude eik ontwijkend en precies over een bruggetje dat voor het gemak eigenlijk tien meter naar links had moeten liggen. De houtwallen, de essenbossen, het geeft het agrarisch gebied iets intiems in een hoedanigheid die je nog zelden in Nederland aantreft.

    We slingeren richting noorden, sommige boerderijen zijn door yuppen overgenomen, in andere woont de boer nog. Langs het pad staat een oud kippehok, er grazen wat schapen, en in de verte loopt een bokje over een stellage van hout.

    Vooral ten zuiden van Winterswijk struikelen wandelaars bij wijze van spreken over laaglandbeken, die hier, in tegenstelling tot in andere delen van Nederland, veelal hun natuurlijke loop hebben kunnen aanhouden.

    Opvallend is dat de beken zo diep zijn uitgesneden. Dat komt door de keileemlaag, die slechts enkele meters onder het zand begint en geen water doorlaat. Overtollig water kan dus niet de grond in en komt in de beken terecht, die daardoor worden uitgesleten. Bij de bruggetjes liggen stuivers in het water, gooi een muntje over je rug de beek in, en je krijgt geluk, heet het. Laten we nou alleen papieren geld en wat guldens bij ons hebben.

    HANS MARIJNISSEN

  • Grafpijproker de cel in

    Grafpijproker de cel in

    De 20-jarige F.W. R. uit het Achterhoekse Aalten is gisteren door de Zutphense rechtbank veroordeeld tot zeven maanden met aftrek omdat hij zich schuldig had gemaakt aan het zogenoemde ‘grafpijproken.

    De man had er, samen met enkele vrienden, de gewoonte van gemaakt om hasj te roken op het kerkhof. Daarbij groeven ze een gat in de grafgrond waarin de smeulende verdovende middelen werden gelegd. Vervolgens werd er een pvc buis in gestoken dat leidde naar de hasj.

    Door vervolgens aan de pijp te lurken, raakten de junkies in hogere sferen. Met name het roken via de graven bezorgde de verslaafden een extra kick. Volgens een woordvoerder van de Aaltense politie hielden de Achterhoekers zich met grote regelmaat bezig met deze door hen bedachte methode.

    De Aaltenaar had zich al eerder aan deze vorm van grafschennis schuldig gemaakt, maar kreeg van de rechtbank onlangs de gelegenheid zijn leven te beteren. Hij zou een ontwenningskuur gaan volgen in een kliniek in Staphorst, maar was al na een dag terug in Aalten.

    Nadat hij zich binnen de kortste keren weer had vergrepen aan het grafpijproken, besloot de officier van justitie hem opnieuw te dagvaarden, waarna hij gisteren door de meervoudige strafkamer werd veroordeeld.